< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Algemene Verordening Gegevensbescherming; recht om vergeten te worden; verwijdering zoekresultaten

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.242.871/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/538433/ HA RK 17-418

beschikking van 16 april 2019

inzake

1 [Appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Appellant 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna ook te noemen: [Appellant 1] en [Appellant 2],

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

Google Inc.,

gevestigd te Mountain View, Californië, Verenigde Staten,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Google,

advocaat: mr. A. Strijbos te Amsterdam.

1 Het geding

1.1.

Bij beroepschrift, met productie, binnengekomen bij het hof op 19 juli 2019, hebben [Appellant 1] en [Appellant 2] het hof verzocht de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 april 2018 te vernietigen en het in eerste aanleg verzochte alsnog toe te wijzen, met veroordeling van Google in de kosten van beide instanties.

1.2.

Google heeft bij verweerschrift, binnengekomen bij het hof op 8 november 2018, verweer gevoerd.

1.3.

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 januari 2019. Beide zijden hebben bij die gelegenheid hun standpunten laten toelichten door hun advocaten, [Appellant 1] en [Appellant 2] door mr. C.J. Nierop, Google door mr. R.D. Chavannes en mr. A. Strijbos, allen advocaat te Amsterdam. De advocaten hebben daarbij gebruik gemaakt van pleitnotities.

1.4.

Met het oog op de mondelinge behandeling hebben appellanten de aanvullende producties A-I aan het hof en Google gestuurd. Tegen overlegging van deze producties is geen bezwaar gemaakt, zodat deze deel uitmaken van de gedingstukken.

1.5.

Daarnaast hebben appellanten op 16 januari 2019 per fax nog een aanvullende productie J aan het hof en Google gestuurd. Tegen deze productie heeft Google bezwaar gemaakt. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling, na het horen van partijen, besloten deze productie te weigeren. Google heeft daarop de producties 45-47 die zij had ingediend in reactie op de geweigerde productie van appellanten ingetrokken. Deze producties maken dus geen deel uit van de gedingstukken.

2 De feiten

2.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2. [

[Appellant 1] en [Appellant 2] zijn gehuwd. [Appellant 1] is ondernemer en richt zich met zijn bedrijf [BV 1] op communicatie- en marketingadvies aan organisaties in de gezondheidssector. [Appellant 1] heeft onder meer (betaalde) werkzaamheden verricht voor een aantal charitatieve fondsen. [Appellant 2] is werkzaam als [functienaam 1] , als zodanig ingeschreven in het BIG-register, en [functienaam 2] en was in ieder geval tot december 2018 onder meer lid van de Raad van Advies voor de Nederlandse [naam vereniging 1] .

2.3.

Op [datum] 2013 heeft onderzoekjournalistiek radioprogramma Argos van de VPRO een aflevering uitgezonden over goede doelen in Nederland. Deze aflevering, getiteld ‘ [titel] ’, ging over het netwerk van goede doelen dat mede door [Appellant 1] was opgericht.

2.4.

In december 2013 heeft de [naam vereniging 2] (hierna: de Vereniging) op haar internetwebsite onder de hyperlink, ofwel Uniform Resource Locator

(hierna: URL), [URL 1] en in het Nederlands Tijdschrift van de [naam vereniging 2]

een artikel gepubliceerd over [Appellant 1], waarin ook [Appellant 2] figureert (hierna: het Artikel).

2.5.

Bij vonnis in kort geding van 27 mei 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, kort samengevat, de Vereniging veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie in voormeld tijdschrift alsmede op voornoemde website, aangezien het Artikel een aantal feitelijk onjuiste passages bevatte. In het vonnis (ECLI:NL:RBAMS:2014:3727) is onder meer het volgende overwogen:

4.70.

Uit het voorgaande volgt dat een aantal passages uit het Artikel feitelijk onjuist zijn en een grotere betrokkenheid van [Appellant 1] of [Appellant 2] bij bepaalde fondsen suggereren dan feitelijk kan worden aangetoond. Deze passages dienen daarom te worden gerectificeerd. Voor het overige vindt de inhoud van het Artikel in voldoende mate steun in het aanwezige feitenmateriaal en kan deze inhoud, waaronder begrepen de daarbij gebezigde illustraties, niet als onrechtmatig jegens [Appellant 1] c.s. worden beschouwd. Het enkele feit dat door de [naam vereniging 2] c.s. geen wederhoor is toegepast doet hieraan in dit geval geen afbreuk. De [naam vereniging 2] c.s. heeft een zwaarwegend belang om het door haar geconstateerde gebrek aan transparantie in de goededoelensector op kritische en waarschuwende wijze aan de orde te stellen. De daarbij gemaakte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [Appellant 1] en [Appellant 2] zullen zij in de gegeven omstandigheden moeten dulden.

4.71.

De [naam vereniging 2] c.s. zal de rectificatie op haar website dienen te plaatsen en geplaatst te houden zo lang het Artikel daarop geplaatst zal zijn. In het Tijdschrift zal melding van de veroordeling tot het plaatsen van deze rectificatie gemaakt moeten worden. Voor een veroordeling tot het aankondigen daarvan op de voorpagina van het Tijdschrift ziet de voorzieningenrechter, gezien het gewicht van de te rectificeren passages in het licht van het gehele Artikel, geen reden. Voor het afzonderlijk per brief informeren van de leden van de Vereniging ziet de voorzieningenrechter, mede gezien het tijdverloop, geen aanleiding. Ook de vordering tot aankondiging van de rectificatie op social media zal worden afgewezen, nu deze media niet geschikt zijn voor weergave van de nuances die de beperkte toewijzing van de rectificatievordering met zich brengt. Aan de genoemde veroordelingen zullen dwangsommen als hierna te melden worden verbonden.

4.7.2.

Nu de rectificatie permanent bij de digitale weergave van het Artikel geplaatst moet worden heeft [Appellant 1] c.s. onvoldoende belang bij zijn vordering om de [naam vereniging 2] c.s. te veroordelen de exploitanten van zoekmachines te veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van het Artikel. Dat deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

2.6.

De Vereniging heeft vervolgens onder meer de rectificatie geplaatst op de website van de Vereniging onder de URL [URL 2].

2.7.

Google is een onderneming met als missie ‘to organize the world’s information and make it universally accessible and useful’. Google biedt de internetzoekmachine Google Search (hierna: de zoekmachine) aan. De zoekmachine stelt gebruikers in staat informatie elders op het internet te vinden. Gebruikers kunnen op de openingswebpagina van Google, te weten bijvoorbeeld http://www.google.nl of http://www.google.com, aan de hand van een of meer zoektermen een zoekopdracht opgeven, waarna de zoekmachine een pagina met zoekresultaten op internet weergeeft. De zoekresultatenpagina toont een lijst met zoekresultaten, te weten steeds een combinatie van een titel van een webpagina met daaronder de URL naar het betreffende internetadres en een snippet, zijnde een korte samenvatting van de webpagina (hierna wordt deze combinatie gezamenlijk genoemd: een zoekresultaat). De selectie en ordening van de zoekresultaten en de vertoning daarvan aan de gebruiker zijn het dynamisch product van een geautomatiseerd, algoritmisch proces. De zoekmachine indexeert op het internet gepubliceerde of opgeslagen informatie, slaat die tijdelijk op en stelt aan de hand van zoektermen zoekresultaten in een bepaalde volgorde aan internetgebruikers ter beschikking. De precieze werking van de zoekmachine is een bedrijfsgeheim van Google.

2.8.

Bij het opgeven van de namen van [Appellant 1] en [Appellant 2] als zoekterm in de zoekmachine worden verschillende zoekresultaten weergegeven.

2.9.

Op 14 maart 2017 heeft het reputatiemanagementbureau White Canvas namens [Appellant 1] op basis van het vonnis in kort geding van 27 mei 2014 bij Google een verzoek ingediend tot verwijdering van acht zoekresultaten. Op 15 maart 2017 heeft Google verzocht om toezending van voormeld vonnis en om meer informatie om het verzoek te verwerken. Op 3 mei 2017 heeft White Canvas het vonnis toegestuurd en heeft zij aan Google een nadere toelichting gegeven. Op 12 mei 2017 heeft Google het verzoek afgewezen.

2.10.

Op 8 juni 2017 heeft White Canvas namens [Appellant 1] op basis van de Wet bescherming persoonsgegevens (hiema: Wbp) en de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hiema: HvJ EU) van 13 mei 2014 in de zaak Costeja (C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317, hierna: Costeja -arrest) een verzoek ingediend om de betreffende zoekresultaten te verwijderen. Op 14 juni 2017 heeft Google gereageerd en is één zoekresultaat verwijderd. Het verzoek is voor overige zoekresultaten afgewezen.

2.11.

Op 12 juli 2017 heeft White Canvas namens [Appellant 1] verzocht om verwijdering van zeven zoekresultaten. Op dezelfde dag heeft Google het verzoek afgewezen.

2.12.

Op 4 augustus 2017 heeft White Canvas namens [Appellant 2] op basis van de Wbp en het Costeja -arrest bij Google een verzoek tot verwijdering van vier zoekresultaten ingediend. Het verzoek is op dezelfde dag door Google afgewezen.

2.13. [

[Appellant 1] heeft zich in het kader van de gemeenteraadsverkiezingen 2018 voor de politieke partij [partij] kandidaat gesteld voor de gemeenteraad in [woonplaats].

2.14.

In een e-mailbericht van 6 januari 2018 aan [Bedrijf 1] stelt [Appellant 1] voor om zijn echtgenote als ‘eigenaar’ te ‘benoemen’ van het bedrijf [Bedrijf 2]. Het bericht luidt onder meer als volgt:

We zijn er ons goed bewust van dat je ons informeerde dat [...] is afgehaakt vanwege de google publicaties. Dit nog wel ondanks dat ik in het kennismakingsgesprek over de achtergrond daarvan heb verteld. De impact van de publicaties is zeer verregaand, dat blijkt wel.

Juist omdat we beducht zijn van het kennelijke feit dat veel mensen klakkeloos overnemen wat er op internet staan, of tenminste denken ‘waar rook is, daar is vuur, dus wegwezen’ ben ik op de achtergrond gebleven, ben ik niet opgenomen in het pitch document.

[...] Komende gesprekken zal ik niet aan deelnemen, Zo blijft de focus op de materie en de investering, en verstoort de internetpublicatie het proces verder niet.

Dan komt toch de vraag op tafel wie de huidige eigenaren zijn. Met [...] heb ik overlegd dat we daar de UBO, [Appellant 2] ( [functienaam 1] ), kunnen benoemen. Bij onderzoek kom ik echter wel als directeur naar voren, o.m. van [Bedrijf 3]. Dan zijn we echter een stuk verder in het traject en zou dit geen issue meer moeten zijn - al blijkt de impact van zo'n onjuiste publicatie - keer op keer verstrekkend te zijn. [...] is als investeerder afgehaakt.

Rest daar de rol voor jou om de internetpublicatie in het overleg met de potentiele investeerder op het juiste moment en de juiste wijze te laten landen.

Graag verneem ik van je of je denkt dat dit de werkbare wijze is. Zoals ik je heb geïnformeerd ben ik bezig de internetpublicatie uit de zoekresultaten te laten verwijderen. Daar gaat echter nog iets tijd overheen voordat daar uitsluitsel over is.

2.15.

Op een schermafdruk van de website [URL 3] van 6 februari 2018 is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

[Appellant 1] heeft gewerkt bij verschillende goede doelen- en fondsenwervingsorganisaties, hier specialiseerde hij zich in de direct marketing. Later heeft hij ook een eigen marketingonderneming opgericht: [BV 1]. Tevens heeft [Appellant 1] een uitgeverij overgenomen waarmee hij twee magazines nieuw leven heeft ingeblazen.

[overige informatie over de carrière van Appellant 1]

2.16.

Op een schermafdruk van de website van [BV 1] van 6 februari 2018

onder het kopje ‘Corporate Social Responsibility’ is onder meer het volgende vermeld:

[BV 1] gives high priority to the social responsibility of companies and employees. [...] Presently, [BV 1] provides capacity to non-profits, and employees of [BV 1] offer their expertise voluntarily to the nonprofit charitable organizations. E.g.:

• Nederlandse [naam vereniging 1] , with content for the website and

supporting materials, and carrying out supporting the activities with the lobby for the prevention of VAT on healthcare.

[BV 1] has every intention to continue and expand this policy. Joining forces of corporate and nonprofit charitable organizations leads to fruitful contributions to society and maximizes synergy that also encourages to the involvement of our employees in today's world.

©2018

3 Het geschil

3.1. [

[Appellant 1] en [Appellant 2] hebben in eerste aanleg verzocht om Google te bevelen om onverwijld, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, 41 zoekresultaten die voortkomen uit de zoekopdracht naar de naam van [Appellant 1] in de zoekmachine uit de zoekresultaten te verwijderen dan wel af te schermen, alsmede te verwijderen, dan wel af te schermen, vijf zoekresultaten die in de zoekmachine voortkomen uit de zoekopdracht naar de naam van [Appellant 2], een en ander op straffe van een aan [Appellant 1] c.s. te betalen dwangsom van € 10.000,- per dag dat de overtreding voortduurt, dan wel een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het verzuim is ingetreden, met veroordeling van Google in de proceskosten, de kosten van vertaling van het verzoekschrift daaronder begrepen.

3.2.

De rechtbank heeft het verzoek niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking had op 32 van de in het verzoekschrift genoemde 41 zoekresultaten gerelateerd aan [Appellant 1] en een van de vijf zoekresultaten gerelateerd aan [Appellant 2], omdat appellanten Google niet eerder hadden verzocht om verwijdering of afscherming van deze zoekresultaten. Voor het overige heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, met veroordeling van appellanten in de proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat van vijf van de resterende in het verzoekschrift genoemde zoekresultaten betreffende [Appellant 1] en twee van de gestelde zoekresultaten betreffende [Appellant 2] niet was komen vast te staan dat de zoekresultaten betrekking hebben op zoekopdrachten uitsluitend op naam van [Appellant 1] of [Appellant 2]. Het verzoek tot verwijdering van deze zeven zoekresultaten heeft de rechtbank daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag niet toewijsbaar geacht. De rechtbank heeft de beoordeling toegespitst op de vier zoekresultaten gerelateerd aan [Appellant 1] en twee zoekresultaten gerelateerd aan [Appellant 2]. Met betrekking tot deze zes zoekresultaten heeft de rechtbank geoordeeld dat appellanten niet of onvoldoende hebben aangetoond dat de weergave van die zoekresultaten in de zoekmachine op de naam van [Appellant 1] en/of [Appellant 2] onnauwkeurig, ontoereikend, niet of niet meer ter zake dienend of bovenmatig is voor de doeleinden van de verwerking door Google dan wel dat sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden op grond waarvan verzet tegen deze verwerking van persoonsgegevens moet slagen.

3.3.

In het beroepschrift verzoeken appellanten de beschikking van de rechtbank te vernietigen en het in eerste aanleg verzochte alsnog toe te wijzen, met veroordeling van Google in de proceskosten van beide instanties. Appellanten hebben daartoe naar voren gebracht: twee grieven tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten, een grief tegen de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) en een aantal grieven tegen de factoren die de rechtbank in aanmerking heeft genomen. Google heeft de grieven bestreden.

4 De beoordeling

beoordeling

4.1.

Het hof verwerpt het betoog van Google dat de verzoeken van appellanten ex tunc en marginaal moeten worden beoordeeld, dat wil zeggen dat het hof alleen zou moeten beoordelen of Google redelijkerwijs heeft kunnen besluiten tot afwijzing van de verzoeken van appellanten op basis van de informatie die beschikbaar was ten tijde van de indiening van die verzoeken bij Google. Appellanten hebben terecht aangevoerd dat in civielrechtelijke procedures verzoeken in het algemeen volledig en ex nunc moeten worden getoetst en dat dus ook de door partijen aangevoerde feiten die dateren van na de datum van de indiening van de verzoeken van appellanten bij Google en/of na indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank moeten worden betrokken bij de beoordeling van hun verzoek. Naar het oordeel van het hof bestaan er geen goede gronden om af te wijken van dat uitgangspunt in zaken betreffende de bescherming van persoonsgegevens.

4.2.

Dat artikel 46, eerste lid, Wbp bepaalt dat de rechtbank de verantwoordelijke kan bevelen om een verzoek van betrokkene ‘alsnog’ af te wijzen, kan – anders dan Google meent – niet leiden tot een ander oordeel. Daargelaten dat de beoordeling in beroep moet worden gebaseerd op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679, hierna: AVG) in plaats van de Wbp (zie hierna r.o. 4.5), blijkt uit de formulering van artikel 46, eerste lid, Wbp niet dat de rechter bij de beoordeling van dergelijke verzoeken in afwijking van de algemene civielrechtelijke werkwijze marginaal en/of ex tunc moet toetsen. Dat volgt evenmin uit de opmerking uit de memorie van toelichting op de Wbp dat ‘de bepaling […] in het verlengde [ligt] van de – uitgebreidere – regeling die op dit punt in hoofdstuk 8 van de Awb is opgenomen’(Kamerstukken II 1997/1998, 25 892, nr. 3, p. 175). Die uitleg doelt op de tweede volzin van het derde lid van artikel 46 Wbp (het in de gelegenheid stellen van belanghebbenden om een zienswijze naar voren te brengen) en strekt er dus niet toe de gehele bestuursrechtelijk wijze van toetsing te introduceren in het civielrecht. Daar komt bij dat de rechtseconomie niet is gediend met de door Google genoemde uitleg, omdat die verzoekers zou dwingen bij ieder relevante wijziging van feiten hangende de procedure een nieuw verzoek in te dienen en zo nodig een nieuwe procedure aanhangig te maken. Bovendien staat een dergelijke uitleg op gespannen voet met de uit de artikelen 12 en 14 van de Europese privacyrichtlijn (Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, hierna: de richtlijn) voortvloeiende verplichting tot het waarborgen van het recht op wissing en het recht van verzet.

4.3.

Het argument van Google dat de bestuursrechter beslissingen van bestuursorganen op vergelijkbare verzoeken ex tunc moet toetsten met inachtneming van de beslissingsruimte van het bestuursorgaan, kan geen doel treffen. Die wijze van toetsing van beslissingen van bestuursorganen hangt samen met de scheiding van machten. De scheiding van machten speelt geen rol bij de beoordeling van beslissingen van Google.

4.4.

Het feit dat appellanten niet specifiek een grief hebben opgeworpen tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.18 van de bestreden beschikking dat Google in redelijkheid het verzoek heeft kunnen afwijzen, sluit niet uit dat het hof het verzoek volledig en ex nunc moet toetsen. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank met dat oordeel niet tot uitdrukking willen brengen dat louter een marginale ex tunc beoordeling moet worden toegepast, maar slechts dat Google het verzoek op goede gronden had afgewezen. Tegen dat oordeel hebben appellanten zich met hun grieven onmiskenbaar verzet. Dat de rechtbank met de bedoelde overweging niet heeft bedoeld dat een marginale ex tunc beoordeling volstaat, blijkt wel uit het feit dat de rechtbank in onder meer rechtsoverweging 4.16 niet heeft volstaan met een marginale toets en uitdrukkelijk ook feiten in haar oordeel heeft betrokken die dateren van na de indiening van de verzoeken bij Google, zoals de kandidaatstelling voor de gemeenteraad.

toepasselijk recht

4.5.

Het hof zal de navolgende beoordeling van het beroep niet baseren op de Wbp, maar op de AVG. Partijen zijn het er ook over eens dat het hof de AVG moet toepassen. Appellanten hebben uitdrukkelijk betoogd dat in beroep het kader wordt gevormd door de AVG. Google heeft aangevoerd dat een met de AVG strijdige uitspraak moet worden vermeden en heeft haar verweer in beroep gebaseerd op de AVG.

4.6.

De AVG moet naar het oordeel van het hof worden toegepast omdat de AVG met ingang van 25 mei 2018 van toepassing is geworden en de AVG geen overgangsrecht bevat. Omdat het hof, zoals hiervoor is geoordeeld, ex nunc moet beoordelen of de verzoeken van appellanten toewijsbaar zijn, brengt dat mee dat het hof moet beoordelen of de verzoeken toewijsbaar zijn op grond van de momenteel geldende regels van de AVG.

4.7.

Dat de Nederlandse wetgever in artikel 48, tiende lid, van de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensverwerking (hierna: UAVG) heeft bepaald dat op schriftelijke verzoeken als bedoeld in artikel 46 Wbp die op het moment van inwerkingtreding van de UAVG reeds aanhangig zijn bij de rechtbank, het recht van toepassing is zoals dit gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de UAVG, kan niet leiden tot een andere uitkomst. Ten tijde van inwerkingtreding van de UAVG had de rechtbank al op het verzoekschrift beslist en was de zaak nog niet aanhangig gemaakt bij het hof. Omdat het hof de zaak, binnen het door de grieven getrokken gebied, opnieuw moet beoordelen en de Europese wetgever heeft gekozen voor directe werking van de AVG zal het hof in deze zaak de AVG toepassen.

4.8.

Overigens maakt het voor de uitkomst van deze zaak niet uit of wordt getoetst aan de AVG of de Wbp. Beide partijen gaan ervan uit dat de zaak kan worden beslist op basis van de maatstaf die het HvJ EU heeft geformuleerd in de Costeja -uitspraak op basis van de richtlijn waarvan de Wbp de implementatie vormt, omdat die maatstaf ook onder de AVG toepasbaar blijft.

in hoger beroep relevante zoekresultaten

4.9.

Google heeft terecht en onbestreden aangevoerd dat appellanten geen grieven hebben gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun verzoek met betrekking tot 33 van de in het verzoekschrift genoemde zoekresultaten en de afwijzing van het verzoek met betrekking nog zeven andere zoekresultaten bij gebrek aan feitelijke grondslag. De navolgende beoordeling van het hoger beroep zal zich daarom richten op de volgende vier – aan de hand van de betreffende URL’s aangeduide – zoekresultaten met betrekking tot [Appellant 1] die de rechtbank inhoudelijk heeft beoordeeld en die appellanten noemen in de beschrijving van hun verzoek in hoger beroep (beroepschrift, onder C; de nummering verwijst naar het inleidende verzoekschrift):

[weergave vier URL’s]

alsmede op de volgende twee zoekresultaten gerelateerd aan [Appellant 2]:

[weergave twee URL’s]

4.10.

Bij de mondelinge behandeling hebben appellanten nog naar voren gebracht dat hangende de procedure zoekresultaten die verwijzen naar de bij productie D overgelegde uitdraaien van websites zijn toegevoegd aan de zoekresultatenlijst. Google heeft er terecht en onbestreden op gewezen dat die zoekresultaten geen onderdeel uitmaken van het verzoek dat appellanten in deze procedure naar voren hebben gebracht (en evenmin van een verzoek dat bij de Google is ingediend). Die zoekresultaten moeten daarom buiten beschouwing blijven.

het recht om vergeten te worden

4.11.

Op grond van artikel 17, eerste lid, AVG hebben appellanten het recht wissing van hun persoonsgegevens te verkrijgen als de gegevensverwerking onverenigbaar is met de AVG, in het bijzonder als de persoonsgegevens niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld, als de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt of als appellanten overeenkomstig artikel 21, eerste lid, AVG bezwaar hebben gemaakt tegen de verwerking en er geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking zijn. Niet in geschil is dat door informatie over [Appellant 1] en [Appellant 2] te presenteren in de zoekresultatenlijst die verschijnt nadat op hun naam is gezocht, persoonsgegevens over [Appellant 1] en [Appellant 2] worden verwerkt. Google is verantwoordelijk voor die verwerking en stelt die verwerking te kunnen baseren op gerechtvaardigde belangen in de zin van artikel 6, eerste lid, onder f ) AVG. Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de verwerking vanwege met hun specifieke situatie verband houdende redenen in de zin van artikel 21, eerste lid, AVG.

4.12.

De artikelen 17, eerste lid, en 21, eerste lid, AVG moeten worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak van het HvJ EU over de corresponderende bepalingen van de richtlijn, te weten de artikelen 12 sub b en 14 sub a. Uit die rechtspraak, en in het bijzonder het hiervoor aangehaalde Costeja -arrest, volgt dat in het kader van de beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van de bepalingen met name moet worden onderzocht of de betrokkene er recht op heeft dat de aan de orde zijnde informatie over hem niet meer met zijn naam wordt verbonden via een resultatenlijst die wordt weergegeven nadat op zijn naam is gezocht, zonder dat de vaststelling van een dergelijk recht evenwel veronderstelt dat de opneming van die informatie in de resultatenlijst deze betrokkene schade berokkent. Aangezien laatstgenoemde op basis van zijn door de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten kan verlangen dat de betrokken informatie niet meer door de opneming ervan in een dergelijke resultatenlijst ter beschikking wordt gesteld van het grote publiek, krijgen deze rechten in beginsel voorrang niet enkel op het economische belang van de exploitant van de zoekmachine, maar ook op het belang van dit publiek om toegang tot deze informatie te krijgen wanneer op de naam van deze persoon wordt gezocht. Die voorrang wordt echter niet verleend indien de inmenging in de grondrechten van de betrokkene wegens bijzondere redenen, zoals de rol die deze persoon in het openbare leven speelt, wordt gerechtvaardigd door het overwegende belang dat het publiek erbij heeft om, door deze opneming, toegang tot de betrokken informatie te krijgen.

zoekresultaten betreffende [Appellant 1]

4.13.

Naar het oordeel van het hof wordt het opnemen van de vier gewraakte zoekresultaten die verschijnen bij het invoeren van de naam [Appellant 1] gerechtvaardigd door de volgende dwingende gronden die zwaarder wegen dan de belangen en rechten van [Appellant 1].

4.14.

Uitgangspunt is dat [Appellant 1] een rol speelt in het openbare leven. Google heeft aangevoerd dat [Appellant 1] diensten verleent aan charitatieve en andere non profit instellingen, waaronder adviezen over fondsenwerving en direct marketing, en dat [Appellant 1] zich daarmee ook profileert, bijvoorbeeld op zijn persoonlijke ‘profielwebsite’ (productie 35 van Google). Appellanten hebben dat niet, althans onvoldoende bestreden. Zij hebben er tegen ingebracht dat [Appellant 1] en zijn onderneming [BV 1] op dit moment geen activiteiten meer verrichten voor de Nederlandse [naam vereniging 1] . Dat sluit echter niet uit dat [Appellant 1] nog wel diensten verleent aan andere charitatieve en non profit instellingen. Voor zover appellanten hebben bedoeld te betogen dat [Appellant 1] helemaal geen activiteiten meer verricht in die sector, moet die betwisting worden verworpen in het licht van de producties die Google heeft overgelegd, waaronder de hiervoor genoemde persoonlijke website van [Appellant 1], die uitdrukkelijk vermeldt dat [Appellant 1] via [BV 1] ‘advies [geeft] aan verschillende organisaties en goede doelen’ en dat ‘het advies [toeziet] op de herinrichting van de fondsenwerving en de omgang van gegevens donateurs en klanten’. Daar komt bij dat appellanten niet, althans onvoldoende hebben bestreden dat, als [Appellant 1] die activiteiten op dit moment niet meer zou verrichten, het gelet op [Appellant 1] achtergrond in, belangstelling voor, en kennis van de sector, zeer voor de hand ligt, dat hij die wel weer zal gaan verrichten, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan.

4.15.

Gegeven de hiervoor genoemde rol van [Appellant 1] in het openbare leven, heeft het publiek er belang bij informatie te kunnen vinden over [Appellant 1] gedrag in die hoedanigheid, en in het bijzonder informatie die relevant kan zijn voor de beoordeling van zijn professionele integriteit. Het belang van het publiek bij die informatie weegt in dit geval zwaar vanwege de sector waarin [Appellant 1] actief is. Google heeft terecht en onbestreden aangevoerd dat transparantie in de goededoelensector, onder meer met betrekking tot de besteding van donateursgelden, een publiek belang is. Google heeft er in dit verband onder meer op gewezen dat in de politiek en media herhaaldelijk is bepleit dat transparantie bij goede doelen noodzakelijk is om donateurs te beschermen (producties 18 en 19 van Google) en dat ook de sector zelf dat belang onderkent en maatregelen heeft genomen om de transparantie te vergroten (producties 23 en 24 van Google).

4.16.

Daarnaast weegt mee dat [Appellant 1] politiek actief is. Zo staat vast dat hij zich in het kader van de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 kandidaat heeft gesteld voor de gemeenteraad van [woonplaats]. [Appellant 1] is weliswaar niet verkozen, maar als onbestreden staat vast dat hij nog wel op de kieslijst staat en dus gedurende de zittingsperiode nog in de gemeenteraad kan komen. [Appellant 1] heeft ook niet weersproken dat de informateur/formateur in mei 2018 met hem heeft gesproken in het kader van coalitieonderhandelingen. Ook die rol van [Appellant 1] in het openbare leven brengt mee dat het publiek een gerechtvaardigd belang heeft bij het vinden van informatie over zijn zakelijke activiteiten en professionele integriteit.

4.17.

De vier gewraakte zoekresultaten die verschijnen als op de naam van [Appellant 1] wordt gezocht in de zoekmachine van Google, verwijzen naar informatie over [Appellant 1] zakelijke activiteiten met betrekking tot de goededoelensector en in het bijzonder zijn professionele integriteit bij de uitoefening van die activiteiten. De zoekresultaten verwijzen direct of indirect naar het Artikel van de Vereniging. Dat Artikel beschrijft op kritische wijze dat [Appellant 1] betrokken is geweest bij de oprichting van meerdere organisaties voor fondsenwerving ten behoeve van de niet-reguliere geneeskunde en dat een bedrijf van [Appellant 1] tegen betaling werkzaamheden heeft verricht (indirect) ten behoeve van die organisaties. Daarbij worden de kwalificaties ‘trucendoos’, ‘brein achter een dubieus netwerk’ en ‘kwakfondsen’ gebruikt.

4.18.

In deze procedure moet worden aangenomen dat de informatie waarnaar de vier zoekresultaten verwijzen in de kern juist is. Weliswaar heeft de voorzieningenrechter Amsterdam geoordeeld dat de Vereniging vier specifieke stellingen in het Artikel onvoldoende aannemelijk had gemaakt en dat de Vereniging die stellingen diende te rectificeren, maar – in dat kort geding stond en – in deze procedure staat als niet of onvoldoende weersproken vast dat [Appellant 1] betrokken is geweest bij de oprichting van meerdere organisaties voor fondsenwerving ten behoeve van de niet-reguliere geneeskunde en dat een bedrijf van [Appellant 1] tegen betaling werkzaamheden heeft verricht (indirect) ten behoeve van die organisaties. Appellanten hebben in deze procedure de juistheid en rechtmatigheid van de overige hiervoor in rechtsoverweging 4.17 genoemde elementen van het Artikel en daarin gebruikte kwalificaties ook niet, althans onvoldoende gemotiveerd bestreden. Zij hebben aangevoerd dat onderzoek door de belastingdienst niet heeft geleid tot een boete of een verdenking en dat [Appellant 1] een verklaring omtrent het gedrag heeft gekregen. Dat sluit echter niet uit dat de stellingen in het Artikel juist zijn en voldoende grond bieden voor de gebruikte kwalificaties. Daarnaast hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen de vermelding van de vrouw en (pleeg)kinderen van [Appellant 1] in het Artikel. Dat bezwaar is ongegrond omdat die vermelding relevant is voor het verwijt dat [Appellant 1] in het Artikel wordt gemaakt, te weten dat hij opereert via zijn netwerk, waaronder zijn gezinsleden.

4.19.

Daar komt bij dat aangenomen moet worden dat het publiek geen andere mogelijkheden heeft om informatie te verkrijgen over de activiteiten van [Appellant 1] waarop de zoekresultaten betrekking hebben. Zoals hiervoor al is vastgesteld, is het gebrek aan transparantie in de goededoelensector in het algemeen een probleem. Dat gebrek aan transparantie geldt in het bijzonder voor de bedoelde activiteiten van [Appellant 1]. Als onweersproken staat vast dat pas na jarenlang onderzoek van de Vereniging en het onderzoeksjournalistiek radioprogramma Argos duidelijk is geworden dat [Appellant 1] de in het Artikel beschreven rol heeft gespeeld bij de oprichting van en dienstverlening voor een aantal goededoelenorganisaties. Appellanten hebben wel gesuggereerd dat als het publiek erachter wil komen of [Appellant 1] een betrouwbare zakenpartner is, men het handelsregister kan raadplegen, maar Google heeft terecht aangevoerd dat het handelsregister de via de zoekresultaten ontsloten informatie niet verschaft.

4.20.

Verder is van belang dat de bronnen waarnaar de zoekresultaten verwijzen een relatief belangrijke rol spelen in het maatschappelijk debat. De artikelen waarnaar de gewraakte zoekresultaten verwijzen zijn gepubliceerd door een serieus nieuwsmedium, zoals het onderzoekjournalistiek radioprogramma Argos en door een organisatie die in het maatschappelijk debat fungeert als waakhond, zoals de Vereniging. Dat brengt ten eerste mee dat het door het door het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting gewaarborgde belang van deze organisaties dat het publiek de door hen gepubliceerde informatie over [Appellant 1] vindt, relatief zwaar weegt. Ten tweede onderstreept dit feit dat het publiek belang heeft bij het vinden van juist deze informatie als het op zoek is naar informatie over [Appellant 1].

4.21.

Het feit dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam in de zaak tegen de Vereniging (zie rechtsoverweging 2.5 van dit arrest) heeft geoordeeld dat een aantal stellingen in het Artikel moest worden gerectificeerd, brengt – anders dan appellanten betogen – niet zonder meer mee dat de rectificatie ook tot uitdrukking moet komen in zoekresultaten. Die gevolgtrekking kan in dit geval zeker niet worden gemaakt, omdat gesteld noch gebleken is dat de specifieke stellingen die volgens de voorzieningenrechter gerectificeerd moesten worden, terugkomen in snippets of overige informatie die Google toont in de gewraakte zoekresultaten.

4.22.

Dat de Amsterdamse voorzieningenrechter in de hiervoor genoemde uitspraak de context van het gehele Artikel heeft meegewogen bij zijn oordeel dat het gebruik van kwalificaties zoals ‘trucendoos’ en ‘dekmantel’ niet onrechtmatig is, betekent – anders dan appellanten betogen – ook niet dat Google die kwalificaties alleen kan overnemen in een zoekresultaat, als Google het gehele Artikel toont als zoekresultaat. Een zoekresultaat kan uit de aard der zaak niet meer dan een korte samenvatting bieden van de informatie waarnaar wordt verwezen. Niet ter discussie staat dat de bedoelde kwalificaties geschikt zijn om de strekking van het Artikel samen te vatten en in die zin correct door Google worden gebruikt.

4.23.

Het feit dat de zoekresultatenlijst andere informatie over [Appellant 1], zoals zijn inzet als vrijwilliger voor verenigingen, niet of minder prominent vermeldt, is niet relevant. Appellanten hebben uitsluitend verzocht om verwijdering van bepaalde zoekresultaten, niet om aanvulling van een mogelijk onvolledige resultatenlijst.

4.24.

Daarnaast kan niet worden aangenomen dat de informatie waarnaar de zoekresultaten verwijzen dusdanig is verouderd dat het publiek geen overwegend belang meer heeft bij kennisname daarvan als op de naam [Appellant 1] wordt gezocht. Appellanten stellen in dit verband dat de publicaties waarnaar de gewraakte zoekresultaten verwijzen betrekking hebben op een situatie in de periode 1998-2001. Die stelling wordt niet ondersteund door de inhoud van die publicaties. Een aantal van de activiteiten die in de publicaties worden beschreven, loopt door tot 2013. Appellanten hebben niet, althans niet voldoende onderbouwd aangevoerd dat [Appellant 1] na 2001 geen betrokkenheid meer heeft gehad bij die activiteiten. Dat [Appellant 1] daarbij niet direct of indirect betrokken is geweest, kan ook niet zonder meer worden aangenomen, gelet op het vaststaande feit dat de rechtspersoon waar de publicaties over gaan, [BV 1], nog altijd wordt bestuurd door [Appellant 1] en nog altijd diensten verleent aan charitatieve en andere non profit instellingen, waaronder adviezen over fondsenwerving en direct marketing (zie hiervoor r.o. 4.14).

4.25.

Daar komt bij dat de publicaties pas in 2013 zijn verschenen, terwijl gesteld noch gebleken is dat het publiek daarvoor al op de hoogte had kunnen zijn van de activiteiten van [Appellant 1]. Integendeel, zoals hiervoor is vastgesteld, was de rol van [Appellant 1] bij de in de publicaties beschreven activiteiten niet transparant en is die rol pas in 2013 na jarenlang onderzoek door de Vereniging en het onderzoeksjournalistiek radioprogramma Argos duidelijk geworden. In die zin is de informatie actueler dan appellanten doen voorkomen.

4.26.

In de hiervoor genoemde opzichten wijken de omstandigheden in deze zaak duidelijk af van de casus van het door appellanten in dit kader aangehaalde Costeja-arrest. In die zaak ging het om zoekresultaten die verwezen naar gearchiveerde aankondigingen van een openbare verkoop van onroerend goed van de betrokkene, waarvan vast stond dat die verkoop sedert meerdere jaren volledig was afgehandeld en het vinden van die informatie dus niet meer nodig was voor het doel van de publicatie, te weten het aantrekken van kopers. Dat de betrokkene onder die omstandigheden verwijdering van de desbetreffende zoekresultaten kan verlangen, impliceert niet dat [Appellant 1] dat ook kan.

4.27.

Gelet op het voorgaande zijn het feit dat de gewraakte zoekresultaten schadelijk zijn voor de reputatie van [Appellant 1] en de stelling dat hij daarvan last heeft in zijn dagelijks leven, onvoldoende om te concluderen dat het recht op verzet van [Appellant 1] in dit geval moet prevaleren. Het dwingende belang van het publiek en de auteurs van de publicaties waarnaar de zoekresultaten verwijzen dat die zoekresultaten verschijnen na het invoeren van de naam van [Appellant 1] in de zoekmachine van Google, weegt zwaarder. Daar komt bij dat, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, de publicaties en de vindbaarheid daarvan via de zoekmachine van Google een voorzienbaar gevolg is van het eigen handelen van [Appellant 1], in die zin dat iemand die zijn bedrijf tegen betaling werkzaamheden laat verrichten (indirect) ten behoeve van door hemzelf opgerichte de goededoelenorganisaties op het gebied van de alternatieve geneeskunde er rekening mee moet houden dat die activiteiten kritisch worden beschreven in via zoekmachines vindbare publicaties. Die omstandigheid is niet doorslaggevend, maar – anders dan appellanten betogen – wel relevant.

4.28.

Bij de mondelinge behandeling in beroep hebben appellanten nog aangevoerd dat het in dit geval gaat om ‘privacy-gevoelige’ gegevens. Nadat Google daarop had geantwoord dat voor zover appellanten daarmee een beroep wilden doen op de specifieke regeling voor de bescherming van bijzondere gegevens in de zin van artikel 9 AVG of gegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten in de zin van artikel 10 AVG, dat beroep moest worden verworpen op grond van strijd met de twee-conclusie-regel, hebben appellanten niet bevestigd dat zij een beroep hebben willen doen op die specifieke regeling. Integendeel, zij hebben in reactie daarop – in overeenstemming met hun eerdere stellingen – slechts benadrukt dat zij niet strafrechtelijk zijn vervolgd. Mede gelet op het feit dat appellanten ook in hun beroepschrift niet, althans niet voldoende kenbaar hebben betoogd dat de rechtbank de regeling voor bijzondere en strafrechtelijke gegevens ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken, moet daarom worden geconcludeerd dat niet in debat is dat bescherming van bijzondere gegevens en strafrechtelijke gegevens in deze zaak niet aan de orde is.

zoekresultaten betreffende [Appellant 2]

4.29.

Om vergelijkbare redenen wordt het opnemen van de twee gewraakte zoekresultaten die verschijnen bij het invoeren van de naam [Appellant 2] gerechtvaardigd door dwingende gerechtvaardigde gronden die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van [Appellant 2].

4.30.

Ook [Appellant 2] speelt een rol in de goededoelensector doordat zij via [BV 2] enig aandeelhouder is van het bedrijf [BV 1] dat diensten verleent aan charitatieve en andere non profit instellingen, waaronder in ieder geval tot recent de genoemde [naam vereniging 1] . Daarnaast was zij in ieder geval tot december 2018 lid van de Raad van Advies van de Nederlandse [naam vereniging 1] . Voor zover [Appellant 2] de laatstgenoemde functie kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft neergelegd, ligt het, gelet op haar jarenlange betrokkenheid bij onder meer die vereniging, voor de hand dat zij op enig moment weer een vergelijkbare rol in die sector zal gaan vervullen.

4.31.

De publicaties waarnaar de gewraakte zoekresultaten verwijzen vatten de inhoud van de uitzending van Argos en het Artikel samen. Die uitzending en het Artikel vermelden onder meer dat [Appellant 2] betrokken is geweest bij diverse charitatieve fondsen en eigenaar is een bedrijf ([BV 2]) dat het adressenbestand en het intellectueel eigendom in handen had van een aantal charitatieve fondsen. De publicatie waarnaar zoekresultaat c. verwijst, vermeldt dat doordat het bedrijf van [Appellant 2] ([BV 2]) het adressenbestand en het intellectueel eigendom in handen had de betreffende fondsen ‘zich niet zo makkelijk van [Appellant 1] konden ontdoen’. De publicatie waarnaar zoekresultaat d. verwijst, beschrijft de uitkomst van het kort geding over het Artikel da t [Appellant 1] en [Appellant 2] tegen de Vereniging aanhangig hebben gemaakt bij de rechtbank Amsterdam.

4.32.

Gegeven de hiervoor beschreven rol van [Appellant 2] in het openbare leven, heeft het publiek een dwingend belang die informatie te kunnen vinden via de zoekmachine van Google. Dat belang weegt zwaarder dan de rechten en belangen van [Appellant 2], mede gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over het belang van transparantie in de goededoelensector (zie hiervoor r.o. 4.15) en het feit dat de publicatie een voorzienbaar gevolg is van het handelen van betrokkene (vgl. hiervoor r.o. 4.27). Niet kan worden aangenomen dat de informatie dusdanig is verouderd dat die momenteel niet meer relevant is, mede gelet op het feit dat [Appellant 2] nog steeds enig aandeelhouder is van [BV 2], dat via [BV 1] nog altijd diensten verleent aan charitatieve en andere non profit instellingen.

conclusie

4.33.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het verzoek van appellanten moet worden afgewezen. De grieven die zij naar voren hebben gebracht zijn ongegrond of kunnen gelet op de juistheid van het eindoordeel niet leiden tot vernietiging van de beslissing. De beschikking zal daarom worden bekrachtigd, met veroordeling van appellanten in de kosten. De kosten aan de zijde van Google worden begroot op € 726,- aan griffierecht en € 2.148,- aan salaris advocaat (2 punten × tarief € 1.074,-).

5 De beslissing

Het hof

5.1.

bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 april 2018;

5.2.

veroordeelt appellanten in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Google begroot op € 2.874,-.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.H. Blok, mr. J.I. de Vreese-Rood en mr. G.C.W. van der Feltz en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2019 in aanwezigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature