E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:GHSGR:2004:AP2058
LJN AP2058, Gerechtshof 's-Gravenhage, 2200071403

Inhoudsindicatie:

Het Haagse hof is van oordeel dat informatie van BVD of AIVD heel goed de grondslag kan vormen voor de start van een strafrechtelijk onderzoek of het aanwenden van initiële opsporingsbevoegdheden zoals de aanhouding van verdachten en het doorzoeken van woningen, mits die informatie maar een redelijke verdenking oplevert. Die informatie moet, wil zij tot het bewijs gebezigd kunnen worden, (later) wel door de strafrechter kunnen worden getoetst: op de rechtmatigheid van verkrijging van die informatie en op de inhoudelijke juistheid daarvan. Gezien het uiterst vertrouwelijke karakter waardoor de inlichtingenbronnen en de wijze van werken van veiligheidsdiensten nu eenmaal worden gekenmerkt zal volgens het hof slechts in zeer beperkte mate sprake kunnen zijn van een toets op de rechtmatige verkrijging. Voor een dergelijke toets is alleen aanleiding wanneer sterke aanwijzingen bestaan dat de informatie verkregen is met (grove) schending van fundamentele rechten van de verdachte. In het onderhavige geval is daar, naar het oordeel van het hof, niet van gebleken. Wat de toetsing van de feitelijke juistheid betreft dient de verdediging de kans te worden geboden die op effectieve wijze ter discussie te stellen, wil sprake zijn van een eerlijk proces, en de rechter behoort dan te komen “tot een behoedzame afweging van de bewijskracht die aan die informatie dient te worden toegekend”. In de onderhavige zaak heeft het hof na het in één zaak nodig geoordeelde nadere onderzoek, wèl de door de BVD afgeluisterde telefoongesprekken voor het bewijs gebruikt, maar niet de door de BVD uitgebrachte ambtsberichten, omdat andere bewijsmiddelen dat laatste overbodig maakten.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie