< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Het veroorzaken van een verkeersongeval door schuld van verdachte waarbij lichamelijk letsel is ontstaan. Verdachte reed op 16 april 2019 over A2 met een snelheid van ongeveer 200 kilometer per uur terwijl hij onder invloed was van alcohol. Verdachte heeft daarbij slalommend door het verkeer gereden, dicht achter andere verkeersdeelnemers gereden en rechts ingehaald. Verdachte is vervolgens de controle over zijn voertuig kwijtgeraakt en is gebotst tegen de auto van het slachtoffer, die daardoor drie ribfracturen heeft opgelopen.

De voornoemde omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof de kwalificatie dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Het hof legt aan verdachte een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van 2 jaren op. Verder legt het hof aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden op.

Uitspraak



Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001084-21

Uitspraak d.d.: 28 januari 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 25 februari 2021 met parketnummer 16-094012-19 in de strafzaak tegen

[Voornamen & achternaam verdachte],

geboren op [geboortedatum, -plaats & -land],

wonende aan de [woonadres verdachte].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 januari 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J. Velthoven, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor – kort gezegd – het culpoos veroorzaken van een verkeersongeval en het rijden onder invloed van alcohol. Daarvoor heeft de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twee jaren opgelegd.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. Primair

hij, op of omstreeks 16 april 2019, te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de rijksweg A2, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- na voorafgaand gebruik van alcohol en/of

- met een (zeer) hoge snelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was en/of

- (vervolgens) van rijstrook te wisselen en/of te gaan wisselen en/of de afslag te nemen en/of

- (daarbij) in onvoldoende mate op het overige verkeer te letten en/of te blijven letten en/of

- (daarbij) zijn voertuig onvoldoende onder controle te houden, althans niet met de nodige voorzichtigheid te besturen en/of met een (stuur)beweging naar links (gezien vanuit de rijrichting van verdachte) met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig terecht te komen/te sturen op/naar de voor hem, verdachte links gelegen rijstrook (terwijl zich op die rijstrook een ander motorrijtuig bevond) en/of

- (vervolgens) te botsen en/of in aanrijding te komen met voornoemd motorrijtuig,

waardoor een ander, te weten [naam slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerderegebroken ribben en/of een bloeduitstorting op de lever, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 , dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

1. Subsidiair

hij, op of omstreeks 16 april 2019, te Vianen, gemeente Vijffieerenlanden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de rijksweg A2

- na voorafgaand gebruik van alcohol en/of

- met een (zeer) hoge snelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was en/of

- (vervolgens) van rijstrook is gewisseld en/of is gaan wisselen en/of de afslag heeft genomen en/of

- (daarbij) in onvoldoende mate op het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten en/of

- (daarbij) zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans niet met de nodige voorzichtigheid heeft bestuurd en/of met een (stuur)beweging naar links (gezien vanuit de rijrichting van verdachte) met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig terecht is gekomen/heeft gestuurd op/naar de voor hem, verdachte links gelegen rijstrook (terwijl zich op die rijstrook een ander motorrijtuig bevond) en/of

- (vervolgens) is gebotst en/of in aanrijding is gekomen met voornoemd motorrijtuig,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd;

2.

hij, op of omstreeks 16 april 2019, te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 , 310 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze – in geval van bewezenverklaring – verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Door en namens verdachte is aangevoerd dat het rijgedrag van verdachte voorafgaand aan het verkeersongeval niet kan worden gekwalificeerd als roekeloos of zeer onvoorzichtig en/of onoplettend. Daartoe is aangevoerd verdachte weliswaar onder invloed was van alcohol en erg hard heeft gereden, maar dat dit op een breed stuk van de rijksweg A2 is geweest en dat voor overig (ernstig) gevaarlijk verkeersgedrag onvoldoende betrouwbaar bewijs aanwezig is.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank op dit punt kan worden gevolgd.

Het hof is uitgegaan van de in bijlage I bij dit arrest opgenomen bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt ten aanzien van de gradatie van culpa als volgt.

Van roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) in verbinding met artikel 175, tweede lid WVW 1994 (oud) is sprake indien zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Of sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid WVW 1994 (oud) zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval.

Bij de vraag of sprake is van 'schuld' aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Voor de schuldvorm 'roekeloosheid' geldt op zichzelf hetzelfde. Daarbij dient echter te worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als “de zwaarste vorm van het culpose delict” wordt aangemerkt die onder meer tot een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid.

Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, als zwaarste vorm van schuld, grenzend aan opzet, bepaaldelijk eisen worden gesteld. Dat geldt meer in het bijzonder voor de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in artikel 175, derde lid WVW 1994 (oud) omschreven gedragingen, nu die gedragingen (zelfstandige) grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum. Uit de bestendige rechtspraak van de Hoge Raad (zie o.m. Hoge Raad 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:470, NJ 2014/220) volgt bovendien dat van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, culpavorm slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 16 april 2019 gedurende enige tijd en over een langere afstand over de rijksweg A2 heeft gereden met een zeer hoge snelheid, van rond de 200 kilometer per uur, terwijl op de locatie waar het verkeersongeval uiteindelijk heeft plaatsgevonden 100 kilometer per uur is toegestaan. Op een locatie als de plaats van het ongeval, waar verkeer nabij een afslag op vier rijstroken naast elkaar rijdt, is het onverantwoord om deze te benaderen met de snelheid waarmee verdachte reed. Voorts reed verdachte na het gebruik van meerdere alcoholische consumpties (310 µg/l). Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol het reactievermogen van een verkeersdeelnemer nadelig beïnvloedt. Daarbij komt dat verdachte zich al slalommend door het verkeer heeft begeven, zeer dicht achter een ander voertuig heeft gereden en in strijd met het bepaalde in artikel 11 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, rechts heeft ingehaald. Zelfs pogingen van getuige [naam getuige 1], één van zijn passagiers, om verdachte tot meer normconform verkeersgedrag te manen hebben niet mogen baten. Uit de verklaringen van getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] in samenhang bezien met de bevindingen van de verkeersongevalsanalyse, volgt dat verdachte op enig moment tijdens deze rit de controle over zijn voertuig is verloren en dat zijn Volkswagen Golf vervolgens tegen de Alfa Romeo Mito van slachtoffer [naam slachtoffer] is gebotst. [Naam slachtoffer] heeft daardoor drie ribfracturen opgelopen en heeft daarvan zes tot zeven weken moeten herstellen, gedurende welke tijd hij zijn normale bezigheden niet heeft kunnen uitoefenen.

Uit het voorgaande blijkt dat het verkeersgedrag van verdachte in de kern heeft bestaan uit de in artikel 175, derde lid WVW 1994 (oud) omschreven gedragingen. Hoewel het gedrag van verdachte neigt naar roekeloosheid, is het hof – in het licht van hetgeen hiervoor is opgemerkt over de bestendige jurisprudentie ten aanzien van roekeloosheid als bedoeld in artikel 175, tweede lid WVW 1994 (oud) – van oordeel dat het onvoldoende is om te komen tot roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid WVW 1994 (oud). Het hof zal verdachte daarom van dat onderdeel vrijspreken. De voornoemde omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof wel de kwalificatie dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Daarmee is sprake van 'schuld' aan ontstaan van het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 .

Het hof komt daarmee tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde, in eendaadse samenloop begaan met het onder 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Op grond van de bewijsmiddelen, zoals die zijn opgenomen in bijlage I bij dit arrest en waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. Primair

hij, op of omstreeks 16 april 2019, te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de rijksweg A2, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- na voorafgaand gebruik van alcohol; en/of

- met een (zeer) hoge snelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur en/of gelet op de situatie ter plaatse verantwoord was; en/of

- (vervolgens) van rijstrook te wisselen en/of te gaan wisselen en/of de afslag te nemen; en/of

- (daarbij) in onvoldoende mate op het overige verkeer te letten en/of te blijven letten; en/of

- (daarbij) zijn voertuig onvoldoende onder controle te houden, althans niet met de nodige voorzichtigheid te besturen en/of met een (stuur)beweging naar links (gezien vanuit de rijrichting van verdachte) met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig terecht te komen/te sturen op/naar de voor hem, verdachte, links gelegen rijstrook (terwijl zich op die rijstrook een ander motorrijtuig bevond); en/of

- (vervolgens) te botsen en/of in aanrijding te komen met voornoemd motorrijtuig;

waardoor een ander, te weten [naam slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere gebroken ribben en/of een bloeduitstorting op de lever, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet ;

2.

hij, op of omstreeks 16 april 2019, te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 , 310 microgram , in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de ze wet.

en

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (310 microgram).

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twee jaren.

Door en namens verdachte is in de kern verzocht om matiging van de door de rechtbank opgelegde straf. Reden daarvoor is dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte ten positieve zijn gewijzigd. Voorts is verzocht om niet te rigide om te gaan met de bewezen verklaarde culpa-gradatie en het daaraan gekoppelde oriëntatiepunt voor straftoemeting. Verzocht is om oplegging van een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is verzocht om een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twee jaren, althans ten hoogste een onvoorwaardelijke ontzegging voor de duur van zes maanden op te leggen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen.

Op 16 april 2019 is op de rijksweg A2 een verkeersongeval veroorzaakt door verdachte. Verdachte heeft met veel te hoge snelheid tot rond de 200 kilometer per uur en onder invloed van teveel alcohol zeer gevaarlijk verkeersgedrag laten zien, door onder meer rechts in te halen, dicht op een ander voertuig te rijden en de controle over zijn voertuig kwijt te raken. Verdachte heeft daarbij zelfs waarschuwingen van één van zijn passagiers in de wind geslagen. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een aanrijding met het slachtoffer, dat daardoor letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot tijdelijke verhindering zijn normale bezigheden uit te voeren. Dat de gevolgen van verdachtes rijgedrag uiteindelijk zijn meegevallen is niet te danken aan verdachte maar lijkt een kwestie van geluk te zijn geweest. Het hof rekent het verdachte aan dat hij zich op deze ernstige wijze heeft misdragen in het verkeer. Dergelijk onbeschoft verkeersgedrag druist in tegen alle normen die plegen te worden bijgebracht tijdens een rijopleiding met het oog op het belangrijkste beginsel in het verkeersrecht: de (verkeers)veiligheid. Dit gedrag verdient daarom scherpe afkeuring, hetgeen mede tot uitdrukking komt in het strafmaximum dat de wet kent voor overtreding van artikel 6 WVW 1994 in verhouding tot andere delicten en mede blijkt uit de voor dit type zaken in de oriëntatiepunten voor straftoemeting opgenomen uitgangspunten.

Het hof heeft in dat kader acht geslagen op het oriëntatiepunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij de verdachte onder invloed van minder dan 570 µg/l alcohol verkeerde en waarbij aan het slachtoffer lichamelijk letsel is toegebracht, terwijl de mate van schuld als 'zeer hoger mate van schuld' kan worden aangemerkt. Dit oriëntatiepunt neemt als uitgangspunt voor de strafoplegging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twee jaren. Het hof acht dit uitgangspunt passend en geboden voor dergelijk ernstig verwerpelijk verkeersgedrag.

In het strafblad van verdachte, waaruit niet blijkt van relevante recente veroordelingen, heeft het hof geen aanleiding gezien voor strafverhoging.

Door en namens verdachte is naar voren gebracht en onderbouwd dat hij ten tijde van het ongeval in een lastige periode in zijn leven zat, hetgeen mede heeft geleid tot het verkeersgedrag. Sinds het ongeval heeft verdachte een aanzienlijke positieve ontwikkeling ondergaan. Een en ander is het hof ook gebleken uit de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapportages. Daardoor heeft verdachte een meer zelfkritische houding, hetgeen mede heeft geleid tot een meer schuldbewuste proceshouding ter terechtzitting in hoger beroep. Verdachte heeft psychologische hulp gezocht en heeft mede daardoor een andere carrière gekozen. Hij heeft een opleiding afgerond en heeft tevens een nieuwe baan gevonden. Een gevangenisstraf zal leiden tot baan- en woningverlies en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal het behoudt van zijn baan ernstig bemoeilijken. Het hof zal hiermee in strafmatigende zin rekening houden. Het hof heeft verder in strafmatigende zin rekening gehouden met het tijdsverloop sinds het feit en verdachtes meer schuldbewuste proceshouding.

Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om af te zien van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en zal de als uitgangspunt genomen gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen. Naar het oordeel van het hof noodzaakt de ernst van het verkeersgedrag, mede vanuit generaal preventief oogpunt, wel tot de oplegging van een fors ander type onvoorwaardelijke straf. Het hof zal daarom aan verdachte een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren opleggen. Tot slot overweegt het hof dat – hoewel door en namens verdachte is aangevoerd dat het openbaar vervoer geen reële transportmethode is voor het uitoefenen van zijn werk en dat hij daarvoor zijn rijbewijs nodig heeft – de ernst van het verkeersgedrag dat verdachte heeft vertoond naar het oordeel van het hof met zich brengt dat, zowel vanuit speciaal preventief als generaal preventief oogpunt, de oplegging van de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen noodzakelijk is. Het hof ziet geen redenen om op dat punt af te wijken van het hiervoor als uitgangspunt genomen oriëntatiepunt en zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twee jaren opleggen.

Samenvattend legt het hof aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twee jaren op. Voorts legt het hof aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden op met een proeftijd van twee jaren.

Beslag

Uit het politieproces-verbaal en de in het dossier gevoegde beslaglijst blijkt dat een gasbusje uit de Volkswagen Golf, een airbag van de Volkswagen Golf en een navigatiesysteem van de Volkswagen Golf in beslag zijn genomen en nog niet zijn teruggegeven.

De rechtbank Midden-Nederland heeft geoordeeld dat het gasbusje moet worden onttrokken aan het verkeer omdat het busje bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit is aangetroffen en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Voorts heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat de airbag en het navigatiesysteem moeten worden verbeurd verklaard omdat het onder 1 primair bewezenverklaarde (indirect) is begaan met die voorwerpen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis ten aanzien van het beslag.

De raadsman van verdachte heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

Het hof is van oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 116, tweede lid, aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering en gelet op de afstandsverklaring van verdachte op pagina 257 van het dossier, geen beslissing (meer) is vereist met betrekking tot het in beslag genomen gasbusje.

Ten aanzien van de airbag en het navigatiesysteem van de Volkswagen Golf komt het hof tot de conclusie dat artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht niet voorziet in een mogelijkheid tot verbeurdverklaring van deze goederen, onder meer nu zij niet toebehoren aan verdachte. Het hof zal met betrekking tot deze goederen, genoemd onder 2). en onder 3). op de aan dit arrest als bijlage II gehechte beslaglijst, de teruggave gelasten aan de eigenaar/rechthebbende.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 .

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Gelast de teruggave aan eigenaar/rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de op de aan dit arrest als bijlage II gehechte beslaglijst onder 2). en onder 3). genoemde goederen.

Aldus gewezen door

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. D. Visser en mr. M.C.J. Groothuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier,

en op 28 januari 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Bijlage I: gebezigde bewijsmiddelen

In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Midden-Nederland, genummerd PL0900-[proces-verbaalnummer], opgemaakt door [naam verbalisant], hoofdagent van politie Midden-Nederland, gesloten en getekend op 23 september 2019, doorgenummerde pagina’s 1-262:

1. een proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, genummerd [proces-verbaalnummer], opgemaakt door [namen verbalisanten], allen brigadier van politie Midden-Nederland, gesloten en getekend op 13 augustus 2019, als bijlage op pagina’s 65-102, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten:

Op pagina 68:

Op 16 april 2019 hebben wij, [namen verbalisanten], onderzoek gedaan naar een incident tussen een Volkswagen Golf, kenteken [kentekencombinatie], en een Alfa Romeo Mito, kenteken [kentekencombinatie]. Op de Rijksweg A2 was de Volkswagen Golf met de voorzijde tegen de achterzijde van de Alfa Romeo Mito gebotst.

Op pagina 71:

Het incident had plaatsgevonden op de Rijksweg A2, gelegen buiten de bebouwde kom van Vianen in de gemeente Vijfheerenlanden, tussen hectometerpaal 73.7 en 73.6. De maximum snelheid ter plaatse bedroeg 100 kilometer per uur.

Op pagina 78:

Wij, [namen verbalisanten], hebben voertuigonderzoek verricht.

Op pagina 95:

De in de airbagmodule van de Volkswagen Golf opgeslagen crash-data zijn uitgelezen. Uit de pre-crash data van de Volkswagen Golf blijkt:

 5,0 seconden voordat de airbags worden geactiveerd heeft het voertuig een snelheid van 198 kilometer per uur. Het gaspedaal is ongeveer 84% ingedrukt;

 4,0 seconden voordat de airbags worden geactiveerd is het gaspedaal niet meer ingedrukt (0%);

 3,5 seconden voordat de airbags worden geactiveerd is er een stuuruitslag van 52 graden geregistreerd. Op dit moment is de snelheid 194 kilometer per uur;

 3,0 seconden voordat de airbags worden geactiveerd is er een stuuruitslag van 90 graden in de tegengestelde richting als die van 3,5 seconden. De snelheid is dan 188 kilometer per uur. Tevens is dan de elektronische stabiliteitscontrole (ESC) geactiveerd;

 2,0 seconden voordat de airbags worden geactiveerd is het antiblokkeersysteem (ABS) in werking getreden. Omdat de ABS werd geactiveerd is de snelheid vanaf 2,0 seconden minder betrouwbaar doordat er bij deze meting wielslip is opgetreden;

 Op het moment van activeren van de airbags is de ABS niet geactiveerd en is de snelheid 120 kilometer per uur.

Op pagina 96:

Toedracht:

De bestuurder van de Alfa Romeo Mito bereed rijstrook 3 op de Rijksweg A2 en zijn snelheid bedroeg bij benadering 92 km/h. De bestuurder van de Volkswagen Golf bereed eveneens de Rijksweg A2, rijstrook 4 of de daarnaast gelegen invoeg-/uitrijstrook. De snelheid van de Volkswagen Golf bedroeg volgens de pre-crash data op 2,5 seconde voor het incident nog 168 kilometer per uur. Op 2,0 seconde voor het incident was dit nog 112 km/h. Vanaf 2,0 seconde voor het incident was ook het ABS geactiveerd. Deze grote snelheidsafname is zeer waarschijnlijk een gevolg van een in werking getreden ABS, waardoor de wielen, als gevolg van een percentage wielslip, een kleinere rotatiesnelheid hadden dan dat het voertuig zelf voortbewoog. De Volkswagen Golf is vervolgens van rechts naar links gereden en is daarbij met de linker voorzijde tegen de voorzijde van het rechter portier van de Alfa Romeo Mito gebotst. Als gevolg van de botsing is de Alfa Romeo Mito naar links weggeduwd. De Alfa Romeo Mito is, gezien de afgetekende sporen naar links weggegleden, daarbij over de rijstroken 2 en 1, alsmede over de links naast de rijbaan liggende vluchtstrook gekomen en vervolgens gebotst tegen de links van de vluchtstrook geplaatste geleiderail.

Oorzaak:

De bestuurder van de Volkswagen Golf reed sneller dan was toegestaan. Hij is daarbij mogelijk de controle over zijn voertuig verloren, waarna hij een noodremming heeft uitgevoerd en waarbij het ABS in werking is getreden. Ondanks deze noodremming kon hij, mogelijk door de hoge snelheid, niet voorkomen dat de door hem Volkswagen Golf tegen de Alfa Romeo Mito botste.

2. een proces-verbaal van verhoor getuige, genummerd [proces-verbaalnummer], opgemaakt door [naam verbalisant], hoofdagent van politie Midden-Nederland, gesloten en getekend op 18 april 2019, als bijlage op pagina’s 30-34, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van getuige [naam getuige 1]:

Op pagina 30:

Opmerking verbalisant: op 16 april 2019 bent u betrokken geweest bij een aanrijding op de A2 ter hoogte van Vianen.

Vraag verbalisant: in welk voertuig zat u die dag?

Antwoord getuige: een Volkswagen Golf, kenteken [kentekencombinatie]. Ik zat achter de bijrijder.

Vraag verbalisant: wat was de reden dat u tijdens het ongeval in dit voertuig zat?

Op pagina 31:

Antwoord getuige: [naam verdachte], de eigenaar en bestuurder van de auto, was jarig die dag. Wij zaten bij hem in de tuin (het hof begrijpt: in Culemborg). [naam verdachte] en [naam getuige 3] wilden naar Vianen om eten te halen. Ik ben toen samen met [naam verdachte] en [naam getuige 3] richting Vianen gereden.

Vraag verbalisant: met wie zat u in de auto?

Antwoord getuige: [naam verdachte] en [naam getuige 3]. [Naam verdachte] zat achter het stuur. [Naam getuige 3] zat als bijrijder en ikzelf zat achterin achter [naam getuige 3].

Vraag verbalisant: wat kunt u vertellen over de sfeer in de auto?

Antwoord getuige: vrolijk, muziek aan. Ik had het gevoel dat [naam verdachte] en [naam getuige 3] zich aan het uitsloven waren. [Naam verdachte] vertoonde roekeloos rijgedrag.

Vraag verbalisant: wat bedoel je met roekeloos rijgedrag?

Antwoord getuige: kort op iemand zitten, verkeerde kant inhalen, hard rijden en dan druk ik het nog zachtjes uit. Ik dacht op een gegeven moment 'dit gaat fout'. Ik riep een paar keer naar [naam verdachte]: 'Rijd wat langzamer, doe rustig aan'. [Naam verdachte] zei toen: 'Komt goed, komt goed.'

Vraag verbalisant: hoe lang duurde dit rijgedrag?

Op pagina 32:

Antwoord getuige: de hele rit. Vanaf het begin al. Ik waarschuwde hem meerdere keren dat hij moest uitkijken en rustiger aan moest doen. [Naam verdachte] heeft hier absoluut niet naar geluisterd.

Vraag verbalisant: vreesde je voor je leven?

Antwoord getuige: ja, door het rijgedrag van [naam verdachte] vlak voor de aanrijding. Toen [naam verdachte] slalommend van de meest linkerrijstrook de afrit wilde nemen en de auto uit balans raakte, dacht ik dat ik dood ging.

Op pagina 33:

Vraag verbalisant: hoe hard werd er gereden?

Antwoord getuige: hard. Ik heb een foto gemaakt toen wij in de auto zaten. Hierop is te zien dat wij op de A2 rijden. [Naam verdachte] zit achter het stuur en op de teller is te zien dat [naam verdachte] rond de 210 kilometer per uur rijdt.

Vraag verbalisant: Hoe is de aanrijding volgens u gebeurd?

Antwoord getuige: Doordat [naam verdachte] slalommend door het verkeer de afslag wilde nemen. Op een gegeven moment hoorde ik een klap en toen zijn we gaan schuiven.

Vraag verbalisant: is snelheid geminderd?

Antwoord getuige: [naam verdachte] heeft alleen maar plankgas gereden.

Vraag verbalisant: is er geprobeerd uit te wijken?

Antwoord getuige: nee.

3. een proces-verbaal van verhoor getuige, genummerd PL0900-2019111241-23, opgemaakt door [naam verbalisant], hoofdagent van politie Midden-Nederland, en [naam verbalisant], brigadier van politie Midden-Nederland, gesloten en getekend op 21 mei 2019, als bijlage op pagina’s 41-44, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van getuige [naam getuige 2]:

Op pagina 41:

Opmerking verbalisant: u wordt als getuige gehoord naar aanleiding van het verkeersongeval dat plaats vond op 19 april 2019 (het begrijpt dit als een kennelijke verschrijving en leest: 16 april 2019) op de A2 ter hoogte van Vianen.

Vraag verbalisant: wat was uw snelheid?

Antwoord getuige: Ik heb mijn snelheid na de toerit van de A27 laten zakken naar rond de 120 kilometer per uur omdat je daar 100 kilometer per uur mag. Voor die toerit, dus voor de snelheidsbeperking van 100 kilometer per uur, reed ik ongeveer 150-160 kilometer per uur. Een kilometer of vijf voor de aanrijding werd ik door de Volkswagen Golf ingehaald, dus waar ik 150-160 kilometer per uur reed. De Golf haalde mij links in. Wat mij opviel, toen ik hem voor het eerst in mijn binnenspiegel zag, was dat de Golf mij met hoge snelheid naderde. Ik zag het op tijd dus ben naar rechts gegaan. Nadat de Golf mij inhaalde zag ik dat deze auto wat ongecontroleerd over de weg stuiterde. Ik zei nog tegen mijn vrouw: ''dat gaat fout straks.''

Op pagina 43:

Vraag verbalisant: hoe is de aanrijding volgens u veroorzaakt?

Antwoord getuige: de Golf kreeg vrij baan en raakte uit mijn zicht. Enkele seconden later, ongeveer vierhonderd meter verder, zag ik ineens een hoop rook en stof.

Vraag verbalisant: heeft u gezien hoeveel voertuigen de Volkswagen Golf heeft ingehaald?

Antwoord getuige: Hij reed op de linkerrijstrook. Ik heb ze een paar minuten in het zicht gehad. Ik heb ook nog gezien dat hij een Audi A3 als het ware aan de kant heeft gedrukt. Daarmee bedoel ik dat de Golf erg dicht op die Audi ging rijden en zich naar links en rechts bewoog, kennelijk om aan te geven dat hij er langs wilde.

4. een proces-verbaal van verhoor slachtoffer, genummerd PL0900-2019111241-16, opgemaakt door [naam verbalisant], brigadier van politie Midden-Nederland, gesloten en getekend op 19 april 2019, als bijlage op pagina’s 52-55, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van slachtoffer [naam slachtoffer]:

Op pagina 52:

Opmerking verbalisant: op 16 april 2019 bent u betrokken geweest bij een aanrijding op de A2 ter hoogte van Vianen.

Vraag verbalisant: hoe is met u op dit moment (het hof leest: 19 april 2019)?

Antwoord slachtoffer: Relatief goed, ik heb nog een bloeding aan mijn lever en drie ribben gebroken, maar verder gaat het redelijk goed. Ik ben herstellend.

Vraag verbalisant: bent u onder behandeling geweest in een ziekenhuis?

Antwoord slachtoffer: ja, ze hebben foto’s gemaakt en pijnstilling voorgeschreven. Die pijnstilling neem ik nog steeds.

Op pagina 53:

Vraag verbalisant: in welk voertuig zat u ten tijde van het ongeval?

Antwoord slachtoffer: in een Alfa Romeo Mito, kenteken [kentekencombinatie].

Vraag verbalisant: ondervindt u momenteel hinder in uw werk of privéleven na het ongeval?

Op pagina 54:

Antwoord slachtoffer: na het ongeluk ziet mijn leven er heel anders uit. Ik heb nog zoveel pijn dat ik mijn leven niet kan leven zoals het was. Ik kan door de pijn momenteel niet autorijden en ben daardoor beperkt in mijn mobiliteit. Mijn werkzaamheden bestaan uit het bezoeken van architectenbureaus en designbureaus en dat kan ik dus niet doen.

Vraag verbalisant: hoe lang verwacht u te moeten revalideren?

Antwoord slachtoffer: de artsen hebben gezegd dat ik zes tot zeven weken moet herstellen voordat mijn ribben weer helemaal genezen zijn. Ik moet dus rust houden.

5. een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering , als bijlage gevoegd achter bewijsmiddel 4, zijnde een brief van het UMC Utrecht, afdeling traumatologie, van [naam medewerker UMC] namens prof. dr. [naam chirurg], als bijlage op pagina’s 55-56, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Op pagina 55:

Naam: [naam slachtoffer]

Bovengenoemde patiënt was opgenomen van 16 april 2019 tot en met 18 april 2019.

Op pagina 56:

Hoofddiagnose: hoogenergetisch trauma met costa (het hof leest: rib) negen tot en met elf.

6. de verklaring van verdachte ter terechtzitting bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Ik heb veel te hard en sportief gereden en ik had glaasjes wijn op. Ik had dat niet moeten doen. De elektronica in de auto heeft ook uitgewezen dat ik veel te hard heb gereden. Bij het wisselen van rijstrook raakten mijn Volkswagen Golf en de Alfa Romeo elkaar en zijn we in een slip gekomen.

7. een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering , als bijlage gevoegd achter bewijsmiddel 4, zijnde een uitslagformulier van een ademanalyseonderzoek, als bijlage op pagina 241, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Datum: 16 april 2019.

Verdachte: [naam verdachte]

Ademonderzoekresultaat: 310 µg/l.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature