< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

verjaring van revindicatievordering

Uitspraak



Uitspraak: 7 maart 2002

Rolnummer 99/693

Rolnr. rechtbank: HA ZA 95-2403

HET GERECHTSHOF TE ‘S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft hetvolgende arrest gewezen in de zaak van:

het kerkgenootschap naar het recht van de Republiek Cyprus

DE AUTOCEFALE GRIEKS-ORTHODOXE KERK TE CYPRUS,

gevestigd te Lefkosia, Cyprus,

appellante,

hierna te noemen: de Kerk,

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

procureur: jhr. mr. E.A.C. Sandberg

Het geding

Bij exploot van 4 mei 1999 is de Kerk in hoger beroep gekomen van het vonnisvan 4 februari 1999, tussen partijen gewezen door de rechtbank te Rotterdam.

Bij memorie van grieven heeft de Kerk vier grieven tegen het bestreden vonnisaangevoerd en producties overgelegd. De grieven zijn door [geïntimeerde] bij memorie vanantwoord bestreden onder het overleggen van producties. De kerk heeft zich bijakte over deze producties uitgelaten. Vervolgens heeft [geïntimeerde] stukkengedeponeerd, waaronder een catalogus en een boek.

Tenslotte hebben partijen stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] heeft in 1975 van een Armeense kunsthandelaar genaamd [kunsthandelaar 1] vier iconen met afbeeldingen van respectievelijk de apostelen Johannes, Marcus, Paulus en Petrus (hierna te noemen: de iconen) gekocht en geleverd gekregen. In de periode van 17 december 1976 tot en met 15 januari 1977 hebben de iconen deel uitgemaakt van een tentoonstelling in museum Het Prinsenhof te Delft. Stellende dat de iconen haar eigendom zijn, want afkomstig uit de Antiphonitiskerk te Lefkosia, Noord-Cyprus en daaruit zijn verdwenen tijdens de Turkse bezetting van Noord-Cyprus in, heeft de Kerk ter veiligstelling van die (eigendoms)rechten op 25 juli 1995 op de iconen conservatoir beslag doen leggen en de iconen in gerechtelijke bewaring doen nemen.

2. De Kerk vordert in dit geding --samengevat- dat voor recht wordt verklaard dat zij eigenares is van de iconen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld deze op verbeurte van een dwangsom aan de Kerk af te geven. De Kerk stelt dat zij haar eigendom niet heeft verloren door de aankoop door en levering aan , omdat het Verdrag inzake bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict met Reglement van uitvoering en Protocol (14 mei 1954, Trb. 1955, 47; hierna te noemen: het Verdrag) eigendomsverkrijging door [geïntimeerde] belet, en voorts omdat [geïntimeerde] bij de verkrijging niet te goeder trouw was. [geïntimeerde] heeft onder andere aangevoerd dat hij bij het verkrijgen van de iconen te goeder trouw was en heeft zich voorts beroepen op verjaring van de door de Kerk ingestelde revindicatie, betogende dat hij het bezit van de iconen heeft verworven meer dan twintig jaren vóór het instellen van de onderhavige vordering. De rechtbank heeft de vordering van de Kerk afgewezen, - samengevat- - omdat het Verdrag en met name de

desbetreffende bepaling van het Protocol niet een ieder verbindende bepaling is en daarom niet aan [geïntimeerde] een recht ontneemt dat hij de grond van de Nederlandse wet heeft en omdat volgens te dezen toepasselijk Nederlands recht de Kerk geen eigenaar van de iconen is gebleven, omdat onvoldoende is gebleken dat [geïntimeerde] ten tijde van de bezitsverkrijging niet te goeder trouw was. Aan de vraag of de vordering van de Kerk is verjaard, is de rechtbank niet toegekomen. Tegen dit oordeel en de gronden waarop dit berust richten zich de vier door de Kerk voorgedragen grieven.

3. Met grief 1 betoogt de Kerk dat zij eigenares van de iconen is (gebleven) krachtens het Verdrag en, meer in het bijzonder op grond van art. 1-4 van het Protocol. De grief faalt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het Verdrag en met name genoemde bepaling van het Protocol geen bepaling is die een ieder verbindt. Daartoe geldt het volgende.

Bij de totstandkoming van het Verdrag is uitdrukkelijk aan de orde geweest of daarin zou worden geregeld dat de laatste bezitter van culturele goederen (voordat die in een gewapend conflict werden afgevoerd) die rechtstreeks van de bezitter te goeder trouw in een ander land kon terugvorderen. Besloten is een dergelijke bepaling van privaatrechtelijke aard niet in het Verdrag of Protocol op te nemen. (zie J.Toman, The Protection of cultural property in the event of armed conflict, Unesco Publishing, Dartmouth, 1996, pag.336 tot en met 351.)

Ook uit de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet van het Verdrag (kamerstuk 1957- 1958, 5510, no 3) volgt dat het Verdrag (alleen) verplichtingen van de verdragsluitende partijen formuleert en dat ook het Protocol met betrekking tot het wegvoeren en de recuperatie van roerende goederen verplichtingen aan verdragsluitende partijen oplegt. De memorie van toelichting noemt als verplichting voor verdragsluitende partijen op wier grondgebied de culturele goederen zich bevinden die afkomstig zijn van bezet gebied, dat zij de culturele goederen sequestreren en na de vijandelijkheden aan de autoriteiten van het voormalig bezet gebied restitueren.

Ook uit de bepalingen van het Verdrag en Protocol zelf volgt niet dat die voor een ieder verbindend zijn. Artikel 1 lid 4 van het Protocol bepaalt dat de staat, die de verplichting had de uitvoer van culturele goederen uit het door hem bezette gebied te beletten een schadeloosstelling moet toekennen aan de bezitter te goede trouw van de culturele goederen die volgens lid 3 van het artikel 1 van het Protocol moeten worden teruggegeven. Lid 3 houdt in dat op de verdragsluitende partijen de verplichting rust bedoelde culturele goederen terug te geven. Geen bepaling van het Protocol legt aan burgers de verplichting op om goederen aan (eerdere) rechthebbenden terug te geven.

De slotsom is dat het Verdrag en Protocol alleen de verdragsluitende staten verplichtingen oplegt en geen bepalingen inhoudt die de burgers van die staten rechtstreeks binden.

4. De Kerk komt in haar grieven II en III op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] bij de verkrijging van de iconen te goeder trouw was. Het hof laat de beoordeling van die grieven achterwege, omdat de vordering van de Kerk, ook al zouden deze grieven slagen, toch zal moeten worden afgewezen, omdat het dan aan de orde komende, in eerste instantie door [geïntimeerde] gedane, beroep op verjaring van de vordering van de Kerk slaagt.

5. Ten aanzien van dat beroep op verjaring oordeelt het hof als volgt: [geïntimeerde] heeft in eerste instantie gesteld dat het recht van de Kerk om de iconen terug te vorderen is verjaard op grond van de artikelen 3:105, 3:306 en 3:314, lid 2 BW . De Kerk heeft in grief 4 betoogd dat de lopende verjaringstermijn van haar vorderingsrecht is gestuit door het door haar op 25 juli 1995 gelegde conservatoir beslag op de iconen en niet pas door de daarop volgende dagvaarding in deze procedure van 8 augustus 1995. Dat betoog is juist, omdat de beslaglegging door de Kerk een daad van rechtsvervolging vormt als bedoeld in artikel 3.316 BW. Van verjaring is daarom sprake (ongeacht goede of kwade trouw van [geïntimeerde] ), indien de verjaringstermijn van 20 jaar is aangevangen voor 25 juli 1975.

6. Het gaat hier om de verjaring van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van een niet rechthebbende, genoemd in artikel 3: 314, lid 2 BW . Die verjaringstermijn begint te lopen vanaf het moment dat een ander dan de eigenaar bezitsdaden ten aanzien van de zaak verricht.

7. Uit de stellingen van partijen volgt dat sprake was van bezit van [geïntimeerde] dat een voortzetting vormt van bezit door voorgangers. De Kerk heeft gesteld dat de iconen in juni 1974 nog in de Antiphonitiskerk te Cyprus aanwezig waren (en dus nog in het bezit van de Kerk) en dat ze na de Turkse invasie van juli- augustus 1974 daaruit zijn weggenomen. De Kerk heeft voorts gewezen op publicaties van John Fielding van mei 1976 in de Engelse bladen The Guardian en The Times, waaruit volgt dat de iconen in april 1976 uit de Antiphonitiskerk waren verdwenen. Het artikel beschrijft een toen aangetroffen geplunderde en beschadigde kerk met op de vernielde iconostase een neergekalkte datum van 6 maart 1975. De Kerk stelt dat daaruit het vermoeden rijst dat de iconen op 6 maart 1975 zijn weggehaald. Dat strookt met het relaas van de UNESCO vertegenwoordiger Dalibard, (prod. 40 bij nadere conclusie Kerk in eerste instantie) die in de periode februari-maart 1975 onderzoek heeft gedaan naar de staat van het cultureel erfgoed van Cyprus, maar de Antiphonitiskerk niet kon bereiken, omdat zijn groep werd gestopt. Het strookt ook met de door de kerk overgelegde brieven van de bezorgde Friends of Cyprus van begin april 1975 aan de Directeur-Generaal van de UNESCO over diefstal van iconen uit Cyprus (prod. 41 bij nadere conclusie Kerk in eerste instantie). Volgens [geïntimeerde] (memorie van antwoord, nrs 22 en 67) zijn de iconen na de plundering van de kerk naar Beiroet vervoerd en van daaruit naar Londen, waarna ze na restauratie via de kunsthandelaren [kunsthandelaar 2] , [kunsthandelaar 3] en [kunsthandelaar 1] in bezit van [geïntimeerde] zijn gekomen.

8. Evenals de Kerk leidt het hof uit het voorgaande af dat de iconen op 6 maart 1975 uit de Antiphonitiskerk zijn gestolen en dat de Kerk toen het bezit van de iconen heeft verloren. Daaruit volgt dat vanaf dat moment ten aanzien van de iconen door anderen dan de Kerk bezitsdaden zijn verricht. De verjaring van de revindicatievordering van de Kerk is dus voltooid in maart 1995. Grief 4 faalt dus.

9. De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat de Kerk de kosten van het hoger beroep moet dragen.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis; - veroordeelt de Kerk in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] bepaald op € 215,55 aan vastrecht en € 772,-- aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vrij, De Brauw en Looten en is uitgesprokenter openbare terechtzitting van 7 maart 2002, in bijzijn van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature