E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:GHARN:2011:BR6498
LJN BR6498, Gerechtshof Arnhem, 200.077.964

Inhoudsindicatie:

Partijen hebben een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar met een proeftijd van 1 maand gesloten. Kort voor het eind van de proeftijd geeft de werkgever aan dat zij geen goed beeld heeft kunnen krijgen van de werknemer en dat zij overweegt de arbeidsovereenkomst vóór het eind van de proeftijd op te zeggen, tenzij de werknemer akkoord gaat met omzetting van de arbeidsovereenkomst van een voor de duur van een jaar in een voor de duur van zes maanden. De werknemer gaat hiermee akkoord, maar als de werkgever aan het eind van de termijn van zes maanden aangeeft de arbeidsovereenkomst niet te willen verlengen, stelt hij dat de nieuwe arbeidsovereenkomst de kennelijke strekking had om de proeftijd te verlengen, zodat deze nietig is. Hij vordert in kort geding doorbetaling van loon. Het hof oordeelt, anders dan de kantonrechter, dat het partijen in beginsel vrij staat om bedingen in de arbeidsovereenkomst te wijzigen. Dat geldt ook voor de termijn waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan. Van een verboden verlenging van de proeftijd is geen sprake en niet gebleken is van ontoelaatbare druk van de werkgever om de werknemer te bewegen akkoord te gaan met de wijziging van de termijn. De vordering van de werknemer wordt alsnog afgewezen.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie