< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV 2012 tot en met 2014 giften aan een stichting opgevoerd als aftrekpost. De Inspecteur heeft de giften na de door belanghebbende verstrekte bankafschriften en giftkwitanties voor 2012 en 2013 in aftrek toegestaan en voor 2014 niet. Over de jaren 2012 en 2013 heeft de Inspecteur de aftrek teruggenomen met de opgelegde navorderingsaanslagen. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur beschikt over een nieuw feit, omdat hij pas naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek bekend is geworden met een handelwijze waarbij op grote schaal valse giftkwitanties werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Daarom kunnen de kwitanties van de stichting niet zonder meer dienen als bewijs. Aan de door belanghebbende overgelegde bankafschriften komt onvoldoende bewijskracht toe omdat niet aannemelijk is dat de opgenomen geldbedragen zijn aangewend voor de giften. Ten aanzien van de vergrijpboetes oordeelt het Hof dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften zich er van bewust is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren. De boetes van 50% en 75% zijn passend en geboden. Tot slot heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende in het incidenteel hoger beroep kan opkomen tegen de beslissing betreffende het jaar 2014, ook al ziet het principaal hoger beroep van de Inspecteur alleen op de jaren 2012 en 2013.

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-20/00318, BK-20/00319 en BK-20/00432

Uitspraak van 19 januari 2021

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: […] , […] en […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 januari 2020, nummers SGR 19/2759, SGR 19/2760 en SGR 19/2761.

Procesverloop

2012 - 20/00318

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.717 (de navorderingsaanslag 2012). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 732 aan belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 2.464.

1.1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de navorderingsaanslag en de beschikkingen afgewezen.

2013 - 20/00319

1.2.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.941 (de navorderingsaanslag 2013). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 252 aan belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 1.523.

1.2.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de navorderingsaanslag en de beschikkingen afgewezen.

2014 - 20/00432

1.3.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag IB/PVV (de aanslag 2014) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.842.

1.3.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

Alle jaren

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar in één geschrift beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van deze beroepen is éénmaal een griffierecht geheven van € 47. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard voor zover deze zien op de boetebeschikkingen voor 2012 en 2013, de beroepen voor het overige ongegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar voor zover deze zien op de boetebeschikkingen voor 2012 en 2013 vernietigd, de boetebeschikkingen voor 2012 en 2013 vernietigd en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 47 aan belanghebbende te vergoeden.

1.6.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft gereageerd op het incidenteel hoger beroep.

1.7.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 september 2020. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2012

2.1.1.

Belanghebbende heeft in zijn (herziene) aangifte IB/PVV 2012 de volgende giften opgevoerd:

Omschrijving

bedrag

Overige andere giften

[stichting]

€ 8.500

[A]

€ 50

[B]

€ 50

[C]

€ 300

Totaal

€ 8.900

Af: drempel andere giften

€ 813

Aftrek andere giften

€ 8.087

2.1.2.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 13 oktober 2014 onder meer verzocht de bankafschriften toe te zenden waaruit de opname voor de giften blijkt. Belanghebbende heeft bij brief van 20 oktober 2014 een bankafschrift gevoegd waaruit blijkt dat op 25 mei 2012 een pinopname van € 1.000 heeft plaatsgevonden en op 31 mei 2012 een kasopname van € 25.000. Bij brief van 30 oktober 2014 heeft de Inspecteur ter zake van de giften meegedeeld dat belanghebbende met de verstrekte informatie onvoldoende heeft aangetoond dat hij deze heeft betaald, zodat de Inspecteur op dit punt van de aangifte zal afwijken. De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2012 met dagtekening 27 februari 2015 vastgesteld en het in de aangifte opgevoerde bedrag van € 8.087 niet in aftrek toegelaten.

2.1.3.

Belanghebbende heeft op 27 februari 2015 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2012 en daarbij twee kopieën van donatieformulieren/kwitanties van de [stichting] ( [stichting] ) verstrekt. De kwitanties met nummers 001278 en 001414 vermelden een donatie van respectievelijk € 6.700 met dagtekening 2 juni 2012 en € 800 met dagtekening 29 juni 2012. Bij uitspraak op bezwaar van 12 mei 2015 heeft de Inspecteur het bezwaar met betrekking tot de aftrek van giften vervolgens toegewezen en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 73.630.

2013

2.2.1.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2013 een gift van € 4.675 opgevoerd met de omschrijving “ [stichting] ”. Na aftrek van de drempel van € 431 resteerde een aftrekbare gift van € 4.244.

2.2.2.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 30 augustus 2014 verzocht informatie te verstrekken over bepaalde in de aangifte van belanghebbende in aftrek gebrachte kosten. Het daartoe in te vullen Formulier aftrekbare kosten aangifte inkomstenbelasting 2013 vermeldt onder meer:

“Giften

U heeft in de aangifte onder de rubriek ‘giften’ een bedrag van € 4.244 afgetrokken. Daarom wil ik van u ontvangen:

- een specificatie van de giften

- de schriftelijke bewijsstukken zoals bank- of giro-afschriften waaruit blijkt aan wie de giften zijn gedaan en voor welke bedragen.”

2.2.3.

Bij brief van 3 september 2014 heeft belanghebbende een kopie van een kwitantie van de [stichting] verstrekt. De kwitantie met nummer 00769 vermeldt een donatie van € 4.750 met dagtekening 20 april 2013. Bij brief van 20 oktober 2014 heeft belanghebbende een bankafschrift verstrekt, waaruit blijkt dat op 22 maart 2013 een pinopname van € 4.000 en van € 1.000 heeft plaatsgevonden. De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2013 met dagtekening 18 maart 2015 vastgesteld conform de aangifte naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.697.

2014

2.3.1.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2014 de volgende giften opgevoerd:

Omschrijving

bedrag

Overige andere giften

[D]

€ 1.170

[stichting]

€ 2.000

[E]

€ 1.000

Totaal

€ 4.170

Af: drempel andere giften

€ 415

Aftrek andere giften

€ 3.755

2.3.2.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 30 juni 2015 verzocht informatie te verstrekken over bepaalde in de aangifte van belanghebbende in aftrek gebrachte kosten. Het daartoe in te vullen Formulier aftrekbare kosten aangifte inkomstenbelasting 2014 vermeldt onder meer:

“Giften

U heeft in de aangifte onder de rubriek ‘giften’ een bedrag van € 3.755 afgetrokken. Stuur mij daarom:

- een specificatie van deze giften

- de originele schriftelijke bewijsstukken en betalingsbewijzen, zoals bankafschriften, waaruit blijkt aan wie de giften zijn gedaan en voor welke bedragen.

2.3.3.

Bij brief van 8 juli 2015 heeft belanghebbende een kopie van een kwitantie van de [stichting] verstrekt. De kwitantie met nummer 000071 vermeldt een donatie van € 2.000 met dagtekening 2 januari 2014.

2.3.4.

De Inspecteur heeft de aanslag 2014 met dagtekening 14 december 2017 vastgesteld en de gift aan de [stichting] van € 2.000 niet in aftrek toegelaten.

Alle zaken

2.4.1.

De Belastingdienst is in 2013 een onderzoek gestart naar de houdbaarheid van de ANBI-status van de [stichting] . Daaruit bleek ten aanzien van het jaar 2012 dat belastingplichtigen gezamenlijk voor ten minste een bedrag van € 3.000.000 aan giften aan de [stichting] in aftrek hadden gebracht terwijl in de jaarstukken van de [stichting] voor dat jaar een bedrag van € 591.210 aan ontvangen giften was verantwoord. Voorts bleek dat de [stichting] in het jaar 2012 meer kwitanties (in totaal 2.500) had uitgeschreven dan in haar administratie was verantwoord (531) en dat de [stichting] in de jaarstukken voor 2013 een bedrag van € 88.564 aan ontvangen donaties had verwerkt terwijl in aangiften IB/PVV van diverse belastingplichtigen in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] was aangegeven. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt dat is gedagtekend 17 mei 2016.

2.4.2.

Omdat de administratie van de [stichting] ernstige gebreken vertoonde is de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.

2.4.3.

In januari 2015 is de FIOD gestart met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij drie andere ANBI-instellingen dan de [stichting] ( [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] ). Uit die onderzoeken bleek dat diverse belastingplichtigen die giften aan voormelde instanties in de aangiften hadden opgenomen ook giften aan de [stichting] hadden opgenomen in hun aangiften.

2.5.1.

Voormelde bevindingen (2.4.1 en 2.4.3) zijn aanleiding geweest voor de FIOD om op 17 september 2015 een strafrechtelijk onderzoek te starten naar de [stichting] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen van de [stichting] en het gebruik hiervan bij het doen van aangiften IB/PVV ( [FIOD-onderzoek 3] ).

2.5.2.

De bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn door de FIOD opgenomen in een proces-verbaal, met dossiernummer 57425. De Officier van Justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het FIOD-onderzoek te gebruiken voor fiscale doeleinden. De resultaten van het onderzoek zijn op 23 april 2018 ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst/kantoor Den Haag. Het (geanonimiseerde) proces-verbaal met bijlagen is door de Inspecteur verstrekt op een CD-rom (het FIOD-rapport).

2.5.3.

Belanghebbende is in voormeld onderzoek niet als verdachte aangemerkt noch is hij als getuige gehoord.

2.6.

In het FIOD-rapport zijn proces-verbalen van verhoor van verdachten opgenomen uit de strafrechtelijke onderzoeken [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] . De verdachten hebben onder andere verklaringen afgelegd over de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .

2.6.1.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 1] (blz. 2040 e.v.) De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"[…] is belastingadviseur en hij werkt samen met de [stichting] met betrekking tot het kopen van kwitanties. Hij koopt de kwitanties in voor 10% en verkoopt ze voor 12 tot 15% aan zijn klanten zodat zij dit kunnen aftrekken van de belasting."

2.6.2.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 2] (blz. 2140 e.v.). De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"Ik ga u alles vertellen in 2011, 2012 en 2013 heb ik kwitanties gekocht bij [stichting] . Dit was niet voor 10% maar voor 15% of zelfs 20% procent weet ik niet meer zeker. Het zijn allemaal oplichters van die stichtingen. Ze stoppen alles in de eigen zak en melden niets aan de Belastingdienst. In 2011 heb ik geld betaald aan [de bestuurder/directeur] van de [stichting] . In 2012 en 2013 heb ik geld betaald aan [de penningmeester] van de [stichting] . De door mij overgelegde kwitanties over het jaar 2013 van de [stichting] heb ik van die [penningmeester] gekregen. Dit geld heb ik op de [adres] in [woonplaats] betaald. De kwitanties heeft [de penningmeester] mij op het adres aan de [adres] waar de [stichting] is gevestigd gegeven."

2.6.3.

Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 3] (blz. 1900 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, voor zover van belang:

"Opmerking verbalisanten: Uit onderzoek is naar voren gekomen dat uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn ingediend vanaf het IP-adres van de [stichting] .

Vraag verbalisanten: Wie heeft uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 ingevuld en ingediend bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde:

"Omdat ik slecht Nederlands spreek, ben ik door diverse mensen geadviseerd om naar de [stichting] te gaan. Ik ging naar de [stichting] om mijn aangiften in te laten vullen.

(…)

Vraag verbalisanten: Wie heeft de aangifte Inkomstenbelasting 2011 op uw naam bij de Belastingdienst ingevuld en ingediend?

Antwoord gehoorde:

"Ik ben eerlijk, maar toen ik daar kwam waren het elke keer andere mensen. Er waren allemaal kleine hokjes en daar werd het ingevuld. Ik ben daar gewoon naartoe gegaan, maar ik ken daar helemaal niemand. Ik kan dus niet zeggen wie dat voor mij ingevuld heeft. Op de dag dat ik mijn aangifte liet invullen, kreeg ik de twee kwitanties die ik u zojuist heb overhandigd. De data op de kwitanties hebben zij van de [stichting] erop gezet. Ik heb in ieder geval niet op die data betaald. Ik heb in één keer € 300 of zo betaald. Ik weet niet meer precies hoeveel ik heb betaald maar ik dacht iets van 12 of 15% van € 2.500. Ik heb mijn DigiD code en wachtwoord aan de medewerker van de [stichting] gegeven en die heeft vervolgens mijn aangifte ingediend. Dat ging elk jaar zo."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2012 staat in het onderdeel 'giften' een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

"Daarvoor geldt hetzelfde als het jaar 2011. Ik denk dat ik daar ook ongeveer € 300 voor betaald heb."

(…)

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2012 staan de data 10-03-2012 en 15‑11‑2012. Uw aangifte inkomstenbelasting 2012 is gedaan op 9 maart 2013.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

(…)

Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2013 staat in het onderdeel ‘giften’ een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

“Ook hier heb ik maar € 300 of € 350 voor betaald."

Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2013 staan de data 23-02-2013 en 24‑05‑2013. Uw aangifte inkomstenbelasting 2013 is gedaan op 26 februari 2014.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

2.7.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "aangetroffen belastingaangiften en correspondentie op de PC van de [stichting] " (blz. 930 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Resumé

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden, te weten dat:

(…)

 […] zijn aangifte inkomstenbelasting 2013 voor € 50 in heeft laten vullen door/bij de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] een gift is opgenomen van € 3.000;

 […] € 300, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is ingediend;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] die bij de Belastingdienst is ingediend, is verzonden vanaf één van de computers van de [stichting] ;

 In de aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] een gift is opgenomen van €1.000;

 […] € 100, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];

 De kwitantie op naam van […] met nummer [xxx] gelet op de verklaring van [de penningmeester] vermoedelijk valselijk is opgemaakt;

 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is gedaan;

(…)"

2.8.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "onderzoek in administratie [stichting] " (blz. 747 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"In verband met dit onderzoek heeft op 13 december 2016 een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van de [stichting] , waarbij diverse administratie in beslag is genomen. Ik heb verhuisdoos 1 met boekingsnummer C.22.02.01 van object C van totaal 21 dozen nader onderzocht.

(…)

Resumé

 De [stichting] neemt niet alle door hun afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties naar aanleiding van contante stortingen op in het kasboek van de [stichting] .

 Meerdere malen wordt slechts het bedrag of een gedeelte van het bedrag wat vermeld staat op 1 donatieformulier of op het bewijs van donatie opgenomen in het kasboek van de [stichting] ;

 Uit onderstaande tabel is op te maken dat ongeveer 22% procent van de afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties verantwoord is in het kasboek van de [stichting] ;

 (…)"

2.9.

Het FIOD-rapport bevat een op 16 april 2015 bij de FIOD binnengekomen anonieme melding, met nummer 35.04946 (blz. 4180) met de volgende mededeling:

"Belastingfraude door […]. Het gaat om giften/donaties aan de [stichting] te [woonplaats] . De ontvangstbewijzen die ontvangen zijn van de [stichting] zijn meermalen vervalst en gebruikt voor meerdere personen om belastingteruggaaf aan te vrahen (lees: vragen, hof) (alsof zij deze giften/bedragen ook hebben betaald)"

2.10.

Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "Vergelijking opbrengst donaties Stichting [stichting] " (blz. 469 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Ontvangst Excelbestand en kwitanties [stichting]

(…)

De Belastingdienst heeft, onder andere over het jaar 2014, diverse kwitanties op naam van de Stichting [stichting] en een Excelbestand aan de FIOD ter beschikking gesteld.

(…)

Uit onderzoek in het Excelbestand is naar voren gekomen dat er op naam van de [stichting] in de periode 1 januari 2014 tot en met 6 januari 2014 in totaal 232 kwitanties zijn uitgeschreven, die een gezamenlijke waarde van € 564.820 vertegenwoordigen.

Vergelijking donaties 2014 met voorliggende Jaren

Ik heb het aantal boekingen, dat over de jaren 2008 tot en met 2013 in de periode 1 januari tot en met 6 januari in de administratie van de Stichting [stichting] is gedaan, vergeleken met het aantal kwitanties, dat in dezelfde periode in 2014 is uitgeschreven.

Ik zag daarbij dat het aantal boekingen in de administratie over de jaren 2008 tot en met 2013 sterk afwijkt van het aantal kwitanties, dat in 2014 is uitgeschreven. Zie onderstaande tabel.

Jaar

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Data van de boekingen

1, 4 en 5 januari

5 en 6 januari

2, 3 en 5 januari

1, 3,4 en 5 januari

4 en 6 januari

1 t/m 6 januari

Aantal boekingen

7

5

3

13

6

232

Bedrag boekingen

€ 9.300

€ 5.450

€ 3.450

€ 13.900

€ 5.250

€ 0

€ 564.820"

2.11.1.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn diverse telefoons in beslag genomen. Het FIOD-rapport (blz. 34) vermeldt hierover, onder meer:

"In diverse telefoons die bij de doorzoeking van de woning van [de penningmeester] in beslag werden genomen zijn tekstberichten aangetroffen waarin wordt gesproken over het aankopen van kwitanties en het percentage wat daarvoor moet worden betaald. Ook zijn er berichten aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat anderen de kwitanties namens belastingplichtigen aankopen."

2.11.2.

Het FIOD-rapport bevat (de vertaling van) de tekstberichten die op de in beslag genomen telefoons zijn gevonden. Het FIOD-rapport bevat onder meer een vertaling van de volgende sms-berichten (blz. 4259, 4261 en 4262):

"*

Folder

Party

Time

(…)

(…)

Message

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

32

Inbox

From

[…]

20-3-2014

21:34:43(…)

Read

Hallo […] Je zou een bon opstellen voor […]. Ik heb de datums genoteerd van de gelden die ik van de bank heb opgenomen. Zou je het na vrijdag kunnen regelen als ik morgen even langskom?

7500 opname op 11.10.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 29.09.2013

2000 opname op 18.12.2013

1000 opname op 17.06.2013

1000 opname op 16.07.2013

1000 opname op 25.07.2013

1000 opname op 30.09.2013

500 opname op 02.10.2013

(…)

33

Sent

To

[...]

20-3-2014

21:35:48 (…)

Sent

Hallo broer, is goed. Ik heb het gereed. Zou je mij je adres en het totaalbedrag van wat je wilt willen doorgeven?

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

54

Inbox

From

[...]

4-7-2014

22:26:10 (…)

Read

Hallo meneer

24-03-2013 800 euro

23-04-2013 1000 euro

10-06-2013 700 euro

(…)

55

Sent

To

[...]

4-7-2014

22.:27:19

Sent

Hallo hoca, Dankjewel. U kunt het morgenavond op komen halen. Gegroet

(…)"

2.12.

Het FIOD-rapport bevat een "TCI proces-verbaal" van het Team Criminele Inlichtingen (blz. 504 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, onder meer:

"Bij het Team Criminele Inlichtingen van de Belastingdienst/FIOD is in de maand maart 2016 via één informant de navolgende Informatie binnengekomen:

'De leiding van de [ [stichting] ] is op de hoogte van de belastingfraude door middel van de verkoop van valse giftenkwitanties op haar naam. Vals opgemaakte stukken worden ondertekend en gestempeld door […]. Nu de [stichting] geen ANBI meer is, worden andere stichtingen gebruikt voor deze fraude"

2.13.1.

Het FIOD-rapport bevat een handgeschreven kasadministratie, aangeduid als DOC‑480 (blz. 3614 e.v.). Dit kasboek bevat de contante inkomsten en uitgaven van de [stichting] in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 december 2016. Het FIOD-rapport bevat voorts een overzicht van de door de [stichting] uitgeschreven kwitanties voor het jaar 2013, aangeduid als DOC-433 (blz. 3399 e.v.).

2.13.2.

De penningmeester heeft over voormelde administratie en voormeld overzicht onder meer verklaard:

a. FIOD-rapport, blz. 1518-1526:

"Ik had zelf een administratie ontwikkeld in excel. Pas toen wij een ANBI controle kregen zijn wij de administratie gaan ontwikkelen. In 2012 als er dan iemand kwam voor een of meerdere kwitanties dan werd deze door mij uitgeschreven en schriftelijk geboekt in een doorschrijf kasboek. Ik boekte dan het bedrag dat wij daadwerkelijk ontvingen. Dus voor een kwitantie van € 1.000 boekte ik een ontvangst van € 100. (…) Later werd door mij het daadwerkelijke bedrag op de kwitantie geboekt. Ik maakte hiervoor een excel bestand aan dat op de computer stond van de [stichting] in dit bestand zette ik het bedrag van de kwitantie, zodat ik kon bijhouden wat er gebeurd was voor als de mensen kwamen voor onder andere donatieverklaringen. (…)"

b. FIOD-rapport, blz. 1535:

"Opmerking verbalisanten:

Wij tonen u een Excel bestand welke is gerelateerd aan donatiekwitanties die door de [stichting] aan derden zijn verstrekt. In het Excel bestand zijn de kwitantienummers, datum van afgifte, naam donateur en het gedoneerde bedrag opgenomen. (Het Excelbestand wordt onder DOC-511 opgenomen in het dossier)

Vraag verbalisanten: Kunt u aan de hand van dit overzicht aangeven of de geldbedragen vermeld op de bijbehorende kwitanties, in combinatie met de vermelde persoonsnamen, daadwerkelijk zijn gedoneerd aan de [stichting] ?

Antwoord gehoorde:

"Van de lijsten die u mij nu laat zien met de namen en bedragen kan ik zeggen, dat niemand hierop deze lijst dat bedragen echt daadwerkelijk aan de [stichting] betaald heeft zij hebben van deze bedragen slechts 10% of 12% betaald zoals ik eerder heb verklaard. Ik heb al eerder gezegd dat er slechts een handjevol mensen is die daadwerkelijk het volledige bedrag heeft betaald maar dat betreffen bedragen van maximaal 300 of 400 euro. Als er in het kasboek kleine bedragen opgenomen zijn en daar staan soms geen kwitanties tegenover, dan is dat omdat deze mensen dit ook niet in aftrek wilden nemen bij de belastingdienst."

c. FIOD-rapport, blz. 1557:

"Vraag verbalisanten: Op 6 januari 2014 is de ANBI status van de [stichting] ingetrokken. Er zijn meerdere kwitanties aangetroffen die zijn voorzien van een datum gelegen in de periode 1 tot en met 6 januari 2014. Zijn al deze kwitanties valselijk opgemaakt?

Antwoord gehoorde:

"Niet allemaal, er zijn ook donaties die echt zijn gedaan. Ik kan mij nu niet herinneren wie dat zijn geweest. Ik heb het dan over de kwitanties vanaf 2012 die onder de € 500 zijn, alles wat daarboven is, is vals. Dit geld voor alle kwitanties die u heeft aangetroffen. Jullie kunnen uit de kasboeken uitvissen welke bedragen echt zijn gedoneerd. Dat boek klopt namelijk wel."

2.13.3.

Het FIOD-rapport vermeldt onder meer nog het volgende over de administratie bij de [stichting] (blz. 33):

"Naast de vermoedelijk achteraf opgestelde donatieoverzichten zijn over de periode

(…) december 2013 tot en met december 2016 handgeschreven kasboeken bijgehouden. Het vermoeden bestaat dat in dat kasboek de juiste bedragen zijn vermeld. De gegevens van dit kasboek zijn ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek in een Excel-bestand verwerkt en digitaal bij het dossier gevoegd. In deze kasboeken staan inkomsten en uitgaven vermeld.

(…) Bij onderzoek van de inkomsten die zijn vermeld in de kasboeken is vastgesteld dat over de periode december 2013 tot en met december 2016 totaal 1.192 mutaties zijn opgenomen met de omschrijving 'donatie'. Het totaalbedrag van deze 1.192 donaties is € 489.087,70. Het is opvallend dat het grootste deel van deze donaties kleiner is dan € 500."

2.14.

In eerste aanleg heeft de Inspecteur drie (geanonimiseerde) verslagen van hoorgesprekken met belastingplichtigen overgelegd (bijlage 29). De verslagen bevatten verklaringen van de belastingplichtigen over (hun deelname aan) de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .

2.14.1.

Het "verslag van het horen op vrijdag 13 juni [juli; Hof] 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

4. (…) Hij vertelt dat hij één keer per week naar toespraken op de [stichting] ging. Na afloop van de toespraak werd aan de toehoorders vertelt dat zij de [stichting] konden helpen. In ruil voor deze donaties werd er een hoger bedrag op de kwitantie geschreven. Wanneer er een bedrag van € 300 werd betaald, werd er op de kwitantie € 3.000 vermeld. (…)"

2.14.2.

Het "verslag van het horen op donderdag 9 augustus 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:

(…)

3. Voor de aankoop van zijn woning is hij in contact gekomen met Advieskantoor […] via iemand genaamd […] (…) Ze waren behulpzaam en gaven goede adviezen. De heer […] hielp hem met zijn hypotheek en […] hielp hem met het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2013. Bij het indienen van de aangifte kreeg hij van […] het advies om te doneren aan de [stichting] .

De [belastingplichtige] deelde hen mee dat hij daarvoor geen financiële middelen had. […] deelde hem daarop mee dat het ook anders kon, namelijk eerst het bedrag in aftrek brengen in de aangifte, afhankelijk van de teruggaaf zou dan een bedrag aan de [stichting] worden gedoneerd. De kwitantie hiervoor zou dan achteraf geregeld worden (…)."

2.15.

Bij het verweerschrift in eerste aanleg heeft de Inspecteur bladzijden 3616, 3667, 3682 en 3727 van het FIOD-rapport gevoegd (bijlage C). Deze bladzijden betreffende de onder 2.13.1 genoemde handgeschreven kasadministratie en bevatten de volgende informatie:

Naam

Datum

Omschrijving

Bedrag

Blz. van het FIOD-rapport

[Belanghebbende]

22-03-2014

Donatie

€ 400, waar-

van € 90 per pin

003727

[Belanghebbende]De

03-12-2014

Donatie

€ 240

003682

[Belanghebbende]

26-02-2015

Bel.zaken

€ 20 per pin

003667

[Belanghebbende]

26-11-2015

Bezwaar

€ 20 per pin

003616

2.16.

Voorts heeft de Inspecteur bij het verweerschrift in eerste aanleg bladzijde 3413 van het FIOD-rapport gevoegd (bijlage C). De bladzijde betreft een deel van het onder 2.13.1 genoemde overzicht van de door [stichting] uitgeschreven kwitanties in het jaar 2013. Dit overzicht vermeldt een bedrag van € 4.750 op 20 april 2013 voor belanghebbende.

2.17.

Bij brieven van 14 november 2017 heeft de Inspecteur aan belanghebbende te kennen gegeven dat hij voor de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen zal opleggen waarbij de giftenaftrek ter zake van de [stichting] wordt gecorrigeerd. Verder heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat hij voornemens is een vergrijpboete op te leggen als bedoeld in artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De hoogte van de boete is voor het jaar 2012 vastgesteld op 50% van de nagevorderde belasting en voor het jaar 2013 op 75% van de nagevorderde belasting. Met dagtekening 16 december 2017 zijn de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 opgelegd met vergrijpboetes van respectievelijk 50% en 75%.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

“Nieuw feit

11. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan ingevolge artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Op grond van artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Awr kan een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

12. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit dat navordering voor de jaren 2012 en 2013 rechtvaardigt, rust op [de Inspecteur]. Op grond van vaste rechtspraak is [de Inspecteur] niet gehouden onderzoek te doen naar de juistheid van een ingediende aangifte indien voor de daarin opgenomen posten een redelijke verklaring mogelijk is. [De Inspecteur] mag er in dergelijke gevallen van uitgaan dat de belastingplichtige zijn aangifte, juist, volledig en zonder voorbehoud heeft ingevuld. Niet gebleken is dat er voor [de Inspecteur] voor de jaren 2012 en 2013 reden was niet uit te gaan van de juistheid van de aangifte. Op grond van de door [belanghebbende] voor de jaren 2012 en 2013 overgelegde stukken heeft [de Inspecteur] niet hoeven te betwijfelen of de giften daadwerkelijk waren gedaan en dat deze voor aftrek in aanmerking kwamen. Niet gebleken is dat [de Inspecteur] reeds ten tijde van het opleggen van de aanslagen op de hoogte was dan wel behoorde te zijn van eventuele onregelmatigheden in de door de [stichting] afgegeven kwitanties. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de aanslagen voor 2012 en 2013 zijn opgelegd ruim voordat op 17 september 2015 werd besloten onderzoek te doen naar het valselijk opmaken van kwitanties en/of donatieverklaringen door de [stichting] en dat de uitkomsten van dat onderzoek pas in 2017 door de officier van justitie zijn vrijgegeven voor fiscale doeleinden. Pas na het opleggen van de aanslagen heeft [de Inspecteur] dus de beschikking gekregen over de bevindingen van de FIOD. Dat betekent dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16, tweede lid van de Awr en dat [de Inspecteur] de navorderingsaanslagen voor 2012 en 2013 heeft mogen opleggen.

Giftenaftrek

13. Ingevolge artikel 6.32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zijn aftrekbare giften (a) periodieke giften en (b) andere giften. Ingevolge artikel 6.33, eerste lid, onder a van de Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Verder volgt uit artikel 6:33, eerste lid, onder b in samenhang met artikel 6:35 van de Wet IB 2001 dat giften aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan een ANBI.

14. Niet in geschil is dat ten tijde van de gestelde giften de [stichting] de ANBI-status had en dat de omstandigheid dat die ANBI-status op 6 januari 2014 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 is ingetrokken, op zichzelf niet aan de giftenaftrek in de weg staat.

15. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op [belanghebbende]. Bij contante giften moet een belastingplichtige - zoals [de Inspecteur] terecht heeft gesteld - met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de [stichting] ten goede zijn gekomen. Voor alle onderhavige jaren wijst [belanghebbende] daartoe op de door hem overgelegde kwitanties. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] die worden bevestigd door verklaringen van anderen, kan aan de kwitanties op zichzelf onvoldoende bewijskracht worden toegekend. Weliswaar staat niet onomstotelijk vast dat ook in het geval van [belanghebbende] sprake is van onjuiste kwitanties, maar evenmin kan met zekerheid worden gesteld dat de kwitanties in overeenstemming zijn met wat hij daadwerkelijk aan de [stichting] heeft geschonken. Ter onderbouwing van de kwitanties wijst [belanghebbende] op overgelegde bankafschriften van een contante geldopname op 31 mei 2012 van € 25.000 en twee contante opnames op 22 maart 2013 en 25 mei 2013 van in totaal € 5.000. [Belanghebbende] stelt dat hij daarmee de giften aan de [stichting] heeft gedaan waarvoor hij de kwitanties heeft ontvangen. [De Inspecteur] heeft dit onder andere betwist door te stellen dat [belanghebbende] in 2012 tevens € 26.200 aan kosten heeft gemaakt voor onderhoud en inrichting van zijn woning en door te wijzen op het FIOD-PV waarin verklaringen van de penningmeester en andere getuigen over de gehanteerde werkwijze zijn weergegeven. Uit deze verklaringen ontstaat het beeld van een werkwijze waarbij de kwitanties feitelijk met terugwerkende kracht werden opgesteld door de hoogte van de schenking en de datum van de schenking vooraf met de penningmeester af te stemmen aan de hand van bankafschriften waarop reeds contante opnames zijn vermeld. Niet kan worden uitgesloten dat ook in het geval van [belanghebbende] dit is gebeurd. [De Inspecteur] heeft dan ook voorbij kunnen en mogen gaan aan de bankafschriften. Nu [belanghebbende] geen andere stukken heeft overgelegd, is hij niet geslaagd in het bewijs dat de giften zijn gedaan. [De Inspecteur] heeft dan ook op goede gronden de giften gecorrigeerd en de navorderingsaanslagen voor de jaren 2012 en 2013 en de van de aangifte afwijkende aanslag voor het jaar 2014 opgelegd.

Vergrijpboete

16. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Awr kan de inspecteur een boete opleggen van ten hoogste 100 percent, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

17. Op [de Inspecteur] rust de bewijslast dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [belanghebbende] onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door hem in zijn aangifte afgetrokken giften en dat de aanslag daardoor tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn stelling dat dit te wijten is aan opzet dan wel grove schuld van [belanghebbende] maakt [de Inspecteur] gebruik van bewijsvermoedens die hij baseert op de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] , de verklaringen van getuigen en verdachten die betrokken zijn in het onderzoek van de [stichting] en verklaringen die andere belastingplichtigen hebben afgelegd tijdens diverse hoorgesprekken. Verder wijst [de Inspecteur] op de handgeschreven kasadministratie van de [stichting] over de periode 1 december 2013 tot en met 31 december 2016 waarin voor [belanghebbende] vier betalingen voorkomen.

18. Op zichzelf mag [de Inspecteur] gebruik maken van bewijsvermoedens, maar die vermoedens moeten wel redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (ECLI:NL:HR:2011:BN6350). Daarvan is in dit geval geen sprake omdat het bewijsvermoeden slechts is gebaseerd op verklaringen van derden over wat kennelijk een gebruikelijke werkwijze was binnen de [stichting] . Uit die verklaringen kan weliswaar worden geconcludeerd dat in veel gevallen sprake was van kwitanties die niet in overeenstemming zijn met de bedragen die daadwerkelijk aan de [stichting] zijn geschonken, maar dat betekent niet dat reeds daarom in alle gevallen en dus ook in het geval van [belanghebbende] sprake is van een onjuiste kwitantie en daarmee van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder strekten dan waarover hij heeft verklaard. Zoals [belanghebbende] terecht heeft aangevoerd, kan niet worden uitgesloten dat de penningmeester een deel van de bedragen die door donateurs werden geschonken en waarvoor kwitanties zijn uitgereikt, in eigen zak heeft gestoken. De giften voor 2012 en 2013 zijn volgens de kwitanties gedaan vóór 1 december 2013 en daarvan is geen kasadministratie voorhanden. Afgezien daarvan is ook die kasadministratie kennelijk opgesteld door de frauderende penningmeester van de [stichting] zodat daaraan niet zonder meer bewijskracht kan worden toegekend. Onder die omstandigheden zou het accepteren van de bewijsvermoedens betekenen dat de bewijslast feitelijk ook voor de boeteoplegging op [belanghebbende] komt te rusten. [De Inspecteur] is dan ook niet geslaagd in het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van [belanghebbende] is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

Rentebeschikking

19. [Belanghebbende] heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd die verband houden met belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

20. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep voor wat betreft de boetebeschikkingen voor 2012 en 2013 gegrond verklaard en voor het overige ongegrond.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of:

(i) de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 terecht zijn opgelegd en of voor die jaren terecht vergrijpboetes zijn opgelegd;

(ii) bij het vaststellen van de aanslag 2014 de giftenaftrek ter zake de [stichting] terecht is gecorrigeerd.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2.

De Inspecteur concludeert in zijn principaal hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarbij de boetebeschikkingen voor de jaren 2012 en 2013 zijn vernietigd en de Inspecteur is opgedragen het betaalde griffierecht van € 47 aan belanghebbende te vergoeden en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep.

4.3.

Belanghebbende concludeert primair tot ongegrondverklaring van het principaal hoger beroep en subsidiair tot matiging van de boetes. In het incidenteel hoger beroep concludeert belanghebbende, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging van de navorderingsaanslagen 2012 en 2013, tot vernietiging van de vergrijpboetes voor de jaren 2012 en 2013, tot vermindering van de aanslag 2014 tot een naar een belastbaar inkomen van € 35.842 en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten.

Beoordeling van het (incidenteel) hoger beroep

Omvang incidenteel hoger beroep

5.1.

Op grond van artikel 8:110, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien hoger beroep is ingesteld, degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep instellen. De voorschriften omtrent het hoger beroep zijn van toepassing, tenzij in titel 8.5 van de Awb anders is bepaald. In lid 2 is bepaald dat het incidenteel hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden.

5.2.1.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het incidenteel hoger beroep, voor zover het betrekking heeft op het jaar 2014, niet-ontvankelijk is, omdat het principaal hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de jaren 2012 en 2013 en de uitspraak ten aanzien van het jaar 2014 door het verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk is komen vast te staan.

5.2.2.

Dat betoog faalt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7972, BNB 2010/263, geoordeeld dat de indiener van het incidenteel hoger beroep zich bij zijn keuze welke beslissing(en) van de rechtbank hij in het incidentele hoger beroep betrekt niet hoeft te beperken tot de beslissing(en) over het besluit of de besluiten waarop het principale hoger beroep betrekking heeft. Dit geldt ook als de rechtbank in één uitspraak heeft beslist op het beroep tegen meerdere belastingaanslagen en het principaal hoger beroep slechts betrekking heeft op één van die belastingaanslagen. In dat geval kan bij incidenteel hoger beroep worden opgekomen tegen de beslissingen betreffende de overige belastingaanslagen, ook als die aanslagen niet op hetzelfde aanslagbiljet zijn vermeld (HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:913, BNB 2015/1280).

5.3.

Belanghebbende kan derhalve in zijn incidenteel hoger beroep ook opkomen tegen de beslissing ten aanzien van de aanslag 2014.

Navorderingsaanslagen 2012 en 2013

6.4.1.

Belanghebbende heeft zich in het incidenteel hoger beroep op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een nieuw feit. De Inspecteur was in 2013 bekend of had redelijkerwijs bekend kunnen zijn met de omstandigheid dat bij de [stichting] malversaties plaatsvonden ten gevolge waarvan de ANBI-status op 6 januari 2014 is ingetrokken. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat gezien de datum van 23 januari 2015 waarop de FIOD is gestart met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij drie andere ANBI-instellingen dan de [stichting] ( [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] ), een nieuw feit ontbreekt. De Inspecteur had volgens belanghebbende om die reden de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 niet mogen opleggen. De Inspecteur heeft een en ander betwist en zich op het standpunt gesteld dat het bekend worden van de resultaten van het FIOD-onderzoek bij de [stichting] ( [FIOD-onderzoek 3] ) het nieuwe feit vormt dat navordering rechtvaardigt.

6.4.2.

Artikel 16, lid 1, AWR bepaalt, voor zover van belang, dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

6.4.3.

Het Hof oordeelt als volgt. Tijdens het onderzoek bij de [stichting] naar de houdbaarheid van de ANBI-status, zijn onvolkomenheden in de administratie van de [stichting] geconstateerd. Vanwege deze administratieve onvolkomenheden is de ANBI-status met terugwerkende kracht ingetrokken. Vanwege het feit dat de bedragen aan contante giften die werden opgenomen in aangiften een veelvoud bedroegen van de in de administratie van de [stichting] verantwoorde donaties, heeft de Belastingdienst voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen 2012 en 2013 aan de desbetreffende belastingplichtigen, waaronder belanghebbende, vragen gesteld over de door hen opgevoerde giften. Indien de contante giften konden worden onderbouwd met schriftelijke bescheiden, stond de Belastingdienst de giftenaftrek toe. Dit heeft ertoe geleid dat voor het jaar 2012 de giftenaftrek pas is verleend nadat in de bezwaarfase de kwitanties zijn verstrekt. De Inspecteur heeft aangevoerd dat hij geen reden had om eraan te twijfelen dat de opgevoerde giften daadwerkelijk waren gedaan, gelet op het bruto-inkomen van belanghebbende en de overgelegde bankafschriften en kwitanties.

6.4.4.

Aangezien het intrekken van de ANBI-status zijn grondslag vond in de administratieve onvolkomenheden van de [stichting] , staat die omstandigheid niet in de weg aan het opleggen van de navorderingsaanslagen. Uit deze administratieve onvolkomenheden volgt immers niet dat tevens sprake was van misstanden bij de donateurs, zoals valselijk opgemaakte giftkwitanties. Pas nadat de FIOD in januari 2015 was gestart met de strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij drie andere ANBI-instellingen dan de [stichting] , bleek dat diverse belastingplichtigen die giften aan voormelde instanties in de aangiften hadden opgenomen ook giften aan de [stichting] hadden opgenomen in hun aangiften. Dit was de aanleiding om op 17 september 2015 een strafrechtelijk onderzoek te starten bij de [stichting] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen van de [stichting] en het gebruik hiervan bij het doen van aangiften IB/PVV. De Inspecteur heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de gebreken in de administratie van de [stichting] op het moment van intrekking van de ANBI-status nog niet konden worden toegerekend aan individuele belastingplichtigen. Ook begin januari 2015 was de Inspecteur in het licht van de op dat moment bekende omstandigheden niet gehouden de aanslagregeling aan te houden.

6.4.5.

Uit voornoemd strafrechtelijk onderzoek van de FIOD bij de [stichting] , dat is aangevangen na het doen van uitspraak op bezwaar betreffende het jaar 2012 en het opleggen van de primitieve aanslag 2013, is gebleken dat in verschillende jaren op grote schaal werd gehandeld in valse giftkwitanties van de [stichting] . Daarbij werden kwitanties verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Belastingplichtigen maakten op grote schaal gebruik van die giftkwitanties om giften op te voeren tot bedragen die zij niet hadden betaald. Voorts werden de giftkwitanties veelal gekocht op een latere datum dan de datum die is vermeld op de betreffende giftkwitantie en de datum op de giftkwitanties werd afgestemd op de datum van reeds gedane pinopnames. Uit verklaringen van de penningmeester, welke worden bevestigd door verklaringen van diverse andere belastingplichtigen en de bevindingen in het strafrechtelijk onderzoek bij de [stichting] , volgt dat (veelal) geen bedragen zijn gedoneerd van € 500 of hoger. Als gevolg van deze bevindingen is bij de Inspecteur het vermoeden ontstaan dat ook bij belanghebbende de aanslagen 2012 en 2013, als gevolg van de in aftrek gebrachte giften aan de [stichting] , tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Nu de gedingstukken geen aanleiding geven voor de veronderstelling dat de Inspecteur vóór respectievelijk het doen van de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2012 op 12 mei 2015 en het opleggen van de definitieve aanslag 2013 op 18 maart 2015, bekend was dan wel redelijkerwijze bekend had kunnen zijn met de voormelde uit het strafrechtelijk onderzoek gebleken feiten, is aan het vereiste van een nieuw feit voldaan.

6.5.

Het beroep van belanghebbende op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, slaagt niet. De Inspecteur heeft een wettelijke grondslag om bij aanwezigheid van een nieuw feit te kunnen navorderen. Verder kon belanghebbende aan de omstandigheid dat de giften bij de aanslagregeling (2013) en de bezwaarfase (2012) in aftrek zijn toegelaten niet het vertrouwen ontlenen dat geen navordering meer zou kunnen plaatsvinden. Uit het enkele aanvaarden van de giftenaftrek en het opleggen van de aanslagen conform de ingediende aangiften kan belanghebbende immers geen vertrouwen ontlenen dat hij op dezelfde manier zou worden behandeld ingeval de Inspecteur wel van de juiste feiten op de hoogte zou zijn (vgl. HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4736, BNB 2007/323).

Giftenaftrek 2012, 2013 en 2014

6.6.1.

Andere giften dan periodieke giften zijn aftrekbaar voor zover zij kunnen worden gestaafd met schriftelijke bescheiden (zie artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 ). In geval van betwisting door de Inspecteur, zoals hier het geval, rust op belanghebbende de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek.

6.6.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij in 2012, 2013 en 2014 giften in contanten van respectievelijk € 8.500, € 4.675 en € 2.000 aan de [stichting] heeft gedaan. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft belanghebbende kwitanties en bankafschriften overgelegd.

6.6.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de overgelegde giftkwitanties van de [stichting] niet zonder meer kunnen dienen ter onderbouwing van de opgevoerde giften en wijst daarbij op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] .

6.6.4.

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de Inspecteur in beroep en hoger beroep onder meer de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] :

de vaststelling van een controlemedewerker dat namens de [stichting] in het jaar 2012 in totaal 2.500 kwitanties zijn uitgeschreven, terwijl slechts 531 kwitanties in de administratie zijn verantwoord (zie 2.4.1);

dat in het jaar 2013 in de jaarstukken van de [stichting] € 88.564 aan donaties is verantwoord, terwijl in de diverse aangiften over dat jaar in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] is aangegeven (zie 2.4.1.);

de verklaringen van verdachten dat giftkwitanties voor een bepaald percentage van het giftbedrag werden gekocht/verkocht van de [stichting] (zie 2.6.1 tot en met 2.6.3, 2.7, 2.13.2 en 2.14.1);

dat uit de inbeslaggenomen administratie van de [stichting] volgt dat 22% van de ontvangen giften is verwerkt in het kasboek (zie 2.8);

een anonieme tip aan de FIOD dat de kwitanties zijn vervalst en gebruikt door meerdere personen om een belastingteruggaaf te bewerkstelligen (zie 2.9);

dat na het intrekken van de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014, dat op 19 december 2013 was aangekondigd, in de periode van 1 januari tot 6 januari 2014 een opvallend groter aantal kwitanties is geboekt dan in voorgaande jaren (zie 2.10);

de whatsapp- en sms-berichten en de verklaringen van onder andere de penningmeester van de [stichting] waaruit volgt dat een levendige handel in giftkwitanties bestond en dat uit die berichten volgt dat de data op de kwitanties worden afgestemd op de data van willekeurige pinopnamen (zie 2.6.1, tot en met 2.6.3, 2.11.1 en 2.11.2);

de verklaring van een informant aan het Team Criminele Inlichtingen waaruit volgt dat de leiding van de [stichting] op de hoogte is van de belastingfraude door middel van de giftkwitanties en meewerkt aan de uitgifte daarvan (zie 2.12);

de verklaring van de penningmeester van de [stichting] dat slechts een handvol mensen het volledige vermelde bedrag op de giftkwitanties hebben betaald maar dat die bedragen maximaal € 300 of € 400 betreffen (zie 2.13.2.b en 2.13.2.c);

de verklaringen van diverse personen aan de FIOD en de Belastingdienst die de handel in kwitanties hebben bevestigd (zie 2.6.1 tot en met 2.6.3 en 2.14.1 en 2.14.2);

een overzicht van uitgeschreven kwitanties voor 2013 waarvan de gegevens die in dit document zijn opgenomen niet overeenkomen met de daadwerkelijk ontvangen bedragen (zie 2.13.1 en 2.13.2.a tot en met c);

een doorlopend handgeschreven kasboek waarin de werkelijk ontvangen bedragen werden opgenomen; de werkelijk ontvangen bedragen (donaties) bedroegen veelal 10% tot 12% van de uitgegeven kwitanties (zie 2.13.1 en 2.13.2.a tot en met c);

dat de Belastingdienst bij 2.040 belastingplichtigen navorderingsaanslagen heeft opgelegd dan wel correcties heeft aangebracht bij het opleggen van de aanslagen en indien mogelijk een vergrijpboete. Van deze 2.040 gevallen zijn ongeveer 450 belastingplichtigen in bezwaar gegaan en 150 in beroep;

dat bij belastingplichtigen van wie aanslagen zijn gecorrigeerd of bij wie is nagevorderd doorgaans een giftenaftrek van minimaal € 500 in de aangifte is opgenomen.

Voorts heeft de Inspecteur nog aangevoerd dat belanghebbende in 2012 een bedrag van € 26.200 heeft besteed aan het onderhoud en de inrichting van zijn eigen woning.

6.6.5.

Uit hetgeen de Inspecteur onder 6.6.4 heeft aangevoerd volgt dat op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld en gebruikt door belastingplichtigen om giften op te voeren die zij niet daadwerkelijk hebben gedaan. Gelet op deze bevindingen kunnen de kwitanties van de [stichting] niet zonder meer dienen als bewijs voor de door belanghebbende gestelde giften. Het is aan belanghebbende aanvullende feiten en omstandigheden aan te voeren en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek.

6.6.6.

Met de overgelegde bankafschriften en de daarop vermelde geldopnames heeft belanghebbende dat (aanvullende) bewijs niet geleverd, reeds omdat met een geldopname niet vaststaat dat de opgenomen gelden ook daadwerkelijk aan de [stichting] ten goede zijn gekomen.

6.6.7.

Nu belanghebbende geen ander (schriftelijk) bewijs heeft bijgebracht waaruit volgt dat giften ten goede zijn gekomen aan de [stichting] , acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende in de onderhavige jaren giften aan de [stichting] heeft gedaan. De Inspecteur heeft dan ook terecht geen giften in aftrek toegestaan en de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 terecht opgelegd.

De vergrijpboetes 2012 en 2013

7.1.1.

De Inspecteur kan op grond van artikel 67e, lid 1, AWR een boete opleggen van ten hoogste 100 % indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De bewijslast hiervan rust op de Inspecteur.

7.1.2.

Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die waarborgen houden onder meer in dat de bewijslast op de inspecteur rust en de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens. De belanghebbende moet wel een redelijke mogelijkheid hebben zich daartegen te verweren en het gebruik van vermoedens mag er niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende; het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, BNB 2011/207 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207). Het EVRM eist niet dat de inspecteur bij het bewijzen van de opzet of grove schuld is gebonden aan de bewijsregels van het nationale strafrecht. Er hoeft geen wettig en overtuigend bewijs te worden geleverd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 338 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (vgl. HR 18 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5166, BNB 1993/40). Wel moet de uit die vermoedens af te leiden opzet buiten redelijke twijfel zijn (vgl. HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5391, BNB 1993/272).

7.2.

De Inspecteur heeft primair gesteld dat sprake is van opzet en subsidiair van grove schuld. Ter zitting heeft de Inspecteur daaraan toegevoegd dat de boetebedragen van de boetebeschikkingen 2012 en 2013 onjuist zijn berekend en daarbij verwezen naar zijn verweerschrift in eerste aanleg. In zoverre dienen de boetebeschikkingen 2012 en 2013 te worden verminderd, aldus de Inspecteur.

7.3.

Op de Inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken primair dat belanghebbende ten tijde van het doen van zijn (herziene) aangiften IB/PVV 2012 en 2013 zich ervan bewust is geweest dat (een aanmerkelijke kans bestond dat) de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren en subsidiair dat belanghebbende zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hem kan worden verweten dat de aangiften op het punt van de giftenaftrek onjuist waren.

7.4.

Naast de in 6.6.4 aangevoerde feiten en omstandigheden ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] , heeft de Inspecteur ten aanzien van belanghebbendes betrokkenheid bij voormelde handel in giftkwitanties de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:

- het handgeschreven kasboek vermeldt een bedrag van € 20 met de datum 26 februari 2015 en met de omschrijving “Bel. Zaken”. Deze betaling heeft betrekking op het bezwaarschrift dat is ingediend tegen de aanslag IB/PVV 2012. Het bezwaarschrift werd op 2 maart 2015 ontvangen en was gedagtekend 27 februari 2015. Bij het bezwaarschrift zijn ook kwitanties van 2 juni 2012 (€ 6.700) en van 29 juni 2012 (€ 800) verstrekt;

- de bedragen op de overgelegde kwitanties van 2012 zijn in totaal € 7.500, terwijl belanghebbende in zijn aangifte IB/PVV 2012 een gift in aftrek heeft gebracht van € 8.500;

- de naam van belanghebbende staat in 2014 tweemaal in het handgeschreven kasboek met de vermelding “donatie”. Op 22 maart 2014 met een donatie van € 400 en op 3 december 2014 met een donatie € 240. De bedragen zoals opgenomen in het kasboek zijn 8,42% en 12% van de voor het jaar 2013 overgelegde kwitantie van € 4.750 en de voor het jaar 2014 in aftrek gebrachte gift van € 2.000;

- voor het jaar 2013 is een kwitantie van € 4.750 overgelegd. In de aangifte is een gift aan de [stichting] van € 4.675 opgevoerd. Maximaal 10% van het verzamelinkomen vóór de persoonsgebonden aftrek komt voor aftrek in aanmerking. Het gezamenlijke verzamelinkomen van belanghebbende en zijn echtgenote bedraagt € 43.187. De drempel voor de giftenaftrek bedraagt € 431 (1%). Met een gift van € 4.750 wordt het maximale bedrag van (€ 4.750 - € 431 =) € 4.318 in aftrek gebracht.

7.5.1.

Uit hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd volgt een handelwijze waarbij op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Voorts volgt daaruit dat de valse giftkwitanties door de belastingplichtigen werden gekocht op een latere datum dan de datum die is vermeld op de betreffende giftkwitantie.

7.5.2.

Uit het onderzoek van de FIOD volgt dat de handgeschreven kasboeken van de [stichting] in totaal 1.192 donaties vermelden met een totaalbedrag van € 489.087,70 in de periode december 2013 tot en met december 2016. Hierbij is het bedrag van het grootste deel van de donaties lager dan € 500. Gelet op i) voormelde handelwijze waarbij de valse giftkwitanties veelal werden verhandeld voor 10%-12% van daarop vermelde bedragen en ii) de verklaringen van getuigen en belastingplichtigen waaruit blijkt dat veelal een paar honderd euro is betaald voor de giftkwitanties, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat het handgeschreven kasboek de juiste gegevens vermeldt.

7.6.1.

De naam van belanghebbende komt in het handgeschreven kasboek voor onder vermelding van een donatie van € 400 op 22 maart 2014 en een donatie van € 240 op 3 december 2014. De bedragen, zoals opgenomen in het handgeschreven kasboek, zijn afgerond 8,5% en 12% van de in 2013 en 2014 in aftrek gebrachte giften. Deze bevindingen ten aanzien van belanghebbende komen overeen met de handelwijze die volgt uit het strafrechtelijke onderzoek naar de handel in valse kwitanties van de [stichting] .

7.6.2.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de omstandigheid dat voor het jaar 2013 het op de kwitantie vermelde bedrag afwijkt van het bedrag dat in de aangifte in aftrek is gebracht en het op de kwitantie vermelde bedrag precies overeenkomt met het maximaal in aftrek te brengen bedrag aan (contante) giften voor dat betreffende jaar, is het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende in de onderhavige jaren gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] en hij zich er ten tijde van het doen van zijn aangiften IB/PVV 2012 en 2013 bewust van is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren.

7.7.

De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een bewijsvermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd (vgl. HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207).

7.8.

Belanghebbende betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van valse aangiften. De giften aan de [stichting] heeft hij daadwerkelijk gedaan en verder heeft hij geen banden met de [stichting] . Hij voert aan dat de verklaringen van de penningmeester niet betrouwbaar zijn en dat dat eveneens geldt voor het handgeschreven kasboek van de [stichting] .

7.9.1.

Het Hof ziet geen reden te twijfelen aan de verklaringen van de penningmeester over de handelwijze met betrekking tot de valse giftkwitanties. De verklaringen van de penningmeester zijn bevestigd door verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen die door de FIOD en de Inspecteur zijn gehoord. Daarnaast bevat het FIOD-rapport diverse onderzoeken van opsporingsambtenaren naar onder andere tekstberichten op in beslag genomen telefoons en de administratie van de [stichting] die voormelde handelwijze bevestigen.

7.9.2.

Het Hof ziet, anders dan belanghebbende, evenmin reden te twijfelen aan de in het handgeschreven kasboek vermelde data en bedragen. Die kasadministratie vormt een (administratieve) weergave van de handelwijze waarbij de giftkwitanties voor een bepaald percentage van de daarop vermelde bedragen werden verkocht. Verder volgt uit die kasadministratie en uit de verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen dat de kwitanties werden gekocht op een latere datum dan vermeld op de uitgeschreven kwitanties.

Belanghebbende heeft bovendien onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat ten aanzien van de op hem betrekking hebbende bedragen en data van andere data of bedragen dan die vermeld in het kasboek moet worden uitgegaan.

7.9.3.

Dat het in het handgeschreven kasboek vermelde bedrag van € 400 minder bedraagt dan 10%, te weten 8,5%, van de door belanghebbende in het jaar 2013 in aftrek gebrachte gift en 8,42% van de ten bewijze van die gift overgelegde kwitantie, maakt evenmin dat (redelijke) twijfel wordt gewekt aan het bewijsvermoeden dat belanghebbende in het onderhavige jaar gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] . Uit de verklaringen van getuigen volgt immers dat de giftkwitanties ook tegen andere percentages dan de veelal gebruikelijke 10-12% werden verhandeld. Bovendien neemt dat niet weg dat de vermeldingen van de donaties, met de naam van belanghebbende in het handgeschreven kasboek, dateren van ná de intrekking van de ANBI-status op 6 januari 2014.

7.10.

Gelet op hetgeen onder 7.8 tot en met 7.9.3 is overwogen heeft belanghebbende het bewijsvermoeden dat hij in onderhavige jaren gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] niet ontzenuwd. Dit betekent dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van zijn aangifte IB/PVV 2012 en 2013 zich ervan bewust is geweest dat de aangiften voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren, zodat het opzet bewezen is.

De hoogte van de boetes

8.1.

De Inspecteur heeft de boete voor 2012 bepaald op 50% en de boete voor 2013 op 75%, te weten 50% vanwege opzet van belanghebbende en voor het jaar 2013 verhoogd met 25% wegens strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in paragraaf 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (tekst 2013). Ingevolge laatstvermelde bepaling is voor het in aanmerking nemen van strafverzwarende omstandigheden in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning.

8.2.

De Inspecteur stelt dat het gebruik maken van falsificaties (de valse giftkwitanties) geldt als een strafverzwarende omstandigheid.

8.3.

Gelet op hetgeen onder 7.4 tot en met 7.10 is overwogen acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan het willens en wetens doen van onjuiste aangiften als gevolg waarvan de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Gelet op de ernst van de gedragingen, te weten het gebruikmaken van valse giftkwitanties, acht het Hof de opgelegde boetes van 50% respectievelijk 75% van het nagevorderde bedrag passend en geboden.

8.4.

Zoals de Inspecteur ter zitting heeft gesteld, zijn de in de boetebeschikkingen 2012 en 2013 opgenomen bedragen onjuist. De juiste bedragen zijn € 2.102 voor het jaar 2012 en € 1.336 voor het jaar 2013. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

Het motiveringsbeginsel

9. De stelling van belanghebbende dat de uitspraken op bezwaar naar aanleiding van het tegen de navorderingsaanslagen 2012 en 2013 en de aanslag 2014 gemaakte bezwaar, in strijd zijn met het motiveringsbeginsel, faalt. De Inspecteur heeft zijn beslissingen voldoende gemotiveerd. Dat belanghebbende het niet eens is met die beslissingen, maakt niet dat het schort aan de motivering daarvan, noch dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of sprake is van willekeur.

Slot

10. De slotsom is dat het principaal hoger beroep gegrond is en het incidenteel hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

11. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikkingen voor 2012 en 2013;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen voor 2012 en 2013;

- vermindert de boetebeschikking 2012 tot een bedrag van € 2.102;

- vermindert de boetebeschikking 2013 tot een bedrag van € 1.336.

Deze uitspraak is vastgesteld door I. Obbink-Reijngoud, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier N. Veenstra. De beslissing is op 19 januari 2021 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature