< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

faillissementsrecht en arbeidsrecht

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.254.281/01

Zaaknummer rechtbank : : C/10/542903 / HA ZA 18-49

arrest van 2 juni 2020

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. P.A. Visser te Vlaardingen,

tegen

mr. J.C. Princen q.q.,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Stichting RIAGG Rijnmond,

kantoorhoudende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. E.J. Heijnen te Rotterdam.

1 Het verloop van het geding

Bij exploot van 25 januari 2019 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:10759 (hierna: het bestreden vonnis). [appellante] heeft bij memorie van grieven met producties zeven als zodanig aangeduide grieven aangevoerd en toegelicht. Bij memorie van antwoord heeft de curator de grieven bestreden. Vervolgens hebben beide partijen ter gelegenheid van schriftelijk pleidooi op 10 september 2019 notities overgelegd, waarin ook is gereageerd op de – vooraf verstrekte – notities van de ander. Ten slotte hebben beide partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1.

De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Met inachtneming hiervan en van hetgeen beide partijen verder nog onbestreden naar voren hebben gebracht, kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.

a. [appellante] is op 15 september 1986 in dienst getreden bij Stichting Riagg Rijnmond (hierna: de stichting of RIAGG). Zij bekleedde laatstelijk de functie van hoofd secretariaat op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haar bruto maandsalaris bedroeg laatstelijk € 3.086,01, inclusief persoonlijke toeslag, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, bijdrage levensloop en overige loonemolumenten. Ten tijde van het hierna onder 2.d. genoemde faillissement van de stichting was op haar arbeidsovereenkomst van toepassing de CAO GGZ 2011-2013 (hierna: de cao).

b. In 2014 heeft de stichting in het kader van een reorganisatie een tweetal beëindigingsovereenkomsten voorgelegd aan meerdere werknemers, waaronder [appellante] . In de eerste variant is bepaald dat [appellante] recht heeft op wachtgeld conform (en zoals gedefinieerd in) hoofdstuk 14A van de cao, voor zover zij voldoet aan de daarin gestelde voorwaarden. In de tweede variant is bepaald dat [appellante] recht heeft op een beëindigingsvergoeding van € 54.776,69 bruto.

c. In artikel 14A van de cao is, voor zover relevan te het volgende vermeld: A. WachtgeldArtikel 1 Werkingssfeer (….)

“2a Het wachtgeld wordt toegekend als:

De werknemer een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet ontvangt en;

hij vervolgens in voorkomende gevallen al datgene doet wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van de in lid 4, sub a genoemde uitkeringen. (….)

4. Onder wachtgeld wordt verstaan de som van enerzijds:

a. de uitkering in het kader van de Werkloosheidswet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en een eventuele uitkering in het kader van de Ziektewet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsvoorziening c.q. de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de uitkering in het kader van een loonsuppletieregeling en de overbruggingsuitkering van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn;

b. inkomsten uit arbeid of bedrijf met inachtneming van lid 3 en lid 5 en anderzijds de aanvulling daarop van de werkgever. Artikel 5 Verplichtingen van werknemer /wachtgeldgerechtigde

1. De werknemer moet er na de aanzegging van het ontslag onverwijld voor zorgen dat hij als werkzoekende wordt ingeschreven bij het UWV WERKbedrijf.

2. De werknemer/wachtgeldgerechtigde moet gebruik maken van een hem geboden mogelijkheid om inkomsten uit arbeid of bedrijf te krijgen, tenzij hij aantoont dat het nakomen van deze verplichting redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

3. De werknemer/wachtgeldgerechtigde moet de werkgever terstond opgave doen van het bedrag der inkomsten uit arbeid of bedrijf én van het bedrag dat hij geniet aan uitkering krachtens een wettelijke regeling. (….)

4. De werknemer/wachtgeldgerechtigde die in aanmerking komt voor de Regeling pensioenopbouw tijdens werkloosheid, is verplicht tot medewerking aan de voortzetting van de pensioenopbouw zoals neergelegd in genoemde Regeling.

Artikel 7 Vervallen van het wachtgeld

1. Het wachtgeld vervalt: (…)

c. als de wachtgeldgerechtigde weigert te voldoen aan de hem in artikel 5 opgelegde verplichtingen. (…)”

d. als één van de in artikel 1, lid 4 genoemde uitkeringen wordt stopgezet, omdat de wachtgeldgerechtigde niet al datgene doet wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een van deze uitkeringen. (…)”

d. [appellante] heeft gekozen voor de wachtgeldregeling. Op 26 augustus 2014 heeft zij de betreffende vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) ondertekend. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

“(…) Overwegende dat: (…)

(k) Dat werknemer zich heeft laten adviseren door een advocaat/jurist. Door ondertekening van deze overeenkomst uitdrukkelijk wordt verklaard dat werknemer een goed en volledig begrip heeft van de inhoud en de juridische consequenties van deze overeenkomst; zijn wil ondubbelzinnig en zonder gebrek overeenstemt met zijn verklaring dat partijen onderhavige vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen. (…)

Einddatum

1. De Arbeidsovereenkomst tussen Partijen eindigt met wederzijds goedvinden per 1 januari 2015 (de “Einddatum”). (…)

Wachtgeld

5. Mevrouw [appellante] heeft recht op wachtgeld conform hoofdstuk 14A van de CAO GGZ 2011-2013 voor zover zij voldoet aan de daarin gestelde voorwaarden.

6. Mevrouw [appellante] heeft geen recht op een additionele beëindigingsvergoeding. (…)

Eerdere beëindiging dienstverband

9. Indien de arbeidsovereenkomst tussen partijen om welke reden dan ook, waaronder een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW , eerder eindigt dan de einddatum, komen de verdere aanspraken van werknemer uit deze Overeenkomst, waaronder de aanspraak op de Beëindigingsvergoeding en het extra maandsalaris, automatisch te vervallen. (…)”

e. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 november 2014 is de stichting in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van de curator als zodanig.

f. Na verkregen toestemming van de rechter-commissaris heeft de curator [appellante] op 14 november 2014 ontslagen, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van zes weken. De arbeidsovereenkomst eindigde daarmee na het sluiten van de VSO, maar vóór 1 januari 2015 (de einddatum van de arbeidsovereenkomst op grond van de VSO).

g. Op 2 november 2017 heeft de curator een brief verzonden aan de werknemers van de stichting, met als bijlage een notitie waarin de status van de diverse werknemersvorderingen wordt toegelicht waaronder de status van wachtgeldregelingen en beëindigingsvergoedingen (rov. 1b). Deze toelichting is mede gebaseerd op een in opdracht van de boedel afgegeven opinie van mr. P.R.W. Schaink. In de notitie heeft de curator aangeven, kort gezegd:

( i) dat hij geen beletsel ziet om de vorderingen van de werknemers van de stichting die hebben geopteerd voor een beëindigingsvergoeding als preferente vorderingen te verifiëren (waarbij hij onder meer verwijst naar Hof Amsterdam, 3 februari 2000, JOR 2000/63);

(ii) dat hij geen goede grond ziet voor het verifiëren van wachtgeldclaims, waarbij hij een parallel ziet met aanspraken op alimentatie die evenmin verifieerbaar zijn. In dat verband noteert hij het volgende:

34. Wessels schrijft: “Toekomstige uitkeringen voor levensonderhoud vinden mede hun grondslag van verschuldigdheid in toekomstige behoeften en toekomstige draagkracht en kunnen derhalve niet als op de dag van de faillietverklaring reeds bestaande schulden van de boedel worden aangemerkt. De toekomstige uitkeringen uit hoofde van een wettelijke onderhoudsplicht zijn onzeker en kapitalisatie overeenkomstig art. 131, op zichzelf reeds vrij willekeurig, is kennelijk niet de wens van de wetgever geweest. Alleen de ten dage van de faillietverklaring opeisbare, niet betaalde termijnen kunnen worden geverifieerd”.

35. Ik zie een goed herkenbare parallel met wachtgeldaanspraken. Een rechthebbende verliest zijn aanspraak, geheel of gedeeltelijk, als hij weer werk vindt; het kan verder zijn dat hij aan op hem rustende verplichtingen niet voldoet (vgl. cao H14 C art. 5) met verlies van recht als gevolg. Kortom, het gaat om een onzekere uitkering (anders dan bijv. een verkregen pensioenrecht of een altijd durende lijfrente): ik meen dus dat er in een dergelijk geval een concurrente wachtgelddervingsclaim bestaat over de periode gelegen tussen het ontslag en 13 november 2014 als faillissementsdatum, en dat het daarmee ophoudt. (…)

37. (….) De wachtgeldclaim past niet in het wettelijk systeem van de Faillissementswet, waar artikel 40 Fw . bepaalt op welke vergoeding de werknemer recht heeft in het kader van de beëindiging van het dienstverband ingeval van een faillissement.

38. Kortom: voor honorering van wachtgeldclaims bestaat geen goede rechtsgrond, behoudens voor zover er al wachtgeldderving vóór het faillissement was (en dan is het een concurrente vordering). (…)”

h. Op 6 december 2017 is een verificatievergadering gehouden. In het daarvan opgemaakte proces-verbaal is opgenomen dat een aantal schuldeisers, waaronder [appellante] , is verwezen naar een renvooiprocedure.

i. Per 1 januari 2018 is [appellante] in dienst getreden bij Avant Sanare B.V.

3 Het geschil

3.1.

[appellante] vorderde in eerste aanleg, kort gezegd en met nevenvorderingen, de veroordeling van de curator tot betaling, althans verificatie in het faillissement, van primair € 54.776,69 en subsidiair € 33.315,66. Aan haar primaire vordering legt zij ten grondslag dat zij alsnog aanspraak kan maken op de beëindigingsvergoeding (rov.2.1.b.) in plaats van wachtgeld. De subsidiaire vordering correspondeert met haar aanspraak op wachtgeld tot en met 31 december 2017, dus de periode voorafgaande aan de ingangsdatum van het in rov. 2.1.h. bedoelde dienstverband bij Avant Sanare B.V.. Deze aanspraak kwalificeert volgens [appellante] als een boedelvordering of ten minste als een verifieerbare preferente vordering. In ieder geval handelt de curator jegens haar onrechtmatig door de vorderingen van haar collega’s die hebben geopteerd voor een beëindigingsvergoeding te verifiëren in het faillissement maar dit na te laten ten aanzien van haar aanspraak op wachtgeld, aldus steeds [appellante] .

3.2.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het wijzigen van een voor het faillissement gemaakte keuze (van wachtgeld naar beëindigingsvergoeding) is volgens haar in strijd met het fixatiebeginsel, terwijl de wachtgeldaanspraak geen boedelvordering oplevert en evenmin (als preferente of concurrente vordering) verifieerbaar is.

3.3.

[appellante] vordert in hoger beroep de vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, haar vordering(en) alsnog toe te wijzen met de veroordeling van de stichting in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

3.4.

De curator concludeert in hoger beroep tot afwijzing van de vorderingen van [appellante] .

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1.

Kern van het geschil tussen partijen is of [appellante] in verband met de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst aanspraken kan doen gelden jegens de boedel dan wel ter zake een verifieerbare vordering heeft. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De daartegen door [appellante] aangevoerde grieven houden, kort samengevat, het volgende in.

Grief I richt zich tegen rov. 4.1. van het bestreden vonnis. [appellante] meent dat het haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vrij staat om alsnog voor de, door de curator ten aanzien van haar collega’s wél geverifieerde, beëindigingsvergoeding te opteren. Haar vaststellingsovereenkomst behoort in verband met het als onvoorziene omstandigheid aan te merken faillissement van de stichting, alsnog in overeenstemming te worden gebracht met de aanspraken van haar collega’s, aldus [appellante] .

De grieven II en III zijn gericht tegen het door de rechtbank gehonoreerde beroep van de curator op art. 9 VSO en de uitleg van die bepaling. De uitleg had ex tunc moeten worden gedaan en het faillissement van de stichting had, mede op grond van art. 6:248 en/of 3:40 BW, niet bij de uitleg betrokken moeten worden.

In grief IV betoogt [appellante] dat de rechtbank zich bij haar oordeel ten onrechte heeft laten leiden door het arrest Van Gelder Papier (ECLI:NL:HR:1990:AC2325, NJ 1990/662). Doordat zij vóór het faillissement met de stichting de VSO is overeengekomen is haar positie anders, aldus [appellante] .

Door middel van de grieven V en VI betoogt [appellante] , naar het hof begrijpt, nogmaals dat haar aanspraak op wachtgeld kwalificeert als een boedelschuld door wetsduiding. Voor zover het hof daarover anders mocht oordelen is deze aanspraak, die (naar [appellante] meent) immers reeds vaststaat althans reeds voldoende zeker is, in ieder geval verifieerbaar als preferente vordering.

Grief VII richt zich tegen de proceskostenveroordeling.

Wijziging aanspraak op wachtgeld naar beëindigingsvergoeding?

4.2.

Op dit punt miskent [appellante] dat, zoals door de Hoge Raad in zijn arrest van 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:424, NJ 2018/290 (Credit Suisse/Jongepier q.q.) nog eens uitdrukkelijk is herhaald, het fixatiebeginsel onder meer meebrengt dat de rechtspositie van een schuldeiser na het intreden van het faillissement niet te zijnen gunste mag worden gewijzigd en dat, voor zover er wel sprake is van een uitbreiding van die positie, de desbetreffende vordering van de schuldeiser alleen voor verificatie in aanmerking komt voor zover de boedel ten gevolge van het ontstaan daarvan is gebaat. Met dit uitgangspunt is niet in overeenstemming dat [appellante] na het intreden van het faillissement haar voorkeur voor een (zoals hierna zal blijken: niet als verifieerbare vordering kwalificerende) wachtgeldaanspraak wijzigt in een (volgens de curator wel als verifieerbare vordering kwalificerende en bovendien hogere) beëindigingsvergoeding. Dat zou immers betekenen dat [appellante] , ten nadele van andere schuldeisers, haar aanspraken jegens de boedel na datum faillissement uitbreidt dan wel versterkt terwijl de boedel daardoor niet gebaat is. Het beroep van [appellante] op, naar het hof begrijpt, art. 6:248 en/of art. 6:258 BW stuit daarop al af.

4.3.

Dit betekent dat in het navolgende alleen ter beoordeling staat de aanspraak van [appellante] op wachtgeld. Partijen zijn het er over eens dat [appellante] daarop aanspraak heeft maar niet over de vraag of die aanspraak een boedelschuld, althans een preferente verifieerbare vordering oplevert. Niet in geschil is verder dat de wachtgeldaanspraken gegrond zijn op de cao. Volgens de curator maakt het daarom voor de beoordeling geen verschil of de aanspraken zijn gebaseerd op de cao als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden van [appellante] of op de verwijzing naar de cao in de VSO. Volgens [appellante] maakt dit voor haar positie in het faillissement wel verschil. Zij baseert haar aanspraak om die reden op de VSO. Het hof gaat in het volgende dan ook uit van de VSO als grondslag voor haar vorderingen maar houdt daarbij in het oog dat in de VSO verwijst naar de cao.

Boedelschuld?

4.4.

De meest vergaande stelling van [appellante] (leidend tot de hoogst mogelijke rang in het faillissement) is dat haar aanspraak op wachtgeld als boedelschuld is aan te merken. Of in een concreet geval sprake is van een boedelschuld zal steeds moeten worden bezien aan de hand van de daarvoor door de Hoge Raad geformuleerde criteria. Boedelschulden zijn slechts de schulden die een onmiddellijke aanspraak op de faillissementsboedel geven hetzij (i) ingevolge de wet, hetzij (ii) omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan (in de zin dat zijn wil daarop gericht is geweest) hetzij (iii) omdat zij het gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting (HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, NJ 2013/291 (Koot Beheer/Tideman q.q.)).

4.5.

Op grond van art. 40 Fw. vormen het loon en de met de arbeidsovereenkomst samenhangende premieschulden een boedelschuld als bedoeld in rov. 4.4.(i). Vanuit dit vertrekpunt betoogt [appellante] dat haar aanspraak op wachtgeld door vastlegging in de VSO een bedongen aanspraak is die kwalificeert als loon en daarmee als boedelschuld op grond van de wet.

Het hof volgt [appellante] hierin niet. Uitgangspunt is dat het loonbegrip in art. 40 Fw. identiek is aan het loonbegrip in art. 7:610 BW (HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3819, NJ 2000/53 (LISV/Wilderink q.q.) en HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2907, NJ 2017/439 (UWV/Aukema q.q.)). Volgens vaste rechtspraak ziet loon op de door de werkgever aan de werknemer ter zake van de bedongen arbeid verschuldigde tegenprestatie (HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3681, NJ 2001/635). Inderdaad valt, zoals [appellante] stelt, de uitkering in geld wegens niet genoten vakantiedagen daaronder (UWV/Aukema q.q.). Aanspraken op wachtgeld op grond van de cao (al dan niet door verwijzing daarnaar in de VSO) zijn daarmee niet op één lijn te stellen: deze vormen, ook als ze bedongen zijn, in tegenstelling tot de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen, geen tegenprestatie voor de bedongen arbeid. Voor dit oordeel is expliciete steun te vinden in het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2319, NJ 1997/438, waarin hij heeft geoordeeld dat, omdat wachtgeld geen loon is, daarover geen wettelijke verhoging kan worden toegekend. Aanspraken op wachtgeld kunnen dus niet door wetsduiding als een boedelschuld worden aangemerkt.

4.6.

[appellante] heeft zich niet op het standpunt gesteld dat de aanspraak op wachtgeld een boedelvordering is in de zin van rov. 4.4.(ii) of 4.4.(iii). In het bijzonder heeft zij niet uitgewerkt dat het handelen van de curator (bestaande in het wel verifiëren van de beëindigingsvergoeding en het niet verifiëren van de wachtgeldaanspraak) in strijd is met een door de curator in zijn hoedanigheid na te leven verplichting. Dit kan dus, wat daarvan ook verder zij, in het midden blijven.

4.7.

De aanspraak op wachtgeld kan dus niet als boedelschuld worden aangemerkt.

Verifieerbare (preferente) faillissementsvordering?

4.8.

[appellante] meent dat haar aanspraak op wachtgeld in ieder geval als een in het faillissement te verifiëren (preferente) vordering moet worden aangemerkt. Het hof zal eerst de verifieerbaarheid beoordelen. De vraag naar de rangorde is immers alleen van belang als de vordering van [appellante] geverifieerd kan worden.

4.9.

De curator voert tot zijn verweer onder meer aan dat de aanspraken van [appellante] op wachtgeld toekomstige vorderingen zijn en om die reden niet voor verificatie in aanmerking komen. Het hof ziet aanleiding om dit verweer als eerste te behandelen.

4.10.

Voorop gesteld wordt dat een vordering die op de datum van faillietverklaring als een toekomstige vordering moet worden aangemerkt niet voor verificatie in aanmerking komt. Dit betreft geen vordering in de zin van de art. 129 tot en met 131 Fw..

Om te bepalen welke aanspraak als een toekomstige vordering moet worden aangemerkt is relevant het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 1987 (ECLI:NL:HR:1987:AG5528, NJ 1987,530 (WUH/Emmerig q.q.)) in een kwestie die betrekking had op vorderingen voortvloeiende uit nog niet verschenen huurtermijnen. De Hoge Raad oordeelde, kort gezegd, dat het ontstaan van deze vorderingen afhankelijk is van vooralsnog onzekere omstandigheden waaronder de daadwerkelijke verschaffing van huurgenot, onderscheidenlijk het na de faillietverklaring nog resterende deel van het huurgenot, waarvoor de betreffende termijn de tegenprestatie vormt. Dergelijke vorderingen beschouwde de Hoge Raad dan ook als toekomstige vorderingen.

4.11.

Ter beoordeling staat, gelet op het onder 4.9. genoemde verweer van de curator, of ook de aanspraken van [appellante] op wachtgeld afhankelijk zijn van vooralsnog onzekere omstandigheden, te weten de nakoming door [appellante] van op haar rustende verplichtingen, zodat ook die aanspraken als toekomstige vorderingen moeten worden gekwalificeerd. De curator wijst in dit verband op de uit de cao voortvloeiende verplichtingen, waarbij hij noemt: (a) het zich inschrijven als werkzoekende bij het UWV, (b) het voldoen aan de verplichting om informatie te verstrekken; en (c) het gebruik maken van de mogelijkheden om eigen inkomsten uit arbeid of bedrijf te verwerven. [appellante] erkent het bestaan van verplichtingen voor verkrijging en behoud van wachtgeld, waarbij zijzelf de sollicitatieverplichting noemt (het voldoen waaraan voorwaarde vormt voor (behoud van) WW, wat op zichzelf weer voorwaarde vormt voor verkrijging van wachtgeld). Verder bestaat er geen aanspraak op wachtgeld (meer) als de werknemer elders in dienst treedt.

4.12.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof onmiskenbaar dat [appellante] niet zonder meer aanspraak heeft op wachtgeld. Zij zal, teneinde daadwerkelijk aanspraak op wachtgeld te kunnen (blijven) maken, aan haar verplichtingen moeten voldoen.

[appellante] heeft in de memorie van grieven betoogd dat de sollicitatieverplichting in de praktijk tot buitengewoon weinig problemen leidt. Ook als dat juist zou zijn, betekent dat naar het oordeel van het hof nog niet dat de sollicitatieverplichting slechts als een formaliteit zou moeten worden beschouwd, in de zin dat die de aanspraak van [appellante] niet een toekomstig karakter zou geven (zoals vgl. Hof Amsterdam, 3 februari 2000, JOR 2000/63: Fokker 55+ de voorwaarde van – formele – beëindiging dienstverband voor het verkrijgen van de individueel overeengekomen aanspraken uit een sociaal plan). De naleving van deze en de overige hiervoor genoemde verplichtingen ligt geheel binnen het domein van [appellante] die handelend moet optreden. Of zij dat zal (zou) doen staat (stond) niet bij voorbaat vast.

4.13.

Gelet op het voorgaande betreft de aanspraak op wachtgeld een toekomstige vordering zodat de vorderingen van [appellante] , al om de hiervoor genoemde redenen, niet kunnen worden geverifieerd. Dat wordt niet anders door de stelling van [appellante] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar of in strijd met de openbare orde is dat de curator een beroep doet op art. 9 van de VSO. Het op art. 9 van de VSO gebaseerde verweer kan op grond van het voorgaande buiten beschouwing blijven. Dat, ten slotte, andere vorderingen (te weten de aanspraken op een beëindigingvergoeding) wel zijn geverifieerd in het faillissement kan er, zelfs als die verificatie ten onrechte zou zijn, niet toe leiden dat de curator in deze procedure wordt veroordeeld tot het erkennen van een vordering die niet aan de voorwaarden voor verificatie voldoet.

4.14.

Gelet op het voorgaande kunnen de overige stellingen en weren van partijen buiten beschouwing blijven.

Slotsom

4.15.

Het aanbod tot het leveren van bewijs heeft geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden en wordt daarom gepasseerd.

4.16.

Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst is passend dat [appellante] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 Beslissing

Het hof:

5.1.

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2018;

5.2.

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de curator tot aan deze uitspraak bepaald op € 741,-- aan griffierecht en € 2.148,-- (tariefgroep IV) aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.T. Nijhuis, J.W. Frieling en J.A van Dorp en is ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2020 door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature