< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

vordering tot betaling kinderopvang; stelplicht

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.216.694/01

Rolnummer rechtbank : 5512992 \ 16-5550

arrest van 21 mei 2019

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. K. Kuster te Rotterdam,

tegen

de vennootschap onder firma VIPKIDS,

gevestigd te Gouda,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Vipkids,

advocaat: mr. E. Ester te Zwijndrecht.

Het geding

Voor de gang van zaken tot aan 11 juli 2017 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is 27 september 2017 gehouden. Daarvan is proces-verbaal gemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Bij brieven van 11 en 13 oktober 2017 heeft (de advocaat van) [appellante] op het proces-verbaal gereageerd.

[appellante] had reeds bij memorie van grieven van 4 juli 2017 twee grieven tegen het bestreden vonnis van 16 februari 2017 aangevoerd. Vipkids heeft deze grieven bij memorie van antwoord (met productie) bestreden. Hierna heeft [appellante] nog een akte genomen, waarop Vipkids bij antwoordakte heeft gereageerd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de door de kantonrechter in het bestreden vonnis onder 2.1. weergegeven feiten. Met inachtneming daarvan en van hetgeen overigens door partijen niet of onvoldoende weersproken is aangevoerd, gaat het in deze zaak samengevat om het volgende.

1.1

Vipkids is een onderneming die zich bezig houdt met de kinderopvang.

1.2

Vipkids en [appellante] hebben een overeenkomst voor onbepaalde tijd afgesloten voor de opvang van de zoon van [appellante] gedurende 230 uur per maand, met ingang van 15 januari 2015. De overeenkomst bevat een opzegtermijn van één maand.

1.3

Over het jaar 2015 heeft Vipkids in totaal een bedrag van € 18.091,80 aan [appellante] gefactureerd. [appellante] heeft hiervan een bedrag van € 8.562,00 onbetaald gelaten, ondanks diverse aanmaningen en sommaties.

1.4

Vipkids heeft de zoon van [appellante] per 15 januari 2016 uitgeschreven.

2. Vipkids vordert de veroordeling van [appellante] tot betaling aan haar van een bedrag van € 8.562,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten, waaronder de kosten van het beslag.

3. Vipkids legt hieraan ten grondslag dat Vipkids in 2015 zoals afgesproken de opvang van de zoon van [appellante] heeft verzorgd en dat [appellante] daarom op haar beurt verplicht is tot nakoming van haar verplichtingen op grond van de overeenkomst.

4. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering toegewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

5. In appel vordert [appellante] vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog afwijzing van de vordering, met veroordeling van Vipkids in de proceskosten, inclusief de nakosten.

6. Met haar twee grieven betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] onvoldoende (concrete feiten) heeft gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat zij niets hoeft te betalen voor de tweede helft van 2015 en dat de kantonrechter haar bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd.

7. Niet in geschil is dat de overeenkomst niet is opgezegd of ontbonden. De kantonrechter heeft voorts onbestreden overwogen dat voor de vraag of [appellante] moet betalen, niet van belang is of zij gebruik heeft gemaakt van de opvang, maar of zij daarvan gebruik kon maken. Vast staat dat dit laatste het geval was: Vipkids heeft onbetwist gesteld dat de zoon van [appellante] ook de tweede helft van 2015 naar de opvang kon komen gedurende 230 uur per maand. Een enkele keer viel er een dag uit, maar Vipkids heeft ter comparitie in appel uiteengezet dat en waarom de overeenkomst daarin voorzag en dit is niet weersproken. Het bij akte door [appellante] gedane aanbod om door middel van getuigen te bewijzen dat haar zoon niet 230 uur per week (bedoeld is waarschijnlijk: per maand) naar de opvang is geweest (akte 27 februari 2018, alinea 2), is dus niet ter zake dienend. Ten overvloede merkt het hof op dat het dossier aanwijzingen bevat dat de stelling van [appellante] dat haar zoon in de tweede helft van 2015 helemaal niet meer naar de opvang is geweest, niet juist is. Zo heeft [appellante] bij conclusie van antwoord nog opgemerkt dat haar zoontje het laatste half jaar “nog maar sporadisch” ging en er bevinden zich ook mails in het dossier die erop lijken te duiden dat de zoon van [appellante] minstgenomen af en toe nog naar de opvang ging. Mocht de redenering van [appellante] (alleen betaalplicht voor zover van de opvang gebruik is gemaakt) dus al worden gevolgd, dan is in zoverre nog steeds niet duidelijk waarom [appellante] helemaal niets meer zou hoeven te betalen.

8. [appellante] heeft ook nog aangevoerd dat zij onder druk is gezet om de overeenkomst niet op te zeggen: zij zou dan haar stage bij Vipkids niet meer mogen afmaken en Vipkids zou haar niet meer helpen bij het maken van bezwaar tegen het besluit van de Belastingdienst halverwege 2015 om de kinderopvangtoeslag stop te zetten (aldus haar verklaring tijdens de comparitie in appel). [appellante] heeft echter ook in appel haar stellingen op dit punt niet nader uitgewerkt, feitelijk noch juridisch.

8.1.

Ter comparitie in hoger beroep is de term “misbruik van omstandigheden” gevallen, maar onduidelijk is hoe een beroep daarop [appellante] kan helpen. Op grond van artikel 3:44, eerste lid, BW is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Afgezien van het feit dat [appellante] niet stelt dat zij een rechtshandeling wil vernietigen, is ook niet duidelijk welke rechtshandeling zij zou willen vernietigen.

8.2.

Aan het slot van haar akte stelt [appellante] voorts dat zij door het horen van getuigen kan bewijzen “dat in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht dat nakoming van de overeenkomst wordt gevorderd”. Voor zover [appellante] hiermee bedoelt te betogen dat de vordering van Vipkids naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat [appellante] onder druk is gezet om de overeenkomst niet op te zeggen, geldt dat (ook) deze stelling om een nadere onderbouwing vraagt, die ontbreekt. Vipkids wijst daar terecht op. Dit klemt temeer nu de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid met terughoudendheid moet worden toegepast. Zelfs indien juist zou zijn dat tegen [appellante] is gezegd dat als zij zou opzeggen, zij haar stage bij Vipkids niet zou mogen afmaken en/of zij geen hulp meer zou krijgen bij het maken van bezwaar tegen het besluit van de Belastingdienst, dan brengt dit niet zonder meer mee dat [appellante] geheel (of ten dele - maar voor welk deel dan?) van haar betalingsplicht is bevrijd. [appellante] stelt onvoldoende om die conclusie te rechtvaardigen en laat vragen beantwoord. Wanneer en tegen welke datum heeft [appellante] bijvoorbeeld willen opzeggen? En waarom kon van haar in redelijkheid niet worden verwacht dat zij weerstand zou bieden aan de door haar gestelde druk? Kon zij niet elders stage lopen en/of kon zij niet van iemand anders hulp krijgen bij de bezwaarschriftprocedure? [appellante] miskent dat de stelplicht niet kan worden omzeild door een bewijsaanbod te doen; de stelplicht gaat aan het bewijsaanbod vooraf. Nu [appellante] haar stelling over het “onder druk gezet worden” niet nader heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen, althans kan het hof niet beoordelen of het gedane bewijsaanbod ter zake dienend is.

9. De conclusie luidt dat [appellante] moet betalen. Dit staat los van de vraag of [appellante] wel of niet (terecht) een toeslag heeft ontvangen.

10. Het bestreden vonnis zal dus worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in appel worden veroordeeld. Conform de vordering van Vipkids zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van 16 februari 2017;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Vipkids begroot op € 716,- voor griffierecht en € 1.897,50 voor salaris van de advocaat;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, A.D. Kiers-Becking en P. Glazener en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2019, in aanwezigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature