< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Artsenverenigingen (acupunctuur en integrale geneeskunde) vorderen vaststelling dat het Beoordelingskader voor herregistratie in het BIG-register (versie 3.0 van juni 2017) in strijd is met het recht voor zover daarin is bepaald dat het verlenen van zorg die niet tot de reguliere gezondheidzorg wordt gerekend niet als relevante werkervaring voor herregistratie van artsen mag worden geteld.

Hof wijst de vordering af omdat een aanvraag herregistratie in de bestuursrechtelijke kolom wordt beoordeeld en onvoldoende is onderbouwd waarom het oordeel van de bestuursrechter niet kan worden afgewacht.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Rolnummers : 200.226.403/01 en 200.226.409/01

Zaak-/rolnummer rechtbank: C/09/515979 / HA ZA 16-910

Arrest van 13 november 2018

in de zaak met rolnummer 200.226.403/01 van:

de Nederlandse Artsen Acupunctuur Vereniging,

gevestigd te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer,

appellante,

hierna ook te noemen: de NAAV,

advocaat: mr. F.P. van Galen te Leiden,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie voor Medische Zorg en Sport, voorheen Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat mr. W.I. Wisman te Den Haag,

en in de zaak met rolnummer 200.226.409/01 van:

de Artsenvereniging voor Integrale Geneeskunde,

gevestigd te Amersfoort,

appellante,

hierna ook te noemen: de AVIG,

advocaat: mr. F.P. van Galen te Leiden,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie voor Medische Zorg en Sport, voorheen Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat mr. W.I. Wisman te Den Haag.

Het geding

Bij exploten, beide van 18 oktober 2017, zijn appellanten, hierna tezamen ook wel de artsenverenigingen genoemd, in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 19 juli 2017 dat de rechtbank Den Haag in hun beider zaken heeft gewezen. Bij memories van grieven tevens vermeerdering van eis (met producties) hebben de artsenverenigingen elk met zeven grieven het vonnis van de rechtbank bestreden; zij hebben daarbij ook hun eis gewijzigd. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord (met productie) bestreden. Ter zitting van 11 oktober 2018 hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun advocaten. Beide advocaten hebben daarbij gebruik gemaakt van een pleitnotitie die is overgelegd. Tot slot is arrest bepaald.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1.

De NAAV stelt zich ten doel het bevorderen van acupunctuur in de ruimste zin. Zij tracht dit doel te bereiken door het behartigen van maatschappelijke belangen van onder anderen haar arts-leden die de acupunctuur beoefenen. Volgens de statuten kunnen alleen diegenen lid van de NAAV worden die conform de Wet BIG, de Wet van 11 november 1993, houdende regelen inzake beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg, (hierna: de Wet BIG) bevoegd zijn als arts in Nederland.

1.2.

De AVIG is een vereniging die zich onder meer ten doel stelt de bevordering van de integrale geneeskunde door BIG-geregistreerde artsen en van alle vakgebieden die hiermee samenhangen, alsmede de belangenbehartiging van onder anderen de arts-leden. De arts-leden van de AVIG houden zich onder meer bezig met homeopathische geneeskunde of met

natuurgeneeskunde.

1.3.

De artsen die lid zijn van (één van) de artsenverenigingen werken veelal als zelfstandig

gevestigd arts.

1.4.

De Wet BIG laat, anders dan de voorheen geldende wetgeving, de uitoefening van de

geneeskunst door een ieder in beginsel vrij. Er is niet langer sprake van een beroepsverbod.

“In plaats daarvan treedt een stelsel van titelbescherming voor de daarvoor in aanmerking komende beroepen, waarbij het voeren van een wettelijk beschermde beroepstitel wordt voorbehouden aan bepaalde groepen van deskundigen. Met deze titel kan men zich kenbaar maken als deskundige op het desbetreffende vakgebied. Er worden registers ingesteld waarin degenen die aanspraak willen maken op titelbescherming zich kunnen doen inschrijven. Het recht op het voeren van de titel ontstaat door inschrijving in het desbetreffende register.” (Zie: Kamerstukken II, 1985/86, 19 522, nr. 3, p. 2).

Het recht op het voeren van een beschermde beroepstitel, zoals die van arts, is nu dus gekoppeld aan de inschrijving in het BIG-register. Door de raadpleging van het BIG-register is het daarom voor het publiek mogelijk om te controleren of degene, die de titel ‘arts’ voert, deze titel ook mag voeren.

1.5.

Aan inschrijving in het BIG-register zijn eisen verbonden. Een arts die in het BIG-register wil worden ingeschreven, moet het artsexamen met goed gevolg hebben afgerond. De eisen voor het artsexamen zijn neergelegd in het Besluit opleidingseisen arts. De arts die is ingeschreven in het BIG-register is bevoegd om handelingen te verrichten die tot het deskundigheidsgebied van een arts behoren.

1.6.

De registratie in het BIG-register moet (volgens art. 8 Wet BIG) periodiek worden vernieuwd. Doel daarvan is “te waarborgen dat de deskundigheid van de in het BIG-register ingeschreven (titelgerechtigde) beroepsbeoefenaren op peil blijft.” (Zie: Kamerstukken II, 2005/06, 30 463, nr. 3, p. 2.)

1.7.

Het gaat er bij de herregistratie om dat gewaarborgd is dat de deskundigheid van de

arts nog steeds ligt op het eindniveau van de initiële opleiding. Dat is het basisniveau

waaraan de arts moet voldoen om zijn BIG-registratie te behouden.

"Er zal dan ook gestart worden met het invoeren van een systeem van periodieke registratie waarbij wordt uitgegaan van de norm dat het kennis- en vaardighedenniveau van de BIG-geregistreerde ten minste is gelegen op het niveau van de initiële opleiding. Deze norm garandeert het basisniveau dat van een professionele beroepsbeoefenaar verlangd mag worden.” (Zie: Kamerstukken 2005/06, 30 463, nr. 3, p.2)

1.8.

Een arts moet zich iedere vijf jaar opnieuw laten registeren. Die verplichting geldt met ingang van 1 januari 2012 (Besluit periodieke registratie Wet BIG).

1.9.

Om voor herregistratie in aanmerking te komen moet een arts ofwel overeenkomstig door de minister gestelde regels met goed gevolg scholing hebben afgerond ofwel bepaalde werkzaamheden hebben verricht (art. 8 Wet BIG). Om aan de werkervaringseis te voldoen moet de arts 2080 uren per jaar (omgerekend één dag per week à acht uur) werkzaamheden hebben verricht binnen de individuele gezondheidszorg en deze werkzaamheden moeten vallen binnen het deskundigheidsgebied van het beroep, waarvoor de arts is ingeschreven (Besluit periodieke registratie).

1.10.

Uiterlijk zes maanden voor de uiterste herregistratiedatum worden artsen er

schriftelijk op gewezen dat hun registratie zal worden doorgehaald als niet wordt

voldaan aan de eisen voor herregistratie (Besluit periodieke registratie).

1.11.

De arts moet een aanvraag tot herregistratie indienen bij het CIBG (de

uitvoeringsorganisatie van de Staat die het BIG-register beheert). Dergelijke aanvragen tot herregistratie kunnen vanaf 1 januari 2017 worden ingediend. Het CIBG kan de arts vragen zijn aanvraag met bewijsstukken te onderbouwen.

1.12.

De minister beslist op de aanvraag tot herregistratie van de arts. Het CIBG voert de herregistratie namens de minister uit. In het geval de arts aan de voorwaarden voor herregistratie voldoet, wordt de aanvraag toegewezen en volgt herregistratie. In het geval de arts niet aan de voorwaarden voldoet, wordt de aanvraag afgewezen en wordt de registratie van de arts in het BIG-register doorgehaald.

1.13.

De doorhaling van de registratie als arts vindt plaats op het moment waarop de

uiterste herregistratiedatum verloopt (op 1 januari 2018). Vanaf het moment van doorhaling mag de betreffende arts alleen nog de titel “arts niet praktiserend” voeren.

1.14.

Van de beslissing tot afwijzing van een aanvraag tot herregistratie staat ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar en beroep bij de bestuursrechter open.

1.15.

Het CIBG heeft, voor het eerst in 2011, op haar website gepubliceerd welke bewijsstukken voor herregistratie op basis van de werkervaringseis kunnen worden gebruikt.

Ten aanzien van de bewijsstukken van werkervaring is onder meer vermeld:

"Hieronder volgt een opsomming van mogelijke bewijsstukken voor herregistratie op basis

van de werkervaringseis. Het is belangrijk dat u bewijsstukken van uw werkervaring bewaart. (…)

Zelfstandig werken (ZZP)

Een verklaring van een accountant (...) omtrent het aantal uren werkervaring (afgeleid uit de omzet tegen het uurtarief).

Een kopie van de winst- en verliesrekening ter onderbouwing van de accountantsverklaring.

Een waarnemingsovereenkomst.

Elk formeel document waaruit blijkt wat voor werk u op welk niveau en voor hoeveel uren heeft uitgevoerd.

(...)

Wanneer moet u bewijsstukken insturen?

Het BIG-register controleert de digitale aanvragen steekproefsgewijs. Wij vragen dan

bewijsstukken op. Het is dus belangrijk dat u bewijsstukken van uw werkervaring bewaart,

(...)"

Het CIBG heeft deze regels met ingang van juni 2012 steeds verder aangepast en de

aanpassingen steeds gepubliceerd.

1.16.

Op 30 januari 2013 heeft de minister het ‘Herregistratie BIG-register, Beoordelingskader deel 1: algemeen. Versie 1.0’ (het Beoordelingskader) gepubliceerd. Daarin zijn de criteria beschreven die bij de beoordeling van aanvragen voor herregistratie worden gehanteerd. Het beoordelingskader is door het CIBG opgesteld. Voor de beroepsspecifieke delen is afstemming gezocht met de representatieve beroepsorganisaties. Het beoordelingskader vermeldt onder 6.4:

“Alternatieve geneeskunde

Werkzaamheden buiten de reguliere gezondheidszorg worden in de meeste gevallen uitgevoerd vanuit een afwijkende filosofie en benadering. Deze uren mogen in beginsel niet meetellen voor herregistratie.”

1.17.

De minister heeft in december 2014 een tweede versie van het Beoordelingskader gepubliceerd. Het standpunt van de minister ten aanzien van reguliere behandelwijzen en alternatieve zorg is daarin aldus toegelicht:

"5.2.3 Niet-reguliere behandelwijzen of alternatieve zorg

De uren mogen worden meegerekend indien zij binnen het deskundigheidsgebied van het

betreffende beroep vallen.

Het verlenen van zorg die niet tot de reguliere gezondheidszorg wordt gerekend mag niet als

relevante werkervaring voor herregistratie in het BIG-register worden geteld. Hiertoe

behoren homeopathie en acupunctuur maar ook andere interventies en therapieën die niet

passen binnen de kaders van het deskundigheidsgebied waarvoor de zorgverlener in het BIG-register geregistreerd is. Bij twijfel kan de relevante beroepsorganisatie adviseren.

Zorgverleners die zowel reguliere als niet-reguliere behandelwijzen toepassen kunnen in het

kader van herregistratie alleen werkzaamheden meetellen die tot de reguliere gezondheidszorg behoren. Dit dient tot uiting te komen in een percentage van het totaal aan

werkzame uren. Meer informatie staat in het beroepsspecifieke deel.”

1.18.

Op 21 januari 2015 heeft het CIBG een ‘Toelichting Bewijsstukken herregistratie’

gepubliceerd. Daarin is een opsomming opgenomen van mogelijke bewijsstukken voor herregistratie op basis van werkervaring gegeven en aangegeven welke criteria uit de bewijsstukken moeten blijken. Aan die toelichting is later (in juni 2016) nog een aantal passages toegevoegd.

1.19.

Bij besluit van 13 december 2016 (inwerkingtreding 22 december 2016) heeft de Minister de ‘Regeling periodieke registratie Wet BIG’ (hierna: de Regeling) in zoverre gewijzigd dat aan artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder vervanging van de punt aan het slot door een komma, de volgende zinsnede wordt toegevoegd “en op het verrichten waarvan de opleiding tot dat beroep, bedoeld bij of krachtens hoofdstuk III van de wet, is gericht. (…)”.

2.1

De artsenverenigingen vorderen in dit geding, zoals zij die vorderingen in hoger beroep

hebben gewijzigd, primair:

1. te verklaren voor recht dat de inhoud van het Beoordelingskader (thans versie

3.0

van juni 2017), voor zover daarin is bepaald dat het verlenen van zorg die niet tot de reguliere gezondheidszorg wordt gerekend niet als relevante werkervaring voor de herregistratie van de artsen mag worden geteld (cursivering hof, hierna ook wel: de gewraakte bepaling), in strijd is met het recht, waaronder de Wet BIG, en mitsdien onverbindend is;

2. te verklaren voor recht dat dat Beoordelingskader voor zover het de gewraakte bepaling betreft in strijd is met het recht, meer in het bijzonder in strijd met het verbod van willekeur, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van de niet onevenredige belangenafweging, en mitsdien onverbindend is;

3. te verklaren voor recht dat de inhoud van het Beoordelingskader niet als nadere eisen in de zin van art. 8 lid 7 Wet BIG kan worden aangemerkt, alsmede dat een naar buiten toe werkende eis, die wordt gesteld aan de uren die mogen meetellen voor de herregistratie, dient te worden gesteld in een algemeen verbindend voorschrift bij of krachtens de Wet BIG;

4. te verklaren voor recht dat de inhoud van het Beoordelingskader voor zover het de gewraakte bepaling betreft geen grondslag vindt in hetgeen is bepaald in art. 3 lid 1 onder a en b van de Regeling, voor zover het betreft het gedeelte zonder de per 22 december 2016

toegevoegde zinsnede “en op het verrichten waarvan de opleiding tot dat beroep bedoeld bij of krachtens hoofdstuk III van de wet, is gericht”;

5. te verklaren voor recht dat de inhoud van het Beoordelingskader, voor zover het de gewraakte bepaling betreft geen grondslag vindt in het gewijzigde artikel 3 van de Regeling, voor zover het betreft de zinsnede "en op het verrichten waarvan de opleiding tot dat beroep, bedoeld bij of krachtens hoofdstuk III van de wet, is gericht";

6. te verklaren voor recht dat artikel 3 van de Regeling, voor zover het betreft de zinsnede "en op het verrichten waarvan de opleiding tot dat beroep, bedoeld bij of krachtens hoofdstuk III van de wet, is gericht", geen grondslag biedt voor het in het Beoordelingskader opgenomen uitgangspunt dat de werkzaamheden van de leden van appellanten, voor zover besteed aan de toepassing van acupunctuurbehandelingen (zo vordert NAAV) dan wel de toepassing van homeopathie, acupunctuur, neuraaltherapie en/of natuurgeneeskundige therapie (zo vordert AVIG), niet mogen meetellen voor de werkervaringseis;

7. te verklaren voor recht dat de inhoud van het Beoordelingskader, voor zover het de gewraakte bepaling betreft geen grondslag kent in enig algemeen verbindend voorschrift en mitsdien niet als toetsingskader kan dienen voor de beoordeling van herregistratieaanvragen van de artsen;

en subsidiair

8. te verklaren voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt althans heeft gehandeld jegens de artsenverenigingen, althans jegens de personen voor wiens belangen zij in rechte opkomt, zulks door het ondanks verzoeken daartoe niet verschaffen van duidelijkheid over de invulling van de werkervaringseis, althans het pas op een zodanig laat moment verschaffen van die duidelijkheid, voor zover daarvan al sprake is, dat de artsenverenigingen, althans haar leden, onvoldoende tijd hebben gehad om aan de gestelde eisen te voldoen.

2.2

Het voornaamste bezwaar van de artsenverenigingen tegen de wijze waarop de herregistratie geregeld is, is dat in het Beoordelingskader voor de herregistratie een onderscheid wordt gemaakt tussen reguliere en niet-reguliere geneeskunst, terwijl dat onderscheid er volgens hen niet is, althans geen plaats heeft in het wettelijke systeem van de Wet BIG. Zij zijn van mening dat hun leden ook artsenwerkzaamheden verrichten als zij zogenoemde “niet reguliere behandelmethoden” toepassen. Het onterecht gemaakte onderscheid stelt de artsen-leden voor grote problemen bij het aanleveren van bewijs van hun werkervaring.

3. Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding (juli 2016) en ook in de aanloop naar het bestreden vonnis was het voor de artsen-leden van de NAAV en AVIG nog niet mogelijk om bestuursrechtelijk bezwaar aan te tekenen tegen een afwijzende beslissing op een aanvraag tot herregistratie en op die wijze gebruik te maken van de administratiefrechtelijke rechtsgang. De rechtbank overwoog dat de artsen-leden van de NAAV en AVIG met het oog op de inrichting van hun aanvraag om herregistratie belang hadden bij het zo snel mogelijk verkrijgen van duidelijkheid over de vraag of het in het Beoordelingskader gemaakte onderscheid tussen reguliere en niet-reguliere behandelwijzen juridisch geoorloofd is. De rechtbank achtte het in de gegeven omstandigheden gekunsteld en voor de leden van de artsenverenigingen onevenredig bezwarend om de bestuursrechtelijke weg te bewandelen door een afwijzend besluit uit te lokken en op die manier het Beoordelingskader door de bestuursrechter te laten toetsen. De rechtbank ontving de artsenverenigingen wel in hun vorderingen maar heeft die vorderingen vervolgens afgewezen. Daartoe overwoog de rechtbank onder meer dat het Beoordelingskader voor de herregistratie niet in strijd is met de wet of een van de andere door de artsenverenigingen genoemde algemene rechtsbeginselen. De rechtbank was voorts van oordeel dat de Staat niet onrechtmatig jegens de artsenverenigingen heeft gehandeld. Appellanten komen tegen de afwijzing van hun vorderingen op met hun grieven.

4. De Staat heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de artsenverenigingen niet, in elk geval niet meer, in hun vorderingen kunnen worden ontvangen, omdat de bestuursrechtelijke rechtsgang de aangewezen route is om het Beoordelingskader te laten toetsen. Verder is de herregistratie inmiddels gestart en afgerond zodat niet langer sprake is van een situatie waarin het aan de orde stellen van de bezwaren van de leden van de artsenverenigingen onevenredig bezwarend is, aldus de Staat.

5. Het mag zo zijn dat voor artsen van wie de herregistratie inmiddels is gestart de bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan, maar de artsenverenigingen hebben terecht naar voren gebracht dat dit niet het geval is voor artsen die vier jaar of korter geleden voor het eerst zijn geregistreerd. Gelet daarop, maar ook reeds in verband met de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling zal het hof eerst beoordelen of de artsenverenigingen in hun vorderingen ontvangen kunnen (konden) worden.

6. Daarbij neemt het hof het Privacy First-arrest van de Hoge Raad van 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296 tot uitgangspunt. Daarin is (onder meer) overwogen dat, afgezien van de gevallen waarin een voorziening bij voorraad niet door de bestuursrechter kan worden getroffen, geen taak voor de burgerlijke rechter is weggelegd indien een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan of nog openstaat voor het betrokken individu. De bestuursrechter heeft immers de mogelijkheid om algemeen verbindende voorschriften te toetsen aan regels van hogere orde en aan algemene rechtsbeginselen, indien deze ten grondslag zijn gelegd aan een besluit waarvan bij hem beroep open staat. Deze mogelijkheid brengt mee dat een individu in de bestuursrechtelijke rechtsgang voldoende rechtsbescherming geniet indien de omstreden regelgeving eerst tot toepassing komt door een besluit dat voor bezwaar en beroep vatbaar is en de betrokken persoon dus de werking van die regel uitsluitend ondervindt langs de weg van het daarop gebaseerde besluit. Verder kan in gevallen waarin de rechtsbescherming van individuen is opgedragen aan de bestuursrechter, de enkele bundeling van hun belangen door een rechtspersoon niet ertoe leiden dat voor die rechtspersoon een beroep op artikel 3:305a BW mogelijk wordt en de weg naar de burgerlijke rechter alsnog komt open te staan. Dat wordt niet anders als de belangenorganisatie niet slechts opkomt voor de (gebundelde) belangen van een bepaald of bepaalbaar aantal individuele personen, maar tevens voor het algemeen belang van de rechten van een grotere groep van personen die diffuus en onbepaald is.

7. Niet ter discussie staat dat een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat tegen een concreet besluit van het CIBG om een aanvraag tot herregistratie van een van de artsen-leden af te wijzen. De bestuursrechter kan naar aanleiding van een beroep van een van die artsen tegen een afwijzend besluit het Beoordelingskader toetsen en onder meer beoordelen of de gewraakte bepaling uit het Beoordelingskader of de inhoud daarvan anderszins in strijd is met het recht, waaronder de wet BIG en algemene rechtsbeginselen, of dat de gewraakte bepaling in het Beoordelingskader niet als toetsingskader kan dienen omdat zij geen grondslag vindt in de Regeling of enig ander algemeen verbindend voorschrift, of dat de inhoud van het Beoordelingskader niet als nadere eisen in de zin van art. 8 lid 7 Wet BIG kan worden aangemerkt. De artsen-leden kunnen die toetsing (in beginsel) daarom niet aan de burgerlijke rechter voorleggen. In zo’n geval kan (zie hiervoor) ook de enkele bundeling van de belangen van de artsen-leden door de artsenverenigingen er niet toe leiden dat voor de artsenverenigingen een beroep op artikel 3:305a BW mogelijk wordt en de weg naar de burgerlijke rechter alsnog komt open te staan.

8. Op de onder 6 beschreven hoofdregel worden twee uitzonderingen gemaakt, te weten:

indien het individu, in dit geval de arts, rechtstreeks in zijn belang getroffen wordt door het gewraakte algemeen verbindende voorschrift, in dit geval de gewraakte bepaling of de inhoud van het Beoordelingskader anderszins. In dat geval hoeft hij niet te wachten totdat op basis daarvan een specifiek op hem gericht besluit zal zijn genomen, maar heeft hij direct toegang tot de burgerlijke rechter; of

in de situatie dat de desbetreffende rechtspersoon, in dit geval de artsenverenigingen, een eigen belang náást dat van de betrokken individuen hebben gesteld, ter zake waarvan die individuen niet bij de bestuursrechter zouden kunnen opkomen.

De artsenverenigingen menen bij de burgerlijke rechter terecht te kunnen, omdat zich hier volgens hen beide uitzonderingen voordoen.

9. De artsenverenigingen stellen ten aanzien van de onder 8 a) vermelde uitzondering dat hun leden-artsen in de jaren vóór de herregistratie rechtstreeks door (de inhoud van de gewraakte bepaling in) het Beoordelingskader worden geraakt, omdat het Beoordelingskader van hen verlangt dat zij, anders dan andere artsen, een uitgebreide administratie voeren, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende typen werkzaamheden waarvan vooralsnog niet vaststaat of en hoe dat onderscheid moet worden gemaakt. De vijf jaar durende, volstrekt onduidelijke administratielast, waartegen geen bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat en waartegen de artsenverenigingen zich voor hun leden verzetten, maakt dat geen sprake is van een bundeling van collectieve belangen ter behartiging waarvan een rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat, aldus NAAV en AVIG.

10. Het hof acht echter niet voldoende onderbouwd dat reeds de enkele gewraakte bepaling in het Beoordelingskader of de inhoud van het Beoordelingskader anderszins, los van de toepassing daarvan in een concreet geval, de leden van de artsenverenigingen rechtstreeks in hun belangen treft. Met name is onvoldoende onderbouwd dat de vereiste administratie voor herregistratie op basis van een werkervaring van gemiddeld één dag per week zó onevenredig bezwarend is dat het oordeel van de bestuursrechter daarover niet kan (kon) worden afgewacht. Daarbij speelt ook een rol dat de minister (van destijds Volksgezondheid, Welzijn en Sport) reeds in de brief van 29 maart 2011 aan de voorzitter van de Tweede Kamer een omschrijving gaf van de aard van de werkzaamheden die (onder meer voor alle artsen) van belang zijn voor herregistratie, waarbij is aangeknoopt bij de werkzaamheden die zijn uitgewerkt in de besluiten waarbij de opleidingseisen voor de diverse beroepsgroepen (dus in casu het besluit voor opleidingseisen voor artsen) zijn gesteld. Ook is in die brief vermeld dat voor de werkervaringseis niet meetellen de werkzaamheden die, in tegenstelling tot de reguliere, niet zijn gebaseerd op kennis, vaardigheden en ervaring die vereist zijn om de desbetreffende opleiding te kunnen behalen en uit te oefenen.

11. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft één van de leden van de NAAV zich nog beklaagd over de onduidelijke eisen die het CIBG in het kader van zijn verzoek om herregistratie stelde aan de administratie van zijn werkervaring, maar dit acht het hof onvoldoende om anders te oordelen, temeer daar zijn verzoek tot herregistratie is toegewezen. Overigens is inmiddels gebleken dat circa 80% van de aanvragen tot herregistratie is gehonoreerd; op basis waarvan aanvragen zijn afgewezen is niets gesteld of gebleken. De conclusie is dan ook dat de onder 8 a) genoemde uitzondering zich niet voordoet.

12. Voor wat betreft het eigen belang van de artsenverenigingen (uitzondering ad b) stellen de NAAV en AVIG dat hun bestaansrecht afhangt van de mogelijkheid van hun leden om arts te zijn en daarnaast de bewuste als niet-regulier bestempelde behandelwijzen toe te passen. Het bestreden Beoordelingskader raakt rechtstreeks aan de mogelijkheid om als arts niet-reguliere behandelwijzen toe te passen en daarmee aan het bestaansrecht van de artsenverenigingen zelf, aldus de artsenverenigingen.

13. Wil sprake zijn van een eigen belang van de artsenverenigingen, dan moet het gaan om een belang dat zelfstandig wordt beschermd en dus niet om een belang dat enkel voortvloeit uit het opkomen voor de gebundelde belangen, en dat uitsluitend van die belangen is afgeleid.

14. Het hof vermag niet in te zien dat (de gewraakte bepaling in) het Beoordelingskader rechtstreeks raakt aan de mogelijkheid om als arts niet-reguliere behandelwijzen toe te passen. Die mogelijkheid is ook mét de gewraakte bepaling aanwezig. Voorts acht het hof het door de artsenverenigingen gestelde bestaansrecht van de verenigingen geen zelfstandig eigen belang maar een (van de artsen-leden) afgeleid belang. De onder 8 b) genoemde uitzondering doet zich daardoor evenmin voor.

15. De slotsom is dan ook dat de rechtbank de artsenverenigingen ten onrechte in hun vorderingen heeft ontvangen. Die conclusie hoeft niet te leiden tot een wijziging van het dictum, omdat ook niet-ontvankelijkheid tot afwijzing van de vorderingen leidt.

Voorts ligt in het onder 11 overwogene besloten dat de subsidiaire vordering geen nadere behandeling behoeft.

16. Het hof zal het vonnis bekrachtigen, waarbij een kostenveroordeling ten laste van de artsenverenigingen past. De Staat heeft in beide zaken één gelijkluidende memorie van antwoord genomen. Ook het pleidooi in beide zaken is gelijkluidend geweest. Het hof ziet daarin aanleiding om het salaris van de advocaat voor elk der appellanten te bepalen op de helft van het liquidatietarief. Omdat de Staat dat heeft gevorderd, is bij niet tijdig betalen wettelijke rente over de aan de Staat te betalen proceskosten verschuldigd.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2017;

- veroordeelt de artsenverenigingen in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 716,- aan griffierecht per appellant en op € 1.611,- aan advocatensalaris per appellant, en op € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, telkens nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft de bedragen van € 82,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan genoemde bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, S.A. Boele en J.H. Gerards en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature