< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontneming mensenhandel; artikel 273f, lid 1, onder 2 °, 5° en 8° Sr. Bevestiging vonnis: wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 19.046,67,-. Verwerping verweer matiging van het vast te stellen bedrag wegens jeugdigheid veroordeelde.

Uitspraak



Rolnummer: 22-000981-18 PO

Parketnummer: 10-750086-17

Datum uitspraak: 19 maart 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2018 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1999,

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [x].

Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te Rotterdam van 22 februari 2018 is aan de veroordeelde ter zake van onder meer het in zijn strafzaak onder 1 en 2 bewezen verklaarde, telkens gekwalificeerd als:

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2, 5, en 8 (het hof begrijpt: van het Wetboek van Strafrecht) omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 2, 5 en 8 (het hof begrijpt: van het Wetboek van Strafrecht) omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd,

de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd.

De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 25.709,-, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 22 februari 2018 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 19.046,67 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 5 maart 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 31.055,00 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie deze vordering beperkt tot € 25.709,-.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Beoordeling van het vonnis

De behandeling in hoger beroep van de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvulling aanbrengt.

Verweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat in de onderhavige strafzaak reden is tot matiging van het vast te stellen geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel nu sprake is van een jeugdige veroordeelde en die matiging in zijn belang is met het oog op zijn toekomst.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof ziet juist in de jonge leeftijd van de veroordeelde, zijn goede gezondheid en zijn opleidingscapaciteiten goede mogelijkheden voor hem om in de toekomst voldoende inkomsten te verwerven teneinde aan de betalingsverplichting ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen. Het hof ziet derhalve geen reden om het vast te stellen bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel te matigen.

Het hof verwerpt het verweer.

Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door M.I. Veldt-Foglia, mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen en mr. M.A.J. van de Kar, in bijzijn van de griffier mr. C.M.A. Ellens-Veenhof.

Mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 maart 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature