< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Niet terugbrengen van een minderjarige na contact tijdens een weekend onrechtmatig. Rechtvaardigingsgrond aanwezig?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel

Zaaknummer : 200.017.430/01

Rolnummer rechtbank : HA ZA 07-596

arrest van 24 mei 2011

inzake

[de man],

wonende te [gemeente],

appellant, incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. B Vermeirssen, kantoorhoudend te Goes,

tegen

[de vrouw],

wonende te [adres buitenland],

geïntimeerde, incidenteel appellante,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E. Grabandt, kantoorhoudend te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 14 oktober 2008 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 16 juli 2008, door de rechtbank te Middelburg tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis onder 1 heeft vermeld.

Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] 11 grieven aangevoerd en daarbij geconcludeerd dat het het hof moge behagen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen voor zover aangevallen, en opnieuw rechtdoende:

de vordering in eerste aanleg in conventie af te wijzen, subsidiair vast te stellen dan wel te matigen tot een lager bedrag dan door de rechtbank is toegewezen;

de vordering in eerste aanleg in reconventie toe te wijzen in die zin dat gedaagde in reconventie, thans geïntimeerde, wordt veroordeeld tot het binnen 10 dagen na het betekenen van het ten deze te wijzen arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan appellant een bedrag van € 3.790, -, althans van een nader in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2006 tot de dag der algehele voldoening;

en voorts geïntimeerde te veroordelen in de proceskosten, die in eerste aanleg daaronder begrepen.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Tevens heeft zij daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van twee grieven. Zij heeft in het principaal appel geconcludeerd [appellant] niet ontvankelijk te verklaren, althans hem dit te ontzeggen.

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover daarin de vordering ter zake van mr. [C] en de immateriële kosten niet zijn toegewezen en, opnieuw rechtdoende, [appellant] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [geïntimeerde]:

a. € 2.317,50 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2007, althans de dag van de inleidende dagvaarding bij de rechtbank tot aan de dag der algehele voldoening;

b. € 1,- (zeggen één euro), terzake immateriële schade;

met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep heeft [appellant] de grieven bestreden.

[geïntimeerde] heeft haar procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld onder 2 in het bestreden vonnis is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.

2. Aan de orde is of het niet terugbrengen van [naam zoon], de zoon van partijen, door [appellant] na een bezoekcontact in het weekeinde van 4 en 5 november 2006 een onrechtmatige daad oplevert van [appellant] jegens [geïntimeerde], welke hem kan worden toegerekend, zodat hij verplicht is de schade die [geïntimeerde] dientengevolge heeft geleden, te vergoeden (art. 6:162 BW).

[appellant] heeft [naam zoon] eerst vijf dagen later, op 10 november 2006, bij [geïntimeerde] teruggebracht.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het niet terugbrengen van [naam zoon] in beginsel onrechtmatig is jegens [geïntimeerde] en dat [appellant] geen beroep toekomt op een rechtvaardigingsgrond. Vervolgens is de rechtbank ingegaan op de vraag welke van de door [geïntimeerde] in dat kader gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens de rechtbank komen in beginsel alleen de kosten voor vergoeding in aanmerking die [geïntimeerde] heeft moeten maken om [naam zoon] weer terug te (laten) geleiden. De rechtbank heeft alle door [geïntimeerde] opgevoerde kosten toegewezen met uitzondering van de declaratie van mr. [C]. Tegen deze beslissingen en de daarvoor gegeven motivering richt zich zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep. Het hof zal, in lijn met het door partijen in hoger beroep gevoerde debat, eerst de grieven met betrekking tot de vordering in conventie behandelen en vervolgens in gaan op de grieven die betrekking hebben op de beslissing van de rechtbank ter zake de vordering in reconventie.

Principaal beroep

4. Grief 1 betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat het niet terugbrengen van [naam zoon] onrechtmatig is jegens [geïntimeerde]. Volgens [appellant] is hij eigenmachtig opgetreden door [naam zoon] niet terug te brengen, maar mocht hij dit doen omdat ook hij het gezag had en [naam zoon] wilde laten onderzoeken, hetgeen in het belang van [naam zoon] is. Nu het standpunt van [geïntimeerde] is dat zij zich niet verzet tegen een dergelijk onderzoek, gebiedt de redelijkheid en billijkheid dat zij op dat moment akkoord diende gaan met het niet terugbrengen van [naam zoon]. [geïntimeerde] maakt misbruik van recht door vast te houden aan de strikte nakoming van de omgangsregeling. Het gaat er dus om dat het niet terugbrengen in het geheel niet onrechtmatig is jegens [geïntimeerde]. Dat is wat anders dan een rechtvaardigingsgrond, waarvoor wel eerste de onrechtmatigheid vast dient komen te staan, aldus [appellant]. Volgens [geïntimeerde] is hetgeen [appellant] stelt de wereld op zijn kop. Primair stelt zij dat deze grief niet kan slagen omdat artikel 161 Wetboek van Rechtsvordering dwingend bewijs toekent aan een strafrechtelijke veroordeling op tegenspraak. Subsidiair merkt [geïntimeerde] op dat [appellant] nimmer gevraagd heeft aan [geïntimeerde] om een second opinion te laten uitvoeren bij [naam zoon]. Verder wordt [appellant] verzocht in het geding te brengen een bewijs van een afspraak met een medisch specialist voor maandag 6 november 2006 voor die second opinion. [appellant] zegt wel dat dat zijn drijfveer was, maar hij heeft nooit in het geding gebracht een bewijs van een afspraak, aldus [geïntimeerde].

5. Het hof acht de beslissing van de rechtbank juist. Het niet terugbrengen is in beginsel een onrechtmatige daad van [appellant] jegens [geïntimeerde]. Het hof ziet in hetgeen [appellant] in hoger beroep aanvoert geen grond voor een ander oordeel. Indien [appellant] een nader onderzoek van [naam zoon] wenste, had hij dat met [geïntimeerde] moeten bespreken. Het hof betrekt daarbij dat uit niets blijkt dat [appellant] in de periode tussen 6 en 10 november 2006 een afspraak voor een second opinion had als door hem gesteld. Sterker nog, ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [appellant] verklaard dat hij voor [naam zoon] (hof: eerst) een afspraak had gemaakt voor 20 november 2006, waarover hij iedereen heeft geïnformeerd, behalve [geïntimeerde]. De grief faalt.

6. In grief 2 voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep op een rechtvaardigingsgrond heeft verworpen. [appellant] wijst er daarbij in het bijzonder op dat hij in het belang van [naam zoon] een nader onderzoek noodzakelijk achtte en [geïntimeerde] een dergelijk onderzoek telkens heeft gedwarsboomd. [geïntimeerde] acht de beslissing juist. Zij wijst er in het bijzonder op dat het onderzoek niet heeft plaatsgevonden en daartoe evenmin een afspraak met een specialist/arts was gemaakt door [appellant]. [appellant] is stil blijven zitten, aldus [geïntimeerde].

7. Het hof ziet, evenals de rechtbank, in hetgeen [appellant] in de toelichting op de grief stelt geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond, reeds omdat een onderzoek als gesteld niet heeft plaatsgevonden. De door [appellant] genoemde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, waren niet van dien aard dat zij diens handelen rechtvaardigden; ook niet indien [appellant] een nader onderzoek van [naam zoon] noodzakelijk achtte tegen de achtergrond van zijn zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijke welzijn van [naam zoon]. [appellant] diende de toestemming te hebben van [geïntimeerde] (voor een dergelijk onderzoek) en hij mocht er niet eigenmachtig toe overgaan om [naam zoon] zonder nader overleg met [geïntimeerde] na het bezoekcontact niet bij haar terug te brengen. Het hof verwerpt ook grief 2.

8. Volgens grief 3 heeft de rechtbank ten onrechte (impliciet) bepaald dat aan het relativiteitsvereiste (art. 6:163 BW) is voldaan. Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde heeft geleden. De geschonden norm betreft in deze de omgangsregeling. Die is echter niet bedoeld om de schade als door [geïntimeerde] gevorderd te voorkomen. Daarbij is van belang dat de omgangsregeling zoals door de Belgische rechtbank d.d. 8 december 2005 is vastgelegd reeds een sanctie bevat op het zich niet houden aan de omgangsregeling, aldus [appellant].

9. [geïntimeerde] stelt dat het standpunt van [appellant] berust op een onjuiste lezing van het vonnis. [geïntimeerde] heeft schade gevorderd op grond van art. 6:96 lid 2 BW, namelijk buitengerechtelijke kosten die zij heeft moeten maken, niet omdat [appellant] de omgangsregeling niet was nagekomen, maar omdat hij ondergedoken was met [naam zoon] en hem niet aan zijn moeder wilde teruggeven. Een onderzoek als door [appellant] bedoeld hoeft niet langer dan een uur, hooguit een halve dag te duren. [naam zoon] is door [appellant] echter vijf dagen weggehouden van [geïntimeerde]. Het is dus op goede gronden dat de schade die [geïntimeerde] heeft geleden door het onrechtmatig achterhouden van [naam zoon] door [appellant] betaald moet worden, aldus [geïntimeerde] in haar bestrijding van de grief.

10. Het hof is met [geïntimeerde] van oordeel dat te dezen wel aan het relativiteitsvereiste is voldaan. Uitgangspunt van art. 6:163 BW is dat een norm in beginsel strekt ter bescherming van allen die als gevolg van overtreding van die norm schade kunnen lijden en wel ter bescherming tegen alle schade die - in dit geval - [appellant] op de voet van art. 6:98 BW als gevolg van deze overtreding kan worden toegerekend. Voor een geslaagd beroep op art. 6:163 BW moet derhalve het, aan [appellant] te bewijzen, tegendeel komen vast te staan. Dit laatste is naar het oordeel van het hof niet het geval. Bovendien is het hof van oordeel dat de schending van de omgangsregeling, bestaande in het niet terugbrengen van [naam zoon] op het afgesproken tijdstip en het gedurende vijf dagen laten voortduren van die situatie, hetwelk [geïntimeerde] noopte tot kosten om [naam zoon] terug te (laten) geleiden in beginsel strekt ter bescherming van de onderscheiden schadeposten welke [geïntimeerde] in casu aan haar vordering tot schadevergoeding ten grondslag legt. Ook grief 3 faalt derhalve.

11. Volgens grief 4 heeft de rechtbank ten onrechte vastgesteld dat sprake is van schade in de zin van art. 6:96 BW. [geïntimeerde] heeft dat betwist. Naar het oordeel van het hof berust de grief op onjuiste juridische uitgangspunten. [geïntimeerde] vordert kosten die zij heeft moeten maken in het kader van de teruggeleiding van [naam zoon] naar haar in België, waaronder kosten voor advocaten, telefoonkosten en reiskosten. Dat zijn in dit geval, anders dan [appellant] en [geïntimeerde] tot uitgangspunt neemt, geen kosten ter voorkoming of beperking van schade als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder a BW, maar is vermogensschade in de zin van lid 1.

12. In grief 5 wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met eigen schuld van [geïntimeerde]. Volgens [appellant] is het niet terugbrengen van [naam zoon] een gevolg van de onderlinge slechte verstandhoudingen tussen partijen. Daaraan hebben, zonder aanwijzingen van het tegendeel, in beginsel beide evenveel schuld. Derhalve dient ook de schade evenredig te worden verminderd. Daarbij wordt nog betrokken het feit dat het hier om een gezamenlijk kind gaat, voortvloeiend uit een huwelijk tussen partijen. [geïntimeerde] betwist dat sprake is geweest van eigen schuld.

13. Het hof overweegt als volgt. De door [appellant] in de toelichting genoemde omstandigheden vormen, zowel afzonderlijk als gezamenlijk bezien geen aanleiding te oordelen dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. De grief faalt.

14. Grief 6 betreft de declaratie van mr. [M]. Volgens de rechtbank dient [appellant] die deels te vergoeden. De grief richt zich tegen dat oordeel van de rechtbank. Volgens de toelichting op de grief is de overgelegde urenspecificatie en declaratie slechts een concept, maar staat niet vast dat [geïntimeerde] het daarop genoemde bedrag daadwerkelijk heeft betaald. Een betalingsbewijs ontbreekt. Bovendien betwist [appellant] uitdrukkelijk de genoteerde uren en bedragen. [appellant] stelt in het bijzonder dat met de werkzaamheden pas vier dagen na 5 november 2006 is begonnen en dat er telefoontjes op de declaratie voorkomen, maar niet met [geïntimeerde].

15. [geïntimeerde] bestrijdt de grief. De urenspecificaties laten zien welke werkzaamheden zijn verricht. Aan de memorie van antwoord zitten gehecht de aan [geïntimeerde] gezonden declaraties die alle zijn betaald. Alle telefoongesprekken hebben slechts één doel gehad, teweten: eraan bij te dragen dat [naam zoon] eerder naar zijn moeder zou terugkeren, aldus de memorie van antwoord.

16. Het hof is van oordeel dat rechtbank terecht heeft beslist als gedaan. Het hof maakt deze beslissing en de daarvoor gegeven motivering tot de zijne. Dat mr. [M] aan deze zaak in de periode van 5 tot 10 november 2006 3,25 uur heeft besteed acht het hof tegen de achtergrond van de aan de orde zijnde kwestie met betrekking tot [naam zoon] niet alleen aannemelijk, maar ook redelijk. In hetgeen [appellant] in beroep opwerpt, vindt het hof geen enkele aanleiding te oor-delen dat hij de in dit verband toegewezen € 828,40 niet zou dienen te vergoeden. De grief faalt.

17. In grief 7 stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de telefoonkosten voor € 157,25 heeft toegewezen. [appellant] betwist dat de hogere telefoonrekening een rechtstreeks gevolg is van het niet terugbrengen van [naam zoon]. Er is geen causaal verband tussen. [geïntimeerde] betwist dit alles.

18. Het hof acht het oordeel van de rechtbank juist. [appellant] betwist niet dat [geïntimeerde] een hogere telefoonrekening heeft ontvangen over de periode van 5 tot 10 november 2006 dan zij normaal gesproken over zulk een periode had. Het hof is van oordeel dat die enkele omstandigheid voldoende is om aannemelijk te achten dat deze meerkosten uitsluitend een gevolg zijn van het niet terugbrengen van [naam zoon]. Voor zover [appellant] nog opmerkt dat niet gezegd is dat deze telefoontjes noodzakelijk zijn om de schade te voorkomen verwijst het hof naar hetgeen hierboven omtrent de (aard van de) schade door het hof is overwogen. Derhalve is niet van belang of te dezen sprake is geweest van telefoontjes naar advocaten dan wel sprake is geweest van telefoontjes naar bijvoorbeeld familie van [geïntimeerde], waarbij [geïntimeerde] steun zocht. Ook die laatste telefoonkosten komen voor vergoeding door [appellant] in aanmerking. Grief 7 faalt.

19. Grief 8 richt zich tegen de toewijzing van € 32,68 aan reiskosten. De reis naar de Jeugd-rechtbank te Dendermonde op vrijdag 10 november 2006 was noodzakelijk omdat de Procureur des Konings een zitting had gepland en is daarmee te ver verwijderd van het niet terugbrengen van [naam zoon]. De opgevoerde reizen naar het politiekantoor te [gemeente] zijn onwaarschijnlijk. [geïntimeerde] stelt van maandag tot en met vrijdag elke dag op het politiebureau te zijn geweest, aldus [appellant]. Uit het dossier blijkt enkel van het doen van aangifte op woensdag 8 november 2006. Niet duidelijk is wat [geïntimeerde] de overige 4 dagen op het politiebureau moest doen. Daar komt bij dat zij wel gewerkt heeft. Haar werk bevindt zich op de hoek van de straat waar het politiebureau is gevestigd.

20. [geïntimeerde] stelt in hoger beroep voorop dat de zitting op 10 november 2006 een gevolg was van het feit dat de Procureur des Konings een zitting had gelast als gevolg van de ontvoering. Ook de reiskosten naar het politiebureau zijn gemaakt zoals opgegeven, aldus [geïntimeerde].

21. Het hof is van oordeel dat de door [geïntimeerde] gemaakte reiskosten voldoende zijn komen vast te staan, althans in redelijkheid kunnen worden begroot op € 32,68. De grief faalt.

22. Volgens grief 9 heeft de rechtbank ten onrechte € 234,68 aan gederfde inkomsten toegewezen. [geïntimeerde] had gewoon kunnen werken. De enkele telefoontjes die wellicht zijn gepleegd en het doen van aangifte zijn onvoldoende omstandigheden om vakantie op te nemen. Zij kunnen ook onder of na werktijd geschieden, te meer nu het werkadres op loopafstand van het politiebureau is. En zulks is ook gebeurd, aldus het standpunt van [appellant].

23. [geïntimeerde] wijst erop dat zij vrije dagen heeft moeten opnemen als gevolg van het onrecht-matig handelen van [appellant], omdat zij zich met niets anders kon bezighouden dan de verdwijning van haar zoon. Opmerkingen van [appellant] dat [geïntimeerde] maar gewoon aan het werk had gekund en na werktijd na het politiebureau had kunnen gaan laten zien hoe weinig serieus hij de ontvoering/onttrekking aan het ouderlijk gezag van [naam zoon] ziet.

24. Het hof is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden van [geïntimeerde] niet verwacht kon worden dat zij gewoon doorwerkte als door [appellant] klaarblijkelijk voorgestaan.

Het hof acht het alleszins aanvaardbaar dat [geïntimeerde] in dit kader indertijd heeft gehandeld als gedaan. De daaruit ontstane schade, te weten gederfde inkomsten als gevolg van het opnemen van vrije dagen, is veroorzaakt door het handelen van [appellant] en komt voor vergoeding in aanmerking. Hetgeen [appellant] verder betoogt, doet daar niet aan af. De grief faalt.

Incidenteel beroep

25. Volgens de incidentele grief 1 heeft de rechtbank ten onrechte de kosten van mr. [C] afgewezen, met als motivering dat de vordering van [geïntimeerde] op dit punt onvoldoende onderbouwd is. [geïntimeerde] heeft in het geding gebracht de faxbrief met specificatie van de werkzaamheden van mr. [C] naar aanleiding van de ontvoering/onttrekking aan het ouderlijk gezag van [naam zoon]. De totale kosten uitgesplitst komen op een bedrag van € 2.317,50 uit. De kosten zijn gemaakt in België. [geïntimeerde] vordert in incidenteel appel dit bedrag.

26. Volgens [appellant] is de vordering nog steeds onvoldoende onderbouwd. Subsidiair brengt hij naar voren dat het volstrekt niet noodzakelijk was om een advocaat, geen Nederlandse maar zeker geen Belgische, in te schakelen. De politie kon immers goed een bemiddelende rol spelen indien [geïntimeerde] daar behoefte aan had. Dat deed de politie immers zondagavond ook al.

27. Het hof overweegt als volgt. [geïntimeerde] heeft bij inleidende dagvaarding een afrekening van mr. [C] overgelegd, gedateerd [datum] 2006 (afrekening nr. 2007/2). Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank dit deel van de vordering terecht afgewezen. Genoemde declaratie is niet gespecificeerd en derhalve niet is vast te stellen welke werkzaamheden zijn verricht met het oog op de teruggeleiding van [naam zoon]. Bovendien ziet deze declaratie op de periode van [datum] 2006 tot en met [datum] 2006, derhalve geruime tijd vóór en ná de periode dat [naam zoon] bij [appellant] was. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep deze vordering nader gespecificeerd. De overgelegde faxbrief van 23 oktober 2008 betreft een uitsplitsing van de eerdere afrekening. Zij betreft de prestaties tijdens de periode [datum]2006 tot [datum] 2006. Het hof is van oordeel dat die declaratie van mr. [C] alleszins aanvaardbaar en redelijk voorkomt voor wat betreft de kosten van de briefwisseling, telefoon en ereloon. Het hof zal die kosten ten bedrage van respectievelijk € 130,-, € 75,- en € 1.680,- toewijzen. Totaal: € 1.885,-. In zoverre slaagt de grief. Dit ligt anders voor wat betreft de post kosten voor kopieën. Het bedrag is identiek aan het bedrag dat voorkomt op de bij de inleidende dagvaarding overgelegde afrekening, die op een periode van een half jaar betrekking heeft, zodat het hof het ervoor houdt dat afsplitsing van deze kosten ten onrechte niet heeft plaatsgevonden. Derhalve is voor de post kopieën niet vast te stellen welk deel daarvan betrekking heeft op de werkzaamheden ter zake de teruggeleiding in november 2006. Het hof sluit zich voor wat betreft de ingangsdatum van de rente ter zake aan bij de rechtbank.

28. Aan dit slagen van de grief doet hetgeen [appellant] subsidiair opmerkt niet af. Het ligt alleszins voor de hand dat een moeder in een geval als het onderhavige na het niet terugbrengen van haar kind na een bezoekcontact zowel een Nederlandse als een Belgische advocaat inschakelt om haar bij te staan. De mogelijke rol van de politie doet daar niet aan af.

29. In grief 2 in incidenteel beroep stelt [geïntimeerde] dat de rechtbank ten onrechte geen immateriële schade heeft toegewezen. Zij baseert die vordering uitdrukkelijk op art. 6:106 lid 1 onder a BW. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] in de procedure in eerste aanleg geen immateriële schade heeft gevorderd. Op grond van de goede procesorde is het niet geoorloofd om eerst in hoger beroep, in incidenteel appel, met een nieuwe vordering te berde te komen, aldus [appellant]. Voorts blijkt uit de hoogte van het bedrag - € 1,- - dat [geïntimeerde] een niet in rechte te respecteren belang heeft bij deze vordering. Ook op de in de memorie aangegeven inhoudelijke gronden dient de vordering te worden afgewezen. Zo is er geen sprake van immateriële schade.

30. Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] in eerste aanleg geen immateriële schade heeft gevorderd.

In het incidenteel appel kan de oorspronkelijk eiser binnen de grenzen van art. 130 Rv echter zijn eis veranderen of vermeerderen (Hoge Raad 27 maart 1981, NJ 1981, 395). Voor zover [appellant] zich nog beroept op strijd met de goede procesorde faalt die stelling. Nu de vordering tot immateriële schadevergoeding in het verlengde ligt van het aan de orde zijnde feitencomplex in deze zaak kan niet gezegd worden dat [appellant] door de vermeerdering in zijn verdediging onredelijk wordt bemoeilijkt of het geding onredelijk wordt vertraagd. Het hof zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade van [geïntimeerde] derhalve inhoudelijk beoordelen.

31. Het hof overweegt als volgt. [geïntimeerde] baseert haar vordering op artikel 6:106 lid 1 sub 1 BW. Ingevolge dit artikel heef t [geïntimeerde] voor een nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen. Naar het oordeel van het hof kan in onderhavig geval weliswaar uitgangspunt zijn dat [appellant] met het niet afgeven van [naam zoon] nadeel dat niet in vermogensschade bestaat heeft toegebracht aan [geïntimeerde], maar is niet, althans onvoldoende vast komen te staan dat [appellant] daartoe het oogmerk had. Daarom faalt de grief.

32. De conclusie voor wat betreft de vordering in conventie is dat de grieven falen, met uitzondering van grief 1 in het incidenteel beroep. Het hof zal beslissen als na te melden.

33. De vordering in reconventie betreft het volgende. In eerste aanleg heeft [appellant] in reconventie gevorderd dat [geïntimeerde] de door haar bij [appellant] in rekening gebrachte kosten, zoals bepaald in het vonnis van de rechtbank Dendermonde d.d. 17 maart 2005 terugbetaalt, omdat zij onrechtmatig heeft gehandeld door die uitspraak ten uitvoer te laten leggen.

[appellant] is in genoemd vonnis veroordeeld tot het betalen van de helft van “de bijzondere medische en schoolkosten” aan [geïntimeerde] “op eenvoudig vertoon van facturen of van andere bewijskrachtige stukken” De rechtbank heeft die vordering in reconventie afgewezen. Volgens de rechtbank brengt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen mee, dat in het executie-geschil geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak aangevoerd kunnen worden. Het is in strijd met voornoemd gesloten stelsel om nu alsnog inhoudelijk verweer te voeren tegen de uitspraak van de Belgische rechter, aldus de rechtbank in het bestreden vonnis.

34. Deze beslissing wordt door [appellant] in het principaal beroep in grief 10 bestreden.

Het gaat, naar stelling van [appellant], niet om een verkapt hoger beroep tegen het vonnis van de Belgische rechter, doch om het gegeven dat [geïntimeerde] [appellant] dwingt allerlei bedragen te betalen die niet anders zijn gespecificeerd en/of die niet kunnen worden aangemerkt als “bijzondere medische en schoolkosten” en/of die reeds op andere wijze zijn vergoed aan [geïntimeerde] zodat zij “dubbel vangt”. In totaal gaat het om € 809, - aan ten onrechte in rekening gebrachte bedragen. Voorts is (derhalve) ten onrechte executoriaal derdenbeslag gelegd, waarvan de kosten inmiddels door [appellant] (noodgedwongen) zijn voldaan. Het gaat dan om € 3.740,- te vermeerderen met € 50,- bankkosten, tezamen € 3.790,-, aldus [appellant].

35. Volgens [geïntimeerde] is de beslissing van de rechtbank juist. Uitsluitend voor zover het hof meent dat in het executiegeschil inhoudelijk over de verschillende bedragen moet worden gesproken merkt [geïntimeerde] op dat [appellant] kennelijk problemen heeft met de kosten die gemaakt worden voor [naam zoon]. [appellant] heeft voor de Rechtbank te Dendermonde reeds geprobeerd om van het betalen van de bijzondere kosten af te komen. Dat is afgewezen. Thans probeert [appellant] dat opnieuw in deze procedure. Ten onrechte, aldus [geïntimeerde].

36. Het hof overweegt als volgt. Het hof begrijpt de vordering in reconventie aldus dat [appellant] van oordeel is dat de beslissing van de Belgische rechter, waarbij [appellant] is veroordeeld tot het betalen van de helft van “de bijzondere medische en schoolkosten” aan [geïntimeerde] “op eenvoudig vertoon van facturen of van andere bewijskrachtige stukken” te ruim is. Nu daarin niet is voorzien in de mogelijkheid dat het overgrote deel van de kosten (in Nederland) verzekerd kan worden dan wel door een verzekeraar (naar het hof begrijpt: aan [geïntimeerde]) zijn vergoed geldt, voor zover [geïntimeerde] die kosten bij de man verhaalt, het vonnis ten onrechte geëxecuteerd is en [appellant] ten onrechte betaald heeft. Dat is dan onrechtmatig, aldus [appellant] en hij heeft in dat kader in België een kort geding ter zake de opschorting van de executie van de Belgische vonnissen aanhangig gemaakt, aldus [appellant] in eerste aanleg.

37. Het hof stelt voorop dat [appellant] in het kader van de door hem gestelde onrechtmatige daad in feite een executiegeschil aan de rechter voorlegt. Uitgangspunt daarbij is dat in een executiegeschil alleen de executie zelf voorwerp van geschil kan zijn, niet meer de hoofdzaak waarin vonnis is gewezen. Het Belgische vonnis uit 2005 geeft [geïntimeerde] in beginsel de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging. In een executiegeschil kan de rechter ingrijpen bij de executie, bijvoorbeeld door staking van de executie te bevelen, als [geïntimeerde] misbruik van haar executiebevoegheid zou maken door de tenuitvoerlegging (geheel of ten dele) door te zetten.

Dit laatste kan zich alleen voordoen als het te executeren vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. In dat kader kan bij de executierechter wel een oordeel worden gevraagd en gekregen over de reikwijdte van de executoriale titel. Aan dit laatste doet niet af dat [appellant] indertijd tegen het Belgische vonnis geen hoger beroep heeft ingesteld.

Het hof stelt echter vast dat [appellant] niet althans onvoldoende heeft gesteld om te oordelen dat het Belgische vonnis berust op een juridische of feitelijke misslag of dat sprake is van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten welke meebrengen dat klaarblijkelijk een noodtoestand is ontstaan voor geëxecuteerde, [appellant], zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. Het hof ziet daarin voldoende aanleiding te oordelen dat de grief faalt.

38. Daar komt bij dat [appellant] deze kwestie reeds heeft voorgelegd aan de Belgische rechter. Immers, aldaar heeft [appellant] een kort geding tot opschorting van de Belgische vonnissen aanhangig gemaakt. Het hof begrijpt hetgeen [geïntimeerde] opwerpt, daar waar zij stelt dat de vordering van [appellant] in (het door hem) genoemd kort geding tot opschorting is afgewezen en [appellant] dat in deze procedure opnieuw probeert, aldus dat [geïntimeerde] van mening is dat sprake is van een herhaling van een eenmaal ten principale berechte rechtsvordering. Het hof is van oordeel dat, indien de Belgische rechter inderdaad reeds beslist heeft - [appellant] heeft zich daaromtrent niet meer uitgelaten -, de bindende kracht van het Belgische vonnis voldoende is om de vordering af te wijzen. Hetzelfde geldt indien in de Belgische procedure nog niet zou zijn beslist, omdat alsdan de eisen van de goede procesorde zich er naar het oordeel van het hof tegen verzetten dezelfde vordering nogmaals voor te leggen. Het hof zal derhalve het vonnis in zoverre bekrachtigen.

Proceskosten

39. Grief 11 betreft de proceskosten. Volgens de grief heeft de rechtbank [appellant] ten onrechte veroordeeld in de proceskosten, zowel in de conventionele als de reconventionele procedure.

40. Nu de grieven in het principaal appel alle falen en de eerste grief in het incidenteel beroep slaagt, zal het hof niet alleen de kostenveroordeling in eerste aanleg bekrachtigen, maar [appellant] ook veroordelen in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gemaakt.

41. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis deels wordt vernietigd voor zover in conventie gewezen. Het hof zal het vonnis bekrachtigen voor zover in reconventie gewezen.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van 16 juli 2008, door de rechtbank te Middelburg tussen de partijen gewezen voor zover in conventie gewezen en behoudens ten aanzien van de daarbij uitgesproken proceskostenveroordeling en, in zoverre opnieuw rechtdoende;

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen € 3.139,- (te weten € 1.254,- plus € 1.885,-), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2007;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de [geïntimeerde] tot deze uitspraak begroot op , gespecificeerd als volgt:

- in debet gesteld griffierecht € 304,50 en salaris advocaat € 948, in totaal derhalve € 1.252,50 te betalen aan de griffier van dit hof, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 353 jo 243 Rv.

- het door [geïntimeerde] betaalde bedrag voor niet in debet gesteld griffierecht ten bedrage van € 101,50, te betalen aan [geïntimeerde];

verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling zover uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Mos-Verstraten, Husson en Kamminga en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2011 in aanwezigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature