< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Uithuisplaatsing nog noodzakelijk in verband met onderzoeken, die (deels) nog moeten plaatsvinden.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 21 november 2012

Zaaknummer : 200.112.410/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-935

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

1. [de vader van minderjarige 1, minderjarige 2 en minderjarige 3],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: [de vader van minderjarige 1, minderjarige 2 en minderjarige 3],

2. de heer [de vader van minderjarige 4],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [de vader van minderjarige 4],

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

1. [pleegmoeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegmoeder,

2. [pleegvader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegvader,

gezamenlijk aan te duiden met: de pleegouders,

3. [de partner van de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de partner van de moeder.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 29 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 juni 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 4 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 19 oktober 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van Jeugdzorg:

- op 19 oktober 2012 een brief zonder datum met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 15 oktober 2012 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 31 oktober 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door mr. J.J.M. Vrancken, een kantoorgenoot van haar advocaat;

- de heer J. Hofman en de heer J.C.J. van Gammeren namens Jeugdzorg;

- [de vader van minderjarige 1, minderjarige 2 en minderjarige 3];

- [de vader van minderjarige 4];

- de pleegouders;

- [pleegzorgbegeleidster] (pleegzorgbegeleidster).

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [datum] 2000 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [datum] 2001 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 3], geboren op [datum] 2003 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 4], geboren op [datum] 2005 te [geboorteplaats],

(hierna gezamenlijk: de minderjarigen), in een vorm van pleegzorg verlengd tot 9 mei 2013.

Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de verlenging van de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen tot 9 mei 2013 in een voorziening voor pleegzorg.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarigen in de vorm van een pleeggezin te verlengen met een periode van zes maanden, althans een zodanige beschikking af te geven als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. Jeugdzorg verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging en, opnieuw beschikkende, de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarigen in een pleeggezin te verlengen voor de duur van zes maanden, af te wijzen.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat alle betrokkenen het er over eens zijn dat de minderjarigen bij haar dienen te worden teruggeplaatst. Dat er een voor de ontwikkeling van de minderjarigen bedreigende situatie bij haar zou bestaan, zou daarom zeer merkwaardig zijn. Zij betwist dat de minderjarigen last hebben van een loyaliteitsconflict. Voorts verzet de moeder zich niet tegen een zorgvuldige en gefaseerde terugplaatsing. Door een zwalkend beleid van Jeugdzorg met betrekking tot het tempo van de terugplaatsing ontstaat er volgens de moeder grote frictie in de verstandhouding tussen haar en Jeugdzorg. Ook is het hierdoor voor de minderjarigen volstrekt onduidelijk op welk moment en op welke plaats hun toekomst ligt. Ter terechtzitting heeft de moeder nog verklaard dat de vertraging van het persoonlijkheidsonderzoek haar niet verweten kan worden, nu de formulering van de vraagstelling voor het onderzoek niet juist was. Na een aanpassing van de vraagstelling, heeft zij alsnog voor akkoord getekend. Nu de uitkomsten van het persoonlijkheidsonderzoek binnen een periode van een half jaar bekend moeten kunnen zijn, is de moeder van mening dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen maximaal voor een periode van zes maanden dient te worden verlengd.

5. Jeugdzorg is van mening dat de minderjarigen in beginsel gefaseerd kunnen worden teruggeplaatst bij hun moeder. Daartoe zijn een aantal voorwaarden en een terug-naar-huis-traject opgesteld. Als de situatie stabiel is zal het uitwijktraject gestart worden. Bij dit uitwijktraject hoort onder meer een persoonlijkheidsonderzoek van [minderjarigen 1 en minderjarigen 2] en het opstellen van een veiligheidsplan. Tijdens dit traject wordt onderzocht of het mogelijk is dat de minderjarigen naar huis gaan en zo ja, op welke wijze. Volgens Jeugdzorg is er geen sprake van een zwalkend beleid, maar is het wel zo dat door de zwangerschap van de moeder – waardoor het traject tijdelijk stop is gezet – en de uitspraak van de kinderrechter er momenteel een andere koers wordt gevaren. Verder stelt Jeugdzorg dat de minderjarigen last van een loyaliteitsconflict hebben, nu de moeder tijdens de bezoekregeling volwassen zaken met hen bespreekt en nog niet aan de orde zijnde zaken belooft. De ontwikkeling van de minderjarigen stagneert hierdoor. Voorts wijst Jeugdzorg erop dat de moeder in augustus 2012 haar toestemming niet verleende voor de benodigde onderzoeken, omdat zij niet akkoord ging met de inhoud van de onderzoeksaanvragen. Na aanpassing van de aanvragen heeft de moeder deze op 26 september 2012 met de nodige kanttekeningen teruggestuurd. Jeugdzorg is echter van mening dat het nu aan de moeder is om haar medewerking te verlenen aan een snelle uitvoering van de onderzoeken. Zodra de uitkomsten van het persoonlijkheidsonderzoek duidelijk zijn, heeft Jeugdzorg de intentie om direct het verdere beleid te bepalen. In de tussentijd is een machtiging tot uithuisplaatsing en een ondertoezichtstelling noodzakelijk, zodat de minderjarigen in hun netwerkpleeggezin kunnen blijven wonen.

6. [De vader van minderjarige 1, minderjarige 2 en minderjarige 3] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door toedoen van Jeugdzorg een bezoekregeling met zijn kinderen heeft kunnen realiseren. Dat er bij de minderjarigen sprake is van een stijgende lijn is volgens hem aan de pleegouders te danken. De kinderen horen naar zijn mening niet in de strijd betrokken te worden.

7. [De vader van minderjarige 4] heeft ter terechtzitting verklaard dat de minderjarigen door de onderzoeken geen rust krijgen en aan zichzelf gaan twijfelen. Hierdoor kunnen zij zich niet ontplooien. Verder heeft [de vader van minderjarige 4] meegedeeld dat de minderjarigen in een veilige omgeving moeten kunnen opgroeien. Op dit moment ondervinden de minderjarigen echter stress door de problemen tussen hun moeder en de pleegouders. Hoewel de kinderen in principe bij hun ouders thuis moeten wonen, is dat volgens hem in dit geval niet mogelijk.

8. De pleegouders hebben ter terechtzitting verklaard dat het de bedoeling is dat de minderjarigen – zodra het weer goed gaat met de moeder – weer bij de moeder zullen gaan wonen.

9. De partner van de moeder heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen problemen heeft met het laten plaatsvinden van een persoonlijkheidsonderzoek. Ook heeft hij erop gewezen dat er al geruime tijd plannen waren om de minderjarigen in augustus 2012 weer thuis bij de moeder te laten wonen.

10. [De pleegzorgbegeleidster] heeft ter terechtzitting nog verklaard dat de minderjarigen last hebben van de spanning die er tussen de pleegouders en de moeder bestaat. Door de beëindiging van de omgang is er volgens haar bij de minderjarigen wel rust ontstaan.

11. Het hof stelt voorop dat een ondertoezichtstelling, zoals bedoeld in artikel 1:254, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), slechts kan worden verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn. Een machtiging tot uithuisplaatsing, zoals bedoeld in artikel 1:261, eerste lid BW , mag slechts worden verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor, zoals vermeld in de artikelen 1:254, eerste lid en 1:261, eerste lid BW , nog steeds bestaan. Het hof zal derhalve onderzoeken of de minderjarigen zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Voorts zal het hof onderzoeken of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

12. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de gronden voor zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing van de minderjarigen nog steeds aanwezig zijn. Weliswaar verzetten partijen zich niet tegen zorgvuldige en gefaseerde terugplaatsing van de minderjarigen bij de moeder thuis, maar het hof is – met de kinderrechter – van oordeel dat eerst een gedegen onderzoek moet worden verricht ter beantwoording van de vraag of de thuisplaatsing van de minderjarigen bij hun moeder in hun belang is. In dat kader dient onder meer beoordeeld te worden of de moeder – mede gelet op de problematiek van de minderjarigen – in staat is de minderjarigen datgene te bieden dat zij nodig hebben. Zonder de uitkomsten van die noodzakelijk geachte onderzoeken af te wachten acht het hof de beëindiging van de ondertoezichtstelling en de terugplaatsing van de minderjarigen bij de moeder dan ook prematuur. Het hof ziet evenmin aanleiding om de duur van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te bekorten. Dat de benodigde onderzoeken thans nog niet hebben plaatsgevonden, werpt geen ander licht op de zaak. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vertraging van de start van deze onderzoeken met name aan de moeder is te wijten. Allereerst heeft zij in verband met haar zwangerschap haar medewerking aan het terug-naar-huistraject immers stopgezet, waardoor het onderzoeksbureau een eerder aangevraagd persoonlijkheidsonderzoek van de wachtlijst heeft gehaald. Vervolgens heeft de moeder na de toezending van de aanvraag van een nieuw persoonlijkheidsonderzoek, geruime tijd gewacht met het uiten van haar bezwaren tegen de vraagstelling. Tot slot weegt het hof mee dat het persoonlijkheidsonderzoek – zo verklaarde Jeugdzorg ter zitting – binnen anderhalve maand zal aanvangen en binnen afzienbare tijd zal zijn afgerond. Het hof acht dit aanvaardbaar. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

13. Het hof beslist mitsdien als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Van Kempen en Van Wijk, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature