< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De advocaat-generaal vordert dat de zaak onder vernietiging van het vonnis waarvan beroep naar de politierechter in de rechtbank Den Haag zal worden teruggewezen, teneinde op de bestaande inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Het hof stelt vast dat de politierechter, voor sluiting van het onderzoek ter zitting, de raadsman en de verdachte daarop niet andermaal het laatste woord gegeven (zie ook HR 12 april 2011, NJ 2011/184). Nu artikel 311, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de verdachte op straffe van nietigheid het recht geeft het laatst te spreken, is het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig.

Anders dan de raadsman heeft verzocht, zal het hof de zaak echter niet terugwijzen naar de rechtbank te Rotterdam teneinde op de bestaande inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan. Nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is in deze zaak immers niet te brengen onder de in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde gevallen en de daarop gegeven uitbreiding door de jurisprudentie van de Hoge Raad, nu de politierechter de hoofdzaak heeft beslist.

Het hof heeft beraadslaagd mede op grond van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nu de wettelijke plicht dienaangaande – neergelegd in artikel 422, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering – niet wordt opgeheven indien dit onderzoek aan nietigheid leidt wegens verzuim van vormen, hetgeen in de onderhavige zaak het geval is (zie HR 18 maart 1986, NJ 1986, 719).

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van t-shirts. Gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen, met aftrek van voorrest.

Uitspraak



Rolnummer: 22-004962-19

Parketnummer: 09-245364-19

Datum uitspraak: 25 maart 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 15 oktober 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1958,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 11 maart 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen, met aftrek van voorarrest.

Voorts is ter terechtzitting de gevangenneming van de verdachte bevolen en het bevel tot voorlopige hechtenis geschorst vanaf het moment dat de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk staat aan de opgelegde gevangenisstraf.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 oktober 2019 te Delft drie, althans een t-shirt(s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Being There, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Vordering van de advocaat generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de zaak onder vernietiging van het vonnis waarvan beroep naar de politierechter in de rechtbank Den Haag zal worden teruggewezen, teneinde op de bestaande inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich - reeds omdat sprake is van een formele nietigheid bij de behandeling ter zitting in eerste aanleg - daarmee niet verenigt.

Nietigheid onderzoek ter terechtzitting eerste aanleg

Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 15 oktober 2019 vermeldt, voor zover hier van belang:

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart:

Ik wil sorry aanbieden. Ik heb een domme fout begaan.

De politierechter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek deelt de politierechter mee dat hij telefonisch contact met Perspectief Delft heeft opgenomen met de vraag of het echt zo is, zoals de raadsman heeft gesteld, dat de verdachte zijn kamer kwijt raakt als hij langer weg blijft en dat op die vraag is geantwoord dat verdachte wat langere tijd weg kan blijven zonder direct zijn kamer te verliezen.

De politierechter verklaart vervolgens het onderzoek gesloten en zegt onmiddellijk mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

Naar het oordeel van het hof heeft de politierechter, nadat de verdachte het laatst had gesproken, feitelijk het onderzoek ter terechtzitting hervat en een nieuwe onderzoekshandeling verricht door te bellen met Perspectief Delft, het begeleid wonen traject van de verdachte. De uitkomst van dat telefoongesprek - die nieuwe informatie inhield en deel uitmaakte van de inhoudelijke behandeling van de zaak - is vervolgens ter zitting medegedeeld; een uitkomst die afweek van de informatie die de raadsman namens verdachte eerder ter zitting naar voren had gebracht en die ten nadele van de verdachte ook in het vonnis tot uitdrukking is gekomen.

Ten onrechte heeft de politierechter, voor sluiting van het onderzoek ter zitting, de raadsman en de verdachte daarop niet andermaal het laatste woord gegeven (zie ook HR 12 april 2011, NJ 2011/184).

Nu artikel 311, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de verdachte op straffe van nietigheid het recht geeft het laatst te spreken, is het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nietig.

Anders dan de raadsman heeft verzocht, zal het hof de zaak echter niet terugwijzen naar de rechtbank te Rotterdam teneinde op de bestaande inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is in deze zaak immers niet te brengen onder de in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde gevallen en de daarop gegeven uitbreiding door de jurisprudentie van de Hoge Raad, nu de politierechter de hoofdzaak heeft beslist.

Het hof heeft beraadslaagd mede op grond van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg nu de wettelijke plicht dienaangaande – neergelegd in artikel 422, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering – niet wordt opgeheven indien dit onderzoek aan nietigheid leidt wegens verzuim van vormen, hetgeen in de onderhavige zaak het geval is (zie HR 18 maart 1986, NJ 1986, 719).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 oktober 2019 te Delft drie t-shirts toebehorende aan Being There, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van meerdere T-shirts. Diefstal is een feit dat naast financiële schade voor de benadeelde ook onrustgevoelens en overlast met zich meebrengt.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder – veelvuldig - onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, mr. C.M. Derijks en mr. TH.P.L. Bot, in bijzijn van de griffier mr. T.S.M. Middelburg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 maart 2020.

Mr. C.M. Derijks is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature