< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Uitspraak



typ. AD

rolnr. C0100929/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,

tweede kamer, van 12 november 2002,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

2. [APPELLANT 2],

wonende te [woonplaats],

3. [APPELLANT 3],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

4. [APPELLANT 4],

wonende te [woonplaats],

5. [APPELLANT 5],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

6. [APPELLANT 6],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

7. [APPELLANT 7],

wonende te [woonplaats],

8. [APPELLANT 8],

wonende te [woonplaats], Groot-Brittannië,

9. [APPELLANT 9],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente]

10. [APPELLANT 10],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

11. [APPELLANT 11],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

12. [APPELLANT 12],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

13. [APPELLANT 13],

wonende te [woonplaats],

14. [APPELLANT 14],

wonende te [woonplaats],

15. [APPELLANT 15],

wonende te [woonplaats],

appellanten bij dagvaarding van 28 september 2001,

procureur: mr. A.A.H.M. van der Wijst,

t e g e n :

1. [GEÏNTIMEERDE 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

2. [GEÏNTIMEERDE 2],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

3. [GEÏNTIMEERDE 3],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

4. [GEÏNTIMEERDE 4],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerden,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

op het hoger beroep tegen de door de rechtbank te 's-Hertogenbosch gewezen tussenvonnis van 24 november 2000 en het eindvonnis van 29 juni 2001 gewezen tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (rolnr. 29231 HAZA 98-2081)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en de daarin genoemde stukken.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben appellanten, hierna ook [appellant] c.s., dertien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot hetgeen in het petitum van de memorie van grieven is geformuleerd.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden, hierna [geïntimeerde] c.s., de grieven bestreden en, kort gezegd, geconcludeerd tot hetgeen in de conclusie van die memorie is geformuleerd.

2.3. [Appellant] c.s. heeft voorts een akte genomen waarop partijen vervolgens hun zaak hebben bepleit en ten slotte de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Tegen de door de rechtbank in r.o. 2 van het vonnis van 24 november 2000 vast gestelde feiten zijn geen grieven gericht, zodat het hof van de juistheid van die feiten uitgaat. Kortheidshalve verwijst het hof naar die feiten.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Vader [naam] (hierna vader [naam]) is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [Naam 1e echtgenote], overleden op [datum] 1923. Uit dit huwelijk is geboren [zoon 1e huwelijk], overleden op [datum] 1986. Vader [naam] is na het overlijden van [naam 1e echtgenote] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [naam 2e echtgenote] (hierna moeder [naam]). Uit dit huwelijk zijn negen kinderen geboren, waaronder overleden zoon 2e huwelijk (hierna [overleden zoon 2e huwelijk]), overleden op [datum] 1997. Vader [naam] is op [datum] 1976 overleden en moeder [naam] is op [datum] 1988 overleden.

Vader [naam] heeft bij testament aan moeder [naam] het levenslange recht van vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap gelegateerd.

Op 31 augustus 1960 hebben vader [naam] en moeder [naam] een boerderij bestaande uit een huis met stal, schuur, erf, bijgebouwen, bouwland en weiland gelegen aan [straat A] te [plaats] (hierna: de boerderij) aan [overleden zoon 2e huwelijk] verkocht en geleverd voor de koopsom van f. 12.000,- onder voorbehoud van het zakelijke recht van gebruik en bewoning. De verkoopwaarde van de boerderij is voor de berekening van de registratierechten gesteld op f. 23.000,-. In de akte van overdracht is bepaald dat wordt uitgesloten van de verplichting tot inbreng in de nalatenschappen van vader [naam] en moeder [naam] elke bevoordeling welke in de verkoop voor [overleden zoon 2e huwelijk] gelegen zou kunnen zijn.

Op 5 augustus 1998 heeft Appellant c.s. beslag doen leggen op het perceel aan [straat A nr. 1] te [plaats] en op het perceel aan [straat A nr. 10] te [plaats] ter bewaring van hun rechten op [GEÏNTIMEERDE 3] (geïntimeerde sub 3) en [GEÏNTIMEERDE 1 (geïntimeerde sub 1).

In deze procedure vordert [appellant] c.s. in conventie, kort gezegd, dat de nalatenschap van vader [naam] verdeeld wordt en dat [geïntimeerde] c.s. f. 387.821,25 inbrengt in de nalatenschap van vader [naam] of tot dat bedrag ingekort wordt. Verder vordert zij, kort gezegd, dat de nalatenschap van moeder [naam] verdeeld wordt en dat [geïntimeerde] c.s. f. 559.858,33 inbrengt in de nalatenschap van moeder [naam] of tot dat bedrag wordt ingekort.

De rechtbank heeft deze vordering deels toegewezen, namelijk ten aanzien van de wijze van verdeling van de lijfsieraden van moeder [naam], en voor het overige afgewezen.

In reconventie vordert [geïntimeerde] c.s. schadevergoeding op te maken bij staat als gevolg van onrechtmatig gelegde beslagen. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.

De grieven richten zich tegen de oordelen in conventie en in reconventie.

4.3. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Uit het petitum van de memorie van grieven begrijpt het hof dat ook gegriefd wordt tegen het afwijzen door de rechtbank van de vordering tot verdeling, met uitzondering van de verdeling van de sieraden.

4.4.1. Alvorens tot de beoordeling van de vorderingen over te gaan zal het hof eerst de inhoud van de vordering in conventie vast stellen.

In het petitum van de dagvaarding in eerste aanleg onder 1, 2 en 3, waarnaar in het petitum van de memorie van grieven verwezen wordt, staat dat Appellant c.s. de verdeling van de nalatenschap vordert van vader [naam] respectievelijk van moeder [naam] op een wijze dat [geïntimeerde] c.s. bepaalde bedragen moet inbrengen, althans zodanige bedragen dat de erfgenamen na verdeling beschikken over zijn of haar wettelijk erfdeel.

Het hof begrijpt dat Appellant c.s. aldus het volgende vordert:

1. In het petitum onder 1 en 2 van de dagvaarding in eerste aanleg:

Veroordeling van [geïntimeerde] c.s. tot hoofdelijke aansprakelijkheid voor de bedragen die ingekort moeten worden tot het wettelijk erfdeel, waarbij

a. primair bij het bepalen van de omvang van de twee nalatenschappen uitgegaan dient te worden van het feit dat de boerderij met levende have en gewassen ter velde geschonken is aan [overleden zoon 2e huwelijk];

b. subsidiair bij het bepalen van de omvang van de twee nalatenschappen uitgegaan dient te worden van het feit dat in de overeengekomen verkoopprijs van de boerderij, levende have en gewassen te velde en gereedschappen een bevoordeling besloten ligt van f. 69.990,- ten tijde van de overdracht, althans dat in de verkoopprijs van de boerderij een bevoordeling besloten ligt en de levende have en de gewassen ter velde en de gereedschappen geschonken zijn, resulterend in een totale bevoordeling van genoemd bedrag;

c. meer subsidiair bij het bepalen van de omvang van de twee nalatenschappen uitgegaan dient te worden van het feit dat in de overeengekomen verkoopprijs van de boerderij, de levende have en de gewassen ter velde en de gereedschappen een bevoordeling besloten ligt van f. 30.400,- ten tijde van de overdracht, althans dat in de verkoopprijs van de boerderij een bevoordeling besloten ligt en de levende have en de gewassen ter velde en de gereedschappen geschonken zijn, resulterend in een totale bevoordeling van genoemd bedrag.

Veroordeling van [geïntimeerde] c.s. tot hoofdelijke aansprakelijkheid voor de bedragen die ingebracht moeten worden met betrekking tot de waarde van de geschonken levende have en de gewassen ter velde.

2. In het petitum onder 3 van de dagvaarding in eerste aanleg:

Verdeling van de nalatenschap van vader [naam] en moeder [naam].

4.4.2. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft mr. Van der Wijst op vragen van het hof diverse weergaven van de vordering gegeven. Mr. Van Schaick, de advocaat van [geïntimeerde] c.s., reageerde op de uiteindelijke weergave door Van der Wijst van de vordering met de stelling dat het hier een wijziging van eis betrof waartegen hij zich verzette.

Het hof verklaart het verzet ongegrond, omdat het van de onjuiste veronderstelling uitgaat dat het hier gaat om een wijziging van eis. Het hof begrijpt dat thans nog steeds uitgegaan moet worden van de vordering zoals in eerste aanleg verwoord, maar dat de grondslagen van zijn vordering moeten worden begrepen als hierboven weergegeven. Aldus is geen sprake van een wijziging van eis, maar van een nadere uitleg van de grondslagen van zijn vordering. Nu deze grondslagen ook al in de eerdere gedingstukken zijn terug te vinden, is [geïntimeerde] c.s. niet in haar verdediging geschaad.

MET BETREKKING TOT DE APPELLANTEN ONDER 2 T/M 8

4.5.1. [geïntimeerde] c.s. stelt dat appellanten onder 2 t/m 8 geen deelgenoot zijn in de nalatenschap van [zoon 1e huwelijk], een zoon van vader [naam] en mw. [naam 1e echtgenote], zodat zij ook geen deelgenoten zijn in de nalatenschappen van vader [naam].

Zij onderbouwen hun stelling met de door appellanten overgelegde verklaring voor erfrecht (prod. bij memorie van grieven) met betrekking tot de nalatenschap van [zoon 1e huwelijk]. In die verklaring staat onder meer dat de echtgenote van [zoon 1e huwelijk], [echtgenote van zoon 1e huwelijk, alleen en met uitsluiting van ieder ander bevoegd en gerechtigd is tot de opengevallen nalatenschap behorende zaken in bezit te nemen en gelden te innen. Aldus, zo betoogt [geïntimeerde] c.s., is sprake van een verdeling van de nalatenschap van [zoon 1e huwelijk] waardoor [echtgenote van zoon 1e huwelijk] enige gerechtigde is tot de goederen van zijn nalatenschap.

4.5.2. Uit de overgelegde en niet betwiste verklaring van erfrecht blijkt dat [zoon 1e huwelijk] testamentair een ouderlijke boedelverdeling heeft opgesteld waarbij zijn echtgenote degene is die de vorderingen van de nalatenschap op derden kan innen. Het rechtsgevolg van deze testamentaire beschikking is dat de kinderen van [zoon 1e huwelijk] geen deelgenoten zijn in zijn nalatenschap. Dit brengt met zich dat slechts de echtgenote van de erflater [zoon 1e huwelijk] gerechtigd is de vorderingen van diens nalatenschap te innen. De appellanten onder 2 t/m 8 zijn derhalve niet vorderingsgerechtigd ten aanzien van de vordering tot verdeling van, en inkorting en inbreng in de nalatenschappen van vader [naam]. Hun vorderingen zullen derhalve door het hof worden afgewezen.

Hierna zal het hof onder Appellant c.s. niet meer de appellanten onder 2 t/m 8 verstaan.

MET BETREKKING TOT DE GEÏNTIMEERDE ONDER 1

4.6.1. Geïntimeerde onder 1 voert de niet-ontvankelijkheid aan, althans afwijzing van de vorderingen van Appellant c.s. jegens haar ([geïntimeerde 1]) aan.

Zij stelt daartoe dat de geïntimeerden (voorheen gedaagden) gedagvaard zijn als erfgenaam van [overleden zoon 2e huwelijk], terwijl uit het overgelegde testament van [overleden zoon 2e huwelijk] blijkt dat zij geen erfgenaam van [overleden zoon 2e huwelijk] is.

Appellant c.s. betwist de feitelijke juistheid van deze stelling niet. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de vorderingen jegens [GEÏNTIMEERDE 1] moeten worden afgewezen.

Bij pleidooi in hoger beroep heeft mr. Van Schaick desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat geïntimeerden geen incidenteel appel hebben willen instellen en derhalve ook niet geïntimeerde onder 1. Deze omstandigheid, in verband met de regel dat appellanten niet slechter mogen worden van het hoger beroep (tenzij incidenteel appel is ingesteld) leidt tot het oordeel dat het hof het vonnis van de rechtbank in conventie ten aanzien van geïntimeerde onder 1 zal bekrachtigen.

Aangezien Appellant c.s. ten aanzien van genoemde geïntimeerde in het ongelijk is gesteld zal het hof appellanten in de kosten van de procedure in hoger beroep jegens geïntimeerde onder 1 veroordelen.

MET BETREKKING TOT HET VERWEER EXCEPTIO PLURIUM LITIS CONSORTIUM

4.7.1. Het meest verstrekkende verweer van [geïntimeerde] c.s. betreft het beroep op de exceptio plurium litis consortium. Zij stelt dat het hier een vordering tot verdeling van een nalatenschap betreft, waarbij alle deelgenoten (erfgenamen) betrokken moeten worden. Twee van de erfgenamen zijn niet in de procedure betrokken, namelijk de kinderen [kind A] te [woonplaats] en [kind B] te [woonplaats]. Volgens [geïntimeerde] c.s. leidt dit tot niet-ontvankelijkheid.

4.7.2. Het hof honoreert dit verweer voor zover het de vordering onder 3 van de inleidende dagvaarding betreft (verdeling nalatenschappen). Dit is namelijk een vordering betreffende een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle bij die verhouding betrokkenen hetzelfde luidt. Met andere woorden: de rechter mag niet tot rechterlijke verdeling overgaan dan in het geval alle erfgenamen in de procedure partij zijn. Nu Appellant c.s. niet betwist dat niet alle erfgenamen in de procedure partij zijn, zal het hof Appellant c.s. niet-ontvankelijk verklaren in de vordering onder 3.

4.7.3. Voor wat betreft de vorderingen onder 1 en 2 van de inleidende dagvaarding (inkorting en inbreng) verwerpt het hof het verweer op de navolgende gronden.

Volgens vaste rechtspraak is van een ondeelbaarheid van een rechtverhouding waarin door de rechter slechts kan worden beslist in een geding waarin alle bij deze rechtsverhouding betrokkenen partij zijn, slechts sprake, indien het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van al die betrokkenen in dezelfde zin luidt. Dit mag slechts worden aangenomen indien aard en inhoud van de rechtsverhouding daartoe nopen, hetgeen meebrengt dat de vraag of van een zodanige ondeelbaarheid kan worden gesproken, zich niet altijd leent voor beantwoording in algemene zin, aangezien de bijzonderheden van het gegeven geval van doorslaggevende betekenis kunnen zijn (HR 26 maart 1993, NJ 1993/489).

4.7.4. Naar het oordeel van het hof betreffen de vorderingen onder 1 en 2 geschilpunten (inkorting en inbreng) die aan de rechter kunnen worden voorgelegd alvorens tot een verdeling tussen alle erfgenamen te komen. Gezien de bijzondere omstandigheden van het geval behoeven bij het geschil over deze vorderingen niet alle erfgenamen partij te zijn, ook al is het in het kader van de beoordeling van de vorderingen noodzakelijk de omvang van de nalatenschap vast te stellen. Deze bijzondere omstandigheden zijn dat de erfgenamen die niet partij zijn bij de procedure, niet tot dat deel van de erfgenamen behoren waartegen de vorderingen zich richten, zodat zij (de niet partij zijnde erfgenamen) door een gezag van gewijsde in deze procedure niet in hun belangen geschaad kunnen worden.

4.7.5. Het hof merkt nu reeds op dat het voor de vaststelling van de omvang van de nalatenschappen mogelijk is dat van de twee erfgenamen die geen partij zijn bij deze procedure gegevens nodig zijn. Dit staat echter niet aan het afwijzen van de exceptio plurium litis consortium in de weg voor zover het de vorderingen onder 1 en 2 van de dagvaarding betreft.

MET BETREKKING TOT DE VORDERINGEN TOT INKORTING EN INBRENG TEN AANZIEN VAN DE NALATENSCHAP VAN VADER [NAAM]

4.8.1. Vervolgens voert [geïntimeerde] c.s. aan dat de vordering tot inkorting van Appellant c.s. met betrekking tot de nalatenschap van vader [naam] verjaard is.

Zij stelt dat vader [naam] overleden is op 2 januari 1976, zodat rechtsvordering tot inkorting met betrekking tot die nalatenschap op grond van art. 3:306 BW uiterlijk op 2 januari 1996 had moeten zijn ingesteld. Appellant c.s. heeft de vordering niet voor 2 januari 1996 gestuit, zo stelt [geïntimeerde] c.s. verder, zodat ze verjaard is.

4.8.2. Appellant c.s. brengt daar tegenin dat op grond van art. 4:967 BW het beroep op de legitieme niet aan verjaring onderhevig is. Zij verwijst naar de Nota van wijziging bij dat artikel.

4.8.3. Het hof honoreert het verweer van [geïntimeerde] c.s. omdat in het geval de wet niet anders bepaalt de vordering tot inkorting bij een nalatenschap op grond van art. 3:306 verjaart door verloop van twintig jaren. Het door Appellant c.s. genoemde art. 4:967 BW bepaalt slechts dat vorderingen tot verdeling niet verjaren. Daarvan is echter bij de vordering tot inkorting geen sprake.

Het bovenstaande heeft tot gevolg dat het hof de vordering tot inkorting met betrekking tot de nalatenschap van vader [naam] zal afwijzen (vordering onder 1 van de inleidende dagvaarding).

4.8.4. Voor zover [geïntimeerde] c.s. in de conclusie van antwoord onder nummer 18 en de memorie van grieven onder nummer 39 betoogt dat de vordering tot inbreng eveneens verjaard is, verwerpt het hof dit betoog. De verplichting tot inbreng hangt immers zo nauw samen met de eigenlijke verdeling dat deze in het spoor van de vordering tot verdeling niet kan verjaren.

4.8.5. Voor de verdere behandeling van de verplichting tot inbreng ten aanzien van de nalatenschap van vader [naam] verwijst het hof naar r.o. 4.10 e.v.

MET BETREKKING TOT DE VORDERING TOT INKORTING TEN AANZIEN VAN DE NALATENSCHAP VAN MOEDER [NAAM]

4.9.1. Primair stelt Appellant c.s. dat in 1960 een boerderij is verkocht inclusief gewassen te velde, levende have en gereedschappen. Zij stelt verder dat de koopprijs zodanig was dat deze slechts een symbolische waarde had, zodat in wezen de boerderij met gewassen, levende have en gereedschappen niet verkocht is, maar geschonken.

Het hof oordeelt hierover als volgt. Indien een zaak beneden de werkelijke waarde verkocht is kan van inkorting in natura alleen sprake zijn in het geval de tegenprestatie van zo geringe betekenis is dat zij niet als werkelijke koopprijs kan worden beschouwd. Van die situatie moet onderscheiden worden dat de zaak verkocht is voor een weliswaar lage, maar toch substantiële tegenprestatie (HR 31 maart 2000, LJN-nummer AA5321, r.o. 3.4.)In het laatste geval is de koper bevoordeeld met het bedrag waarmee de waarde die de zaak ten tijde van de verkoop had de koopprijs overtreft.

De primaire stelling van Appellant c.s. ziet op de inkorting in natura. Het hof verwerpt die stelling, omdat in 1960 een bedrag van f. 12.000,- als een weliswaar lage, maar toch substantiële koopprijs door het hof gezien wordt voor een boerderij met toebehoren met daarop een zakelijk recht van gebruik en bewoning rustend, zelfs in het geval het hof veronderstellenderwijs uitgaat van de juistheid van de stelling van Appellant c.s. dat de waarde van die boerderij in 1960 f. 81.990,- bedroeg.

4.9.2. Subsidiair en meer subsidiair stelt Appellant c.s. dat de verkoop van de boerderij met toebehoren voor f. 12.000,- een materiële bevoordeling inhoudt van f. 69.990,- (inclusief levende have, gewassen ter velde en gereedschappen zoals genoemd in productie 7 conclusie van eis), althans een bevoordeling van f. 30.400,- (exclusief levende have, gewassen ter velde en gereedschappen) van [overleden zoon 2e huwelijk]. Zij onderbouwt deze bevoordelingen met een taxatie-rapport van de heer Kerkhofs.

4.9.3. [geïntimeerde] c.s. betwist gemotiveerd dat de verkoop van de boerderij tevens de verkoop van de levende have, gewassen ter velde en de gereedschappen inhield zoals genoemd in productie 7 bij conclusie van eis. Zij stelt dat vader [naam] de boerderij als veehouder exploiteerde en zijn zoon [overleden zoon 2e huwelijk] zich toelegde op de volle grondstuinderij, waarvoor hij de vermelde levende have, de gewassen ter velde en de gereedschappen niet nodig had. Vervolgens stellen zij dat de akte van levering van de boerderij dwingende bewijskracht oplevert.

Tevens betwist [geïntimeerde] c.s. gemotiveerd het taxatie-rapport van de heer Kerkhofs met betrekking tot beide bevoordelingsbedragen. Ten slotte betwist [geïntimeerde] c.s. gemotiveerd de bevoordelingsbedoeling van vader [naam] en moeder [naam].

4.9.4. Bij deze stand van zaken rust op Appellant c.s. de bewijslast van haar stelling dat tot de verkoop van de boerderij in 1960 de levende have, de gewassen ter velde en de gereedschappen behoorden. Met het thans aangedragen bewijs is Appellant c.s. niet in het bewijs geslaagd. Appellant c.s. heeft een concreet en gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Het hof zal Appellant c.s. tot bewijs toelaten.

De door [geïntimeerde] c.s. aangedragen stelling dat de transportakte van de boerderij dwingende bewijskracht oplevert, doet aan het toelaten van Appellant c.s. tot bewijs niet af.

4.9.5. Voor het geval Appellant c.s. geheel of gedeeltelijk slaagt in het opgedragen bewijs, komt de vraag aan de orde wat de staat was van de levende have, gewassen ter velde en gereedschappen waarvan bewezen is dat zij in 1960 mede verkocht waren.

Het hof heeft in de gedingstukken geen stellingen van Appellant c.s. op dit punt aangetroffen. Het hof stelt Appellant c.s. in de gelegenheid zich uit te laten over de staat waarin genoemde zaken zich bevonden in de memorie na enquête.

4.9.6. Na de bewijslevering van de stelling in r.o. 4.9.4. en de eventuele bewijslevering ten aanzien van de staat van de goederen genoemd in r.o. 4.9.5. zal het hof een of meer deskundigen benoemen teneinde die deskundige(n) de vragen voor te leggen:

1. wat was ten tijde van het overlijden van moeder [naam] de waarde van de boerderij die volgens de akte van levering aan [overleden zoon 2e huwelijk] verkocht is, een en ander te beoordelen naar de staat ten tijde van de koop in 1960?

2. wat was ten tijde van het overlijden van moeder [naam] de waarde van de levende have, de gewassen ter velde en de gereedschappen in eigendom toebehorende aan vader [naam], een en ander te beoordelen naar de staat ten tijde van de koop in 1960?

3. wat was de waarde van de componenten onder 1 en 2 indien zij gezamenlijk verkocht worden?

4. welke opmerkingen acht(en) de deskundige(n) verder nog van belang voor de door het hof te nemen beslissingen ter zake de inkorting?

Bij memorie na enquête stelt het hof beide partijen in de gelegenheid hun opvatting kenbaar te maken over de te stellen vragen, of een of meer deskundigen benoemd moeten worden en welke deskundige(n) benoemd moeten worden.

Het hof merkt thans reeds op dat appellanten het voorschot van de deskundige(n) zullen moeten voldoen, omdat het deskundigenbericht plaatsvindt in het kader van stellingen waarvan op hen de bewijslast drukt.

4.9.7. Mede afhankelijk van de uitkomst van de bewijslevering en het deskundigenbericht komt het hof toe aan de vraag of sprake was van een bevoordelingsbedoeling van vader [naam] en moeder [naam].

4.9.8. Voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] c.s. ingekort moeten worden is niet alleen de vraag van belang of en in hoeverre er sprake is van een materiële bevoordeling, maar ook wat de totale omvang van de nalatenschap van moeder [naam] was op het moment van haar overlijden.

Desgevraagd hebben appellanten bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep verklaard dat buiten de sieraden van moeder slechts inboedel verdeeld is die geen enkele waarde had. Geïntimeerden hebben deze verklaring betwist.

Het hof stelt appellanten in de gelegenheid bij memorie na enquête precies aan te geven welke goederen in de nalatenschap van moeder [naam] aanwezig waren, wat de waarde van die goederen was op moment van openvallen van de nalatenschap en wie wat gekregen heeft. Het hof nodigt appellanten uit de gevraagde gegevens zo mogelijk met justificatoire bescheiden te staven, zoals bijvoorbeeld de aangifte voor de successiebelastingen of taxatierapporten van de sieraden van moeder [naam].

Mochten appellanten de gevraagde gegevens niet, dan wel onvoldoende aandragen, dan zal het hof daaraan die gevolgen verbinden die het geraden acht.

4.9.9. Het hof oordeelt thans reeds dat de vordering in ieder geval afgewezen zal worden voor zover daarmee een hoofdelijke veroordeling gevraagd is, omdat een erfgenaam slechts aansprakelijk kan zijn voor het bedrag waarmee zijn eigen erfdeel ingekort wordt.

MET BETREKKING TOT DE VORDERING TOT INBRENG IN DE NALATENSCHAP VAN VADER [NAAM] EN MOEDER [NAAM] VAN DE OVERWAARDE VAN DE VERKOCHTE BOERDERIJ

4.10.1. Primair vordert [geïntimeerde] c.s. inbreng in natura van de aan [zoon 1e huwelijk] verkochte boerderij. Het hof verwerpt deze vordering op dezelfde gronden als het de inkorting in natura verworpen heeft. Kortheidshalve verwijst het hof naar r.o. 4.9.1.

4.10.2. Voorts vordert [geïntimeerde] c.s. inbreng van de overwaarde van de boerderij boven f. 23.000,-, zijnde f. 30.400,-.

Het hof zal aan de genoemde deskundige de volgende vragen voorleggen:

5. Wat was de waarde van de verkochte boerderij in 1960?

6. Welke opmerkingen acht de deskundige(n) verder nog van belang voor de door het hof te nemen beslissing ter zake de inbreng van de overwaarde van de verkochte boerderij?

Voor de reactie op de geformuleerde vragen en het te betalen voorschot verwijst het hof kortheidshalve naar r.o. 4.9.4.

MET BETREKKING TOT DE VORDERING TOT INBRENG IN DE NALATENSCHAP VAN VADER [NAAM] EN MOEDER [NAAM] VAN DE WAARDE VAN DE LEVENDE HAVE, DE GEWASSEN TER VELDE EN DE GEREEDSCHAPPEN

4.11. Mocht uit de genoemde bewijslevering volgen dat de levende have, de gewassen ter velde en de gereedschappen behoorden tot de zaken die verkocht zijn aan [overleden zoon 2e huwelijk], dan wordt de stelling relevant dat de verkoop een materiële bevoordeling inhoudt van f. 69.990,-. Voor die situatie zal het hof aan de deskundige(n) de volgende vraag voorleggen:

7. Wat was de waarde van de verkochte boerderij in 1960 inclusief levende have, de gewassen ter velde en de gereedschappen?

8. Welke opmerkingen acht de deskundige(n) verder nog van belang voor de door het hof te nemen beslissing ter zake de inbreng van de overwaarde van de verkochte boerderij inclusief de levende have, de gewassen ter velde en de gereedschappen?

4.12. Voor het geval Appellant c.s. niet in het bewijs slaagt wordt haar stelling relevant dat de genoemde zaken aan [overleden zoon 2e huwelijk] geschonken zijn, hetgeen door [geïntimeerde] c.s. gemotiveerd betwist wordt.

Op Appellant c.s. rust de bewijslast van deze stelling. Hetgeen zij als bewijs heeft aangedragen is onvoldoende om de conclusie te trekken dat zij thans reeds in het bewijs geslaagd is. De rechtbank heeft Appellant c.s. op dit punt reeds tot bewijs toegelaten. In hoger beroep heeft Appellant c.s. niet concreet en specifiek aangegeven hoe zij haar stelling anders wil bewijzen dan met hetgeen zij in eerste aanleg heeft aangedragen. Derhalve is niet sprake van een adequaat bewijsaanbod, zodat het hof Appellant c.s. niet tot bewijs zal toelaten.

De vordering zal dan worden afgewezen, omdat de juistheid daarvan in rechte niet is komen vast te staan.

4.13. Het hof zal pas tot beoordeling van de vorderingen in reconventie overgaan, nadat die in conventie beoordeeld zijn.

4.14. Het hof acht termen aanwezig tussentijds cassatieberoep uit te sluiten.

4.15. Het hof houdt iedere beslissing aan.

5. De uitspraak

Het hof:

laat appellanten onder 1 en 9 t/m 15 toe tot bewijs dat onderdeel van de koopovereenkomst in 1960 tussen vader [naam] en moeder [naam] aan de ene kant en hun zoon [overleden zoon 2e huwelijk] aan de andere kant niet alleen de zaken in de transportakte waren, maar ook de levende have, de gewassen ter velde en de gereedschappen;

bepaalt, voor het geval appellanten bewijs door getuigen willen leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Sterk als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 26 november voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op woensdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de procureur van appellanten bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van appellanten tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt dat van dit arrest geen cassatie kan worden ingesteld, dan tegelijkertijd met het eindarrest;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rothuizen-van Dijk, Sterk en Van Wechem en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 november 2002.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature