< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Kinder- en partneralimentatie . Wijziging van omstandigheden en draagkracht.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 9 mei 2012

Zaaknummer : 200.099.190/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-5260

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. F. Arslan te ’s-Gravenhage,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats buitenland],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. K. Bingöl te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[naam],

geboren op [geboortedatum in] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de jongmeerderjarige.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 20 december 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 oktober 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft op 2 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 12 maart 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de jongmeerderjarige:

- op 15 februari 2012 een faxbericht van 14 februari 2012 (met bijlage), waarbij de jongmeerderjarige de moeder machtigt om voor en namens hem te procederen.

De zaak is op 22 maart 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de advocaat van de vader;

- de jongmeerderjarige.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn – met wijziging in zoverre van de beschikking van 19 februari 2003 van de rechtbank ’s-Gravenhage en het echtscheidingsconvenant van 6 januari 2003 – de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de (thans) jongmeerderjarige en ten behoeve van [naam], geboren op [geboortedatum in] 1999 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), en de door de vader aan de moeder te betalen partneralimentatie met ingang van 1 juli 2004 op nihil bepaald. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat de echtscheidingsbeschikking op 14 maart 2003 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de jongmeerderjarige (hierna ook: alimentatie jongmeerderjarige), de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderalimentatie) en de kosten voor levensonderhoud ten behoeve van de moeder (hierna: partneralimentatie).

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en (het hof leest:), opnieuw beschikkende, te bepalen dat de beschikking van 19 februari 2003 van de rechtbank ’s-Gravenhage wordt gehandhaafd.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt de moeder in haar appel niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen.

Procedure

4. De moeder voert in haar eerste grief aan dat de rechtbank onzorgvuldig heeft gehandeld door het verzoek van de vader toe te wijzen zonder haar in de gelegenheid te stellen haar zienswijze over dit verzoek tijdens een zitting kenbaar te maken. De moeder stelt hierdoor in haar belangen te zijn geschaad.

5. Het hof overweegt als volgt. De moeder voert een procesrechtelijke grief aan op basis waarvan de rechtbank volgens haar niet tot de bij de bestreden beschikking genomen beslissing had kunnen komen. Nu het hoger beroep mede dient om eventuele processuele verzuimen in eerste aanleg te herstellen, is het hof van oordeel dat, zo er al sprake is geweest van een processueel verzuim in eerste aanleg, dit verzuim in hoger beroep is hersteld. De eerste grief van de moeder zal derhalve worden gepasseerd.

Inhoudelijke beoordeling

Wijziging van omstandigheden

6. De moeder stelt – kort samengevat – dat de vader onvoldoende heeft aangetoond dat zijn financiële situatie per 1 juli 2004 en/of 10 februari 2005 zodanig is gewijzigd dat de beschikking van 19 februari 2003 van de rechtbank ’s-Gravenhage is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Daarnaast heeft hij zijn verzoek tot nihilstelling te laat ingediend (namelijk pas op 4 juli 2011 terwijl de wijziging zich volgens de vader al in 2004/2005 heeft voorgedaan), aldus de moeder.

7. De vader betwist de stelling van de moeder. Volgens hem is er wel degelijk sprake van een wijziging van omstandigheden. Zo heeft hij op 14 juni 2004 zijn bedrijf moeten staken (vanwege slechte bedrijfsresultaten) en is hij op 10 februari 2005 hertrouwd. Daar komt bij dat de vader sedert [datum] 2005 en [datum] 2008 ook onderhoudsplichtig is voor de uit zijn huidige huwelijk geboren kinderen. Ter zake heeft de vader een aantal bewijsstukken overgelegd, te weten een getuigschrift d.d. 3 mei 2011 van de gemeente [naam], een akte gezinssamenstelling d.d. 3 mei 2011 van de gemeente [naam] en in hoger beroep een uittreksel d.d. 9 maart 2012 uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

8. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep overweegt het hof als volgt. Beoordeeld dient te worden of sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan een herbeoordeling van de wettelijke maatstaven dient plaats te vinden.

9. Het hof is van oordeel dat de vader voldoende heeft onderbouwd dat hij inmiddels opnieuw is gehuwd en dat hij met zijn huidige echtgenote twee kinderen heeft. Bovendien blijkt uit overgelegde stukken dat hij na de beschikking van 19 februari 2003 in loondienst is bij een [buitenlandse] onderneming. Nu de omstandigheden van de vader ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van 19 februari 2003 zijn gewijzigd zal het hof de draagkracht van de vader thans opnieuw beoordelen.

10. Aangezien de vader eerst bij verzoekschrift van 4 juli 2011 om nihilstelling van de alimentatie jongmeerderjarige en van de kinder- en partneralimentatie heeft verzocht en ten aanzien van de periode voordien onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële omstandigheden, acht het hof het redelijk zijn draagkracht vanaf die datum te beoordelen, hoewel de wijzigingen zich eerder hebben voorgedaan.

Kinderalimentatie

Draagkracht van de vader

11. De vader is in [woonplaats buitenland] woonachtig. Om proceseconomische redenen zal het hof de draagkracht van de vader bepalen op de wijze zoals gebruikelijk is in de Nederlandse situatie, terwijl daarbij van netto bedragen wordt uitgegaan.

Inkomsten

12. Het hof acht het, gelet op de door de vader overgelegde loonstroken (januari tot en met maart 2011 en november/december 2011 alsmede januari 2012), waaruit blijkt dat hij een voltijds aanstelling heeft, redelijk om bij de berekening van de draagkracht van de vader uit te gaan van een gemiddeld netto inkomen van € 1.500,- per maand, te vermeerderen met 5% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van € 75,- per maand.

Bijstandsnorm

13. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de vader uitgaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande. De vader heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn huidige echtgenote niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De enkele stelling dat zij voor de kinderen zorgt en daardoor geen arbeid kan verrichten acht het hof onvoldoende, te meer nu ter zitting door de advocaat van de vader is verklaard dat beide kinderen thans schoolgaand zijn.

Woonlasten en ziektekosten

14. Nu de huidige echtgenote van de vader geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, kan naar het oordeel van het hof van haar worden gevergd dat zij de helft van de woonlasten voor haar rekening neemt. Het hof zal derhalve bij de berekening van de draagkracht van de vader rekening houden met de helft van de door de vader opgevoerde woonlasten van in totaal € 323,43 per maand.

15. Het hof houdt geen rekening met ziektekosten, aangezien de vader daaromtrent geen stukken heeft overgelegd. Daarbij komt dat namens de moeder ter zitting onbetwist is gesteld dat de premie ziektekostenverzekering in [woonplaats buitenland] op jaarbasis te verwaarlozen is.

Schuld [naam]

16. Met de door de vader opgevoerde schuld [naam], waarop hij € 398,75 per maand aflost, houdt het hof gedeeltelijk rekening. Niet weersproken is dat de schulden feitelijk bestaan. Gezien het feit dat de vader deze lening tezamen met zijn huidige echtgenote is aangegaan en zij geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, acht het hof het redelijk om rekening te houden met een aflossingsverplichting van € 199,- per maand (zijnde de helft van het aflossingsbedrag).

Conclusie

17. Het hof heeft met inachtneming van het vorenstaande de draagkracht van de vader berekend. Uit deze berekening volgt dat de vader een draagkracht heeft van € 369,- per maand.

Verdeling van de draagkracht

18. De beschikbare draagkracht van de vader wordt verdeeld (gelijkelijk) over vier kinderen, te weten de jongmeerderjarige, de minderjarige en de twee minderjarige kinderen die de vader heeft uit zijn nieuwe huwelijk. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader een alimentatie toelaat van € 92,- per maand per kind, zodat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd.

Partneralimentatie

19. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, laat de draagkracht van de vader geen partneralimentatie meer toe en dient de partneralimentatie derhalve op nihil te worden bepaald.

20. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 19 februari 2003 van de rechtbank ’s-Gravenhage en het echtscheidingsconvenant van 6 januari 2003 – de door de vader aan de moeder te betalen alimentatie met ingang van 4 juli 2011 op € 92,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen, met dien verstande dat de vader die bijdrage met ingang van [datum in] 2011 rechtstreeks aan de jongmeerderjarige dient te voldoen;

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 19 februari 2003 van de rechtbank ’s-Gravenhage en het echtscheidingsconvenant van 6 januari 2003 – de door de vader te betalen uitkering tot levensonderhoud van de moeder vanaf 4 juli 2011 op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Van Dijk en Van de Poll, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature