< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

In vervolg op Hoge Raad 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1917; reikwijdte verwijzing na cassatie. Schorsing na faillissement (artikelen 25-29 Fw).

Geen dwaling bij franchiseovereenkomst op grond van omzetprognose; ook geen toerekenbare tekortkoming/onrechtmatige daad/bedrog/misleiding/onvoorziene omstandigheden/geen strijd met artikel 6 lid 1 Mededingingswet/geen strijd met de artikelen 6:233, 6:236,6:237 BW.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.277.668

(zaaknummer Hoge Raad, 18/03786, gerechtshof ’s Hertogenbosch, 200.172.806, rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, 194708, 194722 en 194718)

arrest na verwijzing van 10 mei 2022

in de zaak van

1 [appellant1 ] ,

wonende te [woonplaats1] ,

hierna: [appellant1 ] ,

2. [appellante2],

wonende te [woonplaats1] ,

hierna: [appellante2] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidBridge Benelux B.V.,

gevestigd te Weert,

hierna: Bridge,

appellanten in het principaal hoger beroep na verwijzing,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep na verwijzing,

advocaat: mr. H. Knotter,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [woonplaats2] ,

hierna: [franchisenemer1] ,

2. [geïntimeerde2],

wonende te [woonplaats3] ,

hierna: [franchisenemer2] ,

3. [geïntimeerde3],

wonende te [woonplaats4] ,

hierna: [franchisenemer3] ,

4. [geïntimeerde4],

wonende te [woonplaats5] ,

hierna: [franchisenemer4] ,

5. [geïntimeerde5] ,

wonende te [woonplaats6] ,

hierna: [franchisenemer5] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep na verwijzing,

appellanten in het incidenteel hoger beroep na verwijzing,

hierna gezamenlijk te noemen: de franchisenemers,

advocaat: mr. M. Franke.

De appellanten zullen hierna gezamenlijk (in enkelvoud) aangeduid worden als partij [appellanten] . [appellanten1+2: de bestuurders van Bridge] zullen gezamenlijk ook worden aangeduid als de bestuurders van Bridge.

1 Het verloop van de procedure na verwijzing

1.1.

Op 6 december 2019 heeft de Hoge Raad een arrest (hierna: het verwijzingsarrest) gewezen waarbij de franchisenemers als eisers tot cassatie zijn opgetreden. Partij [appellanten] is niet verschenen, evenmin als de curator in het faillissement van Bridge. De Hoge Raad heeft een tussen partijen gewezen arrest van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 5 juni 2018 (hierna: het arrest van hof Den Bosch) vernietigd en heeft de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

1.2.

Na verwijzing zijn de volgende processtukken gewisseld:

A. de exploten tot oproeping na verwijzing d.d. 13 maart 2020,

B. de memorie na verwijzing van partij [appellanten] van 21 juli 2020,

C. de memorie na verwijzing van de franchisenemers (memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens wijziging eis) van 27 oktober 2020 (met producties),

D. een akte van de franchisenemers van 10 juni 2021(met producties),

E. een memorie van partij [appellanten] (memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens antwoordakte, eiswijziging en akte houdende producties) van 12 januari 2022.

1.3.

Op 27 januari 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is aan partijen toegestuurd.

1.4.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De achtergrond van de beslissing na verwijzing

2.1.

Bridge was een onderneming die zich bezighield met het aanbieden van opleidingen en trainingen aan bedrijven en overheden door middel van een franchiseorganisatie (met ongeveer 15 franchisenemers) en volgens een bepaalde methode. Bridge heeft in de periode december 2008 tot juni 2010 overeenkomsten gesloten met de franchisenemers. In november 2012 heeft een aantal van de franchisenemers aan Bridge laten weten dat zij niet meer tevreden was en aangekondigd de overeenkomsten te willen ontbinden. Daarna zijn deze franchisenemers begin 2013 procedures begonnen tegen Bridge, waarna partijen elkaar over en weer hebben bestookt met vorderingen en beslagen.

2.2.

Nadat een deel van de geldvorderingen van de franchisenemers op 13 mei 2015 was toegewezen en de tegenvorderingen van Bridge waren afgewezen door de rechtbank Limburg is Bridge in hoger beroep gegaan. Nadat Bridge betaling op grond van het vonnis weigerde, hebben de franchisenemers het faillissement van Bridge aangevraagd. Dat is (in hoger beroep) toegewezen en op 27 augustus 2015 uitgesproken. Bridge heeft de bedrijfsvoering daarna in 2018 gestopt. Het hof Den Bosch heeft op 5 juni 2018 anders beslist dan de rechtbank Limburg. Het hof heeft na beslissingen tot schorsing van de procedure (ter zake bepaalde vorderingen vanwege het faillissement) alle vorderingen van de franchisenemers afgewezen en de vorderingen van Bridge deels toegewezen. Nadat de Hoge Raad heeft beslist dat bij de behandeling van de zaak in Den Bosch het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden is het arrest van het hof Den Bosch vernietigd en is de zaak naar dit hof verwezen voor verdere behandeling en beslissing.

3 Procesrechtelijke beslissingen

3.1.

Deze zaak na cassatie en verwijzing is procesrechtelijk complex (geworden) door de verschillende procesrechtelijke regimes die een rol spelen, te weten het procesrecht in hoger beroep, het procesrecht na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad en het procesrecht in de Faillissementswet. Partijen geven ieder een eigen invulling aan wat er na verwijzing in hoger beroep nog voorligt en welke processtukken en proceshandelingen partijen in dat kader nog konden nemen of verrichten. Het hof zal daarom hieronder eerst ingaan op het procesrechtelijke kader en enige procesrechtelijke beslissingen nemen die van belang zijn voor de verdere beoordeling van deze zaak.

3.2.

Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 424 Rv dient dit hof als verwijzingsrechter de behandeling van de zaak voort te zetten in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat door de Hoge Raad uitspraak werd gedaan en met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad daarover. De procedure na cassatie en verwijzing is dus geen zelfstandige, nieuwe instantie, maar een voortzetting van de procedure in hoger beroep bij het hof Den Bosch van vóór de cassatieprocedure. Dit hof is daarbij in beginsel gebonden aan alle beslissingen in het arrest van het hof Den Bosch die in cassatie niet zijn bestreden of die wel zijn bestreden, maar ten aanzien waarvan de cassatie niet is geslaagd. Aan de hand van het arrest van de Hoge Raad dient dan ook te worden bepaald welke delen van het arrest van het hof Den Bosch na cassatie nog gelden en over welke punten of vorderingen er na cassatie opnieuw of alsnog moet worden geoordeeld.

Wat ligt ter beoordeling voor na verwijzing?

3.3.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat na verwijzing opnieuw op de vorderingen in conventie, voor zover niet geschorst, zal moeten worden beslist. De Hoge Raad heeft daaraan toegevoegd dat, omdat in dit geval een nauwe samenhang bestaat tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie, na verwijzing ook opnieuw op de vorderingen in reconventie moet worden beslist. Dit betekent dat het hof per vordering van de franchisenemers in conventie en van partij [appellanten] in reconventie zal dienen te beoordelen (i) of de procedure ten aanzien van die betreffende vordering door het ingetreden faillissement van Bridge op grond van de Faillissementswet is geschorst of voortgezet kan worden en (ii) met inachtneming van de beslissingen van het hof Den Bosch voor zover die beslissingen in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden. Op de vraag ten aanzien van welke vorderingen de procedure is geschorst, komt het hof later terug. Het hof zal hieronder eerst ingaan op de vraag waarover de franchisenemers zich na verwijzing mochten uitlaten en welke proceshandelingen zij in dat kader nog mochten verrichten, nu partijen daarover van mening verschillen.

3.4.

In de procedure bij het hof Den Bosch heeft Bridge een memorie van grieven genomen. Daarna is zij gefailleerd. Omdat het hof Den Bosch had beslist dat de procedure ten aanzien van de vorderingen in conventie van de franchisenemers door het faillissement van Bridge van rechtswege was geschorst, hebben de franchisenemers vervolgens enkel een memorie van antwoord in reconventie genomen. Daarin hebben zij alleen geantwoord op die grieven van partij [appellanten] (die de vorderingen van Bridge inmiddels had overgenomen) die betrekking hadden op de (niet-geschorste) reconventionele vorderingen die de rechtbank had afgewezen. Vervolgens heeft het hof Den Bosch uitspraak gedaan, die in cassatie door de Hoge Raad is vernietigd.

3.5.

Zowel partij [appellanten] als de franchisenemers hebben vervolgens bij dit hof een memorie na verwijzing genomen (de memories B en C). Memorie C na verwijzing van de franchisenemers vormt ook een memorie van antwoord in principaal hoger beroep en een memorie van grieven in incidenteel appel en daarnaast hebben de franchisenemers hun eis in de hoofdzaak gewijzigd ten opzichte van de procedure bij de rechtbank. In de memorie van antwoord in principaal hoger beroep reageren de franchisenemers verder niet alleen op de grieven van partij [appellanten] met betrekking tot de vorderingen en beslissingen in conventie van de rechtbank (waarop zij bij het hof Den Bosch nog niet hadden gereageerd), maar ook (opnieuw) op de grieven van partij [appellanten] met betrekking tot de vorderingen in reconventie (waar zij bij memorie van antwoord in reconventie al op had gereageerd). Daarbij hebben de franchisenemers hun standpunten ten opzichte van de bij het hof Den Bosch reeds genomen memorie van grieven in reconventie aangevuld. Tot slot hebben de franchisenemers tegen de roldatum van 10 juni 2021 een akte overlegging producties (D) genomen waarin zij nogmaals inhoudelijk zijn ingegaan op verschillende standpunten in conventie en reconventie. Partij [appellanten] heeft daarna nog een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep genomen, tevens antwoordakte en antwoord op de wijziging van eis (memorie E).

3.6.

In zijn memorie E heeft partij [appellanten] het standpunt ingenomen dat de Hoge Raad heeft overwogen dat de franchisenemers na verwijzing alleen nog op de grieven I tot en met XII, XIV en XV (deels) mogen reageren, te weten de grieven van partij [appellanten] die zien op de door de rechtbank toegewezen vorderingen in conventie. Partij [appellanten] heeft bezwaren geuit tegen de inhoud en de omvang van memorie C van de franchisenemers. Deze processtukken zijn volgens partij [appellanten] in strijd met het arrest van de Hoge Raad en het cassatieprocesrecht. Daarnaast zijn de stukken in strijd met de goede procesorde, wordt de twee conclusie-regel van art. 347 Rv en de hoger beroepstermijn geschonden en wordt er geen rekening gehouden met de schorsingsbepalingen in de Faillissementswet, aldus partij [appellanten] . Mede om die reden vraagt partij [appellanten] dit hof om de franchisenemers niet-ontvankelijk te verklaren in hun incidenteel appel, eiswijziging en akte overlegging producties en om de gehele memorie C en de akte D van de franchisenemers te weigeren of, als het hof dit wel toestaat, partij [appellanten] in de gelegenheid te stellen alsnog nader inhoudelijk te mogen reageren op het ingestelde incidenteel hoger beroep, de akte D en de eiswijziging.

3.7.

Anders dan partij [appellanten] verzoekt, zal het hof de memorie C van de franchisenemers toestaan. Ook de akte D staat het hof toe. Het hof zal dat hieronder toelichten.

3.8.

In cassatie hebben de franchisenemers aangevoerd dat zij hun memorie van antwoord expliciet hebben beperkt tot (alléén) de procedure in reconventie omdat het hof Den Bosch meermaals had beslist dat de (volledige) procedure in conventie was geschorst. De franchisenemers stellen in hun cassatiemiddelen dat zij in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld om alsnog op die grieven te reageren en dat zij, nu zij hun memorie van antwoord tot de procedure in reconventie hebben beperkt niet kunnen worden geacht al een (complete) memorie van antwoord (in conventie) te hebben genomen. Het hof Den Bosch kon daarom niet de grieven I tot en met XII, XIV en XV beoordelen zonder de franchisenemers eerst in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. De Hoge Raad heeft dit argument gehonoreerd en heeft geoordeeld dat het hof Den Bosch hiermee het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Volgens de franchisenemers betekent dit dat zij alsnog in de gelegenheid moeten worden gesteld om een memorie van antwoord te nemen, hun stellingen aan te vullen en incidenteel hoger beroep in te stellen. Partij [appellanten] heeft tegen dit standpunt geen verweer gevoerd in de cassatieprocedure; deze partij is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend.

3.9.

Gelet op het voorgaande moeten de franchisenemers nu in staat gesteld worden het (ontijdig afgebroken) debat in conventie alsnog te voltooien, door het nemen van een memorie van antwoord met alle processuele mogelijkheden die daarbij horen, zoals het aanvullen van hun stellingen, het instellen van incidenteel hoger beroep en het wijzigen van hun eis. De franchisenemers waren daar in de procedure bij het hof Den Bosch immers nog niet toe in de gelegenheid. Op deze punten is dan ook geen sprake van schending van de twee conclusie-regel, de hoger beroep-termijnen of strijd met de goede procesorde, zodat er geen grond is om de memorie C geheel of op deze punten buiten beschouwing te laten, zoals partij [appellanten] verzoekt.

3.10.

In memorie C wordt wel (opnieuw) gereageerd door de franchisenemers op de grieven van partij [appellanten] in reconventie en vullen de franchisenemers hun stellingen ten aanzien daarvan aan, zoals zij zelf ook in hun memorie erkennen. Daartoe waren zij eerder al in de gelegenheid gesteld; zij hadden namelijk bij het hof Den Bosch al een memorie van antwoord in reconventie genomen. Zoals partij [appellanten] zelf ook opmerkt en de Hoge Raad in zijn arrest heeft onderstreept, hangen de vorderingen in conventie en de daaraan ten grondslag liggende feiten en stellingen echter nauw samen met procedure in reconventie. Wat door de franchisenemers ten grondslag wordt gelegd aan hun vorderingen in conventie, wordt ook opgeworpen als verweer in reconventie. In deze procedure is daardoor niet of nauwelijks een onderscheid te maken tussen feiten en stellingen die (alleen) zien op de conventie of reconventie. Bij de bespreking van de grieven die zien op de reconventie, verwijzen de franchisenemers ook veelal naar hun memorie van antwoord in reconventie bij het hof Den Bosch, zodat de aanvullingen beperkt lijken. Daarnaast heeft partij [appellanten] in zijn memorie E en tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijk kunnen reageren op deze verschillende onderdelen in de memorie van de franchisenemers. Partij [appellanten] is daarom naar oordeel van dit hof niet in zijn verdediging geschaad bij het toelaten van bedoelde stukken en hoeft ook niet nader in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om te reageren op stukken of onderdelen daarvan.

3.11.

Het laatste geldt ook voor de akte D van de franchisenemers die zij overigens tegen de roldatum van 10 juni 2021 (ter gelegenheid van een geplande en later verplaatste zitting) hebben overgelegd en waartegen partij [appellanten] toen bezwaar had kunnen maken en dat niet heeft gedaan.

3.12.

Gelet op het voorgaande vormen het incidenteel hoger beroep van de franchisenemers en de gewijzigde eis onderdeel van het debat in hoger beroep. Het hof zal dit arrest daarbij wijzen op basis van de (volledige) stukken van partijen zoals opgesomd onder 1.2, aangevuld met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.

De procedure in conventie- schorsing op grond van Fw?

3.13.

Het hof zal nu beoordelen ten aanzien van welke vorderingen in conventie in hoger beroep de procedure al dan niet is geschorst als gevolg van het faillissement. Het hof houdt daarbij de nummering van de vorderingen aan zoals vermeld in de gewijzigde eis van de franchisenemers op pagina 107 van hun memorie C.

3.14.

De franchisenemers hebben in eerste aanleg in conventie een incident opgeworpen op de voet van artikel 843a Rv tot (samengevat) veroordeling van Bridge tot het deponeren bij een registeraccountant van alle administratie in origineel, dan wel in kopievorm over de jaren 1 januari 2009 tot 1 januari 2013 op straffe van een dwangsom. Het overleggen van administratie die toebehoort aan het inmiddels gefailleerde Bridge is naar oordeel van het hof een vordering die ziet op rechten of verplichtingen die tot de failliete boedel behoren in de zin van artikel 25 Fw. Op deze niet-verifieerbare vordering is artikel 28 Fw van toepassing. Omdat de curator na oproeping niet in de procedure is verschenen, wordt doorgeprocedeerd tegen Bridge buiten bezwaar van de boedel, zodat de procedure ten aanzien van deze vordering in zoverre niet is geschorst en deze vordering hierna beoordeeld zal worden.

3.15.

Ten aanzien van de vorderingen in conventie in de hoofdzaak geldt het volgende.

In rechtsoverweging 3.5.1. heeft het hof Den Bosch overwogen dat de procedure ten aanzien van de vorderingen 6 (veroordeling van Bridge tot (terug)betaling van fees en schadevergoeding) en 7 (veroordeling van Bridge tot betaling van wettelijke rente over die bedragen) van de franchisenemers op grond van artikel 29 Fw van rechtswege is geschorst. Dit oordeel is in cassatie niet bestreden, zodat dit hof aan deze beslissing gebonden is. De procedure ten aanzien van deze vorderingen is dan ook van rechtswege geschorst, zodat het hof aan een inhoudelijke beoordeling hiervan niet toekomt. In het dictum zal dit tot uitdrukking worden gebracht.

3.16.

Niet geschorst zijn volgens het hof Den Bosch (rechtsoverwegingen 3.5.3 en 3.5.4) de vorderingen 3 (vernietiging van de franchiseovereenkomst op grond van dwaling ( [franchisenemer5] ) of dwaling en bedrog (de overige franchisenemers)) en 5 (verklaring voor recht dat Bridge onrechtmatig heeft gehandeld en de overeenkomsten niet deugdelijk is nagekomen). Deze vorderingen hebben namelijk niet alleen ten doel om de vorderingen 6 en 7 mogelijk te maken, maar hebben ook een zelfstandige betekenis omdat ze duidelijkheid moeten geven over de geldigheid en het voortbestaan van de franchiseovereenkomsten (zodat ze onder de werking van artikel 28 Fw vallen). Bovendien worden de aan deze vorderingen ten grondslag liggende stellingen als verweer gebruikt tegen de vorderingen in reconventie van partij [appellanten] . Ook dit oordeel van het hof Den Bosch is in cassatie niet bestreden, zodat dit hof aan deze beslissingen gebonden is en de procedure ten aanzien van deze vorderingen niet is geschorst. Mede gelet op het arrest van de Hoge Raad en op de grieven van partij [appellanten] zal het hof deze vorderingen opnieuw beoordelen.

3.17.

Naar oordeel van dit hof geldt het voorgaande ook voor de vorderingen 1 en 2 (verklaring voor recht van nietigheid van de franchiseovereenkomsten of van bepaalde artikelen uit de franchiseovereenkomst en het huishoudelijk reglement) en vordering 4 (verklaring voor recht dat de franchiseovereenkomsten buitengerechtelijk zijn ontbonden, dan wel deze alsnog te ontbinden) van de franchisenemers. Ook voor deze vorderingen geldt dat zij niet enkel gericht zijn op het mogelijk maken van de vorderingen tot schadevergoeding, maar dat zij zelfstandige betekenis hebben omdat zij duidelijkheid moeten geven over de status van de franchiseovereenkomsten. Bovendien worden de stellingen die ten grondslag liggen aan deze vorderingen door de franchisenemers eveneens opgeworpen als verweren tegen de reconventionele vorderingen van partij [appellanten] . De procedure ten aanzien van deze vorderingen is naar oordeel van het hof dan ook niet van rechtswege geschorst, maar kan op de voet van artikel 28 Fw worden voortgezet. De eiswijziging van de franchisenemers in de hoofdzaak ziet op de vorderingen 1 en 2. Gelet op het voorgaande zal het hof uitgaan van deze gewijzigde eis in de hoofdzaak.

3.18.

Onder 8 vorderen de franchisenemers opheffing van het door Bridge gelegde conservatoire bewijsbeslag op straffe van een dwangsom. Het hof Den Bosch heeft in rechtsoverweging 3.5.5 van zijn arrest geoordeeld dat de procedure ten aanzien van deze vordering niet is geschorst, omdat de vordering nauw samenhangt met de vordering in incident van partij [appellanten] . Bovendien moet ervan uit worden gegaan dat [appellanten1+2: de bestuurders van Bridge] de positie van Bridge wat deze vordering betreft, hebben overgenomen, zodat er geen sprake meer is van verplichtingen die tot de failliete boedel behoren (in de zin van artikel 25 en 28 Fw). Tegen dit oordeel is geen cassatie ingesteld, zodat dit hof hier ook vanuit zal gaan en, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad en de grieven van partij [appellanten] tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot dit beslag, deze vordering opnieuw zal beoordelen.

De procedure in reconventie en gevolgen cessie

3.19.

Bridge heeft in haar memorie van grieven (voor verwijzing) zowel vorderingen in incident op de voet van artikel 843a Rv ingesteld, als in de hoofdzaak vorderingen in reconventie. Volgens de Hoge Raad moeten deze vorderingen in reconventie opnieuw worden beoordeeld. Het hof overweegt daarover het volgende.

3.20.

Op verzoek van de franchisenemers is de procedure in reconventie op de voet van artikel 27 Fw geschorst door het hof Den Bosch nadat het faillissement van Bridge was uitgesproken. Bij exploot van 11 november 2015 hebben de franchisenemers de curator in het faillissement van Bridge opgeroepen om in de procedure te verschijnen. De curator heeft aan deze oproep geen gevolg gegeven. Wel heeft de curator op 17 december 2015 een overeenkomst gesloten met [appellanten1+2: de bestuurders van Bridge] (de (indirect) bestuurders van Bridge). Op basis van deze overeenkomst heeft de curator aan de bestuurders van Bridge overgedragen door middel van cessie: “alle vorderingen van Bridge op de Franchisenemers zoals die in de Procedure jegens de franchisenemers zijn ingesteld en waarover de rechtbank in haar Vonnis in eerste aanleg heeft geoordeeld (waaronder begrepen dus ook de incidentele vorderingen en (neven)vorderingen) (…)”.

Van de cessie is mededeling gedaan aan de franchisenemers bij deurwaardersexploot van 18 december 2015. Vervolgens hebben [appellanten1+2: de bestuurders van Bridge] in een akte van 22 december 2015, genomen in de procedure bij het hof Den Bosch, het standpunt ingenomen dat zij als procespartij in de plaats treden van Bridge bij de reconventionele vorderingen die Bridge tegen de franchisenemers heeft ingesteld.

3.21.

Net als het hof Den Bosch gaat dit hof uit van het volgende:

(i) dat de partijen bij deze cessieovereenkomst de bedoeling hadden om aan [appellanten1+2: de bestuurders van Bridge] over te dragen alle vorderingsrechten van Bridge op de franchisenemers (betreffende de door Bridge in de procedure bij de rechtbank ingestelde rechtsvorderingen tegen de franchisenemers);

(ii) dat gelet op de formulering in de hiervoor genoemde cessieovereenkomst en akte [appellanten1+2: de bestuurders van Bridge] alleen in de plaats zijn getreden van Bridge ter zake de reconventionele vorderingen; ter zake de conventionele vorderingen blijft Bridge dus de wederpartij van de franchisenemers.

De consequenties hiervan zullen hierna worden besproken.

4 De motivering van de beslissing na verwijzing

Uitgangspunten beoordeling dwaling

4.1.

Allereerst zal het beroep op dwaling van de franchisenemers worden behandeld. De rechtbank Limburg heeft dit beroep afgewezen. Bridge heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt in hoger beroep en het hof Den Bosch heeft Bridge daarin gevolgd. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat de procedure wat betreft de dwalingsvordering niet is geschorst door het faillissement van Bridge en dat deze vordering opnieuw moet worden behandeld door dit hof. In de procedure na verwijzing hebben de franchisenemers zich inmiddels (ruim) kunnen uitlaten over de grieven die Bridge op dit punt tegen de beslissing van de rechtbank had gericht, waarmee het debat op dit punt aan beide zijden (uitgebreid) is gevoerd.

4.2.

Bridge heeft zich beroepen op verjaring dan wel verval van de dwalingsvordering. Aangezien de franchisenemers hun beroep op dwaling hebben gedaan ter afwering van de vorderingen van Bridge in reconventie moet dit beroep echter hoe dan ook inhoudelijk worden behandeld (op grond van artikel 3:51 lid 3 BW); die beoordeling volgt hierna. Daarna zal worden bezien of het beroep van Bridge op het vervalbeding in de overeenkomst met [franchisenemer5] en op verjaring ter zake de vorderingen van de overige franchisenemers nog verdere behandeling behoeft.

Juridisch kader dwaling

4.3.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad komen onder meer de volgende uitgangspunten naar voren, die van belang zijn voor de beoordeling van een beroep op dwaling gebaseerd op een prognose verstrekt voor het aangaan van een franchiseovereenkomst: (i) een franchisegever is niet verplicht een prognose te verschaffen; (ii) als hij dit wel doet, dan zal de franchisenemer in de regel mogen afgaan op de juistheid van de verstrekte informatie (iii) als een prognose niet wordt gehaald betekent dit niet zonder meer dat de verstrekte informatie onjuist was of fouten bevatte (want bij het halen van een prognose kunnen ook andere factoren een rol spelen).

Dwaling gebaseerd op prognose in informatieblad

4.4.

Aan het beroep op dwaling hebben de franchisenemers onder meer de volgende feiten ten grondslag gelegd. Voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomsten hebben de franchisenemers ieder meerdere gesprekken gevoerd met [appellanten] , die Bridge vertegenwoordigde. [appellanten] presenteerde Bridge in die gesprekken als een stabiele, goed lopende franchiseorganisatie, waarbij de franchisenemers weinig tot geen risico zouden lopen en hoge resultaten zouden kunnen behalen. [appellanten] heeft daarbij verwezen naar een informatieblad. Dit informatieblad bestond uit 4 pagina’s, met op pagina 1 en 2 onder de titel “Informatie over de start als trainer bij Bridge” algemene informatie over de franchiseformule. Op pagina 3 staat een overzicht van de benodigde investeringen, dat sluit op € 10.000,- (exclusief kosten P.M.). Onderaan pagina 3 staat vermeld: “Daarnaast zal voor de opstartperiode van ca. zes maanden een bedrag benodigd zijn om uw inkomen [gedeeltelijk] voor te financieren, omdat er niet [voldoende] direct gefactureerd zal worden. Zie de resultatenbegroting op het volgende blad”.

Op pagina 4 volgt dan onder de titel “Resultatenprognose jaar 1-3 Prognose A [Ambitieus]”

een overzicht van inkomsten en uitgaven dat onder meer luidt als volgt:

“Inkomsten Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3

Open trainingen € 15.000 € 20.000 € 10.000

Bedrijfs trainingen € 120.000 € 220.000 € 350.000

Consultancy € 15.000 € 20.000 € 30.000

Div. omzet € 5.000 € 5.000 € 20.000

Omzet voor collega’s € 10.000 € 20.000 € 15.000

Totaal inkomsten € 165.000 € 285.000 € 425.000

Uitgaven

(….)

Totaal kosten € 97.100 € 156.150 € 198.700

Resultaat voor belasting € 67.900 € 128.850 € 226.300

Deze prognose is slechts indicatief en hieruit kunnen geen rechten worden ontleend.”

Volgens de franchisenemers is aan hen dit volledige informatieblad van 4 pagina’s verstrekt, behalve aan [franchisenemer5] (die alleen pagina 4 heeft gekregen). Het informatieblad is door [appellanten] tijdens de gesprekken mondeling toegelicht.

4.5.

De franchisenemers hebben aangevoerd dat de omzetten die op pagina 4 van het informatieblad zijn vermeld onhaalbaar waren. Die omzetten zijn in het verleden zelfs door de best presterende franchisenemers van Bridge bij lange na niet gehaald en konden redelijkerwijze ook niet worden gehaald. De door Bridge verstrekte prognoses zijn daarom onjuist. De prognoses berusten bovendien niet op deugdelijk marktonderzoek en zijn oncontroleerbaar (omdat onderliggende gegevens uit het BAS-systeem ontbreken). De franchisenemers hadden de overeenkomsten niet (of niet onder dezelfde voorwaarden) gesloten als zij daarover vooraf juist waren geïnformeerd.

Verweren Bridge

4.6.

Bridge heeft (onder meer en voor zover voor de beoordeling door dit hof nog van belang) het volgende als verweer aangevoerd:

(i) het informatieblad werd niet verstrekt aan belangstellenden (zoals deze franchisenemers) die via tussenpersonen bij Bridge werden geïntroduceerd; als het informatieblad wel zou zijn afgegeven dan zou dit compleet zijn verstrekt (en dus niet alleen p. 4 en niet alleen prognose A, maar compleet met prognose B (neutraal) en C (terughoudend); de prognoses B en C vermelden andere omzetten, gebaseerd op minder ambitieuze uitgangspunten;

(ii) de op p. 4 van het informatieblad genoemde omzetten van prognose A zijn gebaseerd op betrouwbare ervaringsgegevens over de (haalbare) acquisitie inspanningen die moeten worden verricht om die omzetten te behalen; de franchisenemers hebben de benodigde inspanningen niet verricht en daarom zijn de geprognosticeerde omzetten niet behaald;

(iii) als er al sprake zou zijn geweest van een onjuiste voorstelling van zaken over de prognose dan hebben de franchisenemers onvoldoende gesteld om aan te nemen dat zij ieder voor zich de overeenkomsten niet zouden zijn aangegaan als zij wel juist waren voorgelicht; Bridge mocht aannemen dat de overeenkomst ook was afgesloten als de prognose niet was gepresenteerd.

Informatieblad verstrekt?

4.7.

Bridge heeft uitdrukkelijk betwist dat het informatieblad en de daarin voorkomende prognose A is verstrekt aan de franchisenemers. Partijen hebben daar uitgebreid over gediscussieerd en zij hebben ook veel aandacht aan dit punt besteed in de schriftelijke verklaringen die zij hebben overgelegd. Of het informatieblad geheel of gedeeltelijk is verstrekt aan de franchisenemers kan echter in het midden blijven. Ook als het hof er (als veronderstelling) van uitgaat dat het informatieblad (inclusief prognose A) wel is verstrekt dan nog leidt dat niet tot de conclusie dat er sprake is van dwaling aan de kant van de franchisenemers. De motivering van dit oordeel volgt hierna.

Bridge-systeem

4.8.

Bridge heeft aangevoerd dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan de franchisenemers steeds het systeem werd uitgelegd waarmee de franchiseorganisatie werkte. Bridge maakte samen met haar franchisenemers jaarlijks een Jaarplan en een Activiteitenplan; die plannen waren voor iedere franchisenemer verschillend (afhankelijk van ambitie en te investeren tijd). In het Jaarplan moest de franchisenemer zelf zijn doelstellingen voor dat jaar formuleren en in het Activiteitenplan werd vervolgens aangegeven welke activiteiten een franchisenemer moest ondernemen om die doelstellingen te kunnen halen. Iedere maand verstrekte iedere franchisenemer een omzetoverzicht aan Bridge, waarin gerealiseerde omzet werd afgezet tegen de door de franchisenemer zelf geprognosticeerde omzet. Ieder kwartaal werden de resultaten van alle franchisenemers besproken tijdens kwartaalbijeenkomsten (Q-meetings).

Acquisitieratio’s

4.9.

De omzetten die in prognose A worden genoemd zijn volgens Bridge gebaseerd op zogenaamde gemiddelde acquisitieratio’s (100 calls, die leiden tot 10 afspraken voor een eerste gesprek, die leiden tot 5 tot 7 vervolggesprekken, die leiden tot 3 tot 4 offertes, die tenslotte leiden tot 1 opdracht, met een gemiddelde waarde van € 16.000,-). Die gemiddelde acquisitieratio’s komen uit de Activiteitenplannen die in het verleden zijn opgesteld door franchisenemers en die zijn gebaseerd op historische gegevens uit 2007 en 2008 van de franchiseorganisatie, afkomstig uit een centraal klantenvolgsysteem (het zogenoemde BAS-systeem), waarin de franchisenemers iedere call, afspraak, offerte en opdracht dienden vast te leggen.

Omzetten uit prognose A onhaalbaar?

4.10.

De franchisenemers hebben in de eerste plaats gesteld dat uit de door Bridge gepresenteerde cijfers blijkt dat haar best presterende franchisenemers in 2008 een omzet hebben behaald van gemiddeld € 235.000,-. De in prognose A opgenomen omzetten zijn beduidend hoger dan dat en kennelijk nog nooit eerder behaald binnen de franchiseorganisatie.

4.11.

Bridge heeft deze stellingen gemotiveerd betwist onder verwijzing naar hetzelfde overzicht waar de franchisenemers naar verwijzen (productie 95 bij memorie van grieven). Uit dit overzicht blijkt dat de zes best presterende franchisenemers in 2008 omzetten behaalden van tussen de € 222.468,- en € 302.594, met een gemiddelde van € 253.000,-. Bridge heeft daarbij toegelicht dat in 2008, het moment dat het informatieblad werd opgesteld een stijgende lijn werd ingezet en Bridge “in een enorme flow zat”. Er werd door meer franchisenemers steeds beter gepresteerd en de rek was er nog lang niet uit op dat moment. Prognose A was zeker in die tijd haalbaar. In 2009 kwam de stijgende lijn echter abrupt tot stilstand vanwege de toen intredende crisis.

4.12.

Tegenover deze gemotiveerde betwisting hebben de franchisenemers naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld om aan te nemen dat bij het aangaan van de overeenkomsten (voor [franchisenemer2] en [franchisenemer3] was dat in 2008, voor [franchisenemer4] en [franchisenemer1] in 2009 en voor [franchisenemer5] in 2010) de geprognosticeerde omzetten in jaar 1, 2 en 3 zodanig afweken van in het verleden door franchisenemers van Bridge behaalde resultaten dat deze op dat moment voor ieder van de franchisenemers al als onhaalbaar en daarmee als onjuist betiteld konden worden. Daarbij is van belang dat de stellingen van de franchisenemers steeds algemeen geformuleerd zijn (niet toegespitst per franchisenemer met verschillende aanvangsdata van de verschillende overeenkomsten en niet vanaf die aanvangsdata bezien over 3 jaar). De franchisenemers betogen dat de geprognosticeerde omzetten in jaar 2

(€ 285.000,-) en met name in jaar 3 (€ 425.000,-) nooit eerder behaald zijn binnen de franchiseorganisatie. De door Bridge gepresenteerde gegevens (hiervoor in 4.11 weergegeven) weerspreken dit echter, in elk geval voor de omzet genoemd bij jaar 2, terwijl de franchisenemers onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat de veranderende situatie op de trainingsmarkt in 2009 de winstverwachtingen van Bridge (en daarmee van de franchisenemers) ingrijpend hebben veranderd.

4.13.

Ook van belang bij dit oordeel zijn:

- de aard van de gegeven prognose (geen op markt- of vestigingsonderzoek gebaseerde prognose van liquiditeit/omzet/winst, maar een omzetprognose, met name gebaseerd op inspanningen van de franchisenemers);

- de wijze van presentatie van de prognose (op 1 A-4, met een disclaimer, met de aanduiding prognose A/Ambitieus, die suggereert dat er ook minder ambitieuze prognoses bestonden (die eerder zouden kunnen worden behaald dan de ambitieuze prognoses);

- de opsomming in de prognose van de verschillende categorieën omzet, waaruit blijkt dat het hier globale en gemiddelde bedragen betreft die dus geen precisie veronderstelden.

4.14.

Bridge heeft gedetailleerd uiteengezet (zie hiervoor in 4.9) wat de binnen de organisatie gehanteerde acquisitieratio’s inhielden en met berekeningen betoogd dat deze ook haalbaar waren als franchisenemers zich maar voldoende zouden inspannen. De franchisenemers hebben (als tweede pijler van hun betoog) de haalbaarheid van deze acquisitieratio’s weliswaar betwist, maar hebben deze betwisting met name toegespitst op de stelling dat de geprognosticeerde omzet in jaar 3 van € 425.000,- niet haalbaar zou zijn. Zoals hiervoor overwogen, spelen bij de haalbaarheid van dit bedrag volgens de onvoldoende weersproken stellingen van Bridge ook de in 2009 veranderde marktomstandigheden een rol. Daarnaast gaan de franchisenemers bij hun berekeningen van de tijd die nodig was voor bepaalde (voorbereidings- en trainings) activiteiten uit van allerlei aannames, die vervolgens weer door Bridge zijn betwist. Voor de stelling dat de acquisitieratio’s die Bridge hanteerde evident onhaalbaar waren hebben de franchisenemers daarmee onvoldoende gesteld.

4.15.

Het belangrijkste punt is echter dat een prognose geen garantie is voor de haalbaarheid daarvan. Dit geldt met name ook niet voor een prognose als deze, die (passend bij de trainingsbranche) gebaseerd was niet alleen op de tijd die franchisenemers in staat en bereid zijn te investeren in acquisitie, maar vooral ook op de kennis van en ervaring met trainingen en acquisitie daarvoor van iedere individuele franchisenemer en op zijn of haar persoonlijke kwaliteiten. Dit oordeel wordt versterkt door de aard van deze specifieke prognose, met disclaimer, en zonder de karakteristieken van een precieze prognose.

4.16.

Het is dus niet komen vast te staan dat de gestelde dwaling van de franchisenemers is te wijten aan inlichtingen van Bridge. Ook is niet komen vast te staan dat Bridge de franchisenemers had moeten inlichten (in verband met kennis die zij had of behoorde te hebben over haar eigen franchiseorganisatie) en dit heeft nagelaten. Het staat vast dat de prognose niet berustte op deugdelijk marktonderzoek, maar daartoe bestaat geen verplichting voor de franchisegever. Dat onderliggende gegevens bij de prognose ontbreken laat onverlet dat er voldoende gegevens beschikbaar zijn gesteld om die te controleren en daarop in deze procedure verweer te voeren (wat de franchisenemers ook hebben gedaan).

Geen causaal verband

4.17.

Daarbij komt dat de franchisenemers onvoldoende hebben gesteld om aan te nemen dat zij ieder voor zich de overeenkomst niet waren aangegaan bij een (volgens hen) juiste voorstelling van zaken, hetgeen eveneens een vereiste is om een overeenkomst op grond van dwaling te kunnen aantasten. Ook hier wreekt zich dat de stellingen van de franchisenemers algemeen geformuleerd zijn, onder meer “dat het voor zich spreekt dat prognose A doorslaggevend was voor het aangaan van de franchiseovereenkomst” (in memorie C van 27 oktober 2020, p. 68) zonder de situatie van de vijf individuele franchisenemers voorafgaand aan het aangaan van de franchiseovereenkomst te schetsen. Bridge heeft aangevoerd dat deze franchisenemers voordat ze bij Bridge toetraden bescheiden salarissen verdienden in bescheiden functies. Vier van de vijf franchisenemers zaten zelfs zonder werk of zouden binnenkort zonder werk komen te zitten op een leeftijd waarop het niet eenvoudig was om aan een goed betaalde baan te komen. De franchisenemers hebben deze schets van hun toenmalige persoonlijke situatie niet betwist. Dit draagt bij aan de conclusie dat de franchisenemers onvoldoende hebben gesteld om aan te nemen dat zij ieder voor zich de overeenkomst niet waren aangegaan bij een (volgens hen) juiste voorstelling van zaken.

Geen dwaling

4.18.

De conclusie luidt dat het beroep op dwaling van de franchisenemers op inhoudelijke gronden faalt. Mede gezien de aard van de prognose kan niet worden aangenomen dat de gestelde dwaling kan worden toegeschreven aan een inlichting van Bridge, terwijl bovendien het vereiste causaal verband niet is komen vast te staan. Het verweer van Bridge op het vervalbeding in de overeenkomst met [franchisenemer5] en op verjaring ter zake de vorderingen van de overige franchisenemers hoeft daarom niet meer behandeld te worden. De bezwaren van Bridge tegen het vonnis van de rechtbank Limburg op dit punt (neergelegd in de grieven I tot en met XII) gaan op. Aan het einde van dit arrest zal uiteengezet worden wat de gevolgen hiervan zijn voor de vorderingen van partijen.

Plan van verdere behandeling

4.19.

Omdat een aantal van de grieven van Bridge tegen het vonnis van de Rechtbank Limburg slaagt, moeten ook de overige (door de rechtbank verworpen of buiten behandeling gelaten) grondslagen worden behandeld die de franchisenemers aan hun oorspronkelijke vorderingen (in conventie) ten grondslag hebben gelegd en die tevens dienen als verweer tegen de vorderingen van Bridge (in reconventie). Het betreft de volgende stellingen van franchisenemers:

a. dat Bridge tekortgeschoten is in de nakoming van de franchiseovereenkomsten, dan wel haar zorgplicht als franchisegever heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld (zodat de franchisenemers de overeenkomsten terecht hebben opgezegd dan wel buitengerechtelijk hebben ontbonden);

b. dat de franchiseovereenkomsten vernietigd zouden moeten worden op grond van bedrog of misleiding;

c. dat Bridge vanwege een onvoorziene wijziging van omstandigheden in of na 2010 (het vertrek van enkele ervaren franchisenemers) niet langer de ongewijzigde instandhouding van de overeenkomsten kan verwachten;

d. dat de franchiseovereenkomsten geheel of gedeeltelijk nietig zijn wegens strijd met de Mededingingswet;

e. dat bepaalde bepalingen uit de franchiseovereenkomsten dan wel uit het daarmee samenhangende huishoudelijk reglement nietig zijn wegens strijd met artikel 6:94 BW (de boetebedingen) dan wel wegens strijd met artikel 6:233 en/of 6:233a BW en/of 6:236/6:237 BW dan wel dat een beroep op bepaalde bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.20.

Daarnaast volgt uit het arrest van de Hoge Raad in deze zaak (zoals hiervoor al overwogen) dat het hof ook de vorderingen in reconventie opnieuw moet beoordelen. Het door de franchisenemers bij de rechtbank opgeworpen incident zal nog worden behandeld (want samenhangend met de afwijzing door het hof den Bosch van de vorderingen in conventie). Ook het door Bridge opgeworpen incident moet nog behandeld worden (want voorgelegd door de grieven XVI, XVII en XXIV).

Het hof kiest hierna een logische volgorde van behandeling van deze verschillende posten en vorderingen.

Wanprestatie of onrechtmatig handelen van Bridge?

4.21.

De franchisenemers hebben aangevoerd dat zij eind 2010 en gedurende het jaar 2011 ontdekten dat Bridge op wezenlijk punten tekortschoot in de nakoming van haar verplichtingen uit de franchiseovereenkomsten (vastgelegd in artikel 6 van de franchiseovereenkomst met [franchisenemer5] en in het grotendeels gelijkluidende artikel 3 van de overeenkomsten van de overige franchisenemers). Het betreft de verplichting voor Bridge als franchisegever om de franchisenemers bij te staan met informatie, adviezen, opleiding en reclame/verkoopbevordering. Meer specifiek hebben de franchisenemers Bridge (zakelijk weergegeven) het volgende verweten:

- de franchisenemers hadden gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomsten geen inzicht in de omzetten die Bridge in totaal behaalde en waar die omzetten aan besteed werden (niet aan investeringen in de franchiseformule, wel aan een hoog salaris van [appellanten] zelf); tegenover hoge franchisefees leverde Bridge onvoldoende tegenprestaties;

- de interne opleidingen voldeden niet en leidden niet tot de wel beloofde certificering; die certificering zou bovendien moeten plaatsvinden binnen drie maanden na aanvang en die termijn is niet gehaald;

- Bridge deed niet of nauwelijks aan marketing en de website voldeed niet;

- het klantenvolgsysteem BAS voldeed niet en werd ondanks klachten niet verbeterd;

- kansrijke klanten voor (vervolg)opdrachten werden buiten bereik van de franchisenemers gehouden en toegespeeld aan [appellanten] of zijn zoon;

- binnen Bridge was geen ruimte voor zelfstandig ondernemerschap;

- Bridge bond de franchisenemers aan vaste (hoge) prijzen waardoor het lastig concurreren was.

Geen ingebrekestelling

4.22.

Bridge heeft deze stellingen uitgebreid en gedetailleerd betwist. Haar meest vergaande verweer is dat zij geen ingebrekestelling heeft ontvangen ter zake deze verwijten. De franchisenemers hebben daarvoor verwezen naar de brief die namens de franchisenemers [franchisenemer2] , [franchisenemer3] en [franchisenemer4] op 29 november 2012 aan Bridge is verstuurd en waarbij [franchisenemer1] zich bij brief aan Bridge van 26 februari 2013 en [franchisenemer5] zich bij brief aan Bridge van 21 maart 2013 heeft aangesloten.

4.23.

Met Bridge is het hof van oordeel dat de brief van 29 november 2012 niet voldoet aan de eisen die de wet aan een ingebrekestelling stelt, noodzakelijk om in verzuim te raken. Nadat in deze brief in 16 pagina’s een groot aantal zeer diverse verwijten aan Bridge wordt gemaakt volgt op de één na laatste pagina van de brief een verzoek aan Bridge om binnen 14 dagen “aan te geven of u, hetgeen cliënten u verwijten, bereid bent te corrigeren. In dat geval dient u aan te geven welke correcties u bereid bent aan te brengen en welke garanties u daartoe kunt bieden, die in dat geval zodanig moeten zijn, dat er met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is, dat deze correcties binnen twee maanden ook worden uitgevoerd. De noodzakelijke correcties hebben betrekking op alle bovengenoemde onderwerpen, die tot in detail door cliënten zijn uitgewerkt, zodat u na lezing van deze detaillering bekend moet zijn over welke noodzakelijke correcties cliënten het hebben”.

4.24.

Bridge heeft gesteld dat haar uit deze brief niet duidelijk is wat wordt gevorderd en door wie (omdat het vijf afzonderlijke franchiseovereenkomsten betreft) en op welke grondslag. Het hof geeft Bridge daarin gelijk. Ook is niet duidelijk op welke wijze herstel/correcties zouden moeten plaatsvinden door Bridge en wat de precieze termijn(en) zijn waarbinnen dit zou moeten gebeuren. Nog afgezien van de afwezigheid van een duidelijke ingebrekestelling, geldt dat in de brief aan Bridge weliswaar om een reactie wordt gevraagd (“ik verzoek u (…) aan te geven of u hetgeen clienten u verwijten bereid bent te corrigeren”) maar uit dat op die wijze geformuleerde verzoek wordt onvoldoende duidelijk wat precies van Bridge verlangd wordt (in de voorgaande 8 pagina’s wordt een groot aantal ongelijksoortige verwijten ongeordend opgesomd). Daarom mochten de franchisenemers uit het uitblijven van een (adequate) reactie op dat verzoek niet afleiden dat Bridge niet tijdig of niet behoorlijk zou nakomen.

De conclusie luidt dat Bridge op deze manier niet in verzuim is geraakt.

Niet tijdig geklaagd

4.25.

Daarnaast geldt nog het volgende. Bridge heeft ook een beroep gedaan op artikel 6:89 BW (op grond waarvan over een gebrek in een prestatie “binnen bekwame tijd” na ontdekking geklaagd moet worden). De vijf franchiseovereenkomsten zijn aangegaan in de periode van 5 december 2008 tot juni 2010. Bridge heeft expliciet aangevoerd dat de franchisenemers voor 29 november 2012 nooit geprotesteerd hebben tegen de door hen in de brief geformuleerde gebreken, terwijl veelvuldig (in ieder geval ieder kwartaal) overleg plaatsvond. De franchisenemers hebben dit niet betwist, maar hebben aangevoerd dat er binnen Bridge een angstcultuur heerste en dat zij het pas (na bundeling van krachten) in november 2012 aandurfden om de wanprestatie van Bridge aan de orde te stellen.

4.26.

Het hof acht dit echter een onvoldoende (en onvoldoende onderbouwde) verklaring voor het feit dat de franchisenemers pas geprotesteerd hebben nadat de franchiseovereenkomsten al jaren liepen (van twee tot bijna vier jaar) en dat zij kennelijk ook al gedurende die jaren die klachten hadden. De franchisenemers hebben onvoldoende toegelicht waarom zij binnen deze relatief kleine franchiseorganisatie, waar (zoals uit de stukken blijkt) steeds veel overleg plaatsvond, hun (ernstige) klachten niet eerder aan de orde hebben kunnen stellen en daarover niet eerder in gesprek konden gaan met de franchisegever. In plaats daarvan hebben de franchisenemers het geschil in november 2012 (volgens Bridge onverhoeds) laten escaleren. In de persoonlijke dossiers van de vijf franchisenemers die Bridge heeft overgelegd (als productie 94 bij de memorie van grieven) bevinden zich terugkoppelingen door Bridge van halfjaarsgesprekken die met de franchisenemers zijn gevoerd. Die terugkoppelingen zijn weliswaar eenzijdig geformuleerd vanuit de visie van Bridge, maar een aantal onderwerpen dat volgens de franchisenemers niet goed geregeld was (bijvoorbeeld opleiding, certificering, BAS-systeem) wordt wel genoemd en is dus kennelijk wel aangeroerd. De franchisenemers hebben niet toegelicht waarom zij in die gesprekken of nadien (schriftelijk) hun klachten niet kwijt konden, terwijl het gelet op de aard en ernst van de nu geuite klachten wel voor de hand lag om daar aandacht voor te vragen. Voor de stelling dat een “angstcultuur” binnen Bridge dat verhinderde hebben de franchisenemers onvoldoende aangevoerd.

4.27.

De conclusie luidt dat de franchisenemers niet tijdig geklaagd hebben. Zij konden daarom in november 2012 geen beroep meer doen op de door hen aangevoerde gebreken in de prestatie van Bridge en ook niet op het door hen gestelde onrechtmatig handelen (omdat dit op hetzelfde feitencomplex is gebaseerd)

Conclusie ter zake wanprestatie en onrechtmatig handelen

4.28.

In het midden kan blijven of de franchisenemers voldoende hebben gesteld om tot een toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatig handelen van Bridge te kunnen concluderen. De op deze grondslagen gebaseerde vorderingen stranden namelijk al vanwege het feit dat Bridge niet in verzuim is geraakt (wegens het ontbreken van een adequate ingebrekestelling) en vanwege het feit dat de franchisenemers niet tijdig hebben geklaagd.

4.29.

Dit betekent niet alleen dat de op wanprestatie of onrechtmatig handelen gebaseerde vorderingen (in conventie) van de franchisenemers zullen worden afgewezen, maar ook dat de franchisenemers tegen de vorderingen van de bestuurders van Bridge (in reconventie) niet de verweren kunnen voeren dat Bridge eerder in verzuim was dan zij dat waren en ook niet dat zij de franchiseovereenkomsten geldig tussentijds hebben opgezegd of buitengerechtelijk hebben ontbonden.

Afwijzing incidentele vorderingen franchisenemers

4.30.

Het voorgaande betekent dat de franchisenemers geen belang meer hebben bij de incidentele vorderingen die zij in de procedure bij de rechtbank hebben ingesteld (inzage in de volledige administratie van Bridge vanaf 1 januari 2009 tot 1 januari 2013). Afgezien van het feit dat deze vordering veel te ruim is geformuleerd om tot toewijzing op grond van artikel 843a Rv te kunnen leiden, geldt dat de vordering uitgaat van een algemene verplichting van Bridge als franchisegever om zich tegenover de franchisenemers te verantwoorden over de investeringen in haar organisatie. Er bestaat echter geen grond om zo’n vergaande verplichting aan te nemen.

Geen bedrog of misleiding

4.31.

In de procedure bij de rechtbank hebben de franchisenemers zich (met verwijzing naar hetzelfde feitencomplex) naast het beroep op dwaling, wanprestatie en onrechtmatig handelen van Bridge ook nog beroepen op bedrog en misleiding. Ook deze (overigens niet of nauwelijks uitgewerkte) grondslagen kunnen niet tot toewijzing van de vorderingen van de franchisenemers leiden. Dat er sprake zou zijn van opzet bij Bridge om de franchisenemers te bedriegen en te misleiden heeft Bridge gemotiveerd betwist en hebben de franchisenemers onvoldoende onderbouwd.

Geen onvoorziene omstandigheden

4.32.

De franchisenemers hebben zich daarnaast nog beroepen op onvoorziene omstandigheden: doordat er in 2010 diverse ervaren franchisenemers zijn vertrokken is er een leegloop van de organisatie ontstaan, waardoor Bridge niet langer de ongewijzigde instandhouding van de overeenkomsten kan verwachten. Nu de franchisenemers ook deze stelling niet nader hebben uitgewerkt en onderbouwd (bijvoorbeeld in hoeverre het vertrek van andere franchisenemers hun functioneren/omzet negatief beïnvloed heeft) slaagt ook dit beroep niet.

Reconventie- auteursrechtelijke vorderingen niet aan de orde

4.33.

De rechtbank Limburg heeft Bridge niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen voor zover die gebaseerd zijn op de stelling dat de franchisenemers inbreuk hebben gemaakt op auteursrechten. Die auteursrechten berustten volgens Bridge zelf bij BAS Holding B.V. Weliswaar heeft BAS Holding een last verstrekt aan Bridge om haar auteursrechten te handhaven in deze procedure, maar dat maakt haar slechts een formele procespartij, niet een materiële procespartij die een reconventionele vordering kan instellen, aldus de rechtbank.

4.34.

Het hof Den Bosch heeft de tegen dit oordeel gerichte grieven (XVI en XVII) van Bridge afgewezen. Tegen dit voor haar ongunstige oordeel heeft partij [appellanten] geen cassatie ingesteld; partij [appellanten] heeft immers verstek laten gaan in cassatie. Deze beslissing is daarmee onaantastbaar geworden en geen onderdeel meer van de zaak die dit hof verder moet behandelen. De Hoge Raad heeft weliswaar geoordeeld dat opnieuw op de vorderingen in reconventie moet worden beslist. Dit geldt echter alleen voor zover er een samenhang bestaat tussen de vorderingen in reconventie met de vorderingen in conventie en dat is op dit formele procesrechtelijke punt niet het geval.

4.35.

Ook als de grieven XVI en XVII wel opnieuw beoordeeld zouden moeten worden komt dit hof echter tot hetzelfde oordeel als het hof Den Bosch op dezelfde gronden. In de toelichting op grief XVI bevestigt Bridge immers nog eens dat de auteursrechten bij BAS Holding berusten door te stellen dat zij op grond van de last optreedt op eigen naam, maar voor rekening en risico van BAS Holding. BAS Holding had de vorderingen dus moeten instellen, maar die is geen procespartij in deze procedure.

4.36.

Dit betekent dat de vorderingen van Bridge, voor zover die gebaseerd zijn op de stelling dat de franchisenemers inbreuk hebben gemaakt op auteursrechten, hierna buiten beschouwing blijven. Ook kan Bridge zich jegens [franchisenemer5] niet beroepen op het non-concurrentiebeding in zijn overeenkomst, nu dat beding blijkens de tekst ervan uitsluitend is overeengekomen ter bescherming van “intellectuele eigendomsrechten”.

Afwijzing incidentele vorderingen Bridge

4.37.

Bridge heeft een incidentele vordering ex artikel 843a Rv ingesteld die door de rechtbank Limburg is afgewezen. Bridge heeft in de procedure bij het hof Den Bosch tegen die afwijzing bezwaar gemaakt en haar vordering toegelicht. Bridge wil inzage in en afgifte van onder meer data en documenten waarop zij een conservatoir bewijsbeslag heeft gelegd. Zij wil daarmee bewijzen wie van de franchisenemers zich schuldig heeft gemaakt aan auteursrechtinbreuk, wanprestatie en onrechtmatige concurrentie en in welke omvang.

4.38.

Uit het voorgaande volgt dat deze incidentele vordering niet gebaseerd kan worden op gestelde auteursrechtelijke inbreuken.

4.39.

Voor het overige geldt dat dit hof het eens is met het hof Den Bosch (en op dezelfde gronden) dat deze vorderingen te ruim omschreven zijn om tot toewijzing op grond van artikel 843a Rv te kunnen leiden. De vordering betreft namelijk kennelijk (volgens de toelichting van Bridge in de conclusie van antwoord) alle bescheiden (waaronder de volledige administratie van alle franchisenemers) over de periode tussen het aangaan van de franchiseovereenkomsten (in 2008, 2009 en 2010) tot en met de datum waarop het incident wordt beslist (dan wel tot de datum van het bewijsbeslag (13 augustus 2013) dan wel tot 1 januari 2013). Dat is (veel) te ruim geformuleerd om te voldoen aan de eisen van artikel 843a Rv, waarbij het moet gaan om “bepaalde bescheiden”.

4.40.

De incidentele vorderingen van Bridge zullen dus worden afgewezen en de hierna op te sommen vorderingen van Bridge in de hoofdzaak zullen worden beoordeeld op grond van tot nu toe overgelegde stukken.

Reconventie-resterende vorderingen

4.41.

Daarmee resteren nog ter behandeling de volgende stellingen van Bridge (die leiden tot bepaalde vorderingen waarbij de nummering in het petitum van de memorie van grieven aangehouden zal worden):

a. dat de franchisenemers toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de franchiseovereenkomst en boetes verschuldigd zijn (leidend tot de sub 1 (i en iv) gevorderde verklaring voor recht) en in het geval [franchisenemer2] ook een contractuele vergoeding (leidend tot de sub 2 gevorderde verklaring voor recht);

b. dat de franchisenemers op hen rustende post-contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen en/of dat zij in de post-contractuele fase onrechtmatig hebben gehandeld jegens Bridge (leidend tot de sub 1(iii) gevorderde verklaring voor recht en tot de vorderingen 4, 5, 6 en 8);

c. dat de franchisenemers onrechtmatig hebben gehandeld door beslag te leggen onder Bridge (leidend tot vordering 8).

4.42.

Net zoals het hof den Bosch is dit hof van oordeel dat vordering 4 (tot nakoming van post-contractuele verplichtingen uit de franchiseovereenkomsten) en vordering 5 (tot het staken van onrechtmatige concurrentie) alleen kunnen worden ingesteld door de (rechts)persoon die aanspraak kan maken op de nakoming van de franchiseovereenkomst of de (rechts)persoon die schade ondervindt of zal ondervinden van het gestelde onrechtmatige handelen. De in het begin van het arrest genoemde cessie heeft niet bewerkstelligd dat de bestuurders van Bridge de positie van Bridge als contractspartij hebben overgenomen: slechts enige vorderingen zijn gecedeerd. Er is ook niet gesteld dat er een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden of dat de bestuurders van Bridge schade hebben ondervonden of (nu nog) zullen ondervinden van de gestelde onrechtmatige concurrentie (ook omdat de activiteiten van Bridge in 2018 zijn gestaakt). De stellingen leidend tot de vorderingen 4 en 5 behoeven daarmee geen verdere behandeling en deze vorderingen zullen daarom hierna worden afgewezen.

4.43.

Vordering 6 betreft een bevel tot afgifte aan Bridge van data en documenten die aan Bridge toebehoorden en kennelijk gebaseerd is op het recht op de handelsnaam van Bridge en haar eigendom van bepaalde documenten. Ook voor deze vordering geldt dat die (zonder nadere toelichting, die ontbreekt) niet door de bestuurders van Bridge kan worden ingesteld. Ook vordering 6 zal daarom worden afgewezen en de daartoe leidende stellingen hoeven daarom niet besproken te worden.

4.44.

In vordering 8 wordt om een verwijzing naar een schadestaatprocedure verzocht. Zoals het hof Den Bosch (in 3.13.6) in deze zaak ook heeft overwogen is deze procedure in beginsel alleen van toepassing op wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding en niet op (schade) verplichtingen die rechtstreeks uit een overeenkomst voortvloeien (zoals in dit geval de contractuele fees en de andere contractueel verschuldigde vergoedingen (waaronder uit omzetderving) en contractuele boetes. Dit vloeit voort uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad. In een recent arrest van de Hoge Raad wordt weliswaar een uitzondering op deze regel gemaakt voor de borgtocht, maar dat uitzonderingsgeval doet zich hier niet voor.

4.45.

In de procedure bij de rechtbank (conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie, randnummer 389 en 390, herhaald en vermeerderd in memorie van grieven, randnummer 228) heeft Bridge overtredingen van de franchisenemers opgesomd op grond waarvan zij contractuele boetes verschuldigd zouden zijn; Bridge geeft daarbij zelf aan dat een belangrijk deel van deze overtredingen nog niet aangetoond zijn en dat in verband daarmee bewijsbeslag is gelegd en de exhibitievordering is ingesteld. Zoals hiervoor overwogen zal deze incidentele vordering worden afgewezen. Dit betekent dat alleen de verwijten die in de processtukken in de procedure bij de rechtbank en bij het hof den Bosch geconcretiseerd zijn (en ook nog per individuele franchisenemer) een basis kunnen vormen voor toewijzing van de vorderingen. Die geconcretiseerde verwijten zullen hierna worden opgesomd en behandeld.

4.46.

Het gaat hierbij om de concrete verwijten die aan de franchisenemers in de processtukken zijn gemaakt en dus niet om de veelheid van verwijten die terug te vinden zijn in de brieven van Bridge zelf (van 12 december 2012 aan [franchisenemer2] en van 12 december 2012 aan de advocaat van [franchisenemer2] , [franchisenemer4] en [franchisenemer3] , van 24 januari 2013 aan [franchisenemer3] en van 24 januari 2013 aan [franchisenemer4] of van haar advocaat (de brief van 1 augustus 2013 aan ieder van de vijf franchisenemers, waarin hij namens Bridge de overeenkomsten met de franchisenemers buitengerechtelijk heeft ontbonden).

Reconventie- resterende verwijten aan franchisenemers terzake schending overeenkomsten

4.47.

Aan de franchisenemers gezamenlijk heeft Bridge (samengevat en voor zover na de vorige overwegingen nog van belang) de volgende concrete verwijten gemaakt:

(i) zij hebben gedurende de looptijd van de overeenkomsten nagelaten de op grond van artikel 4 lid 1 (en 8) van de overeenkomsten (en voor [franchisenemer5] : de artikelen 7 lid 1 (en 11) van zijn overeenkomst) verschuldigde en al gefactureerde vergoedingen te betalen;

(ii) zij hebben gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomsten en na hun vertrek (toen de franchiseovereenkomsten nog liepen) hun werkzaamheden niet of niet volledig geregistreerd in het BAS-systeem met de opzet om omzet en gegevens buiten zicht van Bridge te houden. Mede als gevolg daarvan zijn zij hun betalingsverplichtingen jegens Bridge niet (volledig) nagekomen en zijn zij boetes verschuldigd (op grond van artikel 14 van de overeenkomsten, en voor [franchisenemer5] : artikel 17 van zijn overeenkomst);

(iii) zij hebben na hun vertrek bij Bridge (toen de franchiseovereenkomsten nog liepen) als zelfstandige trainers met eigen bedrijven (en in het samenwerkingsverband Beukenrode) trainingen verzorgd, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van know-how en relaties van Bridge; daarmee hebben de franchisenemers in strijd gehandeld met de artikelen 4 lid 2 en lid 3 van de overeenkomsten (voor [franchisenemer5] : de artikelen 7 lid 2 en lid 3 van zijn overeenkomst) en zijn zij boetes verschuldigd (op grond van artikel 14 van de overeenkomsten, en voor [franchisenemer5] : artikel 17 van zijn overeenkomst);

(iv) zij hebben na de voortijdige beëindiging van hun overeenkomsten ten onrechte geweigerd opgaven van omzet te verstrekken waardoor Bridge schade heeft geleden en zij een vergoeding verschuldigd zijn wegens omzetderving.

4.48.

De franchisenemers hebben zich in algemene zin verweerd tegen deze verwijten:

ad (i) de franchisenemers erkennen aan ieder van hen door Bridge gefactureerde vergoedingen onbetaald te hebben gelaten en verschuldigd te zijn en wel tot de bedragen genoemd in de conclusie van antwoord in reconventie (randnummer 115); de franchisenemers betwisten meer dan dat verschuldigd te zijn;

ad (ii) de franchisenemers betwisten dat zij voor hun vertrek met opzet hebben nagelaten gegevens in te voeren in het BAS-systeem; zij hebben dat wel gedaan voor zover mogelijk, maar de server en het BAS-systeem functioneerden slecht en waren vaak onbereikbaar. Na hun vertrek heeft Bridge aan de franchisenemers de toegang tot de server en het systeem ontzegd;

ad (iii en iv) na hun vertrek uit de Bridge-organisatie (eind 2012/begin 2013) achtten de franchisenemers zich niet meer gebonden aan de franchiseovereenkomsten (omdat zij die in hun visie buitengerechtelijk ontbonden hadden). Daarom zijn zij geen boetes en vergoedingen wegens omzetderving verschuldigd. De franchisenemers erkennen dat zij als zelfstandig opererende trainers en in het samenwerkingsverband trainingen hebben verzorgd. Zij betwisten echter dat de door hen daarbij gebruikte methodieken en documenten van Bridge afkomstig zijn; die hebben zij zelf ontwikkeld.

Gefactureerde vergoedingen verschuldigd - verwijt (i)

4.49.

De franchisenemers erkennen de aan ieder van hen door Bridge gefactureerde vergoedingen in ieder geval deels verschuldigd te zijn. Daarmee staat vast dat [franchisenemer5] gehandeld heeft strijdig met de artikelen 7 lid 1 en 11 van zijn overeenkomst en dat de overige franchisenemers in strijd hebben gehandeld met artikel 4 lid 1 en 8 van hun overeenkomsten.

Registratie in BAS-systeem- verwijt (ii)

4.50.

Naar het oordeel van het hof heeft Bridge tegenover het onderbouwde verweer van de franchisenemers dat het BAS-systeem structureel niet goed functioneerde, onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat de franchisenemers voor hun vertrek uit de organisatie stelselmatig geen of onvoldoende gegevens invoerden in het systeem, met de opzet om informatie achter te houden voor Bridge. Dat de franchisenemers na hun vertrek geen toegang meer hadden tot het systeem heeft Bridge voorts niet weersproken.

4.51.

Als de franchisenemers op dit punt al tekortgeschoten zouden zijn in de nakoming van hun verplichtingen, dan nog is niet vast komen te staan dat dit toerekenbaar is, gelet op de vele onvoldoende weersproken klachten van de franchisenemers over het functioneren van het systeem. Daarmee is ook onvoldoende gesteld door Bridge om aan te nemen dat de franchisenemers onrechtmatig hebben gehandeld door gegevens niet in te voeren in het BAS-systeem.

Verwijt (iii) en (iv) optreden als zelfstandig trainer en omzetderving

4.52.

Hierna zal het hof per individuele franchisenemer bespreken of en in hoeverre deze verwijten opgaan.

Verwijten (iii) en (iv)- [franchisenemer4]

4.53.

[franchisenemer4] heeft niet betwist dat hij vóór het reguliere einde van zijn franchiseovereenkomst zijn werkzaamheden in het verband van de Bridge organisatie heeft gestaakt en als zelfstandig trainer (dan wel als deel van een samenwerkingsverband) buiten Bridge om trainingen heeft gegeven.

4.54.

Namens de franchisenemers is meer in het algemeen aangevoerd dat dit niet toerekenbaar was omdat Bridge hen hield aan knellende contracten die hen weinig omzet opleverde. Daardoor kwamen zij in het najaar van 2012 in financiële nood en waren zij wel gedwongen inkomsten te verwerven als zelfstandig trainer. Het bestaan van financiële nood is echter weersproken door Bridge, die heeft aangevoerd dat de franchisenemers gedurende het laatste jaar dat zij binnen Bridge werkten persoonlijke omzetten hebben gerealiseerd tussen € 133.885,- en € 162.951,-. Op de persoonlijke situatie van [franchisenemer4] toegespitste stellingen over financiële nood ontbreken bovendien. Dit tekortschieten is daarmee toerekenbaar en levert strijd op met de artikelen 4 lid 2 en lid 3 van de franchiseovereenkomst.

4.55.

Daarnaast heeft Bridge gesteld dat [franchisenemer4] trainingen heeft verzorgd met behulp van aan Bridge ontleende know-how en ten behoeve van relaties van Bridge en daarmee heeft gehandeld in strijd met de artikelen 11 en 18 lid 6 van zijn franchiseovereenkomst. Die bepalingen zijn van toepassing na het einde van de franchiseovereenkomsten (dus na 1 augustus 2013). Namens de franchisenemers is echter expliciet betwist dat zij na 1 augustus 2013 know-how van Bridge hebben gebruikt voor hun trainingen. Tegenover hun stellingen dat zij totaal andere trainingen aanboden met een afwijkende visie, methodiek en werkwijze heeft Bridge onvoldoende ingebracht.

4.56.

Bridge heeft nog aangevoerd dat uit een mailbericht van [franchisenemer4] aan Norgine blijkt dat hij know-how van Bridge gebruikt en relaties van Bridge heeft benaderd. Dit mailbericht dateert echter van ver voor 1 augustus 2013 (25 december 2012) en [franchisenemer4] heeft bovendien expliciet betwist dat deze offerte op zijn initiatief is uitgebracht, dat hij de training zou uitvoeren en dat deze offerte tot een order heeft geleid.

4.57.

Bridge heeft daarmee onvoldoende gesteld om aan te nemen dat [franchisenemer4] de artikelen 11 en 18 lid 6 van de franchiseovereenkomst heeft overtreden.

De algemene stellingen van Bridge daarover in de conclusie van eis in conventie, eis in reconventie randnummer 330 (waarin gesproken wordt over “feitelijk vermoedens” gebaseerd onder meer op het feit dat de franchisenemers toegang hadden tot documenten, voor zichzelf zijn begonnen en algemene beweringen op de websites van de franchisenemers) zijn onvoldoende om tot die conclusie te komen. Dit geldt ook voor schending van de geheimhoudingsplicht (artikel 13 van de franchiseovereenkomst).

Verwijten (iii) en (iv)- [franchisenemer1]

4.58.

Wat hiervoor is overwogen is over [franchisenemer4] geldt grotendeels ook voor [franchisenemer1] :

- [franchisenemer1] heeft erkend door Bridge gefactureerde vergoedingen onbetaald te hebben gelaten en verschuldigd te zijn; dit levert schending van artikel 4 lid 1 van de franchiseovereenkomst op;

- [franchisenemer1] heeft niet betwist dat hij vóór het reguliere einde van zijn franchiseovereenkomst zijn werkzaamheden als franchisenemer van Bridge heeft gestaakt en als zelfstandig trainer (dan wel als deel van een samenwerkingsverband) buiten Bridge om trainingen heeft gegeven;

-dit levert een schending van artikel 4 lid 2 en lid 3 van de franchiseovereenkomst op die toerekenbaar is, onder meer omdat ook [franchisenemer1] onvoldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat hij eind 2012 in zodanige financiële nood was komen te verkeren dat hij wel gedwongen was buiten Bridge om trainingen te geven.

4.59.

Ook in het geval van [franchisenemer1] heeft Bridge onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat hij heeft gehandeld in strijd met de artikelen 11 en 18 lid 6 van zijn franchiseovereenkomst door gebruik te maken van know-how en relaties van Bridge. Bridge heeft niets specifieks gesteld dat op schending van deze artikelen door [franchisenemer1] wijst. Ook schending van de geheimhoudingsplicht (artikel 13 van de franchiseovereenkomst) door [franchisenemer1] is niet komen vast te staan.

Verwijten (iii) en (iv)- [franchisenemer2]

4.60.

[franchisenemer2] neemt een bijzondere positie in omdat Bridge zijn franchiseovereenkomst tussentijds heeft opgezegd bij brief van 12 december 2012 (tegen 12 maart 2013, op grond van artikel 16 van zijn franchiseovereenkomst). Deze brief geeft aan [franchisenemer2] geen termijn van veertien dagen om alsnog na te komen, terwijl dit wel vereist wordt op grond van artikel 16 lid 1 van de overeenkomst (zoals namens [franchisenemer2] terecht is aangevoerd). In de brief van 12 december 2012 spreekt [appellanten] namens Bridge over “vruchteloze sommaties” en over een eerder halfjaarsgesprek in september 2012 waarin tekortkomingen van [franchisenemer2] zouden zijn besproken, maar een verslag van dat gesprek of die sommaties bevinden zich niet bij de processtukken. De brief van 12 december 2012 heeft er dus niet toe geleid dat [franchisenemer2] in verzuim is komen te verkeren.

4.61.

Noch in de brief van 12 december 2012, noch in de processtukken heeft Bridge gesteld dat [franchisenemer2] voor december 2012 buiten Bridge om trainingen verzorgde. Ook ontbreken specifieke stellingen dat hij dat deed in de periode tot 12 maart 2013, de datum waarop volgens Bridge de overeenkomst eindigde, of daarna. Bridge heeft zich nog beroepen op een brief van Quickly Bestsellers van 15 april 2013, maar uit die brief blijkt niet dat deze relatie [franchisenemer2] als trainer wilde inhuren (en dat vervolgens ook heeft gedaan). De stelling van Bridge dat [franchisenemer2] in strijd zou hebben gehandeld met artikel 11/18 lid 6 van zijn overeenkomst (door know-how van Bridge te gebruiken of haar relaties te benaderen) wordt verder niet op [franchisenemer2] toegespitst onderbouwd. De hiervoor in 4.62. genoemde feitelijke vermoedens zijn onvoldoende om tot schending van deze artikelen te leiden.

4.62.

Bridge heeft nog aangevoerd dat [franchisenemer2] zonder licentie of toestemming van Bridge een training in het Frans zou hebben gegeven. Volgens [franchisenemer2] echter heeft Bridge hem verzocht die training in het Frans te geven en heeft Bridge zich pas nadat [franchisenemer2] de franchiseovereenkomst wilde beëindigen op het standpunt gesteld dat hij die training niet mocht geven. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft Bridge onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat dit een toerekenbare tekortkoming van [franchisenemer2] oplevert.

4.63.

Resteert als tekortkoming slechts een beperkt bedrag aan fees dat Gevers heeft erkend verschuldigd te zijn (€ 9.392,25); dit levert schending van artikel 4 lid 1 van de franchiseovereenkomst op en slechts in zoverre kan de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen. Deze enkele tekortkoming is naar het oordeel van het hof echter zodanig gering dat deze de tussentijdse ontbinding van deze duurovereenkomst (op grond van artikel 17) met de vergaande gevolgen genoemd in artikel 18 lid 1 van de overeenkomst (de vergoeding voor omzetderving) niet rechtvaardigt; daarvoor zijn onvoldoende aanknopingspunten aangevoerd Een tussentijdse opzegging van deze overeenkomst (op grond van artikel 16) vanwege deze geringe tekortkoming moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht, gelet op de aard en duur van de overeenkomst. De door Bridge sub 2 gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.

Verwijten (iii) en (iv)- [franchisenemer3]

4.64.

[franchisenemer3] heeft erkend door Bridge gefactureerde vergoedingen onbetaald te hebben gelaten en verschuldigd te zijn; dit levert schending van artikel 4 lid 1 van de franchiseovereenkomst op.

4.65.

Bridge heeft voorts gesteld dat [franchisenemer3] meerdere malen gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomsten trainingen heeft verzorgd voor klanten van Bridge en dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van know-how van Bridge. Het betreft trainingen in juni 2012 voor Johnson&Johnson, in januari 2013 voor FGH en in maart 2013 voor Mayfran. Alle drie de bedrijven waren klanten van Bridge en [franchisenemer3] heeft deze trainingen verzorgd met gebruikmaking van trainingsmateriaal dat bijna gelijk is aan wat Bridge heeft ontwikkeld.

4.66.

[franchisenemer3] heeft erkend dat hij in juni 2012 één training heeft gegeven aan Johnson&Johnson (maar zonder gebruikmaking van know-how van Bridge en Johnson&Johnson was volgens met hem geen relatie van Bridge). Ter zake de trainingen aan FGH en Mayfran heeft [franchisenemer3] ook erkend dat hij deze trainingen gegeven heeft, maar heeft hij aangevoerd dat dit na beëindiging van zijn franchiseovereenkomst was.

4.67.

Zoals uit het voorgaande blijkt klopt dit laatste niet, nu de overeenkomst met [franchisenemer3] pas rechtsgeldig is beëindigd door de opzegging door Bridge (op 1 augustus 2013). Dit betekent dat vast staat dat [franchisenemer3] deze drie trainingen heeft gegeven in strijd met de artikelen 4 lid 2 en lid 3 van de franchiseovereenkomsten. Ook staat vast (gelet op de door Bridge overgelegde stukken) dat [franchisenemer3] bij de trainingen aan Johnson&Johnson en aan FGH gebruik heeft gemaakt van trainingsmateriaal van Bridge. Dit levert een schending van artikel 4 lid 2 en lid 3 van de franchiseovereenkomst op die toerekenbaar is, mede omdat ook [franchisenemer3] onvoldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat hij eind 2012/begin 2013 in zodanige financiële nood was komen te verkeren dat hij wel gedwongen was buiten Bridge om trainingen te geven.

Dat de genoemde trainingen hebben geleid tot enige schade voor Bridge is aannemelijk en ter zake deze schade is verwijzing naar een schadestaatprocedure mogelijk (ondanks de hiervoor genoemde rechtspraak).

4.68.

Bridge heeft echter onvoldoende gesteld om aan te nemen dat [franchisenemer3] daarnaast ook de artikelen 11 en 18 lid 6 van de franchiseovereenkomst heeft overtreden. Concrete stellingen ontbreken waaruit blijkt dat [franchisenemer3] na 1 augustus 2013 trainingen heeft gegeven aan relaties van Bridge en/of met gebruikmaking van de know-how van Bridge. Zoals hiervoor overwogen zijn algemene stellingen en “feitelijke vermoedens” onvoldoende om tot die conclusie te komen. Dit geldt ook voor schending van de geheimhoudingsplicht (artikel 13 van de franchiseovereenkomst); die schending is evenmin komen vast te staan in de zaak tegen [franchisenemer3] .

Verwijten (iii) en (iv)- [franchisenemer5]

4.69.

[franchisenemer5] heeft erkend door Bridge gefactureerde vergoedingen onbetaald te hebben gelaten en verschuldigd te zijn; dit levert schending van artikel 7 lid 1 van de franchiseovereenkomst op.

4.70.

Bridge heeft voorts gesteld dat [franchisenemer5] op 12 maart 2013 meer dan 100 documenten heeft gedownload met het kennelijke doel deze te gebruiken bij zijn eigen trainingen; dit is in strijd met artikel 21 van zijn franchiseovereenkomst. Daarnaast stonden op de website van [franchisenemer5] (op enig moment) referenties vermeld van bedrijven, terwijl zeven daarvan relaties van Bridge zijn; daarmee is schending van het relatiebeding in de overeenkomst (artikel 14) een gegeven, aldus Bridge. Op 19 augustus 2013 heeft [franchisenemer5] vervolgens nog gemaild met een relatie van Bridge (Oci Nitrogen) om een datum te prikken voor een training, zonder Bridge daarvan in kennis te hebben gesteld.

4.71.

Uit het voorgaande blijkt dat Bridge (en de bestuurders van Bridge) zich niet kunnen beroepen op eventuele auteursrechtelijke inbreuken. Artikel 16 lid 4 van de overeenkomst met [franchisenemer5] bevat weliswaar een non-concurrentiebeding (dat hij gedurende de looptijd van de overeenkomst en ook daarna verplicht is zich te onthouden van soortgelijke bedrijfsactiviteiten) en een beding waaruit volgt dat hij bij Bridge opgedane know-how niet mag delen met derden, maar deze verplichtingen zijn blijkens de tekst van de overeenkomst aangegaan “ter bescherming van intellectuele eigendomsrechten”. Ook volgt uit het voorgaande dat de bestuurders van Bridge geen vorderingen kunnen instellen die gebaseerd zijn op het recht op de handelsnaam van Bridge of op haar eigendom van bepaalde documenten. Artikel 14 van de overeenkomst met [franchisenemer5] bevat een relatiebeding, maar dit geldt na het einde van de overeenkomst (in dit geval dus na 1 augustus 2013) en hetzelfde geldt voor artikel 21 van deze overeenkomst.

4.72.

Gelet hierop kan de download van documenten op 12 maart 2013 niet tot toewijzing van een vordering van Bridge of van de bestuurders van Bridge leiden. [franchisenemer5] heeft aangevoerd dat de genoemde referenties slaan op trainingen die hij heeft verzorgd vanuit de Bridge-organisatie. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft Bridge onvoldoende gesteld om haar vordering op dit punt te onderbouwen, ook omdat zij niet duidelijk heeft gemaakt op welk moment de genoemde referenties op de website van [franchisenemer5] te zien waren. Dit is van belang omdat Bridge zich niet op artikel 16 lid 4 kan beroepen en de artikelen 14 en 21 alleen na 1 augustus 2013 gelden.

4.73.

Ter zake de mail van 19 augustus 2013 (of die nu wel of niet vanuit een Bridge-mailaccount is verstuurd) blijkt wel dat [franchisenemer5] mogelijk in november 2013 een training zou gaan verzorgen voor Oci Nitrogen, maar niet of [franchisenemer5] deze opdracht voor 1 augustus 2013 voor zijn eigen bedrijf had aangenomen (of dat de opdracht al voor die datum was gegeven aan [franchisenemer5] in Bridge-verband en de uitvoering verzet was tot na 1 augustus 2013). Het lag op de weg van Bridge om op dit punt duidelijkheid te scheppen en dat heeft zij nagelaten. Om die reden kan geen tekortkoming worden aangenomen.

4.74.

Concrete stellingen waaruit blijkt dat [franchisenemer5] na 1 augustus 2013 trainingen heeft gegeven aan relaties van Bridge en/of met gebruikmaking van de know-how van Bridge ontbreken verder. Zoals hiervoor overwogen zijn algemene stellingen en “feitelijke vermoedens” onvoldoende om tot die conclusie te komen. Dit geldt ook voor schending van de geheimhoudingsplicht (artikel 13 van de franchiseovereenkomst); die schending is evenmin komen vast te staan in de zaak tegen [franchisenemer5] .

4.75.

De conclusie luidt dat slechts vast is komen te staan dat [franchisenemer5] artikel 7 lid 1 van zijn franchiseovereenkomst heeft geschonden en dat van overige tekortkomingen geen sprake is.

Verweren ontleend aan artikel 6 Mededingingswet

4.76.

De franchisenemers hebben als verweer tegen de vorderingen van Bridge aangevoerd dat de franchiseovereenkomsten als geheel (of een groot aantal bepalingen daaruit) nietig zijn wegens strijd met de mededingingswetgeving (met name de vaste prijsafspraken en afspraken omtrent non-concurrentie) en dat Bridge hen daarom niet aan de franchiseovereenkomsten (of bepalingen daaruit) kan houden.

4.77.

Uit het voorgaande volgt dat ter zake [franchisenemer4] , [franchisenemer1] en [franchisenemer3] alleen is komen vast te staan dat zij de volgende artikelen van hun franchiseovereenkomsten hebben geschonden:

-artikel 4 lid 1 (het onbetaald laten van gefactureerde fees);

-artikel 4 lid 2 (de verplichting gedurende de looptijd alleen producten van Bridge te verkopen); en

-artikel 4 lid 3 (een verbod om gedurende de looptijd van hun franchiseovereenkomsten een zaak te drijven zonder volledig gebruik van de franchiseformule).

Voor [franchisenemer2] en [franchisenemer5] geldt dat alleen vastgesteld kan worden dat zij artikel 4 lid 1 en 7 lid 1 van hun overeenkomsten hebben overtreden (het onbetaald laten van gefactureerde fees) en ter zake die artikelen hebben de franchisenemers hun mededingingsrechtelijke verweer niet gevoerd.

4.78.

Alleen [franchisenemer4] , [franchisenemer1] en [franchisenemer3] hebben dus belang bij verdere bespreking van dit verweer. Daarbij ligt de vraag voor of Bridge hen mag houden aan de artikelen 4 lid 2 en lid 3 van de overeenkomst, of dat dit niet mag omdat deze artikelen nietig zijn wegens strijd met artikel 6 Mededingingswet (Mw). Dat laatste kan niet worden volgehouden omdat deze artikelen inherent zijn aan deze franchiseovereenkomst en noodzakelijk en evenredig moeten worden geacht voor het behoud van de identiteit en reputatie van de franchiseorganisatie. De inhoud van deze artikelen kan daarom niet worden opgevat als verboden mededingingsbeperkingen.

4.79.

De franchisenemers hebben voorts gesteld dat zij gebonden zijn aan het berekenen van vaste prijzen aan hun opdrachtgevers en dat dit voortvloeit uit de prijslijst en uit het huishoudelijk reglement. Zij hebben aangevoerd dat een dergelijke prijsbinding nietig is wegens strijd met artikel 6 lid 1 Mw en dat dit betekent dat de franchiseovereenkomsten als geheel nietig zijn. Voorts hebben zij gesteld dat de in de franchiseovereenkomsten opgenomen non-concurrentiebedingen (die gelden na afloop van de overeenkomsten) in strijd zijn met artikel 6 lid 1 Mw.

4.80.

Ook om de volgende redenen gaan deze verweren niet op.

Art. 6 lid 1 Mw verbiedt onder meer besluiten van ondernemersverenigingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Deze bepaling is geënt op artikel 101 VWEU. Bij de uitleg van artikel 6 Mw moet dan ook zo veel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij de uitleg van artikel 101 VWEU in de rechtspraak van het HvJEU.

4.81.

Uit de Europese en Nederlandse mededingingsrechtspraak volgt dat degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, dit dient te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, zodat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt. De partij die beweert dat een inbreuk is gepleegd draagt de bewijslast van die inbreuk. De rechter dient immers in staat te worden gesteld, zo nodig nader voorgelicht door partijen of deskundigen, de werking van de desbetreffende markt in voldoende mate te doorgronden om te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrije mededinging op die markt is of zou kunnen worden verstoord. Een partij die een mededingingsrechtelijke inbreukvordering instelt, kan daarom in beginsel niet volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden, gepaard met de stelling dat deze verboden in het desbetreffende geval zijn geschonden. Dit is niet anders wanneer daarbij summiere aanduidingen van relevante geografische en productmarkten worden gegeven en niet nader toegespitste stellingen worden betrokken over percentages van respectieve marktaandelen op de desbetreffende markten. Daardoor wordt immers niet zonder meer voldoende inzicht gegeven in de voor de beoordeling essentiële feiten en omstandigheden, zoals een zorgvuldige marktafbakening, de relevante marktstructuur en marktkenmerken en het daadwerkelijke functioneren van de relevante markt(en) en van het effect daarop van de gestelde inbreuken.

4.82.

Aan deze stelplicht hebben de franchisenemers in het geheel niet voldaan.

Zo ontbreekt onder meer informatie over:

de relevante produktmarkt: op welke markt zijn Bridge en de franchisenemers actief? Bestaat die markt alleen uit de door Bridge ontwikkelde trainingen of omvat de markt ook andere trainingen en welke ondernemingen zijn daarop actief?

de relevante geografische markt: omvat die Nederland, een deel van Nederland of een gebied dat groter is dan Nederland?

wat zijn de marktaandelen van de spelers op de af te bakenen relevante markt?

Bij dit laatste punt valt op dat de franchisenemers wel stellen dat het marktaandeel van Bridge groter is dan 5% (zodat de zogenoemde De Minimis-bepalingen toepassing missen) of zelfs meer dan 30% bedraagt (zodat de Groepsvrijstelling evenzeer toepassing mist), maar hoe zij tot deze percentages komen zonder eerst de markt af te bakenen is, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet te begrijpen.

De franchisenemers hebben dus niet aan hun stelplicht voldaan, zodat het hof ook daarom niet toekomt aan de toetsing van de relevante bepalingen uit de franchiseovereenkomst aan artikel 6 lid 1 Mw.

4.83.

Dat wordt niet anders door de stelling van de franchisenemers dat de aangevochten bepalingen (zoals de non-concurrentiebedingen en de veronderstelde prijsbinding) zogenoemde strekkingsbepalingen zijn. Daarvoor geldt het volgende.

Uit rechtspraak van het HvJEU blijkt dat bepaalde vormen van coördinatie tussen of door ondernemingen en ondernemersverenigingen naar hun aard de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer behoeven te worden onderzocht. Bij de beoordeling of een besluit van een ondernemersvereniging een dergelijke mededingingsbeperkende strekking heeft, moet worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten. Bij het onderzoek naar de vraag of het desbetreffende besluit mededingingsbeperkend is, mag bovendien rekening worden gehouden met de bedoelingen van partijen. Het begrip mededingingsbeperkende strekking moet restrictief worden uitgelegd en kan uitsluitend worden toegepast op vormen van coördinatie die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet behoeven te worden onderzocht. Dat een bepaalde vorm van coördinatie de potentie heeft om de mededinging te beperken, maakt daarom op zichzelf nog niet dat sprake is van een besluit met een mededingingsbeperkende strekking.

4.84.

Om in deze zaak te kunnen concluderen dat sprake is van strekkingsbedingen is de economische en juridische context dus van groot belang, evenals de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten. Zonder gegevens over die markt is daarom niet te beoordelen of sprake is van strekkingsbedingen. Het had ook hier op de weg van de franchisenemers gelegen om die gegevens aan te leveren. Of sprake is van strekkingsbedingen kan daarom niet worden beoordeeld bij gebreke aan feitelijke onderbouwing.

4.85.

Vanwege het ontbreken van die (basale) marktinformatie kan daarom ook niet worden beoordeeld of de genoemde bepalingen in de franchiseovereenkomsten een mededingingsbeperkend gevolg hebben.

4.86.

De conclusie luidt dat de franchisenemers onvoldoende hebben gesteld om tot schending van artikel 6 Mw te kunnen concluderen.

Bepalingen in overeenkomst onredelijk bezwarend?

4.87.

Pas in akte D (van 10 juni 2021) hebben de franchisenemers voor het eerst aangevoerd dat bepalingen in de franchiseovereenkomst op grond van de artikelen (art. 6:233 sub a en) 6:236/237 BW onredelijk bezwarend zijn. Dit bezwaar is werkelijk te laat aangevoerd, namelijk zelfs na memorie C van 27 oktober 2020 en pas ter gelegenheid van een zitting die geen doorgang heeft gevonden. In memorie C hadden de franchisenemers de gelegenheid hun stellingen na verwijzing aan te vullen en incidenteel beroep in te stellen en dat hebben ze ook gedaan. Door na die memorie nog nieuwe stellingen in te nemen hebben de franchisenemers niet voldaan aan de vereiste concentratie van debat en daarmee gehandeld in strijd met de twee-conclusie-regel. Reeds om deze reden faalt het beroep op de gestelde onredelijk bezwarendheid van bepalingen in de franchiseovereenkomst.

4.88.

Afgezien hiervan hebben de franchisenemers onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat dit beroep op de beweerdelijke nietigheid van bepaalde bepalingen tot nietigheid van de gehele overeenkomst zou moeten leiden. Uitgangspunt is immers dat strijdigheid met art. 6:233 sub a BW leidt tot partiële nietigheid van het betreffende beding. Daarbij geldt ook nog dat het beroep niet opgaat voor het beperkt aantal artikelen (hiervoor genoemd) waarvan is vastgesteld dat die geschonden zijn door de franchisenemers.

4.89.

Ook dit verweer gaat dus niet op.

Conclusie ter zake schending overeenkomsten/ onrechtmatig handelen door franchisenemers

4.90.

Zoals hiervoor is geconstateerd zijn de franchisenemers op een aantal punten tekortgeschoten in de nakoming van hun overeenkomsten. Dit tekortschieten is toerekenbaar en gaf Bridge het recht de overeenkomst te ontbinden, wat zij op 1 augustus 2013 ook heeft gedaan. Geen van de verweren hiertegen van de franchisenemers gaat op.

Onrechtmatig beslag door franchisenemers

4.91.

Bridge heeft aangevoerd dat de franchisenemers door hun handelswijze (met name ook door het leggen en handhaven van conservatoire derdenbeslagen op alle vorderingen van Bridge op overige mede-franchisenemers) onrechtmatig gehandeld hebben, waardoor Bridge grote schade heeft opgelopen.

4.92.

Zoals hiervoor is overwogen hebben de franchisenemers hun stellingen ter zake de tekortkomingen en het onrechtmatig handelen van Bridge onvoldoende onderbouwd, zodat dit niet is komen vast te staan. Dit betekent dat de vorderingen van de franchisenemers waarvoor de derdenbeslagen zijn gelegd ongegrond zijn en dat de franchisenemers aansprakelijk zijn voor door die beslagen geleden schade. Bridge heeft de aanwezigheid van schade voldoende aannemelijk gemaakt, zodat vordering 8 (de verwijzing naar een schadestaatprocedure) in zoverre kan worden toegewezen.

Vorderingen in reconventie-conclusie

4.93.

Uit het voorgaande volgt dat dit hof zal volstaan met de toewijzing in de zaken tegen [franchisenemer4] , [franchisenemer1] en [franchisenemer3] van een verklaring voor recht dat de artikelen 4 lid 1, lid 2 en lid 3 van hun franchiseovereenkomst is geschonden. In de zaak tegen [franchisenemer2] geldt dat voor artikel 4 lid 1 van zijn overeenkomst en in de zaak tegen [franchisenemer5] voor artikel 7 lid 1 van zijn overeenkomst. Voor toewijzing van meer dan dat heeft Bridge onvoldoende aangevoerd en haar stellingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een meer nauwkeurige vaststelling van verschuldigde fees, eventueel verschuldigde vergoedingen en boetes dan uit het hiervoor overwogene blijkt.

4.94.

Dit geldt nog afgezien van de vragen die artikel 6:92 BW oproept over de samenloop tussen de vorderingen tot nakoming van een boetebeding en de nakoming van de verbintenis waaraan het boetebeding is verbonden, de samenloop tussen boetes en schadevergoedingen en het beroep op matiging van boetes dat namens de franchisenemers is gedaan. Een verklaring voor recht dat boetes verschuldigd zijn zal ook daarom niet worden toegewezen.

4.95.

Voor toewijzing van vordering 1 (iv) (een verklaring voor recht dat de franchisenemers gehouden zijn alle schade te vergoeden die Bridge heeft geleden als gevolg van hun toerekenbaar tekortschieten) heeft Bridge onvoldoende aangevoerd. Dat er sprake was van onrechtmatige concurrentie (het stelselmatig en substantieel afbreken met behulp know-how en documenten van Bridge van hetgeen Bridge had opgebouwd) kan gelet op het voorgaande niet worden aangenomen.

4.96.

Alleen in het geval van [franchisenemer3] zal een verklaring voor recht worden toegewezen dat hij gehouden is tot vergoeding aan partij [appellanten] van schade geleden als gevolg van trainingen gegeven op in juni 2012 voor Johnson&Johnson, in januari 2013 voor FGH en in maart 2013 voor Mayfran, deze schade nader op te maken bij staat.

4.97.

Uit het voorgaande blijkt dat vordering 2 tegen [franchisenemer2] niet kan worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor vordering 3 (gebaseerd op de auteursrechtelijke inbreuken terwijl die rechten niet aan Bridge toekomen) en voor de vorderingen 4, 5 en 6 omdat die niet kunnen worden ingesteld door de bestuurders van Bridge. Daarmee behoeft de aan die laatste vorderingen gekoppelde vordering 7 tot het opleggen van dwangsommen geen verdere behandeling. Vordering 8 zal tegen iedere franchisenemer worden toegewezen voor zover dit schade betreft veroorzaakt door de gelegde derdenbeslagen.

Vorderingen ter zake bewijsbeslag

4.98.

De rechtbank heeft de vordering van de franchisenemers tot opheffing van het door Bridge gelegde bewijsbeslag toegewezen, maar niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De franchisenemers hebben tegen deze afwijzing alsnog bezwaar gemaakt (bij grief 2 in het incidentele beroep). Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van Bridge waarvoor het beslag is gelegd niet worden toegewezen, zodat deze beslissing in stand blijft. Omwille van de duidelijkheid zal dit hof deze beslissing in het dictum van deze uitspraak opnemen en alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Aangenomen moet worden dat de eerder daartegen gerichte bezwaren niet meer bestaan (Bridge heeft na verwijzing geen aandacht meer aan dit onderwerp besteed).

5 De slotsom

5.1.

Uit het voorgaande blijkt dat het (principale) beroep van Bridge tegen het vonnis van de rechtbank Limburg gedeeltelijk opgaat en dat het (incidentele) beroep van de franchisenemers daartegen niet opgaat (behalve dan dat de beslissing tot het opheffen van het bewijsbeslag uitvoerbaar bij voorraad verklaard zal worden).

5.2.

Omwille van de duidelijkheid van het dictum zal het vonnis van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015 geheel worden vernietigd en zal beslist worden zoals hiervoor is aangekondigd en hierna blijkt.

Proceskosten in conventie (inzake de vorderingen van de franchisenemers)

5.3.

Aangezien de vorderingen van de franchisenemers (voor het overgrote deel) worden afgewezen zullen zij de kosten van Bridge/partij [appellanten] moeten dragen van de procedure bij de rechtbank Limburg (zowel in de hoofdzaak als in het door hen geopende incident) en ook van de procedure bij het hof Den Bosch, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten zoals gevorderd.

Proceskosten in conventie rechtbank Limburg

5.4.

Bij de rechtbank Limburg zijn drie zaken aanhangig gemaakt (door [franchisenemer2] , [franchisenemer3] en [franchisenemer4] gezamenlijk, door [franchisenemer1] en door [franchisenemer5] ). Na de afzonderlijke dagvaardingen in de drie zaken heeft Bridge steeds in alle drie de zaken grotendeels gelijkluidend verweer gevoerd steeds vervat in één processtuk. Vanwege deze samenhang zal het advocatensalaris voor Bridge in de hoofdzaak worden vastgesteld alsof het één zaak was en wel op € 8.027,50 (2,5 punt tegen tarief VIII) en in het incident op € 3.211,- (1 punt van dat tarief). Verder zullen de franchisenemers de door Bridge betaalde griffierechten moeten voldoen, € 3.715,- in iedere zaak (dus € 11.145,- in totaal).

5.5.

De rechtbank heeft de vordering in incident van de franchisenemers afgewezen en hen in de kosten daarvan veroordeeld (€ 3.211,- aan salaris advocaat). Gelet op de voorgaande overweging over dit incident blijft deze beslissing in stand en dit zal hierna in het dictum worden verwerkt.

Proceskosten in conventie hof den Bosch

5.6.

De kosten voor deze procedure aan de zijde van partij [appellanten] zullen (conform de beslissing van het hof Den Bosch) worden vastgesteld op:

- explootkosten € 77,84

- griffierecht € 5.160,-

totaal verschotten € 5.237,84

- salaris advocaat € 13.740,- (3 punten x € 4.580,-).

Proceskosten in reconventie rechtbank Limburg

5.7.

De rechtbank heeft de door Bridge ingestelde vordering in het incident afgewezen en heeft Bridge veroordeeld in de proceskosten van de franchisenemers (€ 2.000,- aan salaris advocaat). Gelet op de voorgaande overweging over dit incident blijft deze beslissing in stand (ook ter zake toepassing van artikel 1019h Rv) en dit zal hierna in het dictum worden verwerkt.

5.8.

In de hoofdzaak heeft de rechtbank Bridge niet-ontvankelijk verklaard ter zake de auteursrechtelijke vorderingen en heeft de vorderingen voor het overige afgewezen. Zoals uit het voorgaande blijkt is dit hof (met de rechtbank Limburg en het hof den Bosch) van oordeel dat Bridge niet-ontvankelijk is ter zake de auteursrechtelijke vorderingen. De overige vorderingen van Bridge worden slechts zeer ten dele toegewezen, zodat dit hof constateert dat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld zijn. Dat vormt reden om de proceskosten van de rechtbankprocedure in reconventie te compenseren, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Proceskosten in reconventie hof den Bosch

5.9.

Dit geldt ook ter zake de proceskosten die in de procedure in hoger beroep zijn gemaakt in reconventie, zodat ook die kosten zullen worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Proceskosten na verwijzing in conventie en in reconventie

5.10.

Ook de proceskosten van de procedure na verwijzing zullen worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Gelet op het uiteindelijke resultaat van de gehele procedure na verwijzing worden partijen naar oordeel van dit hof over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld (in conventie worden de vorderingen van de franchisenemers afgewezen; in reconventie worden slechts een zeer beperkt aantal vorderingen van partij [appellanten] toegewezen).

6 De beslissing

Het hof, recht doende na cassatie en verwijzing:

6.1.

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015 en doet opnieuw recht:

inzake de vorderingen van de franchisenemers (in conventie)

in het incident

6.2.

wijst de vorderingen af;

6.3.

veroordeelt de franchisenemers hoofdelijk in de kosten van dit incident, aan de zijde van Bridge begroot op € 3.211,- voor salaris advocaat;

in de hoofdzaak

6.4.

verstaat dat de procedure ter zake het door de franchisenemers onder 6 en 7 gevorderde (de geldvorderingen) is geschorst op grond van artikel 29 Fw;

6.5.

heft op het door Bridge ten laste van [franchisenemer2] , [franchisenemer4] en [franchisenemer5] gelegde beslag;

6.6.

veroordeelt de franchisenemers in de proceskosten van de hoofdzaak in conventie in bij de rechtbank Limburg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Bridge vastgesteld op:

op € 3.715,- aan griffierecht in de zaak van [franchisenemer2] , [franchisenemer3] en [franchisenemer4] ;

op € 3.715,- aan griffierecht in de zaak van [franchisenemer1] ;

op € 3.715,- aan griffierecht in de zaak van [franchisenemer5] ;

op € 8.027,50 aan salaris advocaat in de drie zaken tezamen;

al deze kosten te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

6.7.

veroordeelt de franchisenemers in de kosten van de hoofdzaak in conventie bij het hof den Bosch tot aan deze uitspraak aan de zijde van partij [appellanten] vastgesteld op

€ 5.237,84 voor verschotten en op € 13.740,- voor salaris advocaat, en in de nakosten, begroot op € 131,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval partij [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden; al deze kosten te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

inzake de vorderingen van partij [appellanten] (in reconventie):

in het incident

6.8.

verklaart Bridge niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover ingesteld als lasthebber van BAS Holding B.V.;

6.9.

veroordeelt Bridge in de kosten van dit incident, aan de zijde van Bridge begroot op

€ 2.000,- voor salaris advocaat;

in de hoofdzaak

6.10.

verklaart Bridge niet-ontvankelijk in haar vorderingen voor zover ingesteld als lasthebber van BAS Holding B.V.;

met betrekking tot [franchisenemer4] :

6.11.

verklaart voor recht dat [franchisenemer4] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 4, leden 1, 2 en 3, van de franchiseovereenkomst;

6.12.

veroordeelt [franchisenemer4] tot vergoeding aan partij [appellanten] van de (mede) door [franchisenemer4] gelegde derdenbeslagen bij Bridge veroorzaakte schade, deze schade nader op te maken bij staat;

met betrekking tot [franchisenemer1] :

6.13.

verklaart voor recht dat [franchisenemer1] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 4, leden 1, 2 en 3, van de franchiseovereenkomst;

6.14.

veroordeelt [franchisenemer1] tot vergoeding aan partij [appellanten] van de (mede) door [franchisenemer1] gelegde derdenbeslagen bij Bridge veroorzaakte schade, deze schade nader op te maken bij staat;

met betrekking tot [franchisenemer3] :

6.15.

verklaart voor recht dat [franchisenemer3] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 4, leden 1, 2 en 3, van de franchiseovereenkomst;

6.16.

veroordeelt [franchisenemer3] tot vergoeding aan partij [appellanten] van schade geleden als gevolg van trainingen gegeven op in juni 2012 voor Johnson&Johnson, in januari 2013 voor FGH en in maart 2013 voor Mayfran, deze schade nader op te maken bij staat;

6.17.

veroordeelt [franchisenemer3] tot vergoeding aan partij [appellanten] van de (mede) door [franchisenemer3] gelegde derdenbeslagen bij Bridge veroorzaakte schade, deze schade nader op te maken bij staat;

met betrekking tot [franchisenemer2] :

6.18.

verklaart voor recht dat [franchisenemer2] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 4, leden 1 van de franchiseovereenkomst;

6.19.

veroordeelt [franchisenemer2] tot vergoeding aan partij [appellanten] van de (mede) door [franchisenemer2] gelegde derdenbeslagen bij Bridge veroorzaakte schade, deze schade nader op te maken bij staat;

met betrekking tot [franchisenemer5] :

6.20.

verklaart voor recht dat [franchisenemer5] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 7, lid 1 van de franchiseovereenkomst;

6.21.

veroordeelt [franchisenemer5] tot vergoeding aan partij [appellanten] van de (mede) door [franchisenemer5] gelegde derdenbeslagen bij Bridge veroorzaakte schade, deze schade nader op te maken bij staat;

en voorts in reconventie:

6.22.

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van de procedures bij de rechtbank Limburg en het hof den Bosch draagt;

en tenslotte (in conventie en in reconventie)

6.23.

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van de procedure na verwijzing draagt;

6.24.

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte bevelen en veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

6.25.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, M. Willemse en H.N. Schelhaas en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2022.

Hoge Raad 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1917

Gerechtshof ’s Hertogenbosch 5 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2370

Rechtbank Limburg 13 mei 2015; deze uitspraak is niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl

onder meer Hoge Raad 25 januari 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7329, NJ 2003/31(Paalman/Lampenier), Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:311, NJ 2018/12 (Street One) en Hoge Raad 21 september 2019, ECLI:NL:HR:2018:1696, NJ 2018/398 (Albert Heijn)

HR 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:38

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van 25 maart 1957

HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:149

HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012: BX0345 (IATA/ANVR

dit bepaalt art. 2 van de Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG 2003 L 1/1-25)

recent nog : HvJ EU 2 april 2020, ECLI:EU:C:2020:265 (Hongaarse banken), punt 51 e.v.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature