< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

aannemingsovereenkomst

Uitspraak



GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.165.179/01

Zaaknummer rechtbank : 1395222 / CV EXPL 12-55227

arrest van 25 april 2017

inzake

[appellant],

wonende en zaakdoende te Gerolstein (Duitsland),

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. H. den Besten te Almere,

tegen

1. [geïntimeerde 1] 2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te Rhoon,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. P.A. Visser te Hendrik-Ido-Ambacht.

Het geding

1. Bij exploot van 2 februari 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam sector kanton (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen vonnissen van 1 november 2013 en 5 december 2014. Bij arrest van 31 maart 2015 is een comparitie gelast. Deze comparitie is niet gehouden.

2. Daarna heeft [appellant] bij memorie van grieven, met één productie, twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld tegen de vonnissen van 1 november 2013 en 5 december 2015, onder aanvoering van drie grieven. [appellant] heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel met producties. Daarop hebben [geïntimeerden] een akte uitlaten producties genomen, waarop [appellant] heeft gereageerd met een antwoordakte uitlating.

3. Vervolgens hebben partijen op 9 februari 2017 de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. Den Besten en [geïntimeerden] door mr. Visser, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte is arrest bepaald.

De feiten

4. Het gaat in deze zaak, voor zover thans nog van belang, om het volgende:

4.1

[geïntimeerden] hebben [appellant] opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verbouwing aan hun woning.

4.2

Tussen partijen is overeengekomen wat in de offerte van 1 maart 2012, overgelegd als productie 3 bij inleidende dagvaarding, (hierna: de offerte) is opgenomen. De offerte komt uit op een totale aanneemsom van € 54.511,52 inclusief BTW.

4.3

De offerte vangt aan met een beschrijving van de door [appellant] te verrichten werkzaamheden. Een aantal van die werkzaamheden is gemarkeerd met een sterretje.

4.4

Op pagina 2 van de offerte is het bedrag van € 54.511,52 uitgesplitst in de posten “bouwmaterialen” en “arbeid”. Onder de post “bouwmaterialen” is een opsomming van materialen opgenomen met bijbehorende bedragen, die opgeteld uitkomt op het totaalbedrag van € 14.051,52. Voor de post “arbeid” is een bedrag van € 40.460,00 opgenomen.

4.5

[appellant] heeft [geïntimeerden] facturen gestuurd voor een totaal bedrag van € 80.249,74. Deze facturen hebben deels betrekking op de in de offerte genoemde aanneemsom van € 54.511,52 en deels op meerwerk.

4.6

[geïntimeerden] hebben in totaal een bedrag van € 61.007,07 aan [appellant] betaald. De facturen zijn derhalve voor een bedrag van € 19.243,10 onbetaald gebleven.

4.7

Het Bureau voor Bouwpathologie heeft in opdracht van [geïntimeerden] een rapport (d.d. 28 september 2012) opgesteld naar aanleiding van een in en om de woning door haar verricht bouwkundig onderzoek naar de door [appellant] uitgevoerde werkzaamheden. De door het Bureau voor Bouwpathologie aan [geïntimeerden] in rekening gebrachte kosten bedragen € 2.061,68.

De vorderingen en beslissingen in eerste aanleg

5. [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de onbetaald gebleven facturen ten bedrage van € 19.243,10, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten van € 965,00 en de beslagkosten, en dat [geïntimeerden] worden veroordeeld in de proceskosten.

6. [geïntimeerden] hebben in reconventie, voor zover hier relevant, gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van totaal € 32.170,66. Een bedrag van

€ 6.495,55 betreft geld dat door [geïntimeerden] onverschuldigd is betaald: overeengekomen was dat [geïntimeerden] niet meer dan € 54.511,52 zouden betalen en zij hebben € 61.007,07 betaald. Daarnaast vorderden [geïntimeerden] dat [appellant] de kosten van het rapport van het Bureau voor Bouwpathologie betaalt, zijnde € 2.061,68. Het resterende bedrag van

€ 23.613,43 betreft (overige) kosten in verband met werkzaamheden die [appellant] ondeugdelijk zou hebben verricht.

7. Ten aanzien van de vordering in conventie heeft de kantonrechter bij vonnis van 1 november 2013 [appellant] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de met een sterretje aangeduide werkzaamheden geen deel van de offerte uitmaakten en dat partijen voor ieder van die werkzaamheden hebben afgesproken dat [appellant] werk zou uitvoeren tegen de door hem berekende prijs. Wat betreft het door [geïntimeerden] boven het bedrag van € 54.511,52 betaalde (€ 61.007,07 -/- € 54.511,52 = € 6.495,55), heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerden] hebben nagelaten toe te lichten waarom zij deze betalingen hebben verricht, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat [geïntimeerden] erkennen dat wel enig meerwerk is overeengekomen, dat met betaling van het bedrag van € 6.495,55 is vergolden. In het dictum van het vonnis is iedere beslissing in conventie aangehouden.

8. Ten aanzien van de vordering in reconventie heeft de kantonrechter in het vonnis van 1 november 2013 geoordeeld dat de vordering uit onverschuldigde betaling moet worden afgewezen, omdat hij ervan uitgaat dat [geïntimeerden] erkennen dat wel enig meerwerk is overeengekomen, dat met de betaling van het bedrag van € 6.495,55 is vergolden. De kosten van het Bureau voor Bouwpathologie zijn voor de helft toegewezen en de door [geïntimeerden] gevorderde overige kosten wegens ondeugdelijk verricht werk zijn voor een deel toegekend. In het dictum van het vonnis is met betrekking tot de vordering in reconventie opgenomen dat [appellant] wordt veroordeeld om aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag € 6.893,84 als schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente.

9. Nadat getuigen zijn gehoord, heeft de kantonrechter bij vonnis van 5 december 2014 geoordeeld dat [appellant] niet in het bewijs is geslaagd, en heeft de vordering van [appellant] in conventie afgewezen.

De beoordeling van het hoger beroep

10. [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof de vonnissen van de kantonrechter vernietigt en - zo blijkt uit de memorie van grieven - [geïntimeerden] veroordeelt tot betaling van de nog openstaande vordering ten bedrage van € 19.243,10, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf factuurdatum danwel de datum van de dagvaarding in eerste aanleg, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep. [appellant] is niet in beroep gekomen van de beslissing van de kantonrechter inzake de reconventionele vordering (in het deelvonnis van 1 november 2013), inhoudende dat hij een bedrag van € 6.893,84 aan schadevergoeding aan [geïntimeerden] moet betalen. Met grief 1 voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerden] niet voor de door hem extra uitgevoerde werkzaamheden (materiaal en arbeid), die niet in de offerte waren opgenomen, hoeven te betalen. Met grief 2 komt [appellant] op tegen de veroordeling in de proceskosten.

11. [geïntimeerden] hebben van hun kant incidenteel appel ingesteld. Zij vorderen dat het hof de vonnissen van de kantonrechter van 1 november 2013 en 5 december 2014 vernietigt en hun vordering in reconventie toewijst alsmede het te wijzen arrest voorziet van een Europese Executoriale titel. Grief 1 betreft de kosten van het rapport van het Bureau voor Bouwpathologie. [geïntimeerden] voeren in de eerste plaats aan dat de kantonrechter in rechtsoverweging 19 van het vonnis van 1 november 2013 heeft geoordeeld dat deze kosten voor de helft zullen worden toegewezen, maar dat hij heeft verzuimd om daar in het vonnis van 5 december 2014 op terug te komen. In de tweede plaats betogen [geïntimeerden] dat niet slechts de helft, maar alle kosten van het rapport moeten worden toegewezen. Met grief 2 maken [geïntimeerden] bezwaar tegen het oordeel van de kantonrechter dat hun reconventionele vordering van € 6.495,55 uit hoofde van onverschuldigde betaling moet worden afgewezen. Met grief 3 voeren [geïntimeerden] aan dat [appellant] inmiddels is verhuisd naar Duitsland, in verband waarmee zij verzoeken om het arrest te voorzien van een Europese executoriale titel.

In het principaal appel

12. Kern van het geschil is de vraag of [geïntimeerden], bovenop de aanneemsom van

€ 54.511,52, voor meerwerk (materiaal en arbeid) dienen te betalen. Bij de beantwoording van deze vraag is uitgangspunt dat het aan [appellant] is om te stellen en - als daaraan wordt toegekomen - te bewijzen dat [geïntimeerden] opdracht hebben gegeven voor het betreffende meerwerk. Verder is van belang dat als [geïntimeerden] toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wensten, [appellant] slechts dan een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij [geïntimeerden] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij [geïntimeerden] die noodzaak uit zichzelf hadden moeten begrijpen (artikel 7:755 BW).

13. [appellant] heeft nader gespecificeerd welke facturen hij heeft gestuurd en wat [geïntimeerden] op de afzonderlijke facturen hebben betaald (zie pagina 4 van de memorie van grieven, in combinatie met de door [appellant] bij akte van 18 september 2013 overgelegde productie). Het door [appellant] verstrekte overzicht maakt een onderverdeling in facturen en betalingen met betrekking tot (1) de offerte, (2) extra materiaal in de vorm van tegels en plavuizen, (3) andere extra materialen en (4) meerwerk arbeidsuren. Volgens dit overzicht hebben [geïntimeerden] op de offerte van € 54.511,52 een bedrag van totaal

€ 10.811,95 onbetaald gelaten. De drie facturen inzake wandtegels, plavuizen en bijbehorende benodigdheden (nrs. 1092, 1093 en 1096) en de factuur inzake andere extra materialen (nr. 1098), voor een totaal bedrag van € 17.306,39, zijn geheel voldaan. De factuur met betrekking tot meerwerk arbeidsuren (nr. 1097) van € 8.431,15 is niet betaald. [geïntimeerden] hebben tijdens het pleidooi erkend dat zij de vier facturen inzake de materialen volledig hebben voldaan en de factuur voor meerwerk arbeidsuren onbetaald hebben gelaten (wat strookt met de bedragen van hun eigen overzicht van betalingen, zie conclusie van antwoord, nr. 26, en met de door [appellant] in het geding gebrachte facturen en bankafschriften). Dit betekent dat het hof uit gaat van het door [appellant] verstrekte overzicht van de wel en niet betaalde facturen, en de bezwaren verwerpt die door [geïntimeerden] tegen het overzicht van [appellant] zijn geuit.

14. Gelet op het voorgaande begrijpt het hof dat de grondslag van de vordering van [appellant] nakoming van de aanneemovereenkomst is. Een bedrag van € 10.811,95 betreft het nog openstaande bedrag op de overeengekomen aanneemsom van € 54.511,52. Het resterende bedrag van € 8.431,15 heeft betrekking op de onbetaald gebleven meerwerkfactuur 1097 inzake extra arbeidsuren. [geïntimeerden] hebben het volgende verweer gevoerd. Zij zijn alleen gehouden om de oorspronkelijk overeengekomen aanneemsom van € 54.511,52 te betalen. Zij hebben weliswaar vier facturen betaald die volgens [appellant] meerwerk (extra materiaal) betreffen (nrs. 1092, 1093, 1096 en 1098), maar dat was omdat zij meenden dat dit facturen waren die betrekking hadden op de aanneemsom van € 54.511,52. Wevers c.s. betogen dat de facturen die zij van [appellant] kregen onoverzichtelijk waren. Daardoor hebben zij per saldo € 6.495,55 meer betaald dan de aanneemsom.

15. Met betrekking tot de drie facturen betreffende de wandtegels en plavuizen en bijbehorende benodigdheden (die door [geïntimeerden] zijn voldaan) heeft [appellant] het volgende aangevoerd. Het gaat om factuur 1092 voor een bedrag van € 6.366,50, factuur 1093 voor een bedrag van € 3.387,05 en factuur 1096 voor een bedrag van

€ 825,68 (totaal € 10.579,23). Deze wandtegels en plavuizen vallen volgens [appellant] niet onder de offerte (ook niet met een sterretje) en zijn door [geïntimeerden] bij hem besteld, buiten de offerte om. Tijdens het pleidooi is van de zijde van [appellant] nader toegelicht dat de betreffende werkzaamheden (“het tegelen”) voor een groot deel wel in de offerte zijn opgenomen, maar het benodigde materiaal (de tegels/plavuizen) niet. [appellant] heeft er tevens op gewezen dat Wever op 7 maart 2012 (ten behoeve van de eerste bestelling) een orderbevestiging voor akkoord heeft ondertekend voor “door hem gevraagde en bestelde materialen” in de vorm van plavuizen en bijbehorend benodigd materiaal, waarbij als totaal bedrag van de order een bedrag van € 6.366,50 wordt vermeld (onderdeel van productie 4 bij inleidende dagvaarding). Later zijn er nog plavuizen bijbesteld omdat [geïntimeerden] ook in de slaapkamer en logeerkamer vloertegels wilden. De drie facturen inzake de tegels en plavuizen dienden door [geïntimeerden] apart, bovenop de overeengekomen aanneemsom van € 54.511,52, te worden betaald, aldus [appellant].

16. [geïntimeerden] hebben niet betwist dat de betreffende tegels en plavuizen door hen via [appellant] zijn besteld en in hun woning zijn verwerkt. Daarnaast staat tussen partijen vast dat zij op basis van de offerte (productie 3 bij inleidende dagvaarding) met elkaar in zee zijn gegaan. Het hof constateert dat in deze offerte een uitsplitsing is gemaakt in de posten “arbeid” van € 40.460,00 en “bouwmaterialen” van € 14.051,52, samen uitkomend op een totale aanneemsom van € 54.511,52. Onder de post “bouwmaterialen” is een opsomming van materialen opgenomen, met bijbehorende bedragen. In die opsomming komen - zoals Wever tijdens het pleidooi desgevraagd ook heeft bevestigd - geen tegels en plavuizen voor. In het licht hiervan is het verweer van [geïntimeerden] dat de met de facturen 1092, 1093 en 1096 in rekening gebrachte materialen (voor totaal € 10.579,23) wel in de offerte waren opgenomen, althans dat zij erop mochten vertrouwen dat deze erin waren opgenomen, onbegrijpelijk. [geïntimeerden] hebben zich er ook nog op beroepen dat zij vanaf het begin aan [appellant] duidelijk hadden gemaakt dat zij niet boven de aanneemsom van € 54.511,52 wilden uitkomen, maar dat betekent niet dat zij mochten verwachten dat de wandtegels en plavuizen met een totale waarde van € 10.579,23, welke materialen niet onder de post ‘bouwmaterialen” van totaal € 14.051,52 waren opgenomen, onder de aanneemsom van € 54.511,52 zouden vallen. Dat [geïntimeerden] van tevoren wisten dat het hier niet om onaanzienlijke bedragen ging, blijkt afdoende uit het feit dat Wever voor de eerste bestelling ter waarde van

€ 6.366,50 een orderbevestiging voor akkoord heeft getekend. Dat heeft [geïntimeerden] er ook niet van weerhouden om daarna nog vloertegels voor in de slaapkamer en de logeerkamer bij te bestellen.

17. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [geïntimeerden] opdracht hebben gegeven voor meerwerk en dat het bedrag van € 10.579,23 dat hiervoor in rekening is gebracht door [geïntimeerden] bovenop de aanneemsom van € 54.511,52 moet worden betaald.

18. Het geschil tussen partijen spitst zich verder toe op factuur 1097 van € 8.431,15 (die niet door [geïntimeerden] is betaald) en factuur 1098 van € 6.727,84 (die wel is voldaan). De door [appellant] overgelegde facturen vermelden rechtsboven de reden voor de factuur. Factuur 1097 vermeldt “VOOR: uren meer werk” en factuur 1098 “VOOR: materialen extra”. [appellant] stelt dat factuur 1097 extra arbeidsuren betreft in verband met meerwerk dat hij in opdracht van [geïntimeerden] heeft uitgevoerd, en factuur 1098 de in verband met dit meerwerk gebruikte extra materialen.

19. [geïntimeerden] hebben bij conclusie van antwoord in de eerste plaats aangevoerd dat deze twee facturen nagenoeg identiek zijn en dat [appellant] hetzelfde meerwerk dus twee keer heeft gefactureerd. Het hof overweegt hierover dat uit de op de facturen vermelde reden voor de rekening (“uren meerwerk” respectievelijk “materialen extra”) en uit de verdere omschrijving op de facturen blijkt dat met factuur 1098 materialen en met factuur 1097 arbeidsuren in rekening worden gebracht. Er is dus niet twee keer hetzelfde in rekening gebracht.

20. Ten aanzien van factuur 1098 van € 6.727,84 inzake de materialen heeft [appellant] meer specifiek het volgende aangevoerd. Dit zijn extra materialen die niet onder de post “bouwmaterialen” van de offerte vielen. [geïntimeerden] hebben deze factuur met als omschrijving “materialen extra” op 11 mei 2012 voldaan. Niet valt in te zien waarom zij die factuur zouden betalen als zij van mening waren dat dit bedrag al bij de aanneemsom was inbegrepen en zij daarvoor niet apart hoefden te betalen.

21. Bij akte uitlaten producties van 17 mei 2016 (onder nr. 16) hebben [geïntimeerden] naar aanleiding van de door [appellant] overgelegde factuur 1098 met als omschrijving “materialen extra” gesteld dat de omschrijving is gewijzigd ten opzichte van de factuur zoals die bij [geïntimeerden] bekend is. Voor zover [geïntimeerden] hiermee bedoelen te betogen dat voor hen niet kenbaar was dat [appellant] met deze factuur extra materialen in rekening bracht die buiten de offerte vielen, zodat uit de omstandigheid dat zij de factuur hebben betaald niets afgeleid kan worden, overweegt het hof dat dit verweer geen hout snijdt. De bewering van [geïntimeerden] over de gewijzigde omschrijving strookt namelijk niet met het feit dat [geïntimeerden] zelf hun overboeking van het bedrag van

€ 6.727,84 op 11 mei 2012 de omschrijving “materialen extra” hebben meegegeven (zie de door [geïntimeerden] zelf overgelegde kopie van de overboeking van hun bankrekening, productie 12 bij conclusie van antwoord). Uit deze omschrijving bij de overboeking blijkt tevens dat [geïntimeerden] wel degelijk wisten dat zij met deze factuur voor meerwerk (extra materiaal) betaalden, zodat het verweer dat dit voor hen niet inzichtelijk was en dat zij deze factuur per ongeluk hebben voldaan niet opgaat

22. [geïntimeerden] hebben ook nog gewezen op de e-mails van 9 mei 2012 (20.40 uur) en van 12 mei 2012 van (de partner van) [appellant] aan Wever (producties A en B bij antwoordconclusie na tussenvonnis d.d. 28 januari 2014). Volgens [geïntimeerden] blijkt uit deze e-mails dat was overeengekomen dat de aanneemsom € 54.511,52 zou bedragen en dat de discussie tussen partijen daarnaast alleen ging over de meerwerknota van

€ 8.431,15 (factuur 1097 voor extra arbeidsuren). Voor zover [geïntimeerden] hiermee bedoelen aan te tonen dat met factuur 1098 (betreffende materiaalkosten) een bedrag in rekening werd gebracht dat ook volgens [appellant] onder de overeengekomen aanneemsom viel, althans dat zij niet hadden hoeven begrijpen dat deze materiaalkosten extra in rekening werden gebracht, overweegt het hof als volgt. De e-mail van 9 mei 2012 bevat het volgende bericht: “In de bijlage zit de restant factuur op de aanneemsom, deze is sluitend op je voorgaande factuur op de offerte van € 11.900.- met deze factuur kom je op het totaal van bedrag van de overeengekomen aanneem som van € 54.511.52. Tevens rest dan nog de factuur van de extra uren a € 8431.15. Zodra de gehele aanneemsom en de materiaalfacturen voldaan zijn kunnen we deze nota eventueel bespreken.” [onderstreping toegevoegd door het hof]. Uit deze e-mail volgt juist - anders dan [geïntimeerden] betogen - dat er volgens [appellant] materiaalfacturen voldaan dienden te worden, naast de aanneemsom van € 54.511,52, en dat [appellant] alleen bereid was om over de factuur van € 8.431,15 (factuur 1097) inzake de extra arbeidsuren te praten. Nadat [geïntimeerden] (blijkens de door hen overgelegde bankafschriften, productie 12 bij conclusie van antwoord) op 9 mei 2012 de laatste materiaalfactuur inzake de tegels (van € 825,68) en op 11 mei 2012 factuur 1098 met als omschrijving “extra materiaalkosten” hadden voldaan, meldt [appellant] per e-mail van 12 mei 2012 dat op dat moment nog open staan facturen inzake de aanneemsom en de factuur van de extra uren (hof: factuur 1097). Gelet op het feit dat factuur 1098 op dat moment al was voldaan, kan ook uit deze e-mail niet worden afgeleid dat deze factuur volgens [appellant] onder de aanneemsom viel, althans dat [geïntimeerden] niet hadden hoeven begrijpen dat deze factuur extra materiaal betrof dat niet onder de aanneemsom viel.

23. Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerden] hun verweer tegen de verschuldigdheid van factuur 1098, naast de aanneemsom van € 54.511,52, onvoldoende hebben onderbouwd. Dit betekent dat is komen vast te staan dat [geïntimeerden] deze factuur als betrekking hebbend op meerwerk dienden te voldoen.

24. Factuur 1097 van € 8.431,15 betreft door [appellant] in rekening gebrachte arbeidsuren voor verschillende uitgevoerde werkzaamheden, en een post van € 1.950,00 (excl. BTW) voor verleturen omdat [appellant] naar zijn zeggen pas drie dagen later dan gepland met de verbouwing kon beginnen.

25. Ten aanzien van de in rekening gebrachte drie dagen hebben [geïntimeerden] bij conclusie van antwoord aangevoerd dat de woning inderdaad drie dagen later dan gepland juridisch is geleverd, maar dat dit niet betekent dat [appellant] die drie dagen niet in de woning heeft gewerkt. Hij had namelijk de sleutel al van de makelaar gekregen en was daar gewoon aan het werk. Het hof is van oordeel dat [appellant], na deze betwisting door [geïntimeerden], onvoldoende nader heeft onderbouwd dat [geïntimeerden] gehouden zijn om uren in verband met drie verletdagen te betalen. Voor wat betreft de overige posten geldt dat het, gelet op het verweer van [geïntimeerden], aan [appellant] was om per post (voldoende onderbouwd) te stellen (i) dat het arbeidsuren betreft inzake werkzaamheden die niet onder de offerte vallen, en voor zover dat zo is (ii) dat [appellant] [geïntimeerden] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging in verband met die extra arbeidsuren danwel dat [geïntimeerden] die noodzaak uit zichzelf hadden moeten begrijpen. Het hof is van oordeel dat [appellant] dit niet heeft gedaan.

26. De slotsom is dat [geïntimeerden] naast het bedrag van de aanneemsom van € 54.511,52, een bedrag van totaal € 17.307,07 dienden te voldoen (in totaal derhalve € 71.818,59). Nu vaststaat dat zij in totaal een bedrag van € 61.007,07 hebben voldaan, resteert een bedrag van € 10.811,52 dat door [geïntimeerden] aan [appellant] moet worden betaald. Dit moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, nu uit het eenzijdig noemen van een betalingstermijn op facturen niet volgt dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt dat deze termijn heeft te gelden als fatale termijn en gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] op een eerder moment dan de dag van dagvaarden in gebreke is gesteld. In zoverre is er geen sprake van verzuim, hetgeen wel vereist is voor de toewijsbaarheid van de wettelijke rente (artikel 6:119 lid 1 BW). Het voorgaande brengt mee dat grief 1 in zoverre slaagt en dat de beslissing van de kantonrechter, voor zover in conventie gewezen, zal worden vernietigd.

27. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zullen [geïntimeerden] worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg, en van het principaal hoger beroep. Ook grief 2 slaagt dus.

In het incidenteel appel

28. In hetgeen hiervoor bij het principaal appel is overwogen, volgt dat geen sprake is van onverschuldigde betaling door [geïntimeerden]. Grief 2 in het incidenteel appel faalt dan ook.

29. In het vonnis van 1 november 2013 heeft de kantonrechter een aantal door [geïntimeerden] gevorderde schadeposten (deels) toegewezen, waaronder de helft van de kosten van het rapport van het Bureau voor Bouwpathologie. In het dictum van dat vonnis heeft de kantonrechter in totaal een bedrag van € 6.893,84 als schadevergoeding toegewezen. Grief 1 gaat ervan uit dat de helft van de kosten van het rapport niet zijn inbegrepen in dit toegewezen bedrag van € 6.893,84. Tijdens het pleidooi hebben [geïntimeerden] op naar aanleiding hiervan gestelde vragen van het hof echter geantwoord dat deze kosten bij nader inzien toch in dit toegewezen bedrag zijn meegenomen. Het onderdeel van grief 1 dat betoogt dat het hof heeft vergeten deze kosten in een dictum toe te kennen faalt derhalve. Ook het onderdeel van grief 1 dat inhoudt dat de kantonrechter ten onrechte slechts de helft van deze kosten heeft toegewezen, kan niet slagen. Vast staat immers dat de kantonrechter hierover een eindbeslissing heeft gegeven in het dictum van het vonnis van 1 november 2013 en dat [geïntimeerden] hiertegen geen (tijdig) appel hebben ingesteld.

30. Grief 3 faalt ook, nu er geen reden is om het vonnis van de kantonrechter naar aanleiding van de grieven van [geïntimeerden] te vernietigen, nog daargelaten dat een Europese Executoriale Titel alleen kan worden verleend in geval van niet-betwiste schuldvorderingen, waarvan in dit geval geen sprake is.

31. Nu het incidenteel appel faalt, dienen [geïntimeerden] te worden veroordeeld in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.

Beslissing

Het hof

in het principaal appel

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam sector kanton, van 5 december 2014;

- en in zoverre opnieuw rechtdoende:

in conventie:

- veroordeelt [geïntimeerden], om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 10.811,52, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW van af 12 oktober 2012 tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 527,17 aan verschotten en € 1.250,00 voor salaris van de gemachtigde (5 punten x € 250,00);

- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het principale appel, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 809,13 aan verschotten en € 2.682,00 voor salaris van de advocaat (3 punten x tarief II);

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel appel

- veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het incidentele appel, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 1.341,00 voor salaris van de advocaat (1½ punt x tarief II);

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Burg, T.G. Lautenbach en M.A.B. Chao-Duivis en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 april 2017 in aanwezigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature