< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, gepleegd ten opzichte van een collega met wie hij enkele jaren een buitenechtelijke relatie heeft gehad. Daarnaast heeft verdachte brand gesticht in haar woning, waardoor levensgevaar is ontstaan voor het slachtoffer, haar driejarige dochtertje dat boven sliep en voor het gezin in de naastgelegen woning. Bewijsoverwegingen ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten. Het hof heeft bij het vaststellen van het daderschap van verdachte gelet op de omstandigheden waaronder verdachte in de betreffende nacht door de politie is aangehouden, de gedragingen van verdachte in de aanloop naar deze nacht, gedragingen van verdachte in de nacht zelf, de resultaten van vergelijkend glasonderzoek, de resultaten van onderzoek aan diverse telefoons en aan de laptop van verdachte en de (uiteenlopende verklaringen) van verdachte afgelegd gedurende diverse stadia van het onderzoek. Verdachte heeft ook de gelegenheid gehad om de misdrijven te plegen. Dit alles plaatst het hof in het licht van de gehele voorgeschiedenis van verdachte en het slachtoffer en het geweld dat verdachte eerder heeft gepleegd tegen het slachtoffer en haar dochtertje. Vrijspraak voorbedachten rade. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 13 jaren. Bij de strafoplegging is, naast de zeer ingrijpende gevolgen voor de diverse slachtoffers, meegewogen dat verdachte, wat het hof betreft: tegen beter weten in, volhardt in zijn ontkenning en geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt. Anders dan gevorderd door het openbaar ministerie legt het hof geen Tbs-maatregel op. Het hof legt wel de maatregel langdurig toezicht ex artikel 38z Sr op. Grotendeelse toewijzing vorderingen tot schadevergoeding benadeelde partijen.

Uitspraak



Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002188-21

Uitspraak d.d.: 30 december 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 26 april 2021 met parketnummer 18-116224-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

ingeschreven te [woonplaats] , [adres] ,

thans verblijvende in de PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 december 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van feit 1 primair (poging tot moord) en feit 2 (opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander als gevolg, meermalen gepleegd) tot een gevangenisstraf van 12 jaren, met aftrek van voorarrest, en tot oplegging van de maatregel tbs met verpleging van overheidswege. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de advocaat-generaal gevorderd deze vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de advocaat-generaal gevorderd deze vordering toe te wijzen, met uitzondering van de gevorderde materiële schadepost ten aanzien van het doorbetaalde tvabonnement, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. M.G. Eckhardt en mr. M.G. van Wijk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 26 april 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van feit 1 subsidiair (poging tot doodslag) en feit 2 (opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander als gevolg, meermalen gepleegd) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel (en daarmee tot een bedrag van € 1.231,43) toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toegewezen tot een bedrag van € 46.897,23, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Het hof kan zich in veel van de beslissingen en motiveringen van de rechtbank vinden. Het hof heeft daarom in zijn overwegingen in dit arrest zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de overwegingen van de rechtbank.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na aanpassing van de omschrijving van de feiten in de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

1. primairhij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 26 april 2020 en 27 april 2020 te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente [gemeente] in een woning/pand (gelegen aan of bij [straat] ), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer 2]

- (met een voorwerp en/of anderszins) tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft getrapt en/of geschopt,

althans (met een voorwerp en/of anderszins) ernstig geweld heeft uitgeoefend op het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam van die [slachtoffer 2] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiairhij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 26 april 2020 en 27 april 2020 te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente [gemeente] , in een woning/pand (gelegen aan of bij [straat] ), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer 2]

- (met een voorwerp en/of anderszins) tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft geslagen en/of te gestompt en/of

- tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft getrapt en/of te geschopt,

althans (met een voorwerp en/of anderszins) ernstig geweld heeft uitgeoefend op het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam van die [slachtoffer 2] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 26 april 2020 en 27 april 2020 te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente [gemeente] , in een woning (gelegen aan of bij [straat] )) op een of meerdere plaats(en) in die woning opzettelijk brand heeft gesticht door (telkens) in die woning op een of meer plaats(en)(een) brandbare en/of vluchtige en/of brand versnellende middel(en) en/of (vloei)stof(fen) te sprenkelen en/of uit te gieten en/of (vervolgens) (telkens) open vuur in aanraking te brengen met

- die brandbare en/of vluchtige en/of brand versnellende middel(en) en/of (vloei)stof(fen) en/of de goederen waarover die brandbare en/of vluchtige en/of brand versnellende middel(en) en/of (vloei)stof(fen) waren gesprenkeld en/of uitgegoten en/of

- een of meer andere goederen en/of inventaris en/of inboedel in die woning,

in elk geval met (een) brandbare goed(eren)/stof(fen),

ten gevolge waarvan een of meer bank(en) en/of een theedoek/handdoek en/of muurbekleding en/of een of meer andere goederen en/of onderde(e)l(en) van de inventaris en/of inboedel van die woning en/of die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor die een of meer bank(en) en/of en/of een theedoek/handdoek en/of muurbekleding en/of die een of meer andere onderde(e)l(en) van de inventaris en/of inboedel van die woning en/of die woning en/of de naastgelegen woning en/of de inventaris en/of inboedel van die naastgelegen woning, in elk geval (telkens) gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor de in die woning aanwezige [slachtoffer 2] en/of haar dochter [slachtoffer 1] en/of de bewoner(s) van de naastgelegen woning, in elk geval (telkens) levensgevaar voor een ander of anderen

en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 2] en/of haar dochter [slachtoffer 1] en/of de bewoner(s) van de naastgelegen woning, in elk geval (telkens) gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van de feiten 1 en 2

Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij in de nacht van 26 op 27 april 2020 opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade geprobeerd heeft om zijn ex-vriendin, het slachtoffer [slachtoffer 2] (hierna: het slachtoffer), te doden door haar (met een voorwerp) tegen het hoofd en lichaam te slaan, stompen, trappen of schoppen. Dit zou hebben plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer in [pleegplaats] .

Verdachte wordt onder feit 2 opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor het slachtoffer, haar driejarige dochtertje [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en de naaste buren als gevolg verweten.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal concludeert, overeenkomstig zijn op de zitting van het hof overgelegde schriftelijke requisitoir, tot bewezenverklaring van feit 1 primair (poging tot moord) en feit 2 (opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen als gevolg).

Standpunt verdediging

Verdachte heeft, in eerste aanleg en in hoger beroep, elke betrokkenheid bij de hem tenlastegelegde feiten ontkend. Hij erkent weliswaar zijn woning in [woonplaats] in de nacht van 26 op 27 april 2020 twee keer te hebben verlaten en er met de auto op uit te zijn geweest, maar ontkent in [pleegplaats] c.q. op de plaats delict te zijn geweest. Gevraagd naar zijn redenen om ’s nachts erop uit te gaan verklaart verdachte dat hij de eerste keer is weggegaan omdat hij last had van paniekaanvallen, nachtmerries en hyperventilatie en dat hij toen ergens in de landerijen rondom het dorp [woonplaats] door weilanden en sloten is gerend. Hij is daarna thuisgekomen, heeft zich gedoucht en is weer weggegaan met de auto. Hij heeft toen een sopje in een emmer meegenomen en heeft op een plek, ergens buiten het dorp, zijn auto aan de buiten- en binnenkant schoongemaakt.

De raadslieden van verdachte hebben ter terechtzitting van de rechtbank en het hof betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Het dossier bevat geen directe en redengevende bewijsmiddelen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, aldus de verdediging.

Het oordeel van het hof

Aan de hand van de in de voetnoten in dit arrest opgenomen bewijsmiddelen, bevattende onder meer redengevende feiten en omstandigheden, zet het hof zijn overwegingen uiteen.

Inleiding

Verdachte en het slachtoffer waren collega’s en startten eind 2017 samen een – voor beiden – buitenechtelijke relatie. Verdachte had toen – en heeft nog steeds – een geregistreerd partnerschap met [partner] (hierna: [partner] ). In 2017 hadden zij samen twee kinderen en woonden ze in [woonplaats] . Het slachtoffer was toen nog samen met [ex-partner slachtoffer] (hierna: [ex-partner slachtoffer] ), de vader van hun beider dochter [slachtoffer 1] . In 2018 scheidt het slachtoffer van [ex-partner slachtoffer] en gaat zij met [slachtoffer 1] in [pleegplaats] wonen aan [straat] . [ex-partner slachtoffer] en het slachtoffer hebben een co-ouderschap en de omgangsregeling verliep goed. Tijdens de relatie met het slachtoffer krijgt verdachte nog twee kinderen met [partner] en ondergaat het slachtoffer twee abortussen na zwanger te zijn geraakt van verdachte. In 2019 beginnen de eerste problemen op te spelen in de relatie tussen verdachte en het slachtoffer. Op de geweldsincidenten die plaatsvinden komt het hof later in dit arrest nog uitgebreider terug. In november 2019 wordt de relatie tussen verdachte en het slachtoffer verbroken.

Op 26 april 2020 omstreeks 19:00 uur haalt het slachtoffer haar driejarige dochter [slachtoffer 1] op bij [ex-partner slachtoffer] . Nadat het slachtoffer rond 21:45 uur nog bij haar ouders langs is geweest, is ze samen met [slachtoffer 1] naar haar woning in [pleegplaats] gegaan.

De woningbrand en het letsel van de aangetroffen bewoners

Getuigenverklaringen buren met betrekking tot de brand

Op grond van de getuigenverklaringen van de buren van het slachtoffer stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast over de nacht van 26 op 27 april 2020.

Getuige [getuige 1] ( [adres] in [pleegplaats] ) hoorde naar schatting om 01:30 uur een ijselijke gil van een vrouw.

Het dochtertje van getuige [getuige 2] ( [adres] in [pleegplaats] ) kwam om 01:30 uur bij haar op de slaapkamer omdat zij iemand had horen schreeuwen.

Getuige [getuige 3] ( [adres] in [pleegplaats] ) hoorde omstreeks 01:30 uur een geluid alsof er een glas kapot werd gegooid, maar dan doffer. Ongeveer 5-10 minuten later hoorde ze weer een zelfde soort geluid. Weer ongeveer 5-10 minuten later – volgens getuige moet dat omstreeks 01:45 uur zijn geweest – hoorde ze de garagedeur bij de buurvrouw (het hof begrijpt: bij het slachtoffer) dicht slaan. Daarna hoorde ze voetstappen die zich met een snelle stap verwijderden.

Getuige [getuige 4] ( [adres] [pleegplaats] ) werd omstreeks 01:35 uur wakker gemaakt door zijn vrouw [getuige 3] . Zij vertelde hem dat ze een geluid had gehoord bij buurvrouw [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: het slachtoffer). Hij hoorde erna ook een geluid met een dof metaalachtige klank, alsof er iets op de grond viel. Hij hoorde 5 of 10 minuten later voetstappen die snel wegliepen. Nadat ze weer in slaap waren gevallen, werden zij opnieuw wakker gemaakt door hun 9-jarige dochtertje die meldde dat zij rook in haar slaapkamer had. Kort hierna ging ook het rookalarm in de woning van de familie [getuige 3 en 4] af. [getuige 4] liep naar buiten en zag een hevige brand in de woonkamer van slachtoffer. Hij zag vuur in het midden van de woonkamer; het vuur leek wel een kampvuur. [getuige 4] belt om 03:18 uur 112.

Aantreffen van de slachtoffers in de woning

Verbalisant [verbalisant 1] kreeg op 27 april 2020 omstreeks 03:20 uur een melding van een woningbrand aan [adres] in [pleegplaats] . Hij was om 03:23 uur bij de woning en zag dat in de woonkamer brand woedde met gele vlammen. Het voorraam was zwart geblakerd en een zijraam was gescheurd door de warmte van de brand. Van omstanders hoorde verbalisant [verbalisant 1] dat de woning werd bewoond door een vrouw en haar driejarige dochter. Verbalisant [verbalisant 1] zag bij de garagedeur vers bloed, afkomstig van de binnenzijde van de garage. Na het openen van de garagedeur zag verbalisant ongeveer één meter vanaf de deur een naakt persoon, halfzittend op de knieën op de grond (het hof begrijpt: het slachtoffer). De persoon zat onder het bloed en rondom de persoon lag op de grond veel bloed. De persoon leek op een vrouw. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat de persoon een behoorlijke wond op de rechterzijde van het hoofd had. In de garage stond een beetje rook. De gewonde persoon reageerde amper op verbalisant [verbalisant 1] en bewoog licht na aanroepen. Om 03:25 uur was de ambulance ter plaatse.

Verbalisant [verbalisant 2] zag dat er in de garage meerdere glasscherven lagen. Zij zag ook dat het raam van de deur vanuit de garage naar de achterzijde van de woning en de tuin kapot was. Aan de brandweer werd doorgegeven dat er mogelijk nog een kind van drie jaar oud in de woning aanwezig zou zijn. Verbalisant [verbalisant 2] hoorde later dat de brandweer het dochtertje uit bed had gehaald. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hielpen bij het tillen van het slachtoffer op de brancard van de ambulance. Verbalisant [verbalisant 2] hoorde de vrouw zeggen: “Ik wil dit niet meer, ik wil niet meer” of woorden van soortgelijke strekking. De betrokken slachtoffers waren [slachtoffer 2] en haar dochtertje [slachtoffer 1] .

(Vrijwillig) brandweerman [brandweerman] kwam omstreeks 03:28 uur als bevelvoerder bij de woning. De manschappen troffen een slachtoffer aan in de garage van deze woning. De brandweer hoorde van de buren dat er ook nog een kind boven in de woning lag. De voordeur werd geforceerd en twee mensen van de brandweer hebben het kind uit haar bed gehaald. Het kind is met de ambulance weggebracht.

De brand in de woning

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben forensisch onderzoek verricht in de woning aan [adres] te [pleegplaats] . Het betreft een twee-onder-een-kap woning. Aan de rechterzijde bevindt zich een inpandige garage. De woning is tevens te betreden door middel van een deur aan de voorzijde van de woning. Via deze deur wordt een hal betreden die toegang biedt tot de woonkamer met open keuken. De keuken biedt toegang tot de bijkeuken en deze biedt toegang tot de inpandige garage. Aan de achterzijde van de garage bevindt zich een deur welke toegang biedt tot de tuin. De brand had zich voorgedaan op de begane grond. In de gehele woning was sprake van roetafzetting. Verbalisanten zagen een verbrand object in het zithoek gedeelte van de woonkamer. Dit was een bank geweest die dusdanig was aangetast door brand dat er alleen nog een skelet over was. De muurbekleding achter deze bank was aangetast door hitte-inwerking en vuur. De bank was aan de linkerzijde (bezien vanuit de hal) meer vernietigd dan aan de rechterzijde. Een tweede bank stond haaks naast deze bank. Verbalisanten zagen dat deze aan de buitenzijde van de linker leuning (bezien vanuit de hal) brandschade had. Gelet op het brandbeeld is niet uit te sluiten dat deze leuning door hitte straling of vuuroverslag vanuit de andere bank in brand is geraakt. Met een speurhond is onderzoek gedaan naar brandversnellende middelen. De hond gaf op verschillende plekken meldingen, namelijk op het televisiemeubel, een plastic mapje op het dressoir, de rechterleuning van een bank, in de naad van de zitting van dezelfde bank, een speelgoedmandje in een speelgoedkeuken en op een theedoek op de eetkamertafel. Daarna zijn de locaties gemeten met een PID-meter. De PID-meter gaf op de locaties een concentratie aan van ongeveer 200 parts per million (delen per miljoen, ppm). De vloeistof dan wel goederen zijn veiliggesteld en voorzien van een SIN (Sporen Identificatie Numer). Verbalisant [verbalisant 4] vat zijn bevindingen als volgt samen. Nabij de bank die het meest ernstig aangetast was door vuur werden geen technische voorzieningen aangetroffen die het ontstaan van de brand zou kunnen verklaren. Bij deze bank werd geen indicatie voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen aangetroffen. Dit zou kunnen worden verklaard doordat, indien hier wel brandversnellende middelen aanwezig waren geweest, deze volledig waren verbrand. De tweede bank was aan een zijde aangetast door hitte-inwerking en vuur. Op deze bank werden op twee verschillende plaatsen een indicatie gezien (door de hond en de PID meter) voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen. Op de eetkamertafel werd een deels verbrande theedoek aangetroffen waarbij ook een indicatie voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen werd aangetroffen. Andere brandbare goederen in de nabijheid van de theedoek waren niet door hitte-inwerking en vuur aangetast. Gelet op de roetafzetting hadden de andere goederen op de tafel hier al gelegen ten tijde van de brand. Op de tafel werden geen technische voorzieningen aangetroffen die het ontbranden van de theedoek zou kunnen verklaren. Dit kan passen in het beeld van brandstichting. Gelet op het voorgaande was er in de woonkamer sprake van minimaal twee brandhaarden. Gelet op het verschil in brandschade op de theedoek die op de tafel lag en op de bank, is het aannemelijk dat de bank eerder is gaan branden dan de theedoek. Verspreid in de woonkamer werd op diverse plaatsen een indicatie voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen aangetroffen. Dit geeft het beeld dat er op diverse plaatsen in de woonkamer brandversnellende middelen zijn aangebracht. In de woning was de zwaargewonde bewoonster kennelijk niet meer in staat om een hulpvraag te doen. In de woning was de driejarige dochter van de bewoonster op de eerste verdieping aanwezig. De brand vond plaats in de nachtelijke uren. Gelet op de aangetroffen sporen en het ontbreken van technische voorzieningen die de oorzaak van de twee brandhaarden zou kunnen verklaren, is er brand gesticht. In het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek werden de volgende sporen en sporendragers veiliggesteld:

vloeistof onder de voet van de tv op het televisiemeubel (SIN [code] );

brandrest; plastic map op kastje in woonkamer (SIN [code] );

brandrest; uitgesneden stof bij linker armleuning bank (SIN [code] );

brandrest; uitgesneden schuimrubber tussen 2 zittingen van de bank (SIN [code] );

vloeistof onder televisie onder dressoir (SIN [code] );

sporendrager; textiel (handdoek) van tafel (SIN [code] ); en

sporendrager: speelgoed mandje (SIN [code] ).

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft deze monsters onderzocht en zij komen tot de conclusie dat in de naar het NFI ingestuurde monsters van de vloeistof onder de voet van de tv op het televisiemeubel (SIN [code] ) en het uitgesneden schuimrubber tussen twee zittingen van de bank (SIN [code] ) vluchtige stoffen zijn aangetoond die van een aardoliedestillaat afkomstig zijn. De aangetoonde combinatie van deze stoffen wijst op een product van de subklasse kerosine. Voorbeelden van de subklasse kerosine zijn petroleum, kachelbrandstof, lampolie, aanmaakvloeistof, fakkelolie, kwastenontharder, vliegtuigbrandstof, stickerverwijderaar, ‘ecologische’ terpentine en ‘ecologische’ wasbenzine.

Het NFI heeft materiaal, stukken en foto's bestudeerd en onderzocht op brandsporen in de woning en de relevante omstandigheden van het incident voor het brandverloop en er is experimenteel onderzoek uitgevoerd op de aangeleverde monsters van de vulling en bekleding van de verbrande bank. De vraagstelling betrof de vraag wanneer de brand is ontstaan en hoe lang de brand heeft geduurd. Het onderzoek van het NFI heeft geleid tot de volgende interpretatie van de resultaten. Op basis van de brandsporen is te stellen dat het raam van de achterdeur van de garage zo goed als zeker was gebroken voordat de brand begon. Dit betekent dus dat er, door het open staan van de deuren tussen de woonkamer en de garage, een ventilatieopening in de garage was voor de brand in de woonkamer. Alle andere ramen en deuren op de begane grond waren voor zover bekend gesloten en intact. Het kapotte raam van de achterdeur van de garage was daarmee de enige wezenlijke ventilatieopening voor de brand.

De verbrande bank in de woonkamer is grotendeels opgebrand. Er zal dus een grote hoeveelheid energie zijn vrijgekomen tijdens de brand, zoals blijkt uit brandexperimenten met soortgelijke banken. Desondanks is de brandschade in de rest van de woning zeer beperkt gebleven en is de brand overduidelijk nooit richting een flashover gegaan. Dat de brandschade beperkt is, sluit een grote, heftige brand in de bank dan ook uit. Er is echter wel genoeg van de bank verbrand om dit stadium te kunnen hebben bereikt. Dit betekent dat de brand in de woonkamer relatief klein moet zijn geweest en daardoor (veel) langer heeft geduurd dan de

typische brandduur van een bank. Aangezien de verbrande bank het meeste aan de linkerkant was opgebrand, zal de bank dan van links naar rechts relatief langzaam zijn opgebrand. De roetaanslag op de wanden en het meubilair toont aan dat er rook vanaf het plafond tot een halve meter van de grond in de woonkamer op enig moment tijdens de brand hing. De brand produceerde dus meer rook dan dat er door ventilatie via het gebroken raam van de achterdeur van de garage afgevoerd kon worden. Omdat de brand relatief klein moet zijn geweest, was ook de hoeveelheid rook die per seconde werd geproduceerd beperkt. Hieruit volgt dat de ventilatie, oftewel de afvoer van hete rook en de toevoer van verse lucht aan de brand, beperkt was. In een compartiment zoals een woonkamer zal dan snel een gebrek aan zuurstof ontstaan voor de brand, waardoor de brand wordt gesmoord. Daarbovenop heeft het vullen van de woonkamer met rook van zichzelf ook een smorend effect op de brand. De rook van een brand bevat namelijk minder zuurstof dan gewone lucht, waardoor een brand omringd door rook minder goed brandt dan in gewone lucht. Naarmate de woonkamer opgevuld werd met rook, was er dus steeds minder zuurstof beschikbaar voor de brand. Dat de brand relatief klein moet

zijn geweest, is dus logisch te verklaren vanwege de beperkte ventilatie tijdens de brand en de hoeveelheid rook die in de woonkamer hing.

De buurman [getuige 4] heeft als eerste de brand gezien en omschreef deze als een kampvuur in de woonkamer. Deze verklaring past goed bij een gesmoorde brand in de bank die gestaag van links naar rechts de bank heeft opgebrand. Ook het feit dat een slaapkamer van de woning van de buren (de familie [getuige 3 en 4] ) gevuld was met rook, geeft aan dat de brand een geruime tijd voor de ontdekking moet zijn ontstaan. Gezien de beperkt aanwezige ventilatie tijdens de brand zal de rook zich niet snel hebben kunnen verplaatsten. De bevelvoerder van de brandweer ( [brandweerman] ) sprak van een brand met vlammen van één meter hoog. wat hoger is dan verwacht wordt van een gesmoorde brand. Echter, door toegenomen ventilatie, zoals door de geopende garagedeur en even later ook de voordeur, kan een gesmoorde brand oplaaien, met hogere vlammen als gevolg. Deze observatie van de brandweer geeft daarom geen informatie over de duur van de brand. Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat een brand in een bank die door zuurstofgebrek gesmoord is, meerdere uren als kleine brand verder kan branden. Het is dus mogelijk dat de brand in de bank in de woonkamer al voor 1:50 uur was ontstaan, gegeven dat de brand om 3:18 uur was ontdekt. Het is aannemelijk dat de brand langer heeft gebrand dan de typische brandduur van 10 tot 20 minuten voor een bank. De verbrande bank is namelijk voor een aanzienlijk deel opgebrand zoals na een ongehinderde brand in een bank, maar brandde veel langzamer dan een ongehinderde brand door zuurstofgebrek. Om dezelfde mate van verbranding te krijgen, moet bij een lagere verbrandingssnelheid de brand logischerwijs langer hebben geduurd. Concreet betekent dit dat de verbrande bank langer zal hebben gebrand dan 20 minuten, met een maximale brandduur van enkele uren. Het wordt daarom mogelijk geacht dat de brand in de verbrande bank al omstreeks 1:50 uur was ontstaan, gegeven dat de brand om 3:18 uur was ontdekt.

[getuige 4] belde om 03:18 uur 112. [getuige 4] , zijn vrouw [getuige 3] , hun beide dochters en de moeder van [getuige 3] waren thuis in de nacht van de brand. Die nacht werd [dochter] , de dochter van [getuige 4] , wakker van de rook in haar slaapkamer. [getuige 4] is naar buiten gegaan en zag een oranje gloed in de woning van buurvrouw [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: het slachtoffer) die op [adres] woonde. Door de brand is er rook en roetschade ontstaan in de garage en op de zolder van de garage. Het kamertje van [dochter] , schuin boven de garage, en het zoldertje boven de garage waren helemaal zwart. De woning van de familie [getuige 3 en 4] is via de garage geschakeld met de woning van het slachtoffer.

Het letsel van de slachtoffers

De forensisch arts [arts] heeft op basis van ontvangen en bestudeerde documenten geconstateerd dat bij het slachtoffer [slachtoffer 2] ernstig schedel hersenletsel met onder andere een bloeduitstorting tussen het harde hersenvlies en het schedelbot aan de linkerzijde van het hoofd, een breuk in de onderzijde van de schedel, zowel links als rechts, en een schedelfractuur verlopend over de gehele zijkant van de rechter schedelhelft zijn waargenomen. Bij de breuk aan de rechterkant van het hoofd werden losse botfragmenten gezien die gedeeltelijk het hoofd in verplaatst waren en die gedeeltelijk ontbraken. Een deel van de breuk liep vlak boven een groot bloedvat waar ook een grote bloeding werd gezien. Er was een breuk aan de linkerkant van de schedel, verlopend over het wandbeen en het slaapbeen, met daaronder een epidurale bloeding. Tijdens de operatie van het slachtoffer werd nog een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies aan de rechterkant gezien. Het geconstateerde uitwendig letsel (op basis van gemaakte foto’s) bestond onder andere uit een gehechte huid verwonding aan de neusbrug, paarsblauwe huidverkleuringen passend bij een bloeduitstorting in het gezicht (specifiek op de binnen ooghoeken), op een arm en op beide benen. Er werden huidbeschadigingen en huidverkleuringen passend bij schaafwonden of krasletsel gezien in het gezicht, op de borst, op de benen, op de armen, pols, vingers, de onderbuik en wondjes op benen en voet. Er waren huiddoorbrekingen passend bij een scheurwond op de linker onderarm en passend bij steek- of snijletsel op de buitenzijde van de rechter onderarm.

De forensisch arts komt tot de conclusie dat er, zonder medisch ingrijpen, een zeer waarschijnlijke reële kans op overlijden was op basis van het beschreven hersen schedelletsel. Beschreven worden een tweetal bloedingen in het hoofd (epiduraal en acuut subduraal hematoom) en verschillende breuken van de schedel met verplaatsing van botdelen. Het slachtoffer werd met een verlaagd bewustzijnsniveau het ziekenhuis binnengebracht. In het medisch verslag betreffende de staat van het slachtoffer na aankomst in het [ziekenhuis] d.d. 27 april 2020 staat vermeld dat haar lichaamstemperatuur (slechts) 31,7 graden bedroeg (p. 540). Een epiduraal hematoom, zoals werd gezien bij het slachtoffer aan de linkerkant van het hoofd, wordt gekenmerkt door een ellipsvorm op de CT scan. Vaak wordt een epidurale bloeding veroorzaakt door een lokale impact op het hoofd en komt deze in de meerderheid van de gevallen samen voor met een fractuur van de schedel aan dezelfde kant. De prognose van een epidurale bloeding hangt af van de snelheid waarmee iemand geopereerd kan worden, waarbij de bloeding wordt weggenomen en de druk wordt verlicht. Ook na operatie bestaat er nog een hoge mortaliteit, als de druk op de hersenstam niet voldoende snel is verlicht. Zonder medisch ingrijpen bestaat dus een zeer grote kans op overlijden. Een acuut subduraal hematoom werd gezien bij het slachtoffer aan de rechterkant van het hoofd in combinatie met een ingedeukte en verplaatste breuk van de schedel. Dit type bloeding in het hoofd ontstaat in het merendeel van de gevallen door acceleratie-deceleratie (bijvoorbeeld een val van hoogte met neerkomen op een ondergrond) of een harde klap tegen het hoofd, waarbij aders (venen) afscheuren door kortdurende beweging van de hersenen binnen de schedel. Een acuut subduraal hematoom bij ernstig schedeltrauma wordt een levensbedreigende aandoening geacht.

De genoemde inwendige letsels aan beide zijden van de schedel en in het hoofd zijn ontstaan na inwerkend stomp geweld. Dergelijke letsels ontstaan na een hoog energetische impact. Als er sprake is van meerdere breukfragmenten en een indeukingsfractuur, dan pleit dit meer voor slagen tegen het hoofd dan voor een val. Voor het breken van de schedel, met name de indeukingsfractuur rechts, waarbij verschillende schedeldelen compleet los liggen van de rest van de schedel en zijn verplaatst, is een hoogenergetische impact nodig op een gelokaliseerde oppervlak. De letsels op de onderarmen zijn veroorzaakt door een kantig voorwerp of oppervlak. De krasletsels op verschillende delen van het lichaam kunnen zijn ontstaan door een kantig, puntig of scherp voorwerp of oppervlak. De letsels op de onderarmen (huiddoorbrekingen aan de linker en rechter onderarm) zouden qua locatie goed kunnen passen bij afweerletsel.

De forensisch arts [arts] heeft op basis van ontvangen en bestudeerde documenten geconstateerd dat bij het slachtoffer [slachtoffer 1] de aanwezigheid van roet op het gehele gelaat en op de armen is waargenomen. In de neus werd beiderzijds een zeer forse roetafzetting gezien en inwendig werden in de luchtwegen roetdeeltjes gezien tot voorbij de afsplitsing van de luchtpijp naar de linker en recht luchtpijptak. Er bestond een mild risico op het ontwikkelen van longklachten na de inhalatie van rook en roetdeeltjes, na spoeling van de luchtwegen om deze roetdeeltjes te verwijderen. Mogelijk zou het risico groter zijn als de luchtwegen niet zouden zijn gespoeld.

Naast deze mogelijke zwelling van de luchtwegen kan bij een brand koolmonoxide (CO) en cyanide intoxicatie plaatsvinden. CO neemt de plaats in van zuurstof op hemoglobine (zuurstoftransporteur van het bloed) en heeft daarbij ook een aanzienlijk sterkere binding en voorkeur voor het hemoglobine dan zuurstof (200 tot 250 keer grotere affiniteit), waardoor deze verdreven wordt. Dit tekort aan zuurstof kan leiden tot orgaanschade en hersendood. Bij aankomst in het ziekenhuis is, volgens de medische gegevens, bij de eerste meting in het ziekenhuis om 05:24 uur op 27 april 2020 een waarde van 3,0% HbCO (CO aan hemoglobine) gemeten. Het zou goed mogelijk kunnen zijn dat bij het uitblijven van (medische) hulp en een langere verblijfsduur in de woning tijdens de brand het percentage HbCO in het bloed aanzienlijk hoger zou zijn geworden, met ernstige gevolgen (zuurstoftekort leidend tot orgaanschade en hersendood) van dien.

De roetdeeltjes in de luchtwegen en de roet op het gelaat en handen, kunnen zeer goed zijn

veroorzaakt door de brand in de woning.

Overig forensisch onderzoek in de woning van het slachtoffer

Er is nog meer forensisch onderzoek verricht in de woning van het slachtoffer aan [adres] in [pleegplaats] .

Verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] zagen dat er op de diverse treden van de trap van de begane grond naar de eerste verdieping bloedsporen zichtbaar waren. In de ouderslaapkamer werd op de vloer en op daar liggende kledingstukken bloed gezien. Op het matras van het bed zat een hoeslaken. Verbalisanten zagen dat er op het bed diverse vezels en ogenschijnlijk hele kleine glassplinters lagen. Verbalisanten zagen een rondvormige bloedvlek, tussen het hoopje kleding en het kledingrek. Gelet op de grootte van deze bloedvlek, is het beeld passend dat deze is ontstaan door de accumulatie van vloeibaar bloed in absorberend materiaal, zoals het tapijt. Verbalisanten zagen een veegspoor van bloed, mogelijk ontstaan door een bebloede hand/vingers. Naast het hoopje kleding zagen verbalisanten een drietal evenwijdig lopende bloedsporen. Deze sporen zijn ontstaan door overbrenging van bloed van een bebloed oppervlak naar een ander oppervlak (veegspoor met bloed). Gelet op de verschijningsvorm waren deze veegsporen mogelijk ontstaan door een bebloede hand/vingers. Een op bloed gelijkend spoor, passend in het beeld van een sleepspoor, liep van het stapeltje kleding (aangetroffen voor het kledingrek) in de richting van de slaapkamerdeur. Op de overloop (ter hoogte van de deur van de doucheruimte) liep een spoor bloed in de richting van de trap. Op de trap werd op de 13e trede een spoor gezien van een vallende bloeddruppel. Er werden bloedsporen gezien op de 6e en 7e trede, mogelijk veroorzaakt door bebloede schoenzolen. Op de muur naast de trap werden ellipsvormige, neerwaarts gerichte, bloedspatten gezien die ontstaan zijn als gevolg van een krachtsinwerking in vloeibaar bloed. Na de deur van de hal waren er voortzettingen te zien van sleepsporen bloed richting keuken en bijkeuken. Ter hoogte van de keuken, nabij de bijkeuken, was een grotere hoeveelheid bloed zichtbaar. Dat gaf de indicatie dat het slachtoffer (onder de aanname dat het bloed afkomstig is van het slachtoffer) op deze locatie gedurende enige (korte) tijd even niet is of werd verplaatst.

In de bijkeuken, tussen de keukendeur en de deur tot de garage, werden door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 7] veegsporen van en door bloed gezien. Verbalisanten zagen in de directe nabijheid daarvan rondvormige en ellipsvormige bloedspatten. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de veegsporen is het beeld passend dat dit een sleepspoor betreft. Dit sleepspoor maakt, gelet op de locatie, deel uit en ligt in het verlengde van het in de woonkamer aangetroffen sleepspoor. Gezien vanuit de richting van de keukendeur aan de rechterzijde van de hiervoor genoemde veegsporen en aan de rechterzijde van de toegang tot de garage, zagen verbalisanten voor een wasmachine een grote pluk haar liggen. Het eerder genoemde sleepspoor ging via de drempel van de deur naar de garage naar de vloer van de garage. Nabij de garagedeur, aan de voorzijde van de garage, zagen de verbalisanten veel bloedsporen. Zij zagen bloedpoelen en rond vormige bloedspatten met veegsporen en afdrukpatronen geplaatst met bloed. Het bloedsporenbeeld gaf de indicatie, onder de aanname dat al het bloed afkomstig is van het slachtoffer en tijdens het incident is vrijgekomen, dat het slachtoffer zich op verschillende locaties aan de voorzijde van de garage en tegen de garagedeur had bevonden. Op de vloer van de garage was een bloedstroompatroon te zien dat onder de garagedeur door naar buiten liep, naar de oprit. Naast dit stroompatroon zagen verbalisanten enkele rondvormige bloedspatten. Rondvormige bloedspatten ontstaan als bloeddruppels onder een hoek van ongeveer 90 graden een oppervlak raken. Deze bloedspatten bevonden zich zowel binnen als buiten op de drempel van de garagedeur. Tegen de muur van de garage stond een binnendeur met een beschadiging op een hoogte van ongeveer 140 centimeter met in de beschadiging haren. Naast de beschadiging en ook op een hoogte van ongeveer 140 centimeter, zagen verbalisanten een afdrukpatroon geplaatst met bloed dat, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, mogelijk veroorzaakt is door bebloed haar. Op de vloer van de garage lagen ook haren. De beschadiging van de deur met daarin haren en de op de deur aanwezige sporen en de op de v loer aangetroffen haren geven de indicatie dat het slachtoffer (ook) in de garage is mishandeld.

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 6] zagen verder dat de keuken toegang biedt tot de bijkeuken en deze biedt toegang tot de inpandige garage. Aan de achterzijde van de garage biedt een deur toegang tot de tuin. Verbalisanten zagen dat de ruit van de laatstgenoemde deur verbroken was en dat er glas zowel aan de binnenzijde van de garage als aan de buitenzijde in de tuin lag. Zij zagen dat de ruit bestond uit twee glasplaten met lucht daartussen. Verbalisant stelt aan de buitenzijde van de deur een scherf uit de sponning veilig en voorziet deze van SIN [code] . Uit de sponning aan de binnenzijde van de deur stelt hij een scherf uit de sponning veilig en voorziet deze van SIN [code] .

Tussenconclusie

Uit bovenstaande bevindingen volgt naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel dat door iemand met opzet geprobeerd is om het slachtoffer te doden en dat opzettelijk brand is gesticht met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor meerdere personen tot gevolg.

Betrokkenheid van verdachte

Dat verdachte verantwoordelijk is voor de poging om het slachtoffer te doden en de opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar tot gevolg, meermalen gepleegd, vindt naar het oordeel van het hof steun in onderstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien met ook de voorgaande overwegingen en bewijsmiddelen.

Het aantreffen en aanhouden van verdachte

In de nacht van 26 op 27 april 2020 zijn verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] in een onopvallend politievoertuig naar het adres van verdachte aan de [adres] in [woonplaats] gereden. Er was een melding ontvangen van een woningbrand en het aantreffen van een zwaar gewonde vrouw op het adres [adres] te [pleegplaats] . Er was een aandachtsvestiging (het hof begrijpt: een AOL) op laatstgenoemd adres waarin stond dat de bewoonster gestalkt werd door een ex van haar, te weten verdachte. De meldkamer had doorgegeven dat verdachte een Volvo en een Peugeot op zijn naam had staan. Om 03:45 uur waren zij bij de woning van verdachte en zagen zij dat er geen Volvo stond. Zij zochten in de omgeving naar de auto. Om 04:20 uur zagen zij de Volvo rijden op de [straat] , ter hoogte van perceel [huisnummer] . Verbalisanten keerden hun voertuig maar zagen dat de Volvo daarna al uit het zicht was verdwenen. Dat was, gezien de afstand, alleen mogelijk wanneer de Volvo op hoge snelheid was weggereden. Verbalisanten keerden opnieuw aan het einde van de [straat] , op de [straat] . Ze reden terug en zagen even later de Volvo opnieuw op de [straat] rijden, wederom ter hoogte van perceel [huisnummer] . Zij blokkeerden de weg en verbalisant [verbalisant 9] stapte uit en sprak de bestuurder aan. De bestuurder deed het raam van de auto open, verbalisant [verbalisant 9] identificeerde zich als politieagent en vroeg de bestuurder de motor van het voertuig uit te schakelen. Verbalisanten zagen dat de bestuurder het voertuig in de achteruit zette en ongeveer één meter achteruit liet rollen. Verbalisant [verbalisant 9] opende daarop het portier en sommeerde de bestuurder de motor uit te zetten. De bestuurder voldeed hieraan. Verbalisanten zagen dat de bestuurder trillende handen had en heel erg transpireerde. De bestuurder had ook opvallend grote pupillen. De bestuurder identificeerde zich als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985. Zij hoorden verdachte zeggen dat hij niets verkeerd had gedaan en dat hij ruzie had gehad met zijn vriendin. Verbalisant [verbalisant 9] vroeg hierop met welke vriendin hij ruzie had. Verdachte zei hierop dat hij geen contact meer had met “ [slachtoffer 2] ” en dat hij weg was geweest om de auto te wassen. Verbalisanten zagen dat de auto behoorlijk smerig was en onder het zand zat. In de auto stond een emmer met een doek. Op de bestuurdersstoel lagen twee doeken, die zo waren neergelegd zodat de bestuurder erop kon zitten. Verdachte wordt aangehouden en verbalisanten nemen twee mobiele telefoons in beslag. Deze mobiele telefoons droeg verdachte in zijn broekzakken. Desgevraagd door verbalisanten zegt verdachte dat deze beide telefoons op de vliegtuigstand stonden. Ook zagen verbalisanten dat er een fietsendrager op de auto zat en dat het kenteken van de fietsendrager niet overeenkwam met het kenteken van de auto. Ten tijde van de aanhouding van verdachte kwam de vrouw van verdachte (het hof begrijpt: [partner] ) naar buiten. Verbalisanten hoorden haar zeggen dat ‘ [slachtoffer 2] ’ het leven van haar en verdachte verziekte door hen constant lastig te vallen. Verdachte erkent bij de politie dat hij bij thuiskomst politie in de straat zag en toen “een blokje is omgereden” om een confrontatie met de politie te vermijden. Hij stelt dat hij dit deed omdat hij “wat te hard” had gereden.

Verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] hebben zich gevoegd bij verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] die verdachte voor de woning hadden aangehouden. Verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] vertelden dat de vrouw van verdachte buiten had gestaan toen zij verdachte aanhielden en dat zij hadden gehoord dat verdachte naar haar riep dat ze niet met de politie moest praten.

Gedragingen verdachte in aanloop naar de nacht

Wat betreft de gedragingen en uitlatingen van verdachte in de (aanloop naar de) nacht van 26 op 27 april 2020 bevat het dossier verschillende getuigenverklaringen en processenverbaal van bevindingen waarin opvallend gedrag van verdachte wordt beschreven, dan wel waaruit dergelijk opvallend gedrag blijkt.

Op 24 april 2020 rijden verdachte en zijn partner [partner] naar huis als verdachte opeens zijn hand opsteekt. Dat was niet bewust. Vervolgens raakte verdachte in paniek en begon hij te trillen, aldus [partner] . Zij vroeg verdachte wat er aan de hand was. Verdachte vertelde [partner] dat hij het slachtoffer had gezien, hij herkende het kenteken van de auto van het slachtoffer. [partner] vroeg verdachte of het feit dat hij zo trilde kwam door het slachtoffer en ze vroeg verdachte waarom hij dan groette. Verdachte vertelde dat dit een automatisme was. In de avond van 24 april 2020 installeerde verdachte de app Telegram weer, waarmee hij met het slachtoffer communiceerde. Verdachte was benieuwd of het slachtoffer een bericht zou sturen, dat vertelde verdachte aan [partner] net voordat hij was opgepakt. [partner] verklaart dat verdachte het hele weekend stiekem met zijn telefoon bezig was.

In de privé telefoon van het slachtoffer werd een chatsessie aangetroffen tussen haar en verdachte van 22 april 2020 om 23:19 uur tot en met 26 april 2020 om 22:05 uur, en aldus verspreid over enkele dagen. Het ging hierbij in deze periode om in totaal 138 Telegramberichten over en weer, waarvan er 73 door verdachte zijn verstuurd aan het slachtoffer. Op 25 en 26 april is het verdachte die om 06:47 uur respectievelijk 06:21 uur de chatgesprekken met het slachtoffer weer vervolgt na een aantal uren van niet chatten. Verdachte vraagt het slachtoffer of hij de liefde van haar leven is en zegt dat hij zijn tas zou pakken en naar haar toe zou komen. Daarnaast maakt hij haar allerlei verwijten. Het slachtoffer maakt verdachte eveneens allerlei verwijten, onder andere op 24 april 2020 om 17:46 uur dat het jammer is dat verdachte niet even zwaait vanuit de auto. De laatste berichten bestaan erin dat verdachte aan het slachtoffer een bericht met (enkel) vraagtekens stuurt op 26 april 2020 om 18:49 uur, gevolgd door de vraag: “Geen reactie meer?” om 21:59. Hierna stuurt het slachtoffer om 22:05 uur, enkele uren voordat de feiten worden gepleegd, het laatste bericht aan verdachte stuurt inhoudende dat ze alleen maar verdrietig wordt.

In de avond van 25 april 2020 wordt gebruik gemaakt van de desktop versie van Telegram op de laptop van verdachte. Er worden verschillende bestanden van Telegram desktop geopend.

In de ochtend van 26 april 2020 zoekt verdachte op zijn laptop op het internet naar informatie over het versleutelen van bestanden, een usb-stick en een harde schijf. Er wordt ook gezocht op verschillende soorten software, waaronder Veracrypt. Er wordt ook specifiek gezocht naar het gebruik van een zogenoemde PIM. Dit betreft een soort tweede beveiliging van Veracrypt. Voor het ontsleutelen van de data is het wachtwoord en de PIM noodzakelijk. Bovendien worden er vijf encryptie-programma’s op de laptop van verdachte gedownload: Veracrypt, SeagateToolkit (specifiek voor Seagate externe harde schijven), FolderEncrypt, AESCrypt v310 en Granite portable. In het overzicht recent geopende bestanden valt op dat er op 26 april 2020 een G:\ schijf aanwezig is, waarop verschillende bestanden worden geopend. Deze G:\schijf is volgens verbalisant [verbalisant 12] zeer waarschijnlijk de geëncrypte externe harde schijf. De betreffende bestanden kunnen op de laptop niet worden gevonden. Wat echter wel te zien is, is dat er waarschijnlijk een telegram export is gemaakt: G:\Alles\Telegram Desktop 2020\ChatExport 26 04 2020\messages.html. Uit de bestandsnaam is af te leiden dat de export waarschijnlijk is gemaakt op 26 april 2020. Het bestand, messages.html, wijst er op dat het gaat om berichten van Telegram. Verder valt op, dat er een map is (wederom op de G-\schijf) genaamd “ [slachtoffer 2] Teksten” en dat hierin een “nieuwtekstdocument.txt” aanwezig is, aldus verbalisant [verbalisant 12] . In het overzicht van recent geopende bestanden wordt bij het voornoemde bestand G:\Alles\Telegram Desktop 2020\ChatExport 26 04 2020\messages.html onder Accessed Date/Time – Local T vermeld: 26-4-202 21:48:49 (Local time).

Verdachte verklaart ter terechtzitting van 29 maart 2021 van de rechtbank dat hij het Telegram account en alle Telegram-berichtjes tussen hem en het slachtoffer van zijn telefoon heeft gewist. Bij zijn verhoor bij de politie verklaart verdachte dat hij op 26 april 2020 rond 22:00 uur voor het laatst Telegram van zijn telefoon haalde. Hij maakt dan gebruik van het programma C-cleaner, een programma dat op computers wordt gebruikt om geopende bestanden te wissen. Op de inbeslaggenomen telefoon van verdachte (Samsung Galaxy S10 plus) is de app Telegram niet aangetroffen. Uit onderzoek van deze telefoon volgt dat de Telegram-app in het verleden wel op de telefoon stond. Tevens verklaart verdachte bij de politie dat hij Telegram alleen gebruikte om met het slachtoffer te chatten en dat met “ [slachtoffer 2] ” in de door hem op 26 april 2020 rond 14:20 uur aangemaakte map “ [slachtoffer 2] teksten” het slachtoffer wordt bedoeld.

Als tussenconclusie merkt het hof hier op dat uit de voorgaande data kan worden opgemaakt dat het weekend voorafgaand aan de delictsdatum, maandag 27 april 2020, wordt gekenmerkt door een ‘explosie’ van Telegram-berichten tussen verdachte en het slachtoffer, zijnde berichten met een emotioneel beladen inhoud/strekking, en door de vele activiteiten die de verdachte verricht met betrekking tot aan het slachtoffer te relateren digitale data c.q. gegevensdragers.

Gedragingen verdachte in de nacht

Na de gedragingen van verdachte in de aanloop naar de nacht van 26 op 27 april 2020 bespreekt het hof hierna de gedragingen van verdachte in de nacht zelf.

Verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] verklaren dat [partner] hen op 27 april 2020 vertelde dat haar man, verdachte, de afgelopen nacht met de auto was vertrokken, dat verdachte zijn mobiele telefoons thuis had laten liggen en dat deze op de vliegtuigstand stonden. Verdachte was daarna weer thuisgekomen en vertrok vervolgens weer in zijn auto. Hij heeft zijn telefoons toen meegenomen.

Getuige [getuige 5] verklaarde dat zij bij [partner] en verdachte heeft gekraamd na de geboorte van hun vierde kindje in november 2019. Ook bij de geboorte van de eerste twee kinderen is zij in het gezin van verdachte werkzaam geweest. Zij heeft met beiden gesproken over het twee of drie jaar vreemdgaan door verdachte met een vrouwelijke collega uit [pleegplaats] . Verdachte had haar verteld dat hij niet lekker in zijn vel zat en dat de hele situatie hem boos maakte. Getuige [getuige 5] hoorde verdachte soms schreeuwen, dan was er weer contact geweest tussen hem en de vrouw uit [pleegplaats] . Getuige [getuige 5] merkte veel woede in verdachte en er waren ruzies/woorden tussen verdachte en [partner] . Getuige [getuige 5] verklaarde dat zij met [partner] had gesproken over die nacht (het hof begrijpt de nacht van 26 op 27 april 2020). Getuige [getuige 5] verklaarde dat [partner] haar had verteld dat zij en verdachte samen naar bed waren gegaan en dat verdachte weg was toen zij die nacht rond 03:00 of 03:30 uur wakker werd. Verdachte was 10 of 15 minuten later thuis gekomen. Hij was helemaal naakt, zat onder de modder en hij was helemaal in tranen. Hij had geen kleren, geen telefoon, helemaal niets bij zich. Verdachte is toen gaan douchen en is daarna weer weggegaan. Getuige [getuige 5] verklaarde dat [partner] haar had verteld dat verdachte tegen haar zei: “we hebben weer contact” of “zij heeft weer contact gezocht”, of iets dergelijks. [partner] vertelde dat ze toen tegen verdachte heeft gezegd: “godverdomme pak je spullen maar en je gaat hier maar weg”. Toen heeft [partner] verdachtes spullen gepakt en is verdachte weer weggegaan.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat de verklaring van getuige [getuige 5] onbetrouwbaar zou zijn, nu de bezwaren van de verdediging de delen van [getuige 5] verklaring betreffende wat zij van [partner] heeft gehoord niet raken. Het zijn deze onderdelen van [getuige 5] verklaring die het hof voor het bewijs gebruikt. De verklaring van [getuige 5] vindt bovendien bevestiging in de getuigenverklaring van [partner] bij de politie waarin zij onder meer verklaart dat verdachte was wezen zwemmen in natuurwater en dat zijn voeten en onderbenen onder het zand zaten toen hij thuiskwam. Ook vertelt zij dat verdachte heeft gezegd dat hij weer contact had met het slachtoffer.

In het proces-verbaal van het onderzoek van verdachtes laptop wordt met betrekking tot de avond van 26 april en de vroege ochtend van 27 april 2020 in het overzicht van gedownloade programma’s vermeld:

Name

Created

Accessed

FolderEncrypt-Setup.exe

26-4-2020 08:36:23

26-4-2020 21:47:38

AESCrypt_v310_x64.zip

26-4-2020 10:11:28

26-4-2020 10:11:40

Granite-portable 1-5-1-0-en-win

26-4-2020 10:21:10

26-4-2020 21:49:42

VeraCrypt Portbale 1.24-Update6.exe

26-4-2020 10:24:46

27-4-2020 03:31:11

VeraCrypt

26-4-2020 10:25:07

27-4-2020 03:30:53

SeagateToolkit.exe

26-4-2020 10:27:29

27-4-2020 03:31:08

Seagate Toolkit is een programma specifiek voor Seagate externe harde schijven, aldus verbalisant [verbalisant 12] .

Bij het voor het eerst aanzetten en onderzoeken van de inbeslaggenomen laptop van verdachte door de politie bleek bij het opstarten van de laptop dat een VeraCrypt-proces bezig was met het versleutelen van een schijf of container. Tevens zag verbalisant [verbalisant 15] een foutmelding die vermoedelijk werd veroorzaakt doordat de schijf die versleuteld werd niet meer aanwezig was. Veracrypt werd gestart op 26 april 2020 om 10:25 uur en 10:43 uur. De aangekoppelde schijf werd geformatteerd vanaf 26 april 2020 10:55 uur. Volgens het onderzoek van de politie zou er een harde schijf moeten zijn (Seagate type 7200.11 Baracuda 1, 1, 5T, serienummer [nummer] , die ontbreekt aan het beslag. Bij een hernieuwde doorzoeking van de woning van verdachte wordt wel een harde schijf van het merk Seagate type Barracuda 7200 aangetroffen en in beslag genomen, maar deze schijf heeft een ander serienummer dan het gezochte exemplaar.

De twee telefoons van verdachte die hij bij zijn aanhouding door de politie in zijn broekzakken had, stonden op de vliegtuigstand. Blijkens het onderzoek van verbalisant [verbalisant 16] aan deze telefoons zijn de telefoons om 03:55:25 uur, respectievelijk 03:55:30 uur op de vliegtuigstand gezet.

Berichtje van [partner] aan verdachte

Het dossier bevat het volgende relevante bericht van [partner] aan verdachte.

De telefoon van de vrouw van verdachte is door het onderzoeksteam van de politie onderzocht. Op 27 april 2020 om 04:18 uur – dus nadat verdachte voor de tweede maal de woning heeft verlaten maar nog voordat hij door de politie wordt aangehouden – stuurt [partner] naar verdachte een bericht. Hierin schrijft ze dat ze niet weet waar hij nu is of heen gaat, maar dat hij moet zorgen dat hij uiterlijk om 06:00 uur weer thuis is in verband met de kinderen. Ze geeft verdachte die ochtend de kans om met de kinderen te praten. Zo niet, dan vertelt [partner] het ze. [partner] voelde zich de afgelopen twee jaren altijd tweede keuze. De laatste tijd groeide haar hoop dat dit toch niet zo was en dat er voor hen nog een toekomst was. Dat blijkt nu tegen beter weten in: er is geen toekomst meer voor hen. Ze neemt het hem verschrikkelijk kwalijk, dat hij dit de kinderen aan doet. [partner] zegt tegen verdachte dat hij ‘haar’ en ook zichzelf belangrijker vindt dan alles en iedereen. [partner] zegt: “jullie verdienen elkaar, als jullie elkaar de vernieling in helpen, ga jullie gang, maar neem de kinderen en mij daar niet langer in mee”.

Forensisch onderzoek auto verdachte

Er is onderzoek uitgevoerd in de inbeslaggenomen Volvo personenauto van verdachte. De automat voor de bestuurdersstoel werd veiliggesteld voor een onderzoek naar glasresten in de mat. De mat werd voorzien van SIN [code] .

Uit een rapport van het NFI blijkt dat er vergelijkend glasonderzoek is verricht waarbij glassporen vanaf de sporendragers zijn vergeleken met de als vergelijkingsmateriaal ingestuurde glasmonsters, verder aangeduid als “referentieglas”. In de onderzochte automat voorzien van SIN [code] werden zeven op glas lijkende sporen aangetroffen. Hiervan waren vier sporen geschikt voor analyse. Twee van deze op glas lijkende sporen kwamen overeen met het referentieglas met SIN [code] (scherf uit de sponning aan de buitenzijde van de garagedeur naar de tuin aan de achterzijde van de woning van het slachtoffer). De resultaten van het vergelijkend glasonderzoek zijn geëvalueerd onder de volgende twee hypothesen: Eén of meer van de onderzochte glassporen op de sporendrager(s) zijn afkomstig van de gebroken ruit van de garagedeur (hypothese I) en alle onderzochte glassporen op de sporendrager(s) zijn afkomstig van (een) willekeurig(e) andere ruit(en) (hypothese II). Uit de automat van de bestuurdersstoel met SIN [code] zijn van de 7 op glas lijkende sporen er 4 onderzocht. Hiervan zijn 2 glassporen niet te onderscheiden van het referentieglas met SIN [code] (scherf uit de sponning aan de buitenzijde van de garagedeur naar de tuin aan de achterzijde van de woning van het slachtoffer). De conclusie van het NFI is dat de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer hypothese I waar is, dan dat hypothese II waar is. Het resultaat “veel waarschijnlijker” past bij een ordegrootte bewijskracht van 100 tot 10.000.

De relatie tussen verdachte en het slachtoffer en de geweldsincidenten daarin

Uit informatie van de politie, de huisarts van het slachtoffer, informatie uit de werktelefoon van het slachtoffer en getuigenverklaringen volgt dat binnen en na afloop van de relatie tussen verdachte en het slachtoffer meermalen geweldsincidenten hebben plaatsgevonden, waarbij verdachte zich gewelddadig gedraagt tegen het slachtoffer en/of haar dochtertje. Ten aanzien van de getuigenverklaringen overweegt het hof in reactie op het pleidooi van de verdediging dat niet slechts getuigenverklaringen voor het bewijs worden gebruikt uit de familie- en vriendenkring van het slachtoffer, maar eveneens verklaringen van collega’s van verdachte en het slachtoffer.

Uit een mutatierapport van de politie blijkt dat op 8 november 2019 door het slachtoffer melding is gedaan van bedreiging door haar ex (verdachte). Zij hadden ongeveer anderhalf jaar een relatie gehad. Verdachte was erg jaloers en het slachtoffer mocht niks meer doen van verdachte. Haar wereld werd daardoor steeds kleiner. Verdachte was eigenlijk altijd gefrustreerd en negatief. Hij luisterde ook haar gesprekken af en gebruikte ook wel geweld. Het slachtoffer verklaart blijkens het mutatierapport over de volgende incidenten:

Verdachte was tijdens een ruzie op 22 april 2019 bewust naar boven gelopen en had het bedje met het tweejarige dochtertje van het slachtoffer omgegooid. Hij had het slachtoffer toen vastgepakt en op de grond gegooid. Het slachtoffer had hier blauwe plekken van. Haar dochtertje had twee bulten op haar hoofd gehad. Hier zijn foto's van. Sindsdien zag het slachtoffer verdachte vaker boos dan in de tijd daarvoor.

Op de vrijdag van de [stadsfeest] (het hof begrijpt: 6 september 2019) was verdachte zonder de toestemming van het slachtoffer haar woning binnengedrongen. Het slachtoffer trof hij niet thuis. Later die avond is verdachte naar haar op zoek gegaan. Verdachte wilde dat het slachtoffer met hem mee kwam die avond, maar dat is niet gebeurd. De dag daarop (het hof begrijpt: 7 september 2019) stond verdachte ineens achter het slachtoffer in haar woning. Hij wilde precies weten wat er het weekend was gebeurd en zij moest haar telefoon inleveren omdat verdachte alles wilde lezen. Verdachte pakte toen haar telefoon af en heeft tot 03:00 uur de telefoon uitgelezen en het slachtoffer vragen gesteld.

Op 19 september 2019 wilde verdachte met het slachtoffer praten en hij wilde haar telefoon uitlezen. Dit heeft verdachte ook gedaan, maar hij trof niks aan.

Op 6 november 2019 ontmoetten het slachtoffer en verdachte elkaar bij het Kruidvat en hij werd boos en ze moest het hele verhaal over de [stadsfeest] nog eens doen. Het slachtoffer was met de fiets met haar dochtertje in een fietszitje. Verdachte was zo boos geworden dat hij zei dat hij hen wel kon slaan en hij ging met gebalde vuisten voor het slachtoffer staan. Ook richtte hij zijn vuisten naar haar dochtertje. Verdachte had gezegd dat ze met haar ‘kutkind’ naar huis moest gaan. Het slachtoffer durfde niet naar huis en ging naar de Jumbo. Ze zag verdachte een paar keer over het parkeerterrein rijden en verdachte belde haar op en vroeg waarom zij in de Jumbo was. Verdachte wilde die avond langs komen maar dat weigerde het slachtoffer. Verdachte werd boos en zei uiteindelijk dat hij die avond bij het slachtoffer langs zou komen en als zij dan weer voor hem zou vluchten dan zou hij haar en haar dochtertje [slachtoffer 1] vermoorden. Het slachtoffer verbleef daarom tijdelijk elders en zou in het weekend de sloten van haar woning laten vervangen omdat verdachte nog een sleutel had. Verbalisant [verbalisant 17] nam tijdens het gesprek waar dat het slachtoffer meerdere malen emotioneel werd. Ze was nu echt bang voor verdachte.

In een mutatierapport geeft de politie weer dat er op 13 november 2019 een stopgesprek is geweest met verdachte naar aanleiding van het mogelijk stalken van het slachtoffer. Het incident met het bedje van het dochtertje van het slachtoffer werd tijdens dit gesprek door verdachte bevestigd.

In een mutatierapport geeft de politie weer dat zij op 29 december 2019 een melding kregen dat het slachtoffer lastig werd gevallen door verdachte. Zij was verdachte in het zwembad tegen gekomen en hij had haar aangesproken en vertelde dat hij haar graag terug wilde. Verdachte was die avond door haar straat gereden. Zij belde daarop haar buurvrouw. Die heeft verdachte verzocht om weg te gaan. Verdachte was later teruggekomen toen de vader van haar dochtertje in de woning was. Verdachte was op de ramen gaan bonken. Het slachtoffer had verdachte daarna weg zien lopen naar zijn auto. De politie heeft verdachte duidelijk gemaakt dat hij nu echt moest stoppen.

De huisarts van het slachtoffer heeft aan het onderzoeksteam doorgegeven dat haar uit het dossier is gebleken dat het slachtoffer op 11 september 2019 is gezien door de praktijkondersteuner en dat is besproken dat zij door haar ex (het hof begrijpt: verdachte) hardhandig tegen een muur was gedrukt en dat zij daar een stijf gevoel in haar hals en bovenarmen en een blauwe plek aan had overgehouden. De blauwe plek liet zij zien. Op de ingevulde vragenlijst staat dat het slachtoffer had gezegd dat haar ex ongeoorloofd haar huis in was gegaan, mogelijk via het dakraam. Hij had haar mobiel afgepakt en haar hardhandig tegen de muur gedrukt.

Verbalisant [verbalisant 18] heeft de veiliggestelde data van de werktelefoon van het slachtoffer (een Motorola G5) onderzocht:

Er werden afbeeldingen in de data gevonden waaronder twee afbeeldingen waarop het slachtoffer een blauwe plek op de achterkant van één van de bovenarmen laat zien. De foto is gemaakt op 23 april 2019.

Er waren acht afbeeldingen te zien waarop het slachtoffer en mogelijk haar dochtertje staan afgebeeld. Er waren drie afbeeldingen waarop het vermoedelijke dochtertje te zien was. Aan de rechterzijde van het hoofd zijn twee blauwe plekken te zien. Op twee afbeeldingen laat het slachtoffer blauwe plekken op de achterkant van beide bovenarmen zien. Op een afbeelding maakt het slachtoffer een foto van haar rug waarbij een blauwe plek te zien is op één van haar schouders. Twee afbeeldingen betreffen foto's van de blauwe plekken op de achterkant van beide bovenarmen. Deze afbeeldingen zijn gemaakt op 24 april 2019.

Er is een afbeelding waarop mogelijk het slachtoffer staat afgebeeld. Te zien is dat diegene op de afbeelding een blauwe plek op haar borst heeft. De foto is gemaakt op 13 september 2019.

Er zijn twee afbeeldingen waarop het slachtoffer een blauwe plek laat zien op de achterkant van één van de bovenarmen. De foto’s zijn gemaakt op 20 september 2019.

Er zijn drie afbeeldingen waarop het slachtoffer blauwe plekken laat zien op de achterkant van beide bovenarmen en tevens een blauwe plek op één van de bovenarmen. De foto’s zijn gemaakt op 21 september 2019.

Er zijn drie afbeeldingen waarop het slachtoffer staat afgebeeld en blauwe plekken laat zien op de achterkant van één van de bovenarmen, de voorkant van één van de bovenarmen en aan de zijkant van haar hals/nek. De foto’s zijn gemaakt op 22 september 2019.

Er zijn twee afbeeldingen waarop het slachtoffer een blauwe plek op de onderkant van één van de bovenarmen laat zien en er zijn twee afbeeldingen waarop is te zien dat ze een plekje op haar onderlip heeft. De foto’s zijn gemaakt op 10 november 2019.

Uit de metadata van de afbeeldingen blijkt dat deze zijn gemaakt door de camera van een Motorola G5. De afbeeldingen die waren gemaakt door middel van de camera van de Motorola G5 bleken alle te zijn geplaatst in een digitale map in het interne geheugen van de telefoon. De map was genaamd ‘Media/lnterne gedeelde opslag/Picture/Bewijs’. In deze digitale map Bewijs bleken tevens 2 filmopnamen te staan. Deze filmopnamen bleken gemaakt op 24 april 2019. Op beide filmpjes is te zien dat de maker in een huis een trap op loopt en dat boven op een overloop allerlei spullen op de grond liggen. Tevens is te zien dat er een spiegel kapot is en dat de scherven bij elkaar op de grond liggen. Het eerst filmpje betreft de gang vanaf de trap omhoog naar de overloop en het tweede filmpje betreft de gang vanaf de overloop naar beneden. Verbalisant [verbalisant 18] heeft de meldingen die het slachtoffer bij de politie had gedaan doorgenomen. Hij constateert dat uit de mutatie van 8 november 2019 kan blijken dat verdachte op 22 april 2019 het bedje met het dochtertje van het slachtoffer had omgegooid waardoor het dochtertje twee bulten op haar hoofd had gekregen. Het slachtoffer had daarbij bij de politie aangegeven dat zij foto's had van de bulten op het hoofd van haar dochtertje. De hiervoor omschreven foto's van het dochtertje die zijn gemaakt op 24 april 2019 betreffen hoogstwaarschijnlijk dit incident. De andere hierboven omschreven foto’s die gemaakt zijn op 24 april 2019 passen mogelijk bij hetzelfde incident waarbij het slachtoffer werd vastgepakt en op de grond gegooid.

Getuige [getuige 6] (woonachtig aan [adres] te [pleegplaats] ) verklaart dat het slachtoffer in augustus 2019 liet blijken dat zij bang was voor haar vriend of ex-vriend [verdachte] , verdachte. Hij drong zich aan haar op. Het slachtoffer liet getuige [getuige 6] foto's zien van blauwe plekken op haar armen. In het eerste weekend van september 2019 (het hof begrijpt: het weekend van de [stadsfeest] van 5 tot en met 8 september 2019) had het slachtoffer hem in [pleegplaats] aangesproken en gezegd “Hij is hier”. Ze kwam erg angstig op hem over en vertelde dat ze gestalkt werd door verdachte. Getuige [getuige 6] zag een man die met grote ogen alleen maar naar het slachtoffer aan het kijken was. Hij had een telefoon in de hand en de telefoon van het slachtoffer ging over. Het slachtoffer durfde niet weg te gaan en wilde niet naar huis omdat verdachte daar dan ook naar toe zou gaan. Getuige [getuige 6] verklaarde dat hij, met het slachtoffer achterop de fiets, is weggegaan en dat verdachte hen bleef volgen. Getuige [getuige 6] bracht het slachtoffer naar zijn zus en daar kreeg het slachtoffer allemaal appjes van verdachte. Getuige [getuige 6] heeft het slachtoffer afgezet bij haar woning. De volgende dag had het slachtoffer hem verteld dat zij dacht dat verdachte bij haar in huis was geweest. De sleutel van haar woning lag niet meer in haar auto. In april (het hof begrijpt: april 2020) had het slachtoffer verteld dat zij een nieuwe vriend had. Een half jaar vóór 27 april 2020 stuurde het slachtoffer getuige [getuige 6] een app en vroeg of getuige [getuige 6] uit wilde kijken naar een auto in de straat. Het slachtoffer was bang dat verdachte in de straat was.

Verbalisanten [verbalisant 19] en [verbalisant 20] hebben op 27 april 2020 gesproken met de vader van het slachtoffer ( [vader slachtoffer] ), de moeder van het slachtoffer ( [moeder slachtoffer] ) en de ex-echtgenoot van het slachtoffer ( [ex-partner slachtoffer] ). [ex-partner slachtoffer] is de vader van [slachtoffer 1] . De familie geeft aan te weten dat het slachtoffer een stalker had, verdachte. Het slachtoffer was na haar bevallingsverlof op het werk in aanraking gekomen met verdachte die haar het hoofd op hol bracht en uiteindelijk heeft het slachtoffer [ex-partner slachtoffer] verlaten voor verdachte. In de zomer van 2018 zou het slachtoffer achter de ware aard van verdachte zijn gekomen. Het slachtoffer gaf aan dat zij wel klaar met hem was, maar zij kwam er toen achter dat ze niet van hem af kon komen. Verdachte zou behoorlijk dominant zijn: ze mocht van hem geen contact meer hebben met familie en ze mocht niet naar begrafenissen. Verdachte bepaalde wat het slachtoffer wel en niet mocht doen en hij had narcistische neigingen. Eind 2018 escaleerde het en heeft verdachte bij het slachtoffer ingebroken en hij haar in het centrum van [pleegplaats] met de dood bedreigd. Het slachtoffer durfde niet meer alleen thuis te zijn. Het slachtoffer werd door verdachte mishandeld. Na de [stadsfeest] in september 2019 was het weer wat rustiger en werd de relatie naar de familie toe ook weer wat beter. Zij wisten van een vriendin van het slachtoffer dat het slachtoffer weer een relatie heeft.

Getuige [moeder slachtoffer] , de moeder van het slachtoffer, verklaart dat het slachtoffer onder druk van verdachte het contact had verbroken met de familie. Er is toen van alles gebeurd. Het slachtoffer vertelde later dat zij werd mishandeld. In juli 2019 ging bij het slachtoffer de knop om en wilde ze niet meer verder met verdachte. Op een gegeven moment was het slachtoffer bij getuige [moeder slachtoffer] . Ze zaten in de tuin en toen zag het slachtoffer dat verdachte weer langsreed. Het slachtoffer was toen heel erg bang voor verdachte. In september 2019 bij de [stadsfeest] in [pleegplaats] heeft verdachte ingebroken bij het slachtoffer. Hij is door een raam geklommen. In november 2019 is het helemaal uit de hand gelopen. Het slachtoffer was met [slachtoffer 1] bij de Kruidvat geweest en ze ging naar de Jumbo. Daar reed verdachte naast haar en bedreigde hij het slachtoffer en [slachtoffer 1] met de dood. Het slachtoffer heeft toen aangifte gedaan bij de politie. Op 11 november 2019 heeft getuige [moeder slachtoffer] bij het slachtoffer in huis gezeten omdat het slachtoffer niet alleen durfde te zijn. Verdachte bedreigde haar steeds weer en belde haar. Getuige [moeder slachtoffer] besloot om 21:00 uur naar huis te gaan. Toen zij thuis kwam. zag zij de auto van verdachte staan bij haar woning. Zij belde toen het slachtoffer en zei dat verdachte vast had gewacht tot zij, getuige, thuis was en dan zou verdachte wel naar het slachtoffer gaan. Uiteindelijk is verdachte inderdaad naar het slachtoffer gegaan. Het slachtoffer heeft gewacht tot hij daar was en toen heeft zij 112 gebeld. Het slachtoffer heeft toen ook ondergedoken gezeten bij een vriendin. Ze wist dat verdachte tot alles in staat was. In februari 2020 dook verdachte ineens op op het werk en in het zwembad. Sinds een paar weken had het slachtoffer weer een vriend.

Getuige [vader slachtoffer] , de vader van het slachtoffer, is door de politie gehoord over een drietal chatberichten die hij met verdachte zou hebben uitgewisseld. Getuige [vader slachtoffer] verklaarde dat hij contact had opgenomen met verdachte omdat verdachte het slachtoffer en [slachtoffer 1] bedreigd had: zij moesten van kant gemaakt worden. Op een gegeven moment kon niemand contact meer krijgen met het slachtoffer. Het slachtoffer was doodsbenauwd voor hem. Zij moest van verdachte afstand van de familie nemen en mocht geen contact. Toen het slachtoffer eens naar haar broers wilde, stond verdachte plotseling voor haar auto en zei: “Waar gaan wij naartoe?”. Bij het proces-verbaal van bevindingen is als bijlage op pagina 2264 van het dossier een chatbericht gevoegd van verdachte aan getuige [vader slachtoffer] waarin staat dat [vader slachtoffer] van verdachte nog een hele duidelijke waarschuwing krijgt. Als verdachte iets merkt of lastiggevallen wordt, dan zal hij maatregelen nemen.

Getuige [getuige 7] verklaart over verdachte (zijn collega) dat deze hem wel heeft verteld wat er niet goed ging in zijn relatie met het slachtoffer, bijvoorbeeld dat zij geen antwoord gaf op zijn vragen. Verdachte vertrouwde het allemaal niet en wilde haar telefoon controleren; het frustreerde hem. Verdachte heeft ook eens bij het slachtoffer ingebroken. Hij is haar woning binnen gegaan en heeft gezocht naar haar autosleutel. Daarna is hij naar de [stadsfeest] gegaan en het zinde hem niet dat zij met een collega op stap was gegaan. Verdachte was ook behoorlijk kwaad geworden toen het slachtoffer achterop de fiets bij een jongen weg was gegaan. Verdachte was jaloers. Verdachte had getuige [getuige 6] ook verteld dat hij eens naar [stad] was gereden om te kijken of het slachtoffer daar bij een collega was. Verdachte was bezitterig en wilde haar voor zich alleen. Verdachte vertelde over een aantal dingen die hij mee had gemaakt met het slachtoffer. Hij was weleens kwaad geweest en had het slachtoffer beetgepakt bij de armen waardoor ze blauwe plekken had opgelopen. Verdachte vertelde ook dat hij het kindje uit het bedje had geduwd. Het slachtoffer vertelde getuige [getuige 6] later dat het kindje echt door verdachte uit het bed was gegooid. Verdachte had ook verteld dat het slachtoffer had gezegd dat hij haar zou vermoorden. Verdachte heeft toen tegen getuige [getuige 6] gezegd dat hij dit uit kwaadheid gezegd had. Verdachte probeerde altijd uit te leggen dat het allemaal wel mee viel wat hij had gedaan: hij wou gewoon overal de controle over hebben. Het slachtoffer werd wel beperkt in haar dingen. Zij mocht bijvoorbeeld niet met getuige [getuige 6] praten. Als het slachtoffer op het werk kwam de laatste tijd werd hij echt heel zenuwachtig, tot zweten en trillen aan toe. Er was een incident dat het slachtoffer met collega's mee ging om een visje te eten en dat verdachte ook bij de visboer verscheen en daar heel zenuwachtig werd. Toen het slachtoffer daar later een gesprek over had, stond verdachte voor de deur. Verdachte zat zich helemaal op te winden en hij zweette enorm. Verdachte bleef heen en weer lopen en was steeds van zijn plek af. Het was getuige [getuige 6] echt opgevallen dat zodra verdachte er lucht van kreeg dat het slachtoffer met iemand bij hen op de afdeling gepraat had, hij later bij die persoon zijn verhaal ging doen. Verder schoof verdachte dingen af op een ander, hij had het nooit gedaan, hij doet het altijd goed, dingen afschuiven op een ander, zichzelf goed praten, moeilijk of misschien wel helemaal niet zijn fouten toe kunnen geven. Het slachtoffer had eens verteld dat verdachte haar wel stevig vastgepakt had en dat zij daar blauwe plekken van kreeg. Verdachte beaamde dit wel. Hij probeerde zichzelf wel goed te praten. Getuige [getuige 6] leerde verdachte steeds beter kennen en merkte aan alles dat hij de verhalen verdraaide. Zijn verhalen klopten op het laatst niet meer met elkaar; hij vertelde verschillende dingen op verschillende momenten. Het ging altijd over het slachtoffer, altijd over dezelfde dingen. Verdachte probeerde getuige [getuige 6] aan zijn kant te krijgen door te zeggen dat alles wel mee viel, dat hij het niet had gedaan, dat het slachtoffer alles omdraaide en dat soort dingen.

Getuige [getuige 8] verklaart dat hij werkzaam is als teamleider van verdachte. Verdachte had hem op 12 november 2019 verteld dat hij een buitenechtelijke relatie had met het slachtoffer. Verdachte moest op het politiebureau komen en daarom wilde hij dit ook aan zijn baas vertellen. Later hoorde getuige [getuige 8] van zijn manager dat het slachtoffer op het politiebureau melding had gedaan van doodsbedreiging en dat verdachte moest komen. Verdachte had hem dit niet verteld, verdachte zei dat het om “stalkingachtige dingen” ging. Op 5 december 2019 is er een correctiegesprek geweest waarbij getuige [getuige 8] , zijn manager en verdachte aanwezig waren. De afspraak was dat verdachte het slachtoffer moest mijden. Als één van beiden naar de locatie moest waar de ander werkzaam was, dan moeten zij toestemming vragen aan de betrokken teamleider. Het verslag van het gesprek is niet door verdachte getekend, het zinde hem niet. Toen het slachtoffer ergens op 5 of 6 februari 2020 onverwachts op het werk in [dorp] was en getuige [getuige 8] met haar in gesprek was, liep verdachte over de gang te stuiteren. Verdachte gooide de deur van de kamer van getuige [getuige 8] open en kwam binnen. Verdachte zei met verheven stem: “en ik moet nu ook met jou praten”. Getuige [getuige 8] heeft verdachte weggestuurd. Getuige [getuige 8] vond die situatie bedreigend overkomen voor het slachtoffer.

Getuige [getuige 9] (een vriendin van het slachtoffer) verklaart dat zij het slachtoffer al vanaf de wieg kent. Zij wist dat er, in verband met verdachte, een AOL (Afspraak Op Locatie) op de woning van het slachtoffer zat. De man van getuige [getuige 9] heeft een keer extra haken op de woning van het slachtoffer gezet. Op een gegeven moment had het slachtoffer niet meer gereageerd op Whatsapp en getuige [getuige 9] had op 28 juli 2018 het laatste appje van het slachtoffer gekregen. Daarna was er geen contact meer via Whatsapp maar nog wel via SMS. Op 6 juli 2019 kwam het slachtoffer weer op de app. Later had het slachtoffer gezegd dat zij een jaar niet meer op de app was geweest omdat verdachte haar controleerde. Hij zag dan precies wanneer ze online was geweest. Verdachte wilde dan precies weten met wie ze contact had gehad. Zij moest aan verdachte ook precies vertellen wie ze op straat tegen was gekomen en wat diegene van haar wilde; hij wilde echt de controle hebben. Vanaf 3 augustus 2019 had het slachtoffer opnieuw geen Whatsapp meer. Op 7 september 2019 kwam ze weer op de app met de vraag of de man van getuige [getuige 9] extra haken op de deuren van haar woning wilde zetten. Ook stuurde het slachtoffer: "De knop is om. We kunnen weer appen. Ik sta er volledig boven van wat [verdachte] zegt of zeggen gaat". Haar man had dit geregeld en later heeft een klusjesman nog nieuwe sloten op de deuren gezet. Het slachtoffer miste namelijk de huissleutel die in haar auto had gelegen. Tijdens de [stadsfeest] was er van alles gebeurd. Verdachte snapte niet dat het slachtoffer naar feestjes, zoals de [stadsfeest] , ging. Als verdachte boos was, zei hij ook wel eens tegen het slachtoffer dat hij haar wat aan zou doen. Dat vertelde het slachtoffer aan getuige [getuige 9] . Vanaf 8 september 2019 was het slachtoffer weer offline en op 8 november 2019 kwam ze weer online en bleef ze écht online. Het slachtoffer had geappt dat verdachte haar en [slachtoffer 1] had bedreigd en dat de politie ingeschakeld was. Het slachtoffer verbleef bij een vriendin en collega omdat ze bang was dat verdachte plotseling voor haar deur kon staan. Het incident met verdachte bij de Jumbo was voor het slachtoffer de druppel, zo vertelde ze aan getuige [getuige 9] . Op 11 november 2019 appte het slachtoffer getuige [getuige 9] dat verdachte bij haar voor de deur had gestaan. De moeder van het slachtoffer had verdachtes auto zien rijden. De politie is toen gebeld. De politie heeft verdachte toen gebeld en gezegd dat hij zich de woensdag daarop (het hof begrijpt: 13 november 2019) moest melden. Het slachtoffer was het vertrouwen om alleen te zijn toen weer kwijt. Ze is toen weer naar haar vriendin en collega gegaan. Op 29 december 2019 appte het slachtoffer getuige [getuige 9] dat ze verdachte was tegengekomen in het zwembad. Toen ze stond te douchen stond verdachte ineens voor haar neus. Hij had haar de liefde verklaard. Het slachtoffer heeft haar auto thuis ergens anders geparkeerd omdat ze bang was. Getuige [getuige 9] had het idee dat het de laatste weken voor het tenlastegelegde heel goed met het slachtoffer ging. Ze had weer een nieuwe scharrel, [nieuwe vriend] .

Getuige [getuige 10] , de buurvrouw van het slachtoffer (woonachtig op [adres] ) heeft een verklaring afgelegd. Het slachtoffer kwam eind oktober of begin november 2019 bij getuige [getuige 10] en vertelde dat ze een vriendje had gehad en dat ze bang was voor hem. Het was uit en hij bedreigde haar. Hij wilde het slachtoffer wat aan doen. Op een gegeven moment belde het slachtoffer in paniek. Het slachtoffer vertelde ook dat er in september 2019 iets was voorgevallen. Hij zou het slachtoffer bij haar keel hebben gepakt. Het slachtoffer had getuige [getuige 10] begin november 2019, waarschijnlijk rond Sint Maarten, in paniek gebeld dat [verdachte] uit [woonplaats] (het hof begrijpt: verdachte) bij haar voor de deur stond en het slachtoffer vroeg getuige [getuige 10] om hem te zeggen weg te gaan. Verdachte zei tegen getuige [getuige 10] dat hij antwoorden wilde hebben van het slachtoffer. Daarna is hij weggelopen. Even later kwam [ex-partner slachtoffer] [slachtoffer 1] brengen. Daarna belde het slachtoffer haar weer en zei dat verdachte weer om haar huis liep. Het slachtoffer vroeg getuige [getuige 10] om opnieuw naar buiten te gaan. Getuige [getuige 10] deed dit. Verdachte had getuige [getuige 10] op een zielig toontje gezegd dat hij het niet snapte en dat haar ex-man er ook nog zat en dat hij met het slachtoffer wilde praten. Getuige [getuige 10] had gezegd dat hij weg moest gaan en daarop liep hij weg. Ergens voor 20 december 2019 belde het slachtoffer getuige [getuige 10] nog een keer in paniek op omstreeks 23:00 uur. Het slachtoffer was bang om alleen te zijn die nacht omdat ze bang was dat hij hier komt. Op 9 april 2020 vertelde het slachtoffer dat ze een nieuw vriendje had: [nieuwe vriend] uit [dorp] . Het slachtoffer was de laatste weken vrolijk, zo verklaart getuige [getuige 10] .

Verklaring verdachte bij de rechtbank

Verdachte verklaart ter terechtzitting van de rechtbank van 29 maart 2021 dat hij in de nacht van 26 op 27 april 2020 twee keer vanuit zijn woning in [woonplaats] is vertrokken in zijn auto. De eerste keer dat hij die nacht wakker werd, is hij weggegaan met de auto. Toen hij weer terug kwam, was [partner] wakker. Verdachte was naakt toen hij thuis kwam. Hij heeft zich gedoucht en aangekleed. Verdachte en zijn partner [partner] kregen ruzie over het slachtoffer en over dat verdachte nog contact met haar had. [partner] had eerder tegen hem gezegd dat het over was tussen hen als hij nog contact met het slachtoffer zou hebben. Verdachte is daarna opnieuw weggegaan met de auto. Verdachte nam zijn twee telefoons mee. Hij heeft het Telegram account en alle Telegram-berichtjes tussen hem en het slachtoffer van zijn telefoon gewist. Hij heeft de telefoons op de vliegtuigstand gezet. Hij nam een sopje mee in een emmer en wat oude handdoeken en is ergens onderweg de auto gaan wassen. Verdachte heeft verklaard dat hij bij terugkomst bij zijn woning na de tweede keer dat hij weg was geweest, werd aangehouden door de politie en dat hij toen tegen zijn partner [partner] heeft geroepen dat zij niet met de politie moest praten.

Hernieuwd intensief contact als directe aanleiding

Zoals hiervoor is vastgesteld was er – ook na het verbreken van de relatie tussen verdachte en het slachtoffer – sprake van meerdere incidenten tussen verdachte en het slachtoffer. Bij een groot aantal getuigen in de omgeving van het slachtoffer was bekend dat verdachte bij zijn partner ( [partner] ) bleef, maar ook contact bleef zoeken met het slachtoffer.

Het moment dat verdachte en zijn partner in de auto rijden en het slachtoffer tegenkomen op vrijdag 24 april 2020 vormt de directe aanleiding voor een weekend waarin verdachte steeds en ook in een toenemende mate met het slachtoffer bezig is. [partner] beschrijft dat verdachte op dit treffen van het slachtoffer heftig reageert. Ook in de vele chatberichten die verdachte en het slachtoffer in dat weekend met elkaar uitwisselen komt het feit dat ze elkaar tegenkwamen op vrijdag terug. Het hof stelt eveneens vast dat in deze chatsessie een toename te zien is wat betreft de frequentie van de berichten en dat daarnaast ook steeds meer een emotionele toon uit de berichten naar voren komt. Over en weer maken verdachte en het slachtoffer elkaar verwijten. In de avond van 26 april 2020 exporteert hij de Telegramberichten met het slachtoffer naar een harde schijf, en meer specifiek in een map genaamd “ [slachtoffer 2] teksten”, waarbij – zoals door verdachte erkend – “ [slachtoffer 2] ” staat voor het slachtoffer. Deze harde schijf is – als gezegd – niet aangetroffen bij het politieonderzoek. Net als de rechtbank stelt het hof vast dat het hernieuwde intensieve contact in het weekend van de misdrijven de opmaat vormde naar de in de nacht van zondag 26 april 2020 op maandag 27 april 2020 gepleegde misdrijven. Verdachte bleek niet in staat afstand te houden van het slachtoffer, terwijl zijn verhouding met haar hem grote problemen opleverde, zowel op zijn werk als ook in zijn relatie met [partner] en aldus ook een bedreiging vormde voor zijn gezinsleven.

Nadere bewijsoverwegingen betrokkenheid verdachte

Het hof stelt op grond van al het voorgaande samenvattend de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 24 april 2020 komen verdachte en [partner] het slachtoffer tegen in de auto. Verdachte raakte naar zeggen van zijn vrouw in paniek en begon te trillen. Van vrijdag 22 april 2020 tot en met zondag 26 april 2020 chatten verdachte en het slachtoffer via Telegram. Hierbij maken zij elkaar over en weer verwijten over hun relatie. In de ochtend van 26 april 2020 zoekt verdachte op internet naar manieren om bestanden en gegevensdragers te versleutelen door middel van encryptie. Ook downloadt verdachte vijf verschillende encryptie-programma’s. Op 26 april 2020 wordt in de middag een map aangemaakt genaamd “ [slachtoffer 2] teksten”. In de avond wordt volgens het politieonderzoek waarschijnlijk een export gemaakt van Telegram chatberichten. Verdachte heeft verklaard dat hij in de avond van 26 april 2020 zijn Telegramaccount en alle Telegramberichten van zijn telefoon heeft verwijderd.

Verdachte is midden in de nacht van het misdrijf twee keer in zijn auto vertrokken en beide keren onder bijzondere omstandigheden teruggekeerd bij zijn woning. Dit terwijl in die nacht in de woning van het slachtoffer geprobeerd wordt om haar te doden en er brand wordt gesticht. De eerste keer dat verdachte terugkwam bij zijn woning trof [partner] hem naakt en met vieze benen aan in de bijkeuken. De tweede keer wordt verdachte door de politie aangetroffen met een emmer en natte doeken in de auto, terwijl verdachte tot twee keer toe aan de politie probeerde te ontkomen. Verdachte had trillende handen en transpireerde erg. Hij had ook opvallend grote pupillen. Bij zijn aanhouding zegt verdachte dat hij niks gedaan heeft en ruzie heeft met zijn vriendin. Nadat de politie daar op doorgaat zegt verdachte dat hij ruzie heeft met [partner] en geen contact meer heeft met het slachtoffer. Bij zijn aanhouding roept verdachte naar [partner] dat zij niet met de politie moest praten. Bij de politie verzweeg verdachte in eerste instantie dat hij niet één maar twee keer met de auto is weggeweest die nacht. Verdachte had twee telefoons bij zich, die zich in de vliegtuigstand bevonden.

Ten aanzien van verdachtes verklaringen omtrent zijn gedragingen in de nacht van 26 op 27 april 2020 overweegt het hof het volgende. In de eerste verhoren heeft verdachte verzwegen dat hij in deze nacht hij niet één maar twee keer is weggeweest. Hiermee geconfronteerd en hierop doorgevraagd door de politie hult verdachte zich in een stilzwijgen. Het betreft hier het vijfde politieverhoor van verdachte op 12 mei 2020. Eerst tijdens zijn zesde verhoor op 2 juni 2020 verklaart verdachte bij de politie dat hij de betreffende nacht wakker is geworden na een nachtmerrie over het slachtoffer en dat hij toen van huis is gegaan en ergens heen is gereden waar hij dwars door weilanden en sloten is gaan rennen om de paniek en hyperventilatie van de nachtmerrie kwijt te raken. Bij de rechtbank heeft verdachte dit volmondig bevestigd. Verdachte zegt niet welke route hij heeft gereden en waar hij precies door de weilanden en sloten is gerend. Het hof acht deze vage, niet onderbouwde en niet verifieerbare verklaring over de reden van zijn eerste vertrek en over wat hij toen heeft gedaan volstrekt ongeloofwaardig. Verdachte kwam met deze verklaring pas nadat hij door de politie werd geconfronteerd met de verklaring van getuige [getuige 5] , inhoudende dat zij van [partner] had gehoord dat hij die nacht naakt thuis was gekomen.

Anders dan bij de rechtbank en bij de politie heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep (uiteindelijk) verklaard dat hij de eerste keer niet naakt is vertrokken en thuisgekomen. Het hof acht ook deze verklaring hoogst ongeloofwaardig, nu verdachte geen redelijke verklaring heeft kunnen geven waarom hij zelf eerder meermalen anders heeft verklaard en het bovendien niet valt te rijmen met de verklaring van getuige [getuige 5] . Voorts is deze nieuwe/zoveelste versie van verdachtes verklaring ook volledig in tegenspraak met de inhoud van een getapt en letterlijk uitgewerkt videogesprek tussen verdachte in de penitentiaire inrichting en [partner] . Op 17 mei 2020 belt verdachte uit naar [partner] en zegt tegen haar: “Zoals ik thuis kwam, ben ik ook weggegaan” en even later “ik ben gewoon weggegaan zonder kleren ben ik weggeweest. Zonder kleren in de auto gestapt”.

Het hof gaat op basis van de verklaring van getuige [getuige 5] , verdachtes eigen verklaringen bij de rechtbank en bij de politie, alsmede zijn uitlatingen in een videogesprek met [partner] , er vanuit dat verdachte wel degelijk naakt is thuisgekomen. Dit zou kunnen passen bij – zoals de rechtbank dit ook in haar vonnis heeft omschreven – het verbergen van kleding en schoenen die gedragen zijn bij het plegen van de misdrijven. Kleding en schoenen waarop bloed, haren, speeksel of andere sporen van het slachtoffer zaten of konden zitten. Kleding en schoenen waarop daarnaast sporen van de brandbare stoffen zaten of konden zitten. Sporen die als bewijs tegen verdachte konden worden gebruikt en die daarom moesten verdwijnen.

Anders dan verdachte bij zijn aanhouding zei, blijkt uit het intensieve contact dat verdachte en het slachtoffer voorafgaand aan het feit hebben gehad via Telegram, dat verdachte contact had en ook wilde hebben met het slachtoffer.

Uit onderzoek van de politie volgt dat verdachte in de nacht van 26 op 27 april 2020 rond 03:30 uur twee encryptie-programma’s opstart. Bij het onderzoeken van de laptop van verdachte blijkt dat één van deze programma’s

bezig was met het proces van het versleutelen van een schijf of container toen de laptop werd uitgeschakeld. Om 03:55 uur zijn de twee telefoons van verdachte in de vliegtuigstand gezet. Om 04:18 uur (nog voordat verdachte is aangehouden) stuurt [partner] verdachte een berichtje waaruit kan worden opgemerkt dat verdachte en [partner] die nacht hebben gesproken over het slachtoffer en dat [partner] niet weet waar verdachte op dat moment was.

Dan komt vervolgens de tweede keer dat verdachte de nacht van het misdrijf met de auto van huis is vertrokken. Verdachte verklaart dat hij een emmer heeft gepakt, een sopje heeft gemaakt en dit, samen met een doekje en wat handdoeken, heeft meegenomen in zijn auto. Hij heeft ook nog het fietsenrek op de auto gezet, maar niet de fiets omdat dit vanwege zijn knie waar hij veel last van had te zwaar voor hem was. Daarna is hij weggereden. Verdachte zegt niet via welke route hij is gereden of waar hij onderweg is gestopt. Verdachte geeft als reden voor deze tweede rit dat hij zijn auto ging wassen. De auto die naar eigen zeggen al drie jaar niet was gewassen en nu, midden in de nacht, schoon moest worden gemaakt. Niet op straat voor de woning, maar ergens in het duister van de nacht buiten het dorp. Niet met een waterslang met stromend water, maar met een sopje in een emmer en een doekje. Het hof acht ook dit deel van de verklaring van verdachte niet geloofwaardig. Voortbordurend op de hierboven door het hof aangegeven mogelijke verklaring voor het naakt thuiskomen, is er evenzeer een logische verklaring voor het meenemen van een emmer met een sopje. Ook hier kan het hof zich vinden in wat de rechtbank hieromtrent in haar vonnis heeft overwogen, namelijk dat in de auto sporen achtergebleven zouden kunnen zijn van het slachtoffer of van de brandstichting. Sporen aan de binnenzijde van de auto, met name op de bestuurdersstoel die kennelijk flink nat was geworden. Verdachte had twee handdoeken op de bestuurderstoel gelegd om te voorkomen dat zijn zitvlak nat zou worden, zo verklaarde hij bij de politie.

Volgens het NFI zijn de resultaten van het vergelijkend glasonderzoek veel waarschijnlijker onder de hypothese dat de op de automat van de auto van verdachte aangetroffen glasdeeltjes afkomstig zijn van het glas van de garagedeur van de woning van het slachtoffer, dan dat deze afkomstig zijn van (een) willekeurig(e) andere ruit(en).

Verdachte heeft ook de gelegenheid gehad om de misdrijven te plegen. Door de politie zijn meerdere potentiële verdachten doorgelicht en scenario’s onderzocht waarin verdachte niet als dader wordt beschouwd. Geen van deze personen of scenario’s houdt stand. De politie heeft ook de toenmalige vriend van het slachtoffer, de ex-man van het slachtoffer en een kennis van het slachtoffer met wie zij wel via de telefoon contact had, gehoord om te kunnen bepalen of zij wellicht in de gelegenheid waren geweest de misdrijven te plegen. Het onderzoek heeft zich dus niet exclusief op verdachte gericht. Na het uitsluiten van andere personen, bleef verdachte als de meest aannemelijke potentiële dader over. Noch in het strafdossier noch naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is er ook maar een begin van een objectieve aanwijzing gevonden voor een ander aannemelijke dader dan verdachte. Ditzelfde geldt voor de brandstichting (feit 2). Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het dossier geen enkele aanleiding biedt te veronderstellen dat een ander dan diegene die de geweldpleging op zijn geweten heeft, op of kort na het moment waarop het slachtoffer daar met levensgevaarlijke verwondingen lag, opzettelijk brand zou hebben gesticht in de woning. De krappe tijdslijn van gebeurtenissen in de nacht van 26 op 27 april 2020 in de woning van het slachtoffer geeft hiervoor ook weinig ruimte.

Dit alles plaatst het hof in het licht van de gehele voorgeschiedenis van verdachte en het slachtoffer en het geweld dat verdachte daarbij heeft gepleegd tegen het slachtoffer en haar dochtertje. Verdachte heeft daarnaast meermalen met het plegen van dergelijk geweld gedreigd en heeft twee keer de woning van het slachtoffer betreden zonder toestemming.

Op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, ook met voorgaande overwegingen, is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die gepoogd heeft het slachtoffer te doden en brand heeft gesticht in de woning van het slachtoffer.

Opzet op de dood en op de brandstichting

Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat verdachte ernstig geweld heeft gepleegd tegen het hoofd en/of lichaam van slachtoffer om haar van het leven te beroven. De hevigheid van het geweld wordt weerspiegeld in de aard, het aantal en de ernst van de toegebrachte letsels, zoals beschreven in het forensisch geneeskundig letselverslag en hiervoor weergegeven. Dit geweld is in ieder geval zodanig geweest dat het geschikt was om de dood te doen intreden en zo ernstig dat het hof, bij het ontbreken van contra-indicaties, vaststelt dat de gedragingen van verdachte ook op dat gevolg waren gericht. Dit brengt het hof tot de conclusie dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Verdachte heeft het slachtoffer levensgevaarlijk letsel toegebracht en vervolgens hulpeloos achtergelaten in de woning waarin hij brand had gesticht. Dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht leidt het hof af uit het brandonderzoek, waaruit volgt dat brandversnellende middelen zijn gebruikt en dat er geen technische voorzieningen zijn die de oorzaak van de twee brandhaarden zou kunnen verklaren. Dat door de brand gemeen levensgevaar voor [slachtoffer 2] te duchten was, was voor verdachte voorzienbaar. Dat tevens levensgevaar voor [slachtoffer 1] en de bewoners van de naastgelegen woning te duchten was, was voor verdachte ten tijde van het stichten van de brand naar algemene ervaringsregels en gelet op de nachtelijke uren eveneens voorzienbaar. [slachtoffer 1] lag op de bovenverdieping van de woning te slapen en ook de bewoners van de naastgelegen woning waren thuis en lagen in bed.

Vrijspraak voorbedachten rade

Het hof stelt vast dat verdachte bij het plegen van de feiten in deze zaken planmatig heeft gehandeld in de aanloop naar de gepleegde delicten. Hij heeft de Telegram chatberichten met het slachtoffer op een harde schijf gezet (in de map “ [slachtoffer 2] teksten”) en deze harde schijf versleuteld, hij heeft zijn twee telefoons niet meegenomen toen hij de eerste keer op pad ging en heeft de tweede keer de telefoons op de vliegtuigstand gezet. Hij heeft bij de woning van het slachtoffer ingebroken om zich toegang tot de woning te verschaffen. Net als de rechtbank acht het hof echter niet buiten redelijke twijfel bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade bij het proberen te doden van slachtoffer, ofschoon de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden elementen zijn die duiden op planmatig gedrag van verdachte. De verklaringen van verdachte en overige bewijsmiddelen hebben onvoldoende inzicht gegeven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van de feiten in verdachte is omgegaan. Dit maakt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat sprake was van voorbedachten rade en dit leidt ertoe dat verdachte van feit 1 primair, namelijk een poging tot moord, zal worden vrijgesproken.

Bespreking verweren verdediging

Het hof bespreekt hier de overige verweren van de verdediging, voor zover het hof deze niet op een andere plaats in dit arrest bespreekt.

Ten aanzien van het door het NFI uitgevoerde vergelijkend glasonderzoek hebben de raadslieden naar voren gebracht dat de verdediging niet kan vaststellen of er wel onderzoek op de in de auto van verdachte aangetroffen glasdeeltjes kon worden verricht door het NFI. Het hof overweegt in navolging van de rechtbank dat 4 op glas lijkende sporen in de automat van de auto van verdachte volgens het NFI groot genoeg waren voor een correcte analyse. Dit wordt naar het oordeel van het hof bevestigd door het feit dat blijkens de analyse van het NFI van deze 4 sporen, 2 glassporen niet te onderscheiden bleken te zijn van het glas van de garagedeur in de woning van het slachtoffer. Wanneer de glassporen niet groot genoeg zouden zijn voor een analyse, zou immers niet tot een dergelijke match gekomen zijn. Voor de door de verdediging gesuggereerde mogelijkheid van secundaire overdracht over contaminatie heeft het hof in het dossier en meer specifiek de beschrijving van het uitgevoerde forensisch sporenonderzoek geen aanknopingspunten aangetroffen.

Het hof volgt de verdediging in diens stelling dat het precieze tijdstip van het ontstaan van de brand niet kan worden vastgesteld. Daar kan echter niet de betekenis aan worden gehecht die de verdediging daar kennelijk aan toegekend wenst te zien en staat niet in de weg aan de bewezenverklaring. Integendeel: het NFI noteert in het rapport dat de verbrande bank langer zal hebben gebrand dan 20 minuten, met een maximale brandduur van enkele uren. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan deze conclusie van het NFI.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de door de verdediging aangegeven contraindicaties voor het daderschap van verdachte niet maken dat verdachte niet als dader zou kunnen worden aangemerkt. Ook de overige daaromtrent door de raadslieden in hun pleidooi gemaakte opmerkingen kunnen niet tot deze conclusie leiden.

De raadsman heeft diverse kanttekeningen geplaatst bij verschillende onderdelen van de door het slachtoffer afgelegde verklaringen en de bruikbaarheid daarvan voor het bewijs. Zonder af te doen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer, zal het hof net als de rechtbank de verklaring van het slachtoffer over de nacht van 26 op 27 april 2020 niet voor het bewijs bezigen. Dit is niet ingegeven door de suggestie van de verdediging dat aangeefster belang zou hebben om in strijd met de waarheid over verdachte te verklaren om hem te belasten, maar is gelegen in de omstandigheid dat zij in betreffende nacht zwaargewond is geraakt, mede aan haar hoofd en hersenen, wat van invloed is geweest op haar geheugen. Daardoor is moeilijk vast te stellen welke waarde gehecht kan worden aan hetgeen zij zich denkt te herinneren van die nacht, ook omdat haar herinneringen mogelijk zijn beïnvloed door hetgeen zij achteraf heeft vernomen over de gebeurtenissen in de nacht van 26 op 27 april 2020. Het hof heeft gelet op deze omstandigheden de verklaringen van het slachtoffer voor zover deze zien op de voorgeschiedenis met verdachte, hun relatie en de (gewelddadige) gebeurtenissen daarbinnen, met de nodige behoedzaamheid beoordeeld, maar geen aanleiding gezien deze uit te sluiten van het bewijs, mede omdat deze substantieel en op cruciale onderdelen bevestiging vinden in verklaringen van andere getuigen.

Conclusie

Dit alles leidt tot de slotsom dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte gepoogd heeft om slachtoffer op 27 april 2020 opzettelijk van het leven te beroven door ernstig geweld op haar hoofd en/of lichaam uit te oefenen (feit 1 subsidiair).

Het hof acht daarnaast wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in de woning van slachtoffer, waardoor levensgevaar voor haar en anderen en gemeen gevaar voor goederen is veroorzaakt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. subsidiairhij in de periode omvattende de dagen 26 april 2020 en 27 april 2020 te [pleegplaats] , in een woning gelegen aan [adres] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer 2]

- met een voorwerp of anderszins tegen het hoofd en een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft geslagen en/of te gestompt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij in de periode omvattende de dagen 26 april 2020 en 27 april 2020 te [pleegplaats] , in een woning gelegen aan [adres] op meerdere plaatsen in die woning opzettelijk brand heeft gesticht door telkens in die woning op meerdere plaatsen een brandbare en/of vluchtige en/of brand versnellende middel en/of vloeistof te sprenkelen en/of uit te gieten en/of vervolgens telkens open vuur in aanraking te brengen met

- dat brandbare en/of vluchtige en/of brand versnellende middel en/of vloeistof en/of de goederen waarover dat brandbare en/of vluchtige en/of brand versnellende middel en/of vloeistof waren gesprenkeld en/of uitgegoten en/of

- een of meer andere goederen en/of inventaris en/of inboedel in die woning,

ten gevolge waarvan banken en een theedoek geheel of gedeeltelijk zijn verbrand,

en daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van die woning en/of de naastgelegen woning en/of de inventaris en inboedel van die naastgelegen woning, en

levensgevaar voor de in die woning aanwezige [slachtoffer 2] en haar dochter [slachtoffer 1] en de bewoners van de naastgelegen woning, te duchten was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen

Ernst van de feiten

Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de ernst van de feiten. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, gepleegd ten opzichte van een collega met wie hij enkele jaren een relatie heeft gehad. Hij is ’s nachts haar woning binnengedrongen en heeft haar meerdere malen met een voorwerp op haar hoofd geslagen waardoor zij ernstig schedel- en hersenletsel heeft opgelopen. Het is alleen aan adequaat medisch handelen en een spoedoperatie in het ziekenhuis te danken dat het slachtoffer in leven is gebleven. Alsof dat nog niet genoeg was, heeft verdachte brand gesticht in de woning door in ieder geval een theedoek en een zitbank in brand te steken. Door deze brand is levensgevaar ontstaan voor het slachtoffer, het driejarige dochtertje van het slachtoffer dat boven sliep en voor het gezin in de naastgelegen woning. Alle betrokkenen mogen zich gelukkig prijzen met het feit dat de buren tijdig gealarmeerd werden door de rook en de hulpdiensten inschakelden.

Voor wat betreft de ernst van de feiten verdient ook vermelding dat deze feiten veel nare emoties hebben teweeggebracht in de (lokale) samenleving.

De ernst van de feiten en de impact van deze misdrijven op het leven van de slachtoffers is ook duidelijk gemaakt tijdens het door het slachtoffer uitgeoefende spreekrecht. Daarin is onder meer ter sprake gekomen dat het slachtoffer als gevolg van hetgeen verdachte haar de nacht van 26 op 27 april 2020 heeft aangedaan, naast nog immer levende gevoelens van angst, pijn en verdriet, ook nog behept is – en naar zich laat aanzien: blijft – met fysieke schade voor wat betreft gehoor, reuk en smaak Het hof overweegt dat ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit weliswaar geen poging tot moord bewezen is verklaard, maar het hof is wel van oordeel dat sprake is van een zware vorm van een poging tot doodslag en dat sprake is van meerdere elementen die duiden op planmatig gedrag van verdachte. Er is sprake van een buitencategorie waarin extreem geweld is toegepast. Oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is dan ook zonder meer passend.

Verdachte heeft, wat het hof betreft: tegen beter weten in, geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Verdachte heeft op de zitting van het hof geen openheid van zaken gegeven over de tenlastegelegde feiten en geen enkele compassie betoond ten aanzien van het slachtoffer. Aldus bezien biedt de persoon van de verdachte geen enkel aanknopingspunt voor matiging van de op te leggen straf.

Voor de poging tot doodslag kan maximaal tien jaar gevangenisstraf worden opgelegd. Voor een brandstichting met levensgevaar voor personen geldt een strafmaximum van vijftien jaren. De verplichte toepassing van de samenloopbepalingen maakt dat de rechtbank verdachte kan veroordelen tot maximaal twintig jaren gevangenisstraf. Mede in het licht daarvan en bij gebrek aan strafverlagende factoren, ziet het hof geen redenen een gevangenisstraf van minder lange (of juiste langere) duur op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd, namelijk een gevangenisstraf van 13 jaren. Het hof is daarbij van oordeel dat een straf van deze duur recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het hof acht deze straf passend en geboden.

Geen Tbs-maatregel

Voorts is aan de orde de vraag of verdachte naast een gevangenisstraf ook de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) moet worden opgelegd. De advocaat-generaal heeft oplegging van een tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege gevorderd.

Het hof is van oordeel dat aan verdachte geen tbs-maatregel moet worden opgelegd en overweegt hierover als volgt.

Voor het opleggen van de tbs-maatregel, moet aan een aantal vereisten zijn voldaan, te weten:

er dient sprake te zijn van een tbs-waardig delict: een misdrijf waarop minimaal 4 jaren gevangenisstraf staat, of dat is genoemd in 37a lid 1 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr);

er dient sprake te zijn van een verdachte bij wie ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens;

de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel (gevaarscriterium).

Verdachte heeft niet mee willen werken aan het in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) uitgevoerde multidisciplinaire onderzoek. De observatie van verdachte heeft de deskundigen – in combinatie met de bestudeerde gerechtelijke stukken – geleid tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor een forse persoonlijkheidspathologie. Zo zijn er geen langer bestaande, duurzame problemen op meerdere levensgebieden. Betrokkene heeft sinds zijn 20e levensjaar een partner met wie hij vier kinderen heeft. Hij heeft een vaste baan, een koopwoning en voor zover bekend geen schulden. Wel zijn er aanwijzingen voor een meer neurotische persoonlijkheidsstructuur (nerveus gespannen, neiging tot controleren, perfectionisme) met een narcistische kleuring, waarbij verdachte gevoelig is voor kritiek en/of beschadiging van zijn imago. Er kan niet vastgesteld worden of deze kenmerken het niveau van een persoonlijkheidsstoornis halen. Over het algemeen spreekt dit een persoonlijkheidsstoornis in classificerende zin tegen. Een stoornis kan niet vastgesteld worden, derhalve konden de deskundigen van het PBC niet onderbouwen dat verdachtes gedragskeuzes en gedragingen door pathologie werden beïnvloed en zo ja, in welke mate. Ook kan, vanwege het ontbreken van vastgestelde psychopathologie, geen klinische uitspraak worden gedaan over een psychopathologisch bepaald recidiverisico. Toepassing van de HCR20V3, een risicotaxatie-instrument voor een inventarisatie van algemene riscofactoren op gewelddadig gedrag, levert daarmee hoogstens een statistische uitspraak op, waarvan onduidelijk is hoe zich dit verhoudt tot verdachtes individuele situatie. Ondanks bovengenoemde kanttekening kan gezegd worden dat verdachte laag scoort op de historische items, niet scoort op klinische items en laag scoort op risicohanteringsitems. Gezien de beperkingen van het PBC-onderzoek (de weigering van verdachte om mee te werken) onthouden de deskundigen van het PBC zich van een advies ter preventie van recidive. Evenmin is het mogelijk, vanwege het ontbreken van forensisch relevante gedragsbepalende factoren, om vanuit gedragskundig oogpunt een gefundeerde uitspraak te doen omtrent een eventuele noodzaak tot het aangaan van behandelinterventies om het recidiverisico te verlagen. Er kunnen derhalve ook geen onderbouwde uitspraken worden gedaan met betrekking tot de noodzaak van een (behandelingsgericht) juridisch kader.

Mede gelet op het voorgaande concludeert het hof dat verdachte weliswaar ernstige strafbare feiten heeft gepleegd, maar dat het hof niet kan vaststellen dat bij verdachte ten tijde van deze bewezenverklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Bovendien volgt uit het PBCrapport (en meer in het bijzonder de overwegingen van de deskundigen over het recidiverisico) niet dat – ter bescherming van de samenleving – een tbs-maatregel met dwangverpleging aangewezen is. Het hof is van oordeel dat volstaan kan worden met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een – hierna te bespreken – maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in art. 38z, eerste lid, Sr.

Gewijzigde VI-regeling

Het hof heeft acht geslagen op het verzoek van de verdediging om nadrukkelijk rekening te houden met de gevolgen van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen en de daarmee samenhangende wijziging van de regeling inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling per 1 juli 2021. Het hof overweegt als volgt. De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis oog gehad voor de gevolgen van de wijziging van de regelgeving met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidsstelling, maar heeft niet (willen) voorzien in een regeling van overgangsrecht. Het hof zal dan ook geen rekening houden met het inwerkingtreden van de Wet straffen en beschermen en het daarmee gepaard gaande later aanvangen van de voorwaardelijke invrijheidstelling, op de wijze zoals door de verdediging is verzocht. Gelet op de ernst van de feiten acht het hof, in aanmerking nemende de gewijzigde regelgeving, de op te leggen straf passend en geboden. Het hof merkt in dit kader nog op dat voormelde regeling ziet op de wijze van executie en niet op de strafoplegging als zodanig, terwijl ook onder het oude recht geen sprake was van een automatische verkorting van de werkelijke strafduur. Het verweer wordt verworpen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Beginselenwet , dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2: 10 Sv, aan de orde is.

Oplegging van maatregel langdurig toezicht ex artikel 38z Sr

Het hof zal een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in art. 38z, eerste lid, Sr opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte na afloop van het uitzitten van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf onder toezicht te stellen indien dat in verband met alsdan bestaande risico’s noodzakelijk is.

Ook in dit verband heeft het hof gelet op het PBC-rapport van 11 februari 2021. Verdachte heeft niet mee willen werken aan het in het Pieter Baan Centrum uitgevoerde multidisciplinaire onderzoek. Er zijn – zoals hierboven ook al aangegeven – aanwijzingen voor een meer neurotische persoonlijkheidsstructuur (nerveus gespannen, neiging tot controleren, perfectionisme) met een narcistische kleuring, waarbij verdachte gevoelig is voor kritiek en/of beschadiging van zijn imago. De deskundigen beschrijven dat het erop lijkt dat verdachte bij oplopende spanning een gevoel van controleverlies ervaart en dat de dwang bij hem toeneemt. Gedurende de opname in het PBC geeft verdachte er blijk van zijn agressie en impulsen op een adequate wijze te kunnen reguleren. Opmerkelijk zijn echter de momenten waarop de agressieve impulsen wel (plotseling) doorbreken, zoals uit de gerechtelijke stukken blijkt. Onderzoeker zou dit graag nader met verdachte hebben willen bespreken, teneinde te achterhalen wat op die momenten verdachtes drijfveren waren om zo anders te reageren als dat hij normaliter beschreven wordt (rustig, introvert, aardig), temeer daar hij op de afdeling geen problemen met de impuls- en/of agressieregulatie laat zien. Ook zouden de deskundigen met verdachte hebben willen spreken over de wijze waarop hij met relaties omgaat, wat hem heeft bewogen een buitenechtelijke relatie aan te gaan en langere tijd te behouden en zijn ambivalentie naar deze relatie, waarbij er sprake was van, zo is in het dossier te lezen, over en weer contact zoeken ondanks over en weer beschuldigingen van stalking. Het beeld dat verdachte volgens de deskundigen oproept uit observaties op de afdeling, de (zeer) korte contactmomenten en het dossier, doet denken aan een man, die bij oplopende spanningen hier vooral zelf last van heeft en wanneer hij controleverlies ervaart, deze probeert terug te krijgen. Hij lijkt het graag goed te willen doen en eventuele negatieve eigenschappen of gedragingen probeert hij weg te poetsen, hij trekt zich de opvatting van anderen enorm aan en is gevoelig voor beschadiging van zijn imago (narcistische kleuring, om het zelfgevoel goed te houden moet verdachte voorkomen dat men “fouten” van hem ziet; wanneer het zelfgevoel (extreem) bedreigd wordt zou "een narcistische woede-uitbarsting" kunnen voorkomen). Normaliter lijkt verdachte echter voldoende adaptieve vermogens te hebben om op verschillende levensgebieden goed te kunnen functioneren. De deskundigen zouden hebben willen onderzoeken hoe verdachte normaliter met oplopende spanningen omgaat en hoe verdachte omgaat met situaties die zijn zelfgevoel aantasten. Zonder eigenstandig onderzoek en afgaand op de beschikbare stukken en observaties op de afdeling zijn er mogelijk enige aanwijzingen voor persoonlijkheidstrekken, maar kan een persoonlijkheidsstoornis niet vastgesteld worden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zware vorm van een poging tot doodslag en brandstichting waarbij sprake was van levensgevaar voor meerdere mensen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat voorafgaand aan deze bewezenverklaarde feiten reeds sprake was van meerdere geweldsincidenten aangaande het slachtoffer en (in één geval ook) haar dochtertje. Het hof stelt vast dat een toename is te zien in het tegen het slachtoffer toegepaste geweld, met een ultieme uitbarsting van geweld en doorbreking van agressieve impulsen bij het plegen van de bewezenverklaarde delicten tegen (onder andere) het slachtoffer. Gezien de impact van de bewezenverklaarde feiten op het slachtoffer, haar dochtertje en de directe buren, is de oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen. Hierbij betrekt het hof ook dat verdachte de bewezenverklaarde feiten ontkent en dat het hierdoor, evenals zijn weigering om mee te werken aan het PBC-onderzoek, voor het PBC niet mogelijk was om het recidiverisico in te schatten. Bij een nieuw deskundigenrapport zal dat niet anders zijn, nu verdachte ook nu nog volhardt in zijn ontkenning. Het hof zal daarom zelf een inschatting maken van het toekomstig recidiverisico. Alles afwegend is het hof van oordeel dat ook het toekomstig recidiverisico als reëel moet worden ingeschat.

Gelet hierop acht het hof het in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen noodzakelijk om – wanneer verdachte niet meer gedetineerd zit – de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel uit artikel 38z, eerste lid, Sr is voldaan. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en opzettelijke brandstichting met levensgevaar tot gevolg en daarmee misdrijven gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Ter zake van deze feiten wordt verdachte en onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden. Daartoe zal een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend reclasseringsrapport moeten worden overgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep deels toegewezen tot een bedrag van € 46.897,23. In hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering gewijzigd en een totaalbedrag gevorderd van € 56.996,98, bestaande uit € 14.496,98 aan materiële schade en € 47.500,- aan immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De schade komt voor vergoeding in aanmerking, voor zover die betrekking heeft op de volgende schadeposten:

- ziekenhuis daggeldvergoeding en revalidatieopname € 1.335,-

- eigen risico 2020 (inclusief incassokosten) € 400,-

- reiskosten slachtoffer € 544,44

- reiskosten ten behoeve van het slachtoffer € 1.261,52

- kosten extra kinderopvang ziekenhuisopname € 274,05

- kosten medisch advies € 1.068,33

- verlies aan verdienvermogen t/m oktober 2021 € 1.707,34

- gezondheidsverklaring CBR € 37,80

- medisch budget (eigen risico en gehoorapparaat) € 7.713,- +

totaal € 14.341,48

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Anders dan de verdediging acht het hof de toekomstige kosten voor het gehoorapparaat voldoende onderbouwd met de door de benadeelde partij overgelegde medische stukken en stukken omtrent de kosten daarvan.

Het hof acht de gevorderde kosten zonder nut in de vorm van het televisieabonnement in een te ver verwijderd verband staan met de gepleegde misdrijven om als rechtstreeks geleden schade aan te merken. De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het hof waardeert daarnaast de immateriële schade in navolging op de vordering van de benadeelde partij en de rechtbank op € 47.500,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof heeft de omvang op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) naar maatstaven van billijkheid geschat, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de aantasting in de persoon en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Het hof heeft daarbij ook gelet op uitspraken die door andere rechters zijn gedaan. Daarbij is in het bijzonder gelet op de wijze waarop verdachte heeft geprobeerd het leven van de benadeelde partij te beëindigen. Die is zeer gewelddadig geweest. Vastgesteld wordt dat het onrechtmatige handelen van verdachte zeer diep heeft ingegrepen in het leven van de benadeelde partij. De benadeelde partij is als gevolg van het handelen van verdachte ernstig gewond geraakt. De benadeelde partij heeft blijvend lichamelijk letsel in de vorm van gehoorverlies, reukverlies en smaakverlies. Daarnaast is sprake van blijvende hinder door cognitieve klachten en een verminderd energieniveau. Het hof volgt de verdediging niet in het verweer dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag aan immateriële schade niet billijk is, nu geen sprake is van een medische eindsituatie en verbetering nog tot de mogelijkheden behoort. Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding, en meer specifiek het uitgebrachte medische advies, volgt immers dat er rekening mee moet worden gehouden dat de situatie zal verslechteren. Het hof verwerpt dit verweer van de verdediging.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Wat betreft de gevorderde reiskosten voor het bijwonen van de zittingen merkt het hof op dat deze niet aan te merken zijn als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv . Daarom dienen de benadeelde partij in haar vordering niet- ontvankelijk te worden verklaard.

Voor zover de benadeelde partij deze kosten (ook) heeft willen opvoeren als proceskosten overweegt het hof het volgende.

Vooropgesteld wordt dat volgens de Hoge Raad een redelijke wetsuitleg van artikel 592a Sv (thans artikel 532 Sv) meebrengt dat bij de begroting van de (proces)kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures (vgl. o.a. ECLI:NL:HR:2019:87). Die maatstaf wordt in civiele procedures ontleend aan de artikelen 237 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, Rv komen reis-, verlet- en verblijfkosten van de partij die aanspraak heeft op proceskostenvergoeding alleen voor vergoeding in aanmerking indien in persoon mag worden geprocedeerd en ook daadwerkelijk in persoon wordt geprocedeerd. Het hof stelt vast dat in de onderhavige voegingsprocedure de benadeelde partij met behulp van een gemachtigde heeft geprocedeerd. De gevorderde kosten die verband houden met het bijwonen van de zitting komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Nu de gevorderde reiskosten moeten worden aangemerkt als proceskosten in de zin van artikel 532 Sv kunnen deze kosten niet in aanmerking worden genomen bij de oplegging van de in artikel 36f, eerste lid, Sr voorziene schadevergoedingsmaatregel (vgl. ECLI:NL:HR:2018:905).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 1.231,43, bestaande uit € 481,43 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Door de verdediging is de schade niet betwist en het gevraagde bedrag komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond over. Het gevorderde bedrag van € 1.231,43 bestaande uit € 481,43 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, zal dan ook worden toegewezen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38 z, 45, 57, 157 en 287 Sr.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Wetboek van Strafrecht .

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 61.841,48 (eenenzestigduizend achthonderdeenenveertig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 14.341,48 (veertienduizend driehonderdeenenveertig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 47.500,- (zevenenveertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 61.841,48 (eenenzestigduizend achthonderdeenenveertig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 14.341,48 (veertienduizend driehonderdeenenveertig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 47.500,- (zevenenveertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 324 (driehonderdvierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 april 2020.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.231,43 (duizend tweehonderdeenendertig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 481,43 (vierhonderdeenentachtig euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.231,43 (duizend tweehonderdeenendertig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 481,43 (vierhonderdeenentachtig euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 22 (tweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 april 2020.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. M.B. de Wit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,

en op 30 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s die zijn opgenomen als bijlagen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 26 november 2020, genummerd [nummer] en [nummer] , onderzoek [onderzoeksnaam] , opgemaakt door politie Noord-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 2295. Tenzij anders vermeld zijn dit processen-verbaal opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Pagina 2187 e.v. (map 12).

Pagina 2191 e.v. (map 12).

Direct gelegen naast de woning van het slachtoffer ( [adres] in [pleegplaats] ). De woningen van het slachtoffer en de familie [getuige 3 en 4] zijn via de garages met elkaar geschakeld.

Pagina 2029 e.v. (map 12).

Pagina 2034 e.v. (map 12).

Pagina 2015 e.v. (map 11).

Pagina 534 e.v. (map 4).

Pagina 536 e.v. (map 4).

Pagina 2084 e.v. (map 12).

Een PID meter meet Vluchtige Organische Componenten (VOC) in lage concentraties ppm (parts per million)of ppb (part per billion). VOC’s komen onder andere voor in (vloei)stoffen die geschikt zijn om te worden gebruikt als brandversnellend middel. Pagina 770 (map 6).

Pagina 769 e.v. (map 6).

NFI-rapport d.d. 26 mei 2020, opgemaakt en ondertekend door NIF-deskundige ing . [deskundige 1] , pagina 1091 e.v. (map7).

NFI-rapport d.d. 23 maart 2021, opgemaakt en ondertekend door ing. [deskundige 2] , als afzonderlijk stuk in het dossier opgenomen.

Pagina 2015 e.v. (map 11).

Forensisch Geneeskundig Letselverslag met betrekking tot [slachtoffer 2] d.d. 6 januari 2020, opgemaakt en ondertekend door [arts] , forensisch arts FMG bij GGD [provincie] .

Pagina 540 (map 4).

Forensisch Geneeskundig Letselverslag met betrekking tot [slachtoffer 2] d.d. 6 januari 2020, opgemaakt en ondertekend door [arts] , forensisch arts FMG bij GGD [provincie] .

Forensisch Geneeskundig Letselverslag met betrekking tot [slachtoffer 1] d.d. 17 december 2020, opgemaakt en ondertekend door [arts] , forensisch arts FMG bij GGD [provincie] .

Pagina 785 e.v. (map 6).

Pagina 806 e.v. (map 6).

Pagina 849 e.v. (map 6).

Pagina 560 e.v. (map 4).

Pagina 108 (map 2).

Pagina 573 e.v. (map 4).

Pagina 2049 e.v. (map 12).

Een aanvullend proces-verbaal van politie i.v.m. onderzoek Iphone aangeefster d.d. 12 januari 2021, genummerd [nummer] en [nummer] , onderzoek [onderzoeksnaam] , pagina 2296 e.v. en pagina 2307 t/m 2328.

Pagina 1138 e.v. (map 8).

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 29 maart 2021.

Pagina 105 e.v. (map 2). Pagina 288 e.v. (map 3).

Pagina 298 (map 3).

Pagina 585 e.v. (map 4).

Pagina 582 e.v. (map 4).

Pagina 295 (map 3).

Pagina 320 (map 3).

Pagina 2048 (map 12).

Pagina 2167 e.v. (map 12).

Pagina 2058 (map 12).

Pagina 1138 e.v. (map 8).

Pagina 1144 e.v. (map 8).

Pagina 481 (map 4).

Pagina 1336 (map 9).

Pagina 1466 e.v. (map 9).

Pagina 1146 e.v. (map 8).

Pagina 846 e.v. (map 6).

NFI-rapport d.d. 8 juni 2020, opgemaakt en ondertekend door NIF-deskundige ing. [deskundige 3] , pagina 1097 e.v. (map 7).

Een schriftelijk stuk, te weten een mutatierapport d.d. 8 november 2019 van de politie NoordNederland, District [district] , pagina 1912 e.v. (map 11).

Een schriftelijk stuk, te weten een mutatierapport d.d. 14 november 2019 van de politie NoordNederland, District [district] , pagina 1918 e.v. (map 11).

Een schriftelijk stuk, te weten een mutatierapport d.d. 30 december 2019 van de politie NoordNederland, District [district] , pagina 1920 e.v. (map 11).

Pagina 557 e.v. (map 4).

Pagina 711 e.v. (map 5).

Pagina 2044 e.v. (map 12).

Pagina 2024 e.v. (map 12).

Pagina 2159 e.v. (map 12).

Pagina 2260 e.v. (map 13).

Pagina 2265 e.v. (map 13).

Pagina 2180 e.v. (map 12).

Pagina 2103 e.v. (map 12).

Pagina 2122 e.v. (map 12).

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 29 maart 2021.

Pagina 172 e.v. (map 2).

Pagina 176 e.v. (map 2).

Pagina 1595 (map 10).

Pagina 128 (map 2).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature