< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Het hof veroordeelt de minderjarige verdachte tot 1 jaar jeugddetentie vanwege het samen met zijn broer doden van een 14-jarig meisje op 10 januari 2021 in Almelo. Daarnaast legt het hof aan hem ook de PIJ-maatregel op. Toewijzing vordering materiële schade (o.a. kosten lijkbezorging) en affectieschade van de ouders van het slachtoffer. Eveneens toewijzing van op hardheidsclausule gebaseerde vordering affectieschade van het broertje van het slachtoffer. Ouders en broertje van het slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard in de gevorderde shockschade.

Uitspraak



Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005678-21

Uitspraak d.d.: 20 juli 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van

23 december 2021 met parketnummer 08-009550-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,

thans verblijvende in JJI [plaats 1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 juli 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde tot een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast houdt de vordering in dat de verdachte zal worden geplaatst in een inrichting voor jeugdigen (ongemaximeerde PIJ-maatregel). De advocaat-generaal heeft verder gevorderd dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) hoofdelijk zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het aantal dagen gijzeling zal worden bepaald op nul dagen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. R. Oude Breuil, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Overijssel heeft bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de doodslag op [slachtoffer] op 10 januari 2021 en het medeplegen van het verbergen en het wegvoeren van haar lichaam met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen. De rechtbank heeft aan verdachte een jeugddetentie opgelegd van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, en daarnaast de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, waarbij is bepaald dat deze maatregel niet gemaximeerd is. De rechtbank heeft verder de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het aantal dagen gijzeling is bepaald op nul dagen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat de bewijsvoering en de bewezenverklaring naar het oordeel van het hof aanpassing behoeven. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1. primairhij op of omstreeks 10 januari 2021 te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door het uitoefenen van samendrukkend en/of stomp-botsend geweld op het (linker)oog en/of het jukbeen en/of het (linker)oor en/of de lip(pen)

en/of de kin en/of de onderkaak en/of het gelaat, althans het hoofd, en/of de hals en/of het/de sleutelbeen(deren) en/of de schouder(s) en/of de hand(en) en/of de arm(en) en/of het/de (onder)be(e)n(en) en/of de schaamlip(pen), althans het (boven)lichaam van die [slachtoffer] en/of

voornoemd slachtoffer te duwen waardoor zij ten val kwam en/of voornoemd slachtoffer over de grond te verslepen en/of te verplaatsen en/of met haar gezicht, althans met haar hoofd, in het water te drukken en/of gedrukt te houden en/of te leggen en/of te schoppen en/of achter te laten (terwijl zij al dan niet buiten bewust zijn was);

1. subsidiairhij op of omstreeks 10 januari 2021 te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade

zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten één of meerdere (inwendige) letsel(s) op/aan het (linker)oog en/of het jukbeen en/of het (linker)oor en/of de lip(pen) en/of de kin en/of de onderkaak en/of het gelaat, althans het hoofd, en/of de hals en/of het/de sleutelbeen(deren) en/of de schouder(s) en/of de hand(en) en/of de arm(en) en/of het/de

(onder)be(e)n(en) en/of de schaamlip(pen), althans het (boven)lichaam van die [slachtoffer] ,

door het uitoefenen van samendrukkend en/of stomp-botsend geweld op de hals en/of het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer] en/of voornoemd slachtoffer te duwen waardoor zij ten val kwam en/of voornoemd slachtoffer over de grond te verslepen en/of te verplaatsen en/of met haar gezicht, althans met haar hoofd, in het water te drukken

en/of gedrukt te houden en/of te leggen en/of te schoppen en/of achter te laten (terwijl zij al dan niet buiten bewust zijn was), terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

1. meer subsidiairhij op of omstreeks 10 januari 2021 te [plaats 2] , althans in Nederland, openlijk, te weten het aan/bij het [adres] te [plaats 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het

- samendrukkend en/of stomp-botsend geweld op het (linker)oog en/of het jukbeen en/of het (linker)oor en/of de lip(pen) en/of de kin en/of de onderkaak en/of het gelaat, althans het hoofd, en/of de hals en/of het/de sleutelbeen(deren) en/of de schouder(s) en/of de hand(en) en/of de arm(en) en/of het/de (onder)be(e)n(en) en/of de schaamlip(pen), althans het (boven)lichaam van die [slachtoffer] en/of

- voornoemd slachtoffer te duwen waardoor zij ten val kwam en/of

- voornoemd slachtoffer over de grond te verslepen en/of te verplaatsen en/of met haar gezicht, althans met haar hoofd, in het water te drukken en/of gedrukt te houden en/of te leggen en/of te schoppen en/of achter te laten (terwijl zij al dan niet buiten bewust zijn was), welk door hem gepleegde geweld de dood voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

2.hij op of omstreeks 10 januari 2021 te [plaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van een overledene in leven genaamd [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen door het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op een afgelegen stuk van een industrieterrein en/of in het water te leggen en/of het stoffelijk overschot te bedekken, althans verhullen, met bladeren en/of riet en/of maaiafval, althans grond.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde

Aan verdachte is onder 1 primair tenlastegelegd het medeplegen van moord dan wel doodslag op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), onder 1 subsidiair het medeplegen van zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad, onder 1 meer subsidiair openlijke geweldpleging welk geweld de dood ten gevolge heeft gehad en onder 2 het medeplegen van het verbergen/wegvoeren/wegmaken van een lijk.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft, overeenkomstig de inhoud van het aan het hof overgelegde schriftelijke requisitoir, gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde ‘medeplegen van doodslag’ en het onder 2 tenlastegelegde ‘wegmaken of verbergen van een lijk’. Daartoe heeft de advocaat-generaal, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Verdachte was aanwezig op de plaats delict en op de camerabeelden is te zien dat twee personen (de een met een witte hoodie en de ander met witte sneakers) met iets aan het slepen zijn. Zijn broer [medeverdachte] droeg die dag een witte hoodie, verdachte witte sneakers. Daarnaast heeft verdachte achteraf aan vrienden veel berichten verstuurd waaruit blijkt dat hij betrokken was bij de dood van [slachtoffer] . Ook heeft verdachte verschillende woorden getypt op zijn telefoon die wijzen op betrokkenheid en uitvoeringshandelingen. Verder heeft verdachte ongeloofwaardige verklaringen afgelegd en lijken verdachte en zijn broer [medeverdachte] hun verklaringen op elkaar te hebben afgestemd. Ten slotte hebben verdachte en [medeverdachte] direct na het verlaten van de plaats delict de scooter en hun schoenen schoongemaakt bij een tankstation, wat erop duidt dat zij zich ervan bewust zijn geweest dat zij forensisch bewijsmateriaal moesten wegmaken. Naar het oordeel van de advocaat-generaal is sprake van medeplegen nu verdachte voorafgaand, tijdens en na het delict betrokken was bij uitvoeringshandelingen samen met [medeverdachte] .

Voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde wegmaken of verbergen van een lijk heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat de patholoog heeft gerapporteerd dat het aantreffen van de bevindingen veel waarschijnlijker zijn wanneer het slachtoffer dood was toen zij te water raakte dan wanneer het slachtoffer nog leefde toen zij te water raakte. Er is dus wel degelijk sprake van het verhullen van een lijk.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft, overeenkomstig de inhoud van de aan het hof overgelegde pleitnotitie, integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is door de raadsman, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Verdachte en zijn broer [medeverdachte] hebben veel gedraaid en gewisseld in hun verklaringen waardoor aan die verklaringen geen tot zeer weinig bewijswaarde kan worden toegekend. Er dient daarom ingezoomd te worden op de directe, objectieve bewijzen. Gelet op het aangetroffen DNA, de camerabeelden van het bedrijf [naam bedrijf] en de OVC-gesprekken staat vast dat [medeverdachte] op 10 januari 2021 [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Verdachte was daarbij aanwezig, heeft niet ingegrepen en heeft zich niet gedistantieerd. Daarnaast heeft verdachte nadien geprobeerd [medeverdachte] buiten schot te houden. Dit is echter onvoldoende om medeplegen te kunnen aannemen. Om van medeplegen te kunnen spreken, dient er meer te zijn dan het enkel zich niet distantiëren van of het instemmen met het feit. Op de camerabeelden van het bedrijf [naam bedrijf] is absoluut niet te zien dat twee personen met een lichaam, dan wel ‘iets’ aan het slepen zijn. De drie processen-verbaal waarin wordt beschreven wat op de camerabeelden is te zien, dienen te worden uitgesloten van het bewijs wegens onbetrouwbaarheid ervan. Verdachte heeft verklaard dat hij één keer maaiafval naar [medeverdachte] heeft gegooid. Dit is echter niet te zien op de camerabeelden. Maar zelfs al zou verdachte dit hebben gedaan dan kan dit niet als belastend bewijsmiddel gelden voor het medeplegen van het doden van [slachtoffer] . Het gooien van het maaiafval kan slechts worden gezien als instemming met het levensdelict dat [medeverdachte] even daarvoor had gepleegd. Verder staat het vervolgens samen vertrekken op de scooter niet in rechtstreeks verband met het gepleegde levensdelict.

Voorts volgt uit geen enkel bewijsmiddel dat het gemeenschappelijk opzet van [medeverdachte] en verdachte was gericht op het van het leven beroven van [slachtoffer] . Het opzet van verdachte was gericht op het intimideren van [slachtoffer] en dat [medeverdachte] haar mogelijk een klap zou geven, terwijl het opzet van [medeverdachte] blijkbaar veel verder ging van het enkel een klap geven van [slachtoffer] .

Dat de scooter en de schoenen na het feit bij een tankstation zijn schoongespoten zegt niets over het gemeenschappelijk opzet ten tijde van het plegen van het delict. Ook de berichten die verdachte voor en na het feit heeft verstuurd kunnen niet worden gebruikt in het kader van het aannemen van een gezamenlijk opzet. De berichten zijn ofwel multi-interpretabel ofwel verdachte heeft deze berichten enkel verstuurd om [medeverdachte] weer op vrije voeten te krijgen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangegeven dat de verdediging blijft bij zijn standpunt zoals deze in eerste aanleg is bepleit. Dit standpunt houdt in dat niet bewezen kan worden dat verdachte een lijk heeft verborgen nu niet vaststaat dat [slachtoffer] toen zij te water raakte al was overleden.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een ander of anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij het oordeel of sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, dient rekening te worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan deze vereisten is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474).

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Op zondagmiddag 10 januari 2021 heeft [medeverdachte] , de broer van verdachte, afgesproken met de 14-jarige [slachtoffer] . Hij heeft haar rond 14:15 uur met zijn scooter opgehaald vlakbij haar ouderlijk huis. Uit de zich in het dossier bevindende verklaringen van de ouders van [slachtoffer] volgt dat er met [slachtoffer] niets aan de hand was toen zij van huis ging. [slachtoffer] dacht dat zij en [medeverdachte] zouden gaan praten over een foto van [medeverdachte] op [slachtoffer] telefoon. [medeverdachte] had echter de avond ervoor, op zaterdag 9 januari 2021, samen met verdachte een plan bedacht om gezamenlijk [slachtoffer] te confronteren. Als [slachtoffer] de betreffende foto van [medeverdachte] niet van haar telefoon zou verwijderen dan zou [medeverdachte] haar een klap geven. Verdachte ging naar eigen zeggen mee om te gaan schreeuwen als [slachtoffer] de foto niet zou verwijderen. Uit het dossier wordt duidelijk dat beide broers in aanloop naar het feit ruzie dan wel onenigheid met [slachtoffer] hadden of hadden gehad. Verdachte heeft diezelfde zaterdag rond 22:00 uur via Snapchat het adres van [slachtoffer] gevraagd aan getuige [getuige 1] . Nadat [medeverdachte] [slachtoffer] die zondagmiddag had opgehaald, is verdachte later, een eindje verderop, ook op de scooter gesprongen. Hij zat tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] in. Met zijn drieën zijn ze vervolgens naar een afgelegen terrein aan [adres] te [plaats 2] gereden en daar gestopt. Het was toen circa 14:35 uur. Uit de zich in het dossier bevindende camerabeelden volgt dat op dat moment nog niets zichtbaars met [slachtoffer] aan de hand is.

Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat [medeverdachte] en [slachtoffer] vervolgens een heftige ruzie kregen. [slachtoffer] liet haar telefoon aan [medeverdachte] zien om te bewijzen dat zij de betreffende foto van [medeverdachte] niet meer had, maar [medeverdachte] geloofde haar niet. [medeverdachte] kreeg vervolgens een woedeaanval en heeft [slachtoffer] twee klappen gegeven. Na de tweede klap viel [slachtoffer] op de grond. [slachtoffer] lag toen op haar buik. [medeverdachte] heeft haar vervolgens meerdere trappen tegen haar hoofd en tegen haar lichaam gegeven. [medeverdachte] is vervolgens op haar gaan zitten en heeft [slachtoffer] toen gewurgd door zijn arm om haar nek te doen en vervolgens te drukken. Dit drukken duurde ongeveer een minuut. Verdachte is al die tijd op de scooter blijven zitten. Hij heeft wel gezien dat [medeverdachte] [slachtoffer] heeft geslagen, getrapt en gewurgd, maar hij heeft zelf niets gedaan, aldus verdachte. Nadat [medeverdachte] [slachtoffer] heeft gewurgd, heeft [medeverdachte] het lichaam van [slachtoffer] naar de rand van de sloot gesleept en haar vervolgens in de sloot geduwd. Verdachte denkt dat [slachtoffer] toen al dood was. Verdachte heeft niet geholpen met het slepen van het lichaam. [medeverdachte] heeft het lichaam van [slachtoffer] vervolgens afgedekt met riet/maaiafval. Verdachte heeft één keer riet/maaiafval aangegeven toen [medeverdachte] dat aan hem vroeg.

Verdachte en [medeverdachte] zijn vervolgens om 14:59 uur samen weer vertrokken op de scooter. Volgens getuige [getuige 2] die hen op dat moment zag, gingen zij er als een speer vandoor. Voordat zij naar huis reden, zijn zij eerst langs een tankstation gereden om de scooter en hun schoenen schoon te spuiten. [medeverdachte] is vervolgens na thuiskomst samen met zijn vader twee keer teruggereden naar de plaats delict. Na de tweede keer, om 17:18 uur, heeft de vader van verdachte en [medeverdachte] de meldkamer van de politie gebeld en gemeld dat hij met zijn zoon op zoek was naar een visplek en toen een lichaam had gevonden. Nadat uit de verklaring van de ouders van [slachtoffer] bleek dat [slachtoffer] die middag een afspraak had met [medeverdachte] , is [medeverdachte] diezelfde zondag omstreeks 21:13 uur door de politie aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij haar dood. Verdachte is een dag later, op 11 januari 2021, aangehouden.

Uit het definitieve sectierapport van de patholoog van 30 april 2021 trekt het hof de conclusie dat [slachtoffer] door verwurging om het leven is gekomen. Uit het rapport blijkt verder dat [slachtoffer] meerdere letsels verspreid op het lichaam had die bij leven zijn ontstaan door een stomp-botsende krachtsinwerking (zoals door herhaaldelijk vallen, slaan, stoten). Bij letseldateringsonderzoek was er een beeld van het ontstaan van het letsel passend bij oplopen enkele tientallen minuten tot meerdere tientallen minuten vóór het overlijden. Verder waren er ook meerdere krasletsels die passen bij postmortaal oplopen, zoals door bijvoorbeeld versleept worden over een onregelmatige ondergrond. Aan de flank links waren vier onderhuidse bloeduitstortingen. Bij letseldateringsonderzoek toonden deze huidverkleuringen geen kenmerken van bij leven opgelopen letsel. De letsels aan de flank kunnen passen bij postmortaal oplopen en kunnen goed passen bij ontstaan door een (samen)drukkende krachtsinwerking, zoals bijvoorbeeld door stevig vastnemen.

Onder meer de onderkant van de broek van [slachtoffer] en haar schoenen, alsmede de schoenen en handschoenen van [medeverdachte] en van verdachte zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht op de aanwezigheid van humane biologische sporen en DNA. Uit dat onderzoek trekt het hof de conclusie dat, kort gezegd, er DNA van [medeverdachte] op de rechterschoen van [slachtoffer] zat, op beide schoenen van [medeverdachte] DNA van [slachtoffer] zat en op de handschoenen van [medeverdachte] DNA en bloed van [slachtoffer] zat. Voor verdachte is er op forensisch gebied geen enkele koppeling met [slachtoffer] .

Tevens zijn vier bemonsteringen van de hals van [slachtoffer] onderzocht op aanwezigheid van humane biologische sporen en DNA, maar op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek is geen aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van DNA van iemand anders dan [slachtoffer] zelf in deze bemonsteringen.

Dat er geen voor verdachte belastend forensisch bewijs is aangetroffen, brengt echter niet mee dat daarmee vaststaat dat verdachte geen (gewelds)handelingen heeft verricht jegens [slachtoffer] . Er zijn immers meerdere redenen denkbaar waarom er geen voor verdachte belastend forensisch bewijs is aangetroffen. Zo zijn bijvoorbeeld enkel bemonsteringen van [slachtoffer] hals, de onderkant van haar broek en haar schoenen onderzocht op de aanwezigheid van biologische sporen en DNA.

In het dossier bevinden zich voorts camerabeelden van de plaats delict, afkomstig van de beveiligingscamera’s van het installatiebedrijf [naam bedrijf] aan [adres] te [plaats 2] . Met betrekking tot wat is waar te nemen op deze camerabeelden heeft de politie drie processen-verbaal van bevindingen opgemaakt. Door verbalisanten is onder meer geverbaliseerd dat zij zien dat om 14:54:56 uur twee personen met iets of iemand aan het slepen zijn. Er wordt voorts geverbaliseerd dat het op de bewegende beelden lijkt alsof het een persoon is waarmee gesleept wordt vanaf het zandpad in de richting van de plaats delict en dat is te zien dat de persoon met de lichtkleurige/witte hoodie ( [medeverdachte] ) en de persoon met de witte schoenen (verdachte) aan het slepen zijn.

Het hof heeft deze camerabeelden ook bekeken. Met de raadsman is het hof van oordeel dat de camerabeelden, die vanaf grote afstand zijn gemaakt, te onduidelijk zijn om voornoemde conclusie van de verbalisanten te trekken. De beelden sluiten namelijk niet uit dat één persoon met iets (vermoedelijk het lichaam van [slachtoffer] ) aan het slepen is en de tweede persoon er enkel naast loopt. Het hof zal de processen-verbaal, voor zover die zien op dit punt, daarom niet gebruiken voor het bewijs. Het hof ziet geen reden om, voor zover dit door de raadsman is verzocht, de overige inhoud van de processen-verbaal uit te sluiten van het bewijs. Dat verdachte met het lichaam van [slachtoffer] heeft gesleept kan niet worden vastgesteld. Verdachte heeft weliswaar één keer bij de politie verklaard dat hij een beetje met [slachtoffer] heeft gesleept, maar hij heeft daarna telkens verklaard dat hij niet met haar heeft gesleept. Enig ander objectief bewijsmiddel waaruit het tegendeel blijkt, ontbreekt.

Uit getuigenverklaringen en door de politie verricht onderzoek aan de telefoon van verdachte en de telefoons van enkele getuigen blijkt dat verdachte zowel kort voor het feit als kort na het feit berichten over [slachtoffer] heeft verstuurd.

Zo heeft getuige [getuige 3] (p. 2226 e.v.) verklaard dat verdachte op zaterdag 9 januari 2021 via de telefoon een bericht naar hem stuurde dat hij iets ergs ging doen. Verdachte had ruzie met [slachtoffer] . Ze praatte stoer. Verdachte wilde haar van de fiets trappen. Verdachte appte hem op zondag 10 januari 2021 dat hij iets ergs ging doen en dat het een half uurtje zou duren. De maandag erna appte [getuige 3] met verdachte en vroeg of hij iets met de dood van [slachtoffer] te maken had. Verdachte antwoorde toen: “Hoe kan ik rustig blijven, ik heb het gedaan.”

Op 11 januari 2021 om 18:59 uur heeft verdachte via Instagram een gesprek gevoerd met getuige [getuige 4] (p. 2713 e.v.). Verdachte zegt in dat gesprek dat hij denkt dat ze hem ook gaan oppakken. Op de daarop volgende opmerking van [getuige 4] : “Huh je hebt niks gedaan toch”, antwoordt verdachte: “Pfff. Jawel. Ma niet zegge tege iemand. Kan niet zegge via tel.”

Tegen [getuige 5] (p. 2428) heeft verdachte via Snapchat gezegd dat het meisje (het hof begrijpt: [slachtoffer]) hem de hele tijd uitdaagde over een foto. Verdachte vertelde hem toen dat hij zwart voor zijn ogen kreeg en dat het toen uit de hand was gelopen. Hij had getrapt. [getuige 5] heeft verdachte nog gevraagd of hij het, wat hij heeft gedaan, zou toegeven. [getuige 5] kreeg als reactie terug dat hij, verdachte, het nooit zou toegeven.

Verdachte heeft op 11 januari 2021 ook nog het volgende gesprek via Snapchat gevoerd met [getuige 6] (p. 2447 e.v.):

S = [getuige 6]

L = verdachte

S: “Beter worden ze snel vrijgelaten gap.”

L: “Ja klopt ma denk niet.”

S: “Waarom noe.”

L: “Ja iets ergs gebeurt ze gaan mij ook nog oppakken let ma op.”

[…]

S: “Was sat perongelijk dan.”

L: “Nope.”

S: “Wrm gedaan.”

L: “Ja gezeik.”

Met [getuige 7] heeft verdachte op 11 januari 2021 de volgende berichten uitgewisseld (p. 2448 en p. 2561 ev.):

L = verdachte

F = [getuige 7]

L: “Ja, met dat meisje?”

F: “Wat dan? Wat is er gebeurd? Wat is daarmee? Heb jij daarmee te maken?”

L: “Ja.”

F: “Nee. mijn god [verdachte] . Ben je serieus?”

L: “Ja.”

F: “Nee. maar kan je uitleggen waarom? Heb jij haar vermoord of. Of wat heeft ze misdaan,

waardoor jij dat gedaan hebt.”

L: “Kreeg woedeaanval.”

F: “En toen?”

L: “Ja. ik draaide door. Ik weet allemaal niet meer.”

F: “Heeft je broer dat ook gedaan, of?”

L: “Ja.”

F: “Oh my god. Fuck, heftig man! Maar had ze je wat misdaan dan, waardoor je helemaal

loco werd?”

L: “Ja, ik draaide door. Ik weet allemaal niet meer.”

F: “Nee, maar mijn god. En toen heb je haar neergestoken, of wat deed je toen?”

L: “Dit keer deed ze lijp en zo.”

F: “En wat deed je toen?”

L: “Trappen op haar.”

F: “En toen in water geduwd?”

L: “Ja.”

F: “Oh my god Jezus [verdachte] , wat heftig! En je broer zit nu in de gevangenis?”

L: “Ja.”

F: “En waarom jij dan niet, als ik vragen mag?”

L: “Ze wisten niet nog dat ik het was, want ze wisten gelijk dat [medeverdachte] het was, maar nu doen ze DNA onderzoek, dus ik word sowieso gepakt.”

Verdachte heeft over de berichten die hij op maandag 11 januari 2021 heeft verstuurd, verklaard dat hij dat heeft gedaan om zichzelf te belasten en zijn broer te ontlasten omdat hij vanwege zijn leeftijd een lagere straf dan zijn broer zou krijgen. Hij wilde met deze berichten bewerkstelligen dat zijn broer zou vrijkomen. Het hof acht dit echter niet geloofwaardig. De berichten die verdachte heeft verstuurd, met name die aan [getuige 6] en [getuige 7] , zijn immers niet zo zeer ontlastend voor zijn broer, als wel belastend voor verdachte én zijn broer. Zo beantwoordt verdachte de vraag van [getuige 7] of zijn broer dat ook heeft gedaan bevestigend. En naar [getuige 6] heeft verdachte gestuurd dat hij niet denkt dat zijn vader en broer snel vrijkomen en dat ze hem, verdachte, óók nog gaan oppakken. Bovendien heeft verdachte tegenover het hof verklaard dat hij op dat moment nog helemaal niet wist dat zijn broer vanwege diens leeftijd een hogere straf dan hijzelf kon krijgen.

Uit het vorenstaande blijkt dat [slachtoffer] op 10 januari 2021 door [medeverdachte] is geslagen, geschopt en uiteindelijk gewurgd. Nu het hof heeft geconcludeerd dat verwurging de doodsoorzaak is, volgt daaruit dat [medeverdachte] degene is geweest die [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Met de verdediging, advocaat-generaal en de rechtbank is het hof van oordeel dat geen sprake is van voorbedachte raad zodat van dat deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Daarmee staat voor het hof vast dat [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] .

Om verdachte vervolgens als medepleger van deze opzettelijke levensberoving van [slachtoffer] te kunnen aanmerken, dient zijn aandeel aan het delict van voldoende gewicht te zijn.

Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte óók geweldshandelingen heeft verricht jegens [slachtoffer] , namelijk dat hij haar heeft getrapt. Verdachte heeft dit immers kort na het gebeuren aan meerdere personen verteld via berichten op zijn telefoon. Het hof acht die berichten redengevend voor het bewijs dat verdachte, naast [medeverdachte] , ook opzettelijk geweldshandelingen heeft verricht jegens [slachtoffer] . Verdachte heeft voorts geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven voor het versturen van deze berichten. Verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de in ernst oplopende geweldshandelingen jegens [slachtoffer] . Voorts blijkt uit het voorgaande dat verdachte en [medeverdachte] een dag van te voren samen het plan hadden gemaakt om de confrontatie met [slachtoffer] aan te gaan en haar zo nodig met geweld tot de orde te roepen, vervolgens samen met [slachtoffer] naar de plaats delict zijn gereden en de hele tijd samen op de plaats delict zijn gebleven. Uit het voorgaande volgt ook dat, nadat [medeverdachte] de eerste klappen aan [slachtoffer] had gegeven, verdachte en [medeverdachte] samen geweldshandelingen hebben verricht jegens [slachtoffer] en dat verdachte vervolgens niet heeft ingegrepen toen [medeverdachte] [slachtoffer] om het leven heeft gebracht door verwurging, terwijl verdachte daartoe wel de tijd en de gelegenheid heeft gehad en dat ook van hem gevergd kon worden. Vervolgens heeft [medeverdachte] het lichaam van [slachtoffer] naar de sloot versleept, haar lichaam daarin geduwd en haar lichaam afgedekt met bladeren/riet/maaiafval. Daarbij heeft verdachte geholpen door [medeverdachte] eenmaal riet/maaiafval aan te geven zoals door hemzelf is verklaard. Daarna zijn [medeverdachte] en verdachte er samen als een speer vandoor gegaan op de scooter, hetgeen duidt op vluchtgedrag, en hebben zij samen de scooter en hun schoenen schoongespoten bij een tankstation.

Op grond van de in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, in hun onderling verband en samenhang bezien, oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering en dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte volgt dat hij zowel opzet had op de samenwerking met [medeverdachte] als op de dood van [slachtoffer] . Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van doodslag bewezen.

Het hof merkt daarbij nog op dat is tenlastegelegd dat samendrukkend en/of stomp-botsend geweld is uitgeoefend jegens [slachtoffer] . Het hof begrijpt in dit verband onder stomp-botsend geweld ook schoppen en/of trappen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde wordt het verweer van de verdediging eveneens verworpen. Uit het definitieve sectierapport van 30 april 2021 blijkt dat het overlijden goed verklaard kan worden door (samen)drukkend geweld op de hals, zoals verwurging met de handen. Voorts heeft de patholoog geconcludeerd dat het aantreffen van de bevindingen veel waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat [slachtoffer] overleden was toen zij te water raakte dan dat zij nog leefde toen zij te water raakte. De verbale term “veel waarschijnlijker” betekent dat het 100 tot 10.000 keer waarschijnlijker is, hetgeen naar het oordeel van het hof een substantiële bewijskracht is. Voorts blijkt uit voornoemd rapport dat [slachtoffer] meerdere krasletsels had die passen bij postmortaal oplopen, zoals door bijvoorbeeld versleept worden over een onregelmatige ondergrond. Aan de flank links waren vier onderhuidse bloeduitstortingen die passen bij postmortaal oplopen en goed kunnen passen bij ontstaan door een (samen)drukkende krachtsinwerking, zoals bijvoorbeeld door stevig vastnemen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het voldoende wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] al overleden was voordat zij te water raakte. Er kan aldus wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] een lijk heeft weggevoerd en verborgen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, zoals deze later in een eventuele aanvulling op dit arrest uitgewerkt zullen worden, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.primairhij op 10 januari 2021 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door het uitoefenen van samendrukkend en/of stomp-botsend geweld op het (linker)oog en/of het jukbeen en/of het (linker)oor en/of de lip(pen) en/of de kin en/of de onderkaak en/of het gelaat, althans het hoofd, en/of de hals en/of het/de sleutelbeen(deren) en/of de schouder(s) en/of de hand(en) en/of de arm(en) en/of het/de (onder)be(e)n(en) en/of de schaamlip(pen), althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer]

2.hij op 10 januari 2021 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een ander een lijk, te weten het stoffelijk overschot van een overledene, in leven genaamd [slachtoffer] , heeft weggevoerd en verborgen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen door het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op een afgelegen stuk in het water te leggen en het stoffelijk overschot te bedekken met bladeren en/of riet en/of maaiafval.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

een lijk wegvoeren en verbergen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met zijn broer op zondag 10 januari 2021 te [plaats 2] de 14-jarige [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd door haar te slaan, te schoppen en uiteindelijk te wurgen. Zijn broer heeft daarna haar lichaam naar een sloot gesleept en haar bedekt met bladeren en riet om dit feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen. Verdachte en zijn broer hebben daarmee het leven, het meest kostbare bezit dat een mens bezit, ontnomen aan een jong meisje, dat nog bijna een heel leven voor zich had. Dit getuigt van grove minachting voor het leven van een ander. Daarbij komt dat dit op gruwelijke wijze is gebeurd gelet op het sectieverslag van de patholoog waaruit volgt dat [slachtoffer] voor haar dood ernstig is mishandeld.

Het leed dat hiermee aan de ouders, het broertje, de familie en vrienden van [slachtoffer] is toegebracht, is bijzonder groot. Uit de indrukwekkende slachtofferverklaringen van de ouders en het broertje van [slachtoffer] die zij ter terechtzitting van het hof hebben voorgedragen, blijkt hoe groot de impact van deze misdaad op hun leven is. Niet alleen hebben zij hun dierbare dochter en zus verloren, ook moeten zij leven met de wetenschap dat [slachtoffer] op een zeer gewelddadige manier om het leven is gebracht en de laatste momenten van haar leven bijzonder beangstigend moeten zijn geweest. Hoewel verdachte ter zitting van het hof meer openheid heeft gegeven over wat zich in die laatste momenten van het leven van [slachtoffer] heeft afgespeeld, blijven er veel vragen over. Vragen waar de nabestaanden waarschijnlijk nooit een antwoord op zullen krijgen en waarmee zij de rest van hun leven moeten leren leven hetgeen de verwerking van de dood van [slachtoffer] bemoeilijkt. Tevens heeft de doodslag op [slachtoffer] de rechtsorde ernstig geschokt en het veiligheidsgevoel in [plaats 2] , maar ook daarbuiten, aangetast.

Op dergelijk ernstige feiten kan, ook al had verdachte tot aan het plegen van deze feiten een blanco strafblad en gelet op het advies verdachte het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen, welk advies het hof volgt, niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een jeugddetentie van maximale duur. Nu verdachte ten tijde van het plegen van de feiten 15 jaar oud was, betreft dit op grond van artikel 77i van het Wetboek van Strafrecht een jeugddetentie van 12 maanden. Een jeugddetentie van deze duur acht het hof passend en geboden. De tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest zal daarop in mindering worden gebracht.

Oplegging van PIJ-maatregel

Door dr. R.F. Ferdinand, kinder- en jeugdpsychiater en drs. T. Smits, GZ-psycholoog, is een gedragskundig onderzoek ingesteld omtrent de persoon van de verdachte. Het door hen opgestelde rapport d.d. 30 juni 2021 houdt onder meer het volgende in.

Bij verdachte is sprake van complexe problematiek die zich in classificerende zin laat omschrijven als een normoverschrijdend-gedragsstoornis, ADHD, zwakbegaafdheid, een communicatiestoornis (een vermoedelijke taalstoornis, gepaard gaand met stotteren), een stoornis in cannabisgebruik en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling.

Gezien de langere duur van problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling, waaronder problemen met de agressieregulatie, impulsiviteit, mentaliseren (het woorden geven aan gedachten en gevoelens van jezelf en van anderen), gebrekkig empathisch vermogen, prikkelzoekend gedrag, een lacunair geweten, en antisociale cognities, kan gesproken worden van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Hierbij valt op dat er niet alleen sprake is van een antisociale kant, maar ook van een kwetsbare kant, waarin enkele narcistische en borderline kenmerken zichtbaar zijn. Het zelfgevoel is fragiel. Verdachte is gemakkelijk te krenken en gevoelig voor afwijzing. Om het lage zelfgevoel te compenseren lijkt hij zich een agressieve kant te hebben aangemeten. Hij is op zoek naar status en erkenning; door een dominante en intimiderende houding aan te nemen, kan hij aantasting van zijn zelfgevoel voorkomen.

Het is aannemelijk dat de pathologie van verdachte heeft doorgewerkt in zijn handelen gedurende het tenlastegelegde. Onderzoekers adviseren hem daarom het tenlastegelegde in een verminderde mate toe te rekenen.

Er is voorts sprake van een hoog recidiverisico, bij een jongen die zich weinig laat leiden door (gebrekkig ontwikkelde) empathische vermogens en die zich weinig laat remmen als gevolg van een lacunair geweten en gebrek aan gevoelens van schuld of schaamte. Als de spanning oploopt, kan hij gekrenkt, impulsief en agressief reageren. Terwijl hij zich binnen het gezin van herkomst relatief prosociaal opstelde, en daarbinnen relatief goed reageerde op de betrokkenheid van ouders, was hij daarbuiten een andere, meer antisociale jongen, die zich weliswaar liet coachen door een coach, maar zich desondanks bleef inlaten met antisociale jongeren, en die grote moeite had om zich in sociaal opzicht aan te passen, en bij oplopende spanning niet agressief of tegen de regels in te reageren. Dit leidde uiteindelijk tot het onderhavige tenlastegelegde. Tijdens het observatieonderzoek valt daarbij op dat verdachte geen berouw laat zien ten aanzien van het slachtoffer. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat verdachte inmiddels meer vat heeft op zijn agressie en dat hij zijn agressie bij krenking inmiddels in de hand heeft. Hierbij komt dat hij nog steeds veel antisociale cognities heeft, en dus de noodzaak tot gedragsverandering slechts in zeer beperkte mate onderkent. De interne motivatie voor behandeling is dus beperkt. Dit leidt ertoe dat het hoge recidiverisico niet anders kan worden beteugeld dan door plaatsing in een setting met een hoog beveiligingsniveau. Immers, als verdachte in een ambulante setting zou worden behandeld, dan zou de externe beveiliging die nodig is om het recidiverisico te beperken niet intensief genoeg zijn, en zou het recidiverisico onacceptabel hoog worden. Verdachte beschikt over onvoldoende zelfcontrole waardoor de kans op een agressieve impulsdoorbraak hoog is. Hierbij komt nog dat de behandelduur naar verwachting langer dan twee jaar zal zijn. Op basis van bovengenoemde redenering – het hoge recidiverisico op een (ernstig) geweldsdelict, de verwachte behandelduur en de noodzaak tot een hoog beveiligingsniveau – adviseren onderzoekers een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel aan verdachte op te leggen.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) van 18 november 2021 blijkt dat de RvdK zich kan vinden in het beeld dat van verdachte is geschetst in de voornoemde Pro Justitia Rapportage. De RvdK schrijft dat duidelijk is dat sprake is van ernstige en complexe problematiek bij verdachte, die vraagt om langdurige en stabiele behandeling. Ondanks het feit dat verdachte in het verleden binnenshuis redelijk goed functioneerde, liet hij met name buitenshuis in toenemende mate agressieve uitbarstingen zien en ontstonden er steeds meer zorgen over zijn gedrag. De RvdK kan zich dan ook vinden in het advies tot een PIJ-maatregel. Hoewel de RvdK beseft dat een PIJ-maatregel de zwaarst denkbare maatregel is, vindt de RvdK behandeling vanuit een PIJ-maatregel passend. Het doet recht aan de problematiek van verdachte. Daarnaast biedt de behandelsetting van de PIJ het hoogst mogelijke beveiligingsniveau. Dit is noodzakelijk omdat de kans op recidive hoog is en vanuit deze setting verdachte stap voor stap verantwoord kan terugkeren in de maatschappij. De setting van de huidige JJI past goed bij verdachte, vanwege zijn kleinschaligheid, de beperkte prikkels en omdat verdachte hier niet hoeft op te boksen tegen groepsgenoten.

De vertegenwoordiger van de RvdK die ter terechtzitting van het hof is gehoord, heeft aangegeven dat zij thans nog steeds achter het advies staat om een onvoorwaardelijke PIJmaatregel aan verdachte op te leggen. Ook de vertegenwoordiger van de jeugdreclassering die ter terechtzitting van het hof is gehoord, heeft verklaard geen reden te zien om af te wijken van het uitgebreide advies van de gedragsdeskundigen.

Het hof neemt voornoemde conclusies van de gedragsdeskundigen over en rekent de verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate toe.

Voorts onderschrijft het hof de conclusie van de gedragsdeskundigen over de noodzaak van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De verdachte is het meest gebaat bij een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel en het hof acht, gelet op de ernstige problematiek bij verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde en het hoge recidiverisico, geen andere setting denkbaar waarbinnen behandeling van de verdachte met perspectief op succes kan plaatsvinden. Het hof merkt daarbij nog op dat aan de wettelijke vereisten voor oplegging van een PIJ-maatregel is voldaan: bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, het feit waarvoor de maatregel wordt opgelegd betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist de oplegging van de maatregel en de maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

Het hof overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande (vader)]

De benadeelde partij [nabestaande (vader)] (de vader van [slachtoffer] ) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde. Deze vordering bedraagt € 317.879,89, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de volgende posten:

kosten lijkbezorging ad € 7.879,89 (bestaande uit kosten uitvaartverzorging, gedenksteen, twee urnen en armband met as, notariskosten, bloemen uitvaart en bloemen januari 2021 t/m augustus 2021);

materiële shockschade (inkomensderving) ad € 250.000,-;

reiskosten ad € 45,50;

affectieschade ad € 20.000,-;

immateriële shockschade ad € 40.000,-.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk (hoofdelijk) toegewezen tot een bedrag van € 27.008,73, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 7.008,73 aan materiële schadevergoeding (bestaande uit kosten uitvaartverzorging, gedenksteen, twee urnen en armband met as, bloemen uitvaart, bloemen januari en reiskosten) en een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding wegens affectieschade. De vordering met betrekking tot de immateriële shockschade ad € 40.000,- is door de rechtbank afgewezen. Voor het overige (te weten: de notariskosten, kosten voor bloemen vanaf februari en de materiële shockschade) is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en daarbij haar vordering gematigd in die zin dat de vordering niet wordt gehandhaafd voor wat betreft de notariskosten en de kosten voor bloemen vanaf februari 2021. Voor het overige heeft de benadeelde partij de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Voor wat betreft de materiële shockschade is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren omdat deze vordering thans nog niet kan worden onderbouwd.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande (moeder)]

De benadeelde partij [nabestaande (moeder)] (de moeder van [slachtoffer] ) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde. Deze vordering bedraagt € 60.045,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de volgende posten:

reiskosten ad € 45,50;

affectieschade ad € 20.000,-;

immateriële shockschade ad € 40.000,-.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk (hoofdelijk) toegewezen tot een bedrag van € 20.045,50, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 45,50 aan materiële schadevergoeding wegens reiskosten en een bedrag van € 20.000,- wegens affectieschade. De vordering met betrekking tot de immateriële shockschade ad € 40.000,- is door de rechtbank afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande (broertje)]

De benadeelde partij [nabestaande (broertje)] (het broertje van [slachtoffer] ) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde. Deze vordering bedraagt € 57.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de volgende posten:

affectieschade ad € 17.500,-;

immateriële shockschade ad € 40.000,-.

De vordering met betrekking tot de immateriële shockschade ad € 40.000,- is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij is voor wat betreft de gevorderde affectieschade niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [nabestaande (vader)] , [nabestaande (moeder)] en [nabestaande (broertje)] hoofdelijk zal toewijzen, behalve voor wat betreft de door [nabestaande (vader)] gevorderde inkomensderving. De advocaatgeneraal heeft gevorderd dat voornoemde benadeelde partij voor dat gedeelte nietontvankelijk in de vordering zal worden verklaard. De advocaat-generaal heeft verder gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd, waarbij het aantal dagen gijzeling zal worden bepaald op nul dagen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het primaire standpunt gesteld dat de vorderingen vanwege de bepleite vrijspraak niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor wat betreft de shockschade niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. De gevorderde affectieschade van [nabestaande (broertje)] kan wettelijk gezien niet worden toegewezen nu de hardheidsclausule niet van toepassing is op broer-zus relaties behoudens zeer uitzonderlijke gevallen. De verdediging heeft aangegeven dat indien het hof tot een bewezenverklaring komt zij zich kan vinden in de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Het oordeel van het hof

Materiële schade

Het hof is van oordeel dat de door [nabestaande (vader)] en [nabestaande (moeder)] gevorderde materiële schade, respectievelijk ten bedrage van € 7.008,73 en € 45,50, voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde onder 1 primair bewezenverklaarde, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De materiële schadeposten zijn niet inhoudelijk door de verdediging weersproken en het hof acht de vorderingen op deze punten derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Affectieschade

De door [nabestaande (vader)] en [nabestaande (moeder)] gevorderde affectieschade ad € 20.000,- komt eveneens voor vergoeding in aanmerking. Deze schade is voldoende aannemelijk geworden en staat in zodanig verband met het door verdachte gepleegde onder 1 primair bewezenverklaarde, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Deze schadepost is eveneens niet inhoudelijk door de verdediging weersproken en het hof acht de vorderingen op dit punt derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Door [nabestaande (broertje)] , het broertje van [slachtoffer] , is eveneens affectieschade gevorderd waarbij een beroep is gedaan op de hardheidsclausule van artikel 6:108, lid 4, sub g, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

In artikel 6:108, lid 3, BW is bepaald dat de aansprakelijke verplicht is tot vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden. In lid 4 worden broers en zussen niet direct als naaste in de zin van artikel 6:108, lid 3, BW aangemerkt. In lid 4 sub g wordt echter wel vermeld dat als ‘naaste’ wordt aangemerkt een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt. Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat het mogelijk heeft gemaakt dat affectieschade aan nabestaanden wordt toegekend, volgt dat voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking een hechte affectieve relatie dient te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.

Het hof is van oordeel dat tussen [slachtoffer] en [nabestaande (broertje)] sprake was van een dergelijke hechte affectieve relatie en dat aldus uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat [nabestaande (broertje)] als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 3 BW dient te worden aangemerkt. Daartoe overweegt het hof dat tussen [slachtoffer] en [nabestaande (broertje)] een gering leeftijdsverschil bestond, dat zij opgroeiden in hetzelfde gezin en dat zij op het moment van het overlijden van [slachtoffer] in dezelfde woning woonden, samen met hun ouders. Voorts waren zij beide jonge mantelzorgers voor hun moeder, hetgeen voor extra gehechtheid heeft gezorgd. Het hof acht de vordering van [nabestaande (broertje)] voor wat betreft de affectieschade derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Shockschade

Door de benadeelde partijen is naast affectieschade ook shockschade ad € 40.000,- gevorderd. Namens de benadeelde partijen is daartoe door mr. Jager aangevoerd dat bij de benadeelde partijen sprake is geweest van een hevige emotionele schok door directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het feit. De benadeelde partijen zijn aanwezig geweest nabij de plaats delict relatief kort nadat het feit zich had voltrokken, terwijl zij op dat moment geen contact konden krijgen met hun dochter [slachtoffer] . Van de vader van verdachte en medeverdachte hoorden zij dat er een lichaam was aangetroffen dat zij een enkellaarsje hadden gezien dat voldeed aan de beschrijving van de laarsjes die [slachtoffer] die dag droeg. De benadeelde partijen hadden bij het horen van deze mededeling meteen het vermoeden dat het [slachtoffer] moest zijn. De ouders van [slachtoffer] hebben diezelfde nacht hun dochter geïdentificeerd in het mortuarium. [nabestaande (broertje)] heeft zijn zus later gezien in het mortuarium. Toen zij het lichaam van [slachtoffer] terugkregen na de sectie, werden zij geconfronteerd met het ernstige letsel van [slachtoffer] over haar hele lichaam. Ook daarna werden zij via de politie dan wel via de media geconfronteerd met soms gruwelijke feiten met betrekking tot de wijze waarop [slachtoffer] is gedood. De confrontatie met het lichaam van hun dochter en zus en de beelden en geluiden die zich in de hoofden van de benadeelden hebben gevormd, hebben geleid tot een diagnose die binnen de DSM-5 wordt geclassificeerd als een posttraumatische stressstoornis. Gelet daarop dient de shockschade te worden toegewezen.

Mr. Jager heeft betoogd dat in de rechtswetenschappelijke literatuur, uit een conclusie van advocaten-generaal Spronken en Lindenbergh en uit zeer recent verschenen jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de restrictieve uitleg van de rechtbank in deze zaak niet langer houdbaar is.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

In zijn arrest van 28 juni 2022 overweegt de Hoge Raad onder meer het volgende:

“3.4 Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden - ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. […]

3.5

Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:

- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.

- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.

- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.

3.6

De feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.”

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat in onderhavige zaak niet is voldaan aan het confrontatievereiste. Het hof stelt in dit verband vast dat de nabestaanden in deze zaak niet direct getuige zijn geweest van het aan [slachtoffer] toegebrachte leed. Zij zijn pas enige tijd later geconfronteerd met het levenloze lichaam van hun dochter en zus. Deze confrontatie was voorts niet onverhoeds. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat gevallen waarin een ruimere uitleg is gegeven aan het confrontatievereiste zich niet laten vergelijken met de confrontatie in de onderhavige zaak. Daarmee wil het hof op geen enkele wijze miskennen dat het aanschouwen van het levenloze lichaam van hun dochter en zus in het mortuarium en daarna in combinatie met de overige omstandigheden die door de benadeelde partijen zijn aangevoerd, een zeer schokkende gebeurtenis moet zijn geweest. Aan de vereisten voor het toekennen van shockschade is echter naar het oordeel van het hof niet voldaan. Het hof zal de benadeelde partijen daarom ten aanzien van de gevorderde shockschade nietontvankelijk in de vordering verklaren.

Wettelijke rente, hoofdelijkheid, kostenveroordeling en schadevergoedingsmaatregel

Indien het hof de vorderingen tot schadevergoeding geheel of ten dele toewijst, zal het hof daarbij tevens de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum waarop de schade is

ingetreden. Nu dit moment voor de opgevoerde schadeposten verschilt, zal het hof de

wettelijke rente per schadepost vaststellen.

Verdachte heeft het bewezenverklaarde feit samen met een ander gepleegd en zij zijn naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen indien zijn medeverdacht deze al heeft betaald, en andersom.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof zal de gijzeling daarbij bepalen op nul dagen, zoals binnen het jeugdstrafrecht gebruikelijk is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande (vader)]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande (vader)] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 27.008,73 (zevenentwintigduizend acht euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 7.008,73 (zevenduizend acht euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande (vader)] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 27.008,73 (zevenentwintigduizend acht euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 7.008,73 (zevenduizend acht euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

- 3 februari 2021 over een bedrag van € 140,00

- 16 februari 2021 over een bedrag van € 5.858,23

- 29 maart 2021 over een bedrag van € 500,00

- 4 november 2021 over een bedrag van € 45,50

- 12 november 2021 over een bedrag van € 465,00

en van de immateriële schade op 10 januari 2021.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande (moeder)]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande (moeder)] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.045,50 (twintigduizend vijfenveertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 45,50 (vijfenveertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande (moeder)] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.045,50 (twintigduizend vijfenveertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 45,50 (vijfenveertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

4 november 2021 en van de immateriële schade op 10 januari 2021.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande (broertje)]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande (broertje)] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande (broertje)] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op

10 januari 2021.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,

en op 20 juli 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature