< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Schadestaatprocedure wegens wanprestatie.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Uitspraak: 6 maart 1997rolno.: 93/2097

rolno. rb.: 160/1980

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage, kamer IV A, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[X] onroerend Goed B.V.,

gevestigd te Vianen,

appellante, incidenteel geïntimeerde,

procureur: Mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

de gemeente Vianen.

waarvan de zetel is gevestigd te Vianen,

geïntimeerde, incidenteel appellant,

procureur: Mr. W. Taekema.

Het geding

Appellante ([…]) is in hoger beroep gekomen van het tussen partijen in een schadestaatprocedure door de rechtbank te Dordrecht gewezen vonnis van 1 september 1993. Bij memorie (met een afzonderlijke lijst van producties) heeft [appellante] zes grieven tegen dat vonnis aangevoerd, welke geïntimeerde (de gemeente) bij memorie (eveneens met producties) heeft bestreden. Daarbij heeft de gemeente tegen het vonnis onder aanvoering van dertien grieven incidenteel hoger beroep ingesteld, dat [appellante] op haar beurt bij memorie (met producties) heeft bestreden. Vervolgens hebben partijen hun standpunten doen bepleiten, [appellante] door mrs. A. Voûte en M. Th. Nijhuis, advocaten te Amsterdam, en de gemeente door mr J.W. Dieker, advocaat te Utrecht. Ten slotte hebben partijen hun procesdossiers (waarin ook de pleitnotities) aan het hof overgelegd voor arrest.

Beoordeling van het hoger beroep in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

1. Bij vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 2 januari 1985 werd het Industrieschap Hagestein­ Vianen, rechtsvoorganger van de gemeente, veroordeeld aan [X]' Beton B.V. te Vianen te betalen schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente van 28 december 1979 tot de voldoening.

Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld. Bij arrest van dit hof van 16 januari 1987 werd het vonnis bekrachtigd.

Het tegen het arrest ingesteld cassatieberoep werd door de Hoge Raad bij arrest van 13 januari 1989 verworpen.

[appellante] heeft aan de gemeente een schadestaat doen betekenen, waarin de schade werd becijferd op

fl. 117.550.904,=. Na de daaropvolgende procedure, waarin beide partijen deskundigenrapporten in het geding hebben gebracht, heeft de rechtbank te Dordrecht bij het vonnis waarvan beroep de vordering van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten en de kosten van de geproduceerde deskundigenrapporten.

2. De grieven van partijen leggen het geschil in de schadestaatprocedure in volle omvang aan het hof voor.

3. Nu vòòr 1 januari 1992 aan alle vereisten voor het ontstaan van aansprakelijkheid was voldaan, is ook op de schadevaststelling het tot die datum geldende burgerlijk recht van toepassing (artikel 69 Overgangswet nieuw burgerlijk wetboek ).

4. Bij voormeld vonnis van 2 januari 1985 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Industrieschap verplicht is de schade, die [appellante] heeft geleden door de aan het Industrieschap te wijten vertraging in de uitvoering van de ontwerpbesluiten A en B, aan [appellante] te vergoeden, indien en voorzover er van schade aan de zijde van [appellante] sprake is. Op grond van deze ontwerpbesluiten zou [appellante] terreinen van ongeveer 6,5 hectare geleverd krijgen welke grenzen aan haar industrieterrein te Vianen. De rechtbank heeft overwogen dat -voorzover thans van belang- de gemeente sinds 17 april 1975 in gebreke was de voor de gemeente uit de ontwerpbesluiten voortvloeiende verplichtingen na te komen en dus van die datum af jegens [appellante] wanprestatie pleegde. In het vonnis waarvan beroep (rechtsoverweging 2) overweegt de rechtbank dat het Industrieschap sedert 17 april 1975 in verzuim is geraakt met de levering van de terreinen. De daartegen gerichte incidentele grief II van de gemeente is gegrond, daar het hof bij voornoemd arrest van 16 januari 1987 heeft vastgesteld dat het Industrieschap (lees thans: de gemeente) op 18 juni 1975, toen het dagelijks bestuur van het Industrieschap [appellante] liet weten zich aan de ontwerpbesluiten A en B niet gebonden te achten, in verzuim kwam. Het hof zal dan ook voor het begin van het verzuim van deze datum uitgaan.

5. [appellante] stelt zich op het standpunt dat zij als gevolg van voornoemde wanprestatie schade heeft geleden, doordat zij niet haar plan kon uitvoeren de productiecapaciteit van (naar bij pleidooi is gebleken: voorgespannen) betonpalen uit te breiden tot 130.000 kubieke meter per jaar, met welke uit­ breiding zij een groot marktaandeel had kunnen verwerven in de periode 1975-1980, terwijl zij reeds in de jaren 1972 tot en met 1975 productiehallen en andere installaties, bestemd voor die productie-uitbreiding, had gerealiseerd en hoogwaardig personeel heeft aangehouden. [appellante] stelt dat op 1 juli 1975 het concurrentiebeding afliep en dat zij toen met het op dat terrein installeren van de specifieke productiemiddelen kon beginnen, waarna de produktie rond 1 januari 1976 zou kunnen starten. Als gevolg van de wanprestatie was het, aldus [appellante], voor haar onmogelijk de grootschalige fabriek, die goeddeels klaarstond, te voltooien en productie te laten maken.

In dat verband stelt [appellante] met name:

a. a) dat zij met het oog op de voorgenomen uitbreiding van de productiecapaciteit tot 130.000 kubieke meter per jaar plannen had gemaakt voor een daarbij passende uitbreiding van de mengerij, een kantine met was- en kleedruimte voor 152 productiemedewerkers had gemaakt en gedurende vijf jaren een personeelsbestand van 10 stafmedewerkers (van wie zeven waren meegenomen uit Son) heeft aangehouden.

b) dat zij tot hetzelfde doel de geprefabriceerde hallen (nummers 6 en 7), met inbegrip van 200 ton staal, benodigd voor het afbouwen van de productie­ hallen (spankuipen), op haar terrein heeft opgeslagen, zodat zij op het moment van levering van de gronden het uitbreidingsplan zou kunnen realiseren.

c) dat zij juist met het oog op de uitbreiding op 31 december 1975 een joint-venture is aangegaan met de grootste funderingsspecialist ter wereld, Pieux Franki S.A. te België, waarmee zij een afzet van

20.000 à 30.000 kubieke meter per jaar op de Belgische markt zeker stelde.

6. De gemeente heeft in de eerste plaats betwist dat [appellante] als gevolg van de wanprestatie schade heeft geleden. Zij betwist dat [appellante] ten tijde van de wanprestatie concrete en serieuze plannen tot de gestelde grote uitbreiding van de productiecapaciteit had. Voorts betwist zij dat zodanige plannen gelet op de marktsituaties en marktprognoses bedrijfseconomisch ook verantwoord waren en [appellante] als goed ondernemer ook zou hebben gerealiseerd

c.q. bij realisatie meer winst zou hebben gemaakt.

7. De gemeente heeft in dit kader aangevoerd:

ad a) Er zijn door [appellante] geen stukken overgelegd waaruit een concreet plan tot uitbreiding van de mengerij blijkt. Bij de kantine met was- en kleedruimte gaat het om een multi-functionele ruimte. Verder kon [appellante] bij de bouw nimmer het oog hebben gehad op een aantal van 152 personeelsleden in het kader van de gestelde grootschalige productie. [appellante] heeft thans 30 werknemers bij een productie van 40.000 kubieke meter per jaar. Gelet op de door [appellante] gestelde schaalvoordelen, die zijn verbonden aan een productie van 130.000 kubieke meter per jaar, zoals de omstandigheid dat het personeelsbestand niet evenredig behoeft toe te nemen, acht de gemeente het aantal van 152 werknemers onbegrijpelijk.

Uitgaande van de juistheid van het door [appellante] als productie IX bij memorie van grieven overgelegde overzicht, heeft zij van eind 1970/begin 1971 af (de periode van verkoop van de fabriek in Son) slechts vijf medewerkers/stafleden in dienst gehouden. De in het overzicht genoemde functies van deze medewerkers zijn niet specifiek voor de betonpalenindustrie en niets wijst erop dat het aanhouden van de betrokken medewerkers verband hield met andere activiteiten dan [appellante] feitelijk heeft ontplooid, met inbegrip van de na 1975 in werkelijkheid gerealiseerde betonpalenproductie.

ad b) De gestelde opslag zegt niets over de werkelijke plannen van [appellante]. De gemeente wijst op rechtsoverweging 13 van het arrest van 16 januari 1987, waarin dit hof heeft overwogen dat mededelingen van [appellante] bij pleidooi niet onaannemelijk maken dat het nutteloos blijven liggen van elementen van een bedrijfshal veeleer is toe te schrijven aan de omstandigheid dat [appellante] nog niet beschikte over een ander stuk grond dan waarop de ontwerpbesluiten A en B betrekking hadden.

ad c) Het contract met Pieux Franki S.A. heeft kennelijk geen gevolg gekregen. Verwijzend naar

pagina 21 van de pleitnota van de raadsman van [appellante] in eerste aanleg, mr Thunnissen, stelt de gemeente dat het er alle schijn van heeft dat [appellante] een samenwerking met Pieux Franki slechts tot stand heeft gebracht voor het geval het op de Nederlandse markt voor haar volledig tegen mocht zitten. In elk geval blijkt uit niets dat [appellante] vanwege productie(capaciteits)problemen niet aan het samenwerkingsverband heeft kunnen leveren.

8. Naar het oordeel van het hof staat weliswaar vast dat [appellante] in de jaren 1972-1975 een aantal productiehallen heeft gebouwd, maar [appellante] heeft voormelde betwisting door de gemeente vooralsnog niet voldoende ontzenuwd. Zij heeft ook geen stukken overgelegd die een bevestigende beantwoording aannemelijk maken van de (primaire) vraag, of zij ten tijde van de wanprestatie inderdaad concrete en serieuze plannen tot de gestelde productiecapaciteitsuitbreiding had op 1 januari 1976. De wel in het geding gebrachte stukken (inrichtings- en overzichtstekeningen en montagefoto's) bieden niet meer dan een globaal inzicht in de situering van (nieuw te bouwen) productiehallen en kraanbanen. [appellante] heeft echter geen concrete en gedetailleerde plannen, tekeningen en analyses met betrekking tot de gestelde plannen alsmede stukken met betrekking tot (de aanvraag van) de vereiste vergunningen overgelegd.

Bij het oordeel, dat voormelde vraag thans niet bevestigend kan worden beantwoord, heeft het hof nog het volgende in aanmerking genomen.

[appellante] stelt dat voor de voorgenomen uitbreiding van de productiecapaciteit de aanleg van een bovenloopkraan (van 250 meter) onontbeerlijk is. Op pagina 52 van de memorie van grieven heeft zij de werkzaamheden geschetst die met de aanleg zijn gemoeid. Vervolgens stelt zij op pagina 52 van die memorie dat, indien ononderbroken en zonder belemmeringen aan het terrein kan worden gewerkt, de aanleg van één bovenloopkraan van 250 meter ongeveer zes maanden vergt. Hieraan gaat echter, aldus [appellante] verder, een belangrijke tijd van voorbereiding, teken- en rekenwerk, het aanvragen van offertes voor de kraan en de liggers alsmede het aanvragen van de bouwvergunning vooraf. Van het moment af dat de principebeslissing tot het inrichten van een bovenloopkraan is genomen tot aan het moment van ingebruikname daarvan, moet in elk geval rekening gehouden worden met vijftien maanden.

[appellante], die heeft gesteld dat op 1 juli 1975, toen het concurrentiebeding afliep, met het installeren van de specifieke productiemiddelen ter voltooiing van de geplande grootschalige fabriek kon worden begonnen, waarna de productie rond 1 januari 1976 zou kunnen starten, heeft evenwel geen teken- of rekenstukken, offertes of stukken met betrekking tot een bouwvergunning overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat zij daartoe inderdaad, rekening houdende met genoemde voorbereidingstijd van vijftien maanden, in staat was.

9. [appellante] zal worden toegelaten de juistheid van haar evengenoemde stellingen te bewijzen op de wijze zoals hieronder aangegeven. Na de bewijslevering zal (zo nodig) op de overige geschilpunten worden ingegaan.

Beslissing:

Het Gerechtshof

laat [appellante] toe te bewijzen feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat zij ten tijde van de afloop van het concurrentiebeding op 1 juli 1975 alles in gereedheid had om een aanvang te kunnen maken met de bouw/aanleg/installatie van de productiemiddelen, benodigd voor een uitbreiding van de productie van voorgespannen betonpalen tot 130.000 kubieke meter per jaar, en dat zij op 1 januari 1976 met de productie op een aanzienlijk grotere schaal dan voorheen in de grotere fabriek een begin kon en wilde maken;

bepaalt dat, indien [appellante] het bewijs wil leveren door getuigen, de getuigen zullen worden gehoord door mr E.J. van Sandick als raadsheer-commissaris in het Paleis van Justitie aan de Juliana van Stolberglaan 2 te 's-Gravenhage op een na opgave van verhinderdata vast te stellen tijdstip;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door Mrs. Fasseur-van Santen, Van den Ende-Wiefkers en Van Sandick; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 1997.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature