E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:GHDHA:2020:1188
Gerechtshof Den Haag, 2200496219

Inhoudsindicatie:

De advocaat-generaal vordert dat de zaak onder vernietiging van het vonnis waarvan beroep naar de politierechter in de rechtbank Den Haag zal worden teruggewezen, teneinde op de bestaande inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Het hof stelt vast dat de politierechter, voor sluiting van het onderzoek ter zitting, de raadsman en de verdachte daarop niet andermaal het laatste woord gegeven (zie ook HR 12 april 2011, NJ 2011/184). Nu artikel 311, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de verdachte op straffe van nietigheid het recht geeft het laatst te spreken, is het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig.

Anders dan de raadsman heeft verzocht, zal het hof de zaak echter niet terugwijzen naar de rechtbank te Rotterdam teneinde op de bestaande inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan. Nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is in deze zaak immers niet te brengen onder de in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde gevallen en de daarop gegeven uitbreiding door de jurisprudentie van de Hoge Raad, nu de politierechter de hoofdzaak heeft beslist.

Het hof heeft beraadslaagd mede op grond van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nu de wettelijke plicht dienaangaande – neergelegd in artikel 422, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering – niet wordt opgeheven indien dit onderzoek aan nietigheid leidt wegens verzuim van vormen, hetgeen in de onderhavige zaak het geval is (zie HR 18 maart 1986, NJ 1986, 719).

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van t-shirts. Gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen, met aftrek van voorrest.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie