< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Accijnsfraude met betrekking tot (waterpijp)tabak. Vrijspraak van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde. Veroordeling voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van opzettelijk het in artikel 5 lid 1 onder B van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Uitspraak



Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002089-19

Uitspraak d.d.: 6 mei 2022

VERSTEK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 15 april 2019 met parketnummer 08-993038-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 januari 2021 en 22 april 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte op 15 april 2019 vrijgesproken van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair

hij in of omstreeks de periode vanaf 1 januari 2018 tot en met 24 april 2018 te Heijen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoederen, te weten (ongeveer) 11.125,5 kilogram (waterpijp)tabak en/of (ongeveer) 1.085,6 kilogram (rook)tabak, althans een (grote) hoeveelheid (rook)tabak, heeft vervaardigd een accijnsgoederenplaats, die voor dat soort accijnsgoed(eren) als zodanig is aangewezen;

1. Subsidiair

hij op of omstreeks 24 april 2018 te Heijen, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoederen, te weten (ongeveer) 11.125,5 kilogram (waterpijp-)tabak en/of (ongeveer) 1.085,6 kilogram (rook)tabak, althans een (grote) hoeveelheid (rook)tabak, voorhanden heeft gehad, terwijl die tabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;

2.hij in of omstreeks de periode vanaf 1 januari 2018 tot en met 24 april 2018 te Heijen, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, waarvan verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of één of meer anderen deel uitmaakten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten - het opzettelijk vervaardigen van accijnsgoederen buiten een accijnsgoederenplaats (artikel 5 lid 1 onder a jo. artikel 97 Wet op de accijns ), en/of - het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken (artikel 5 lid 1 onder b jo. artikel 97 Wet op de accijns ).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door de advocaat-generaal gevoerde requisitoir strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende.

Op 24 april 2018 is verdachte aangetroffen in een pand in een loodsencomplex aan de [adres] in Heijen. Dit loodsencomplex bestond uit verschillende ruimten, genoemd 6A tot en met 6H. Ook bevonden zich diverse containers op het omliggende terrein. Verdachte is samen met

drie medeverdachten op de bovenverdieping van pand 6A-B aangetroffen. Op deze bovenverdieping werden kamers aangetroffen die ingericht waren als slaap- en verblijfsruimte. Eveneens bevond zich op deze verdieping een keuken met eettafel die in gebruik was blijkens de aangebroken vlaai, het verse fruit, het servies in het afdruiprek, het (verse) stokbrood op het aanrecht, de aardappelen in het krat, de gevulde vuilniszak en de verscheidene (Nederlandse) boodschappentassen die naast de koelkast lagen. Aan het einde van de gang bevond zich een deur die toegang gaf tot perceel 6C. Deze deur was slotvast afgesloten.

Op het buitenterrein van het loodsencomplex stond container 6C2 met daarin meerdere emmers met tabak. In ruimte 6H zijn pallets met vloeipapier, grondstoffen voor fabricage van sigaretten en andere goederen die worden gebruikt voor de productie van sigaretten aangetroffen. In ruimte 6C zijn pallets met blauwe emmers aangetroffen, met daarin verpakkingen met een afbeelding van een waterpijp. Achter de airco-unit in pand 6C bevond zich een verborgen ruimte waarin blauwe emmers met ruwe tabak en waterpijptabak zijn aangetroffen. In ruimte 6A-B werd op de benedenverdieping een soortgelijke blauwe ton aangetroffen, die leeg was. In pand 6F stond een machine die in verband kan worden gebracht met het maken van sigaretten.

Op de tafel in de verborgen ruimte in ruimte 6C lagen witte handschoenen. Hierop bevonden zich DNA sporen met een DNA-mengprofiel van ten minste twee personen, waaronder verdachte [verdachte] . Voorts stond op de tafel in de verborgen ruimte ook een fles San Benedetto. Hierop bevonden zich DNA sporen met een DNA-mengprofiel van twee personen, overeenkomend met de profielen van medeverdachte [medeverdachte 3] en verdachte [verdachte] . Blijkens dactyloscopisch onderzoek bevond zich op dezelfde fles een tweede spoor dat te herleiden was naar medeverdachte [medeverdachte 3] . In de ruimte is ook een masker aangetroffen. Daarop bevonden zich DNA-sporen met een DNA-mengprofiel van ten minste drie personen, waaronder een profiel overeenkomend met dat van verdachte [verdachte] . Op de heftruck die is aangetroffen in pand 6H is het DNA-mengprofiel van minimaal twee personen aangetroffen, waaronder een profiel overeenkomende met dat van verdachte [verdachte] . Op het stuur en het navigatiesysteem van de vrachtwagen die in pand 6C is aangetroffen is een afgeleid DNA-hoofdprofiel van verdachte [verdachte] aangetroffen. Op een blikje Monster Energie uit pand 6C is eveneens een DNA-profiel overeenkomend met dat van verdachte [verdachte] aangetroffen. De matchkans van deze aangetroffen DNA-profielen met de daarmee overeenkomende DNA-profielen van medeverdachte [medeverdachte 3] en verdachte [verdachte] is kleiner dan één op één miljard.

De aangetroffen waterpijptabak is door de Douane beoordeeld en hiervan is vastgesteld dat het om accijnsplichtige rooktabak gaat. Ook is gebleken dat er over deze rooktabak geen accijns was betaald en dat de locatie waar de tabak is aangetroffen geen accijnsgoederenplaats was. Het bedrag aan accijns dat verschuldigd was over deze partij waterpijptabak, het fiscaal nadeel, is berekend en vastgesteld op EUR 1.186.534,-.

Om tot bewezenverklaring te kunnen komen van de tenlastegelegde accijnsfraude, moet worden vastgesteld dat de verdachte ten eerste beschikkingsmacht had over de aangetroffen tabak en ten tweede wetenschap had van de aanwezigheid van de waterpijptabak. De verdachten zijn aangehouden in de directe nabijheid van de waterpijptabak. Een deel van de tabak stond in een 20voets zeecontainer op het terrein. Verder is op verschillende plaatsen in het loodsencomplex tabak aangetroffen en is in een afgeschermd gedeelte van één van de loodsen tabak en zijn aan tabaksproductie gerelateerde machines aangetroffen. De sleutel om vanuit het woongedeelte in het productiegedeelte te komen was in het bezit van één van de aangehouden verdachten te weten verdachte [verdachte] . De container – zo blijkt hierna – werd gehuurd door verdachte [medeverdachte 1] . Daarmee hadden alle verdachten beschikkingsmacht over de waterpijptabak, de ruwe tabak en over de machines en konden zij ook fysiek in de productieruimte komen.

De verdachten zeggen dat zij niet hebben geweten dat zij zich in een waterpijptabaksfabriek bevonden. Zij hebben allen bij de FIOD verklaard dat zij ’s ochtends vroeg op 24 april 2018 met een busje uit Polen waren gekomen om te werken en niet te weten wat voor werkzaamheden zij zouden gaan uitvoeren.

Het hof acht deze verklaringen, waaruit het gebrek aan wetenschap omtrent de productie van onveraccijnsde waterpijptabak zou moeten blijken, ongeloofwaardig.

De verklaring van verdachte [medeverdachte 1] komt erop neer dat zij op de dag van haar aanhouding, 24 april 2018, samen met haar vriend en medeverdachte [medeverdachte 3] naar Nederland is gekomen om te werken en dat zij niet wist wat voor werk ze zou gaan doen. Ze was één keer eerder in Nederland geweest. Het hof constateert dat alle personen die naar hun eigen zeggen met [medeverdachte 1] in hetzelfde busje van Polen naar Nederland hebben gezeten verschillende verklaringen hebben afgelegd als het gaat om de vraag op welke plek in het busje zij hebben gezeten. Dat maakt hun verklaringen ongeloofwaardig.

[medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat zij geld zou hebben gekregen om een schoonmaakbedrijf op naam te hebben. In het woongedeelte zijn stukken aangetroffen waaruit blijkt dat [medeverdachte 1] het Nederlandse bedrijf [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) vertegenwoordigde en [bedrijf 1] was vervolgens vanaf 1 maart 2018 huurder van de 20voets zeecontainer op het terrein van [adres] en daarnaast huurder van de ruimte aan [adres] . Opmerkelijk is daarbij dat de emmertjes die in de zeecontainer zijn aangetroffen deels doorzichtig zijn en dat de waterpijptabak zichtbaar is door de verpakking. Verder is er een huurovereenkomst aangetroffen tussen [bedrijf 2] en medeverdachte [medeverdachte 2] aangetroffen. Hierbij wordt een woning in Vlijmen door [bedrijf 2] verhuurd aan [medeverdachte 2] vanaf 1 januari 2018. [bedrijf 2] was een bij de Nederlandse Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijf van [medeverdachte 1] . Tenslotte blijkt uit het systeem Beheer Van Relaties van de Belastingdienst, dat mevrouw [medeverdachte 1] vanaf 24 april 2017 in Nederland stond

ingeschreven. In het licht van deze informatie acht het hof de verklaring van verdachte [medeverdachte 1] ongeloofwaardig.

Verdachte [medeverdachte 3] , de vriend van mevrouw [medeverdachte 1] heeft op zijn beurt ook verklaard dat hij die ochtend vanuit Polen was aangekomen in Heijen en niet wist wat voor werk hij daar zou moeten doen. Hij zou uitsluitend in de ruimte zijn geweest waar hij door de Politie is aangetroffen en niet in andere ruimten. Door de FIOD is forensisch onderzoek gedaan. Hierbij is onder meer onderzoek gedaan naar sporen die waren aangetroffen op een waterflesje dat in het verborgen deel van loods 6C lag, het deel waar de productie plaatsvond. Uit dit sporenonderzoek bleek dat de op dit flesje aangetroffen vingerafdrukken waarschijnlijk van [medeverdachte 3] zijn. Mede door deze bevinding in samenhang met de ongeloofwaardige verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] wordt de verklaring van [medeverdachte 3] zodanig weersproken dat het hof ook deze verklaring ongeloofwaardig acht.

Verdachte [verdachte] verklaarde in eerste instantie dat hij op de morgen van zijn aanhouding in Heijen was aangekomen en dat hij geen idee had wat hij daar zou gaan doen. Bij doorvragen door de FIOD bleek dat hij eerder in dit loodsencomplex in Heijen was geweest en dat hij daar toen zou hebben geschilderd en blauwe emmers op pallets had gezet. Het DNA-profiel van [verdachte] is ook aangetroffen in de loods op 6C waar ook waterpijptabak is aangetroffen. Verder verklaart verdachte in zijn eerste verhoor bij de FIOD dat hij al eerder in Polen in een illegale sigarettenfabriek heeft gewerkt. Tijdens zijn tweede verhoor bij de FIOD verklaarde hij dat hij toen in hetzelfde vertrek sliep als waar hij op 24 april is aangetroffen en via zijn slaapplaats direct toegang had tot de loods met nummer 6C. Het viel hem toen op dat de muren erg vet waren. De vetvlekken verspreidden een zoete geur, het leek op een soort olie met de kleuren van zwart, bruin, rood en oranje. Verdachte kon zich nog herinneren dat het ‘erg zoet rook’. Het hof acht de verklaring dat [verdachte] niet wist dat er waterpijptabak geproduceerd werd, in het licht van zijn eigen verklaring dat hij de aangetroffen emmers letterlijk naast de ruimte waar geproduceerd werd, heeft staan stapelen, ongeloofwaardig.

Ook verdachte [medeverdachte 2] verklaarde die ochtend vanuit Polen te zijn aangekomen en niet te weten wat hij zou gaan doen. Hij vertelde ook in zijn verhoor bij de FIOD dat hij de overige Poolse mensen met wie hij was aangehouden niet kende. In het woongedeelte van [adres] is een huurovereenkomst aangetroffen tussen [bedrijf 2] en [medeverdachte 2] , die gedateerd is op 2 januari 2018 en door verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ondertekend. Hieruit blijkt dat [medeverdachte 2] eerder in Nederland is geweest en wel degelijk verdachte [medeverdachte 1] kende. Op basis daarvan acht het hof de verklaring van [medeverdachte 2] ongeloofwaardig.

Nu uit het hiervoor besprokene blijkt dat de verdachten elkaar onderling kennen, eerder in Nederland en bij de [adres] zijn geweest en sporen hebben achtergelaten in het verborgen deel waar waterpijptabak werd geproduceerd en werd opgeslagen oordeelt het hof dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachten wetenschap hadden van de aanwezigheid van waterpijptabak.

Het hof acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachten tezamen en in vereniging opzettelijk accijnsgoederen, te weten een grote hoeveelheid waterpijptabak, voorhanden hebben gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de accijnsheffing zijn betrokken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.subsidiairhij op of omstreeks 24 april 2018 te Heijen, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoederen, te weten (ongeveer) 11.125,5 kilogram (waterpijp-)tabak en/of (ongeveer) 1.085,6 kilogram (rook)tabak, althans een (grote) hoeveelheid (rook)tabak, voorhanden heeft gehad, terwijl die tabak niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing was betrokken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk het in artikel 5 lid 1 onder B van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk overtreden van het in artikel 5 lid 1 aanhef en onder B van de Wet op de accijns opgenomen verbod tot het voorhanden hebben van accijnsgoederen, die niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing zijn betrokken. Het illegaal voorhanden hebben van accijnsgoederen verstoort de legale markt voor tabakswaren en werkt ontwrichtend op de economie en het fiscale systeem van een land. Door aldus te handelen hebben verdachte en de medeverdachten meegewerkt aan ontduiking van de accijnsverplichting voor een zeer groot bedrag, namelijk EUR 1.186.534,-. Hierdoor was sprake van oneerlijke concurrentie ten opzichte van bedrijven en handelaren die wel voldoen aan hun accijnsverplichtingen. Met het oog op de algemene volksgezondheid voert de Nederlandse overheid een actief ontmoedigingsbeleid ten aanzien van het roken van tabak, door middel van prijsverhogingen op basis van (accijns)heffingen en belastingen. Met illegale tabaksfabrieken zoals die waarin verdachten zijn aangetroffen, wordt dit beleid ondermijnd. Ten aanzien van de betrokkenheid en strafwaardigheid van het handelen van verdachte [verdachte] gaat het hof ervan uit dat hij is ingezet als arbeidskracht en zijn betrokkenheid samen met medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] geringer was dan die van verdachte [medeverdachte 1] .

Het hof stelt vast dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 maart 2022 (in Nederland) niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

De verdachte is ter zitting van de rechtbank noch ter zitting van het hof verschenen. Het hof is daarom weinig bekend over de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het hof neemt als vertrekpunt de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken met betrekking tot fraudedelicten in algemene zin. Dat betekent in het onderhavige geval bij een benadelingsbedrag van meer dan € 1.000.000,- een gevangenisstraf van ten minste 24 maanden. Het hof zal daarvan in strafmatigende zin afwijken, gelet op de duur van de bewezen gedraging, de vermoedelijke geringe mate waarin de verdachte door de overtreding voordeel heeft verkregen en de beperkte rol van de verdachte ten opzichte van zijn mededaders.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden in beginsel passend en geboden is. Voor een andere, mildere strafmodaliteit, komt verdachte, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, niet in aanmerking. Het hof houdt evenwel rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Gelet daarop zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opleggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet , dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. W.M. Weerkamp, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Janssen, griffier,

en op 6 mei 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 mei 2022.

Tegenwoordig:

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. J. van Onna, advocaat-generaal,

mr. P.T. Vissers, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature