< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Aansprakelijkheid hogeschool voor studievertraging?

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.274.813

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 316150)

arrest van 12 oktober 2021

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

2. [appellante] ,

wonende te [woonplaats2] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

advocaat: mr. R.J.C. Bindels,

tegen:

de stichting

Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de HAN,

advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels.

Appellant sub 1 zal hierna [appellant] , appellante sub 2 [appellante] en geïntimeerden gezamenlijk zullen appellanten worden genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 mei 2021 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het H12-formulier aan de zijde van appellanten, waarbij productie 13 in het geding is

gebracht;

- het proces-verbaal van de zitting van 5 juli 2021;

- de spreekaantekeningen van mr. R.J.C. Bindels en van mr. J.M.H.W. Bindels;

- de brief van 2 augustus 2021 van mr, J.M.H.W. Bindels met daarin enkele opmerkingen

naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken (aanvullend) voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.11 (behoudens de – in dit hoger beroep niet relevante – rechtsoverweging 3.9) van het (bestreden) vonnis van 4 juli 2018.

2.2

Voor de leesbaarheid van dit arrest zal het hof de brief die de HAN in juni 2012 aan de aankomend studenten van de bachelor Medisch Hulpverlener (hierna: BMH) van dat jaar heeft gestuurd hier nogmaals weergeven:

“Beste student,

Via Studielink heb jij je aangemeld voor de opleiding Medisch Hulpverlener aan de Hogeschool van

Arnhem en Nijmegen (HAN). Deze opleiding heeft een numerus fixus van 75 die door middel van cen-

trale loting wordt toegewezen. Deze loting vindt binnen enkele weken plaats en dan hoor je of je bent

toegelaten tot deze opleiding.

Wellicht heb je de Open Dag van de HAN bijgewoond alvorens je de keuze maakte voor de opleiding

Medisch Hulpverlener. Tijdens de Open Dag hebben we onder andere uitleg gegeven over de inhoud

van de opleiding. Omdat het gaat om een opleiding die pas twee jaar bestaat hebben we ook aange-

geven dat er een aantal onzekerheden is, passend bij een startende opleiding.

Reeds twee jaargroepen studenten volgen ondertussen met veel enthousiasme de opleiding. Een

onzekere factor is momenteel het aantal beschikbare stageplaatsen. Dat is op dit moment nog onvol-

doende maar daar werken wij samen met het werkveld hard aan en gelukkig komen er wekelijks sta-

geplaatsen bij. Op zich is het gebrek aan stageplaatsen een normaal verschijnsel bij een beginnende

opleiding omdat het werkveld, dat uitdrukkelijk om deze opleiding heeft gevraagd, desondanks toch

nog moet wennen aan professionals die op een andere manier worden opgeleid dan voorheen.

Meestal lost dit zich binnen een paar jaar vanzelf op. Maar wij vinden het belangrijk om je dit nog-

maals onder de aandacht te brengen. Daarnaast wordt er samen met het Ministerie ook nog druk ge-

werkt aan de wettelijke inbedding (BIG wet) die met name voor de ambulancedienst van wezenlijk

belang is.

Wij zullen degenen die zijn ingeloot hierover uitgebreid informeren in een studiestartgesprek, aan het

begin van het studiejaar op maandag 20 augustus of dinsdag 21 augustus; dat is in de week van de

introductie. De ingelote studenten ontvangen hierover nog nadere informatie in het informatiepakket.

Mocht je naar aanleiding van deze brief vragen hebben die niet kunnen wachten tot 20 augustus dan

kun je telefonisch contact opnemen (…)”

2.3

Daarnaast gaat het hof uit van de navolgende feiten:

a. Op 25 juni 2012 heeft de HAN aan de zittende BMH-studenten de volgende brief gestuurd:

“Beste studenten,

De afgelopen maanden hebben wij verschillende keren met jullie gesproken over de stand van zaken met betrekking tot de stages. Jullie ontvangen deze brief om je te informeren over de voortgang.

Stageplekken in het werkveld

We hebben jullie laten weten dat het niet gemakkelijk is om aan voldoende stageplaatsen te komen. Daar zijn verschillende redenen voor. Belangrijkste is dat het werkveld nog moet wennen aan deze nieuwe opleiding en nog geen ervaring heeft met afgestudeerden van de opleiding. Hierdoor is het voor het werkveld nog niet voldoende duidelijk wat de Medisch Hulpverlener gaat betekenen in de zorg en hoe deze past binnen de bestaande teams.

Wij twijfelen overigens geen moment aan de belangrijke bijdrage die de Medisch Hulpverlener gaat

leveren aan de gezondheidszorg en zijn overtuigd van de toegevoegde waarde nu en in de toekomst.

Wij bemerken dat het werkveld ook aarzelingen heeft om daadwerkelijk stageplaatsen aan te bieden

vanwege o.a. de onduidelijkheid of het beroep Medisch Hulpverlener uiteindelijk ondergebracht gaat

worden in de wet BIG. Met name vanuit de ambulancezorg, die een groot voorstander is van deze nieuwe opleiding, wordt aangegeven dat zij weinig of geen stageplaatsen voor de differentiatie kunnen bieden zolang er geen duidelijkheid is over de juridische inbedding na het afstuderen.

Wij hebben begrip voor het feit dat een nieuwe opleiding vragen oproept en het werkveld een

afwachtende houding aanneemt. Om die reden werken wij nauw samen met het werkveld. Wij hebben

vanaf de start van de opleiding intensief overleg met het Ministerie van VWS en trekken hierbij samen op met het werkveld. Om het Ministerie van VWS te overtuigen van de noodzaak om de BIG wet aan te

passen, is het noodzakelijk dat het werkveld de Minister vraagt dit te regelen. Het aanpassen van de BIG wet is een langdurig traject. Als voorbeeld kunnen we de vergelijking trekken met de Masteropleiding Physician Assistant waarbij dit traject tot ruim 5 jaar na diplomering van de eerste studenten heeft geduurd.

Zo vlak voor het nieuwe studiejaar hebben wij de balans opgemaakt voor wat betreft het stageaanbod.

Het concrete stageaanbod per september 2012:

1e jaars: 13 plaatsen voor de 4 daagse oriëntatiestage (nodig: 75 plaatsen)

2e jaars: 33 plaatsen voor de 5 weekse stage (nodig: 2 x 80 =160 plaatsen)

3e jaars: 6 stageplaatsen in het 1e semester voor de differentiatiestage van 20 weken en 7 stageplaatsen in het 2e semester (nodig: 35 plaatsen).

Kwaliteit is doorslaggevend

Hoewel wij ons niet aflatende best doen om stageplaatsen te verkrijgen is het duidelijk dat het ons niet

gaat lukken om tijdig de benodigde stageplaatsen vast te leggen. Wij kunnen en willen echter geen

concessie doen aan de kwaliteit van de opleiding.

Wat betekent dat voor jou?

Voor jullie die nu in het 1e of 2e jaar van de opleiding zitten blijven wij het geplande onderwijs aanbieden, echter zonder de garantie op een stageplaats. Wanneer het ons niet lukt om stageplaatsen te regelen kan dat mogelijk gevolgen hebben voor je studieduur. Voor diegenen die dit risico op verlenging niet willen lopen, willen wij je wijzen op het volgende.

Wij stellen jullie in de gelegenheid om met ingang van het komend studiejaar over te stappen naar de

HBOV. Wij realiseren ons dat je destijds bewust niet hebt gekozen voor de HBOV. We willen je dit in

overweging geven omdat je via die route alsnog kunt gaan werken op de spoedeisende hulp of

ambulance. In de bijlage zie je hoe een eventuele overstap naar de HBOV er voor jou uit gaat zien en

hoelang de opleiding dan nog duurt. (…)”

b. In het ‘“Position Paper” Bachelor Medische Hulpverlening, Urgentie en noodzaak van een wettelijke regeling’ van het Landelijk Platform Bacheloropleiding Medische Hulpverlening van juni 2014 wordt opgemerkt:

“(…)

3.2

Typering van het beroep

De medisch hulpverlener is een beroep dat competenties van onder andere de hierboven

genoemde functies integreert. Beroepsbeoefenaren zijn ondersteunend in het geneeskundige

proces. De kern van het beroep is dat de medisch hulpverlener als zorgverlener de anamnese

en het lichamelijk onderzoek uitvoert, diagnostisch onderzoek verricht, de gezondheids-

toestand van de patiënt bewaakt en zo nodig life support biedt aan patiënten in situaties van

diagnostiek, interventie en acute zorg. Daarbij is in toenemende mate sprake van voorbe-

houden handelingen, zoals:

- Toedienen van injecties (subcutaan, intramusculair en intraveneus);

- Katheteriseren van de blaas bij volwassenen alsmede het inbrengen van een

maagsonde of een infuus;

- Verrichten van een venapunctie;

- Toepassen van electieve cardioversie;

- Toepassen van defibrillatie;

- In- en extuberen van de luchtpijp met een orale of nasale tube;

- Toepassen van een drainagepunctie bij een spanningspneumothorax;

- Verrichten van een coniotomie, (Landelijk Praktijkboek Stagecurriculum, 2014).

Het gaat daarbij vaak om situaties waarin direct toezicht en tussenkomst van een arts niet

mogelijk is en de medisch hulpverlener dus functioneel zelfstandig bevoegd dient te zijn

(indiceren en behandelen). Dat geldt uiteraard voorde medisch hulpverlener ambulancezorg,

maar ook op andere terreinen is dat in toenemende mate het geval. Dit illustreren we aan de

hand van drie voorbeelden uit de huidige praktijk waar de bachelor medisch hulpverlener kan

worden ingezet.

Een medisch hulpverlener ambulancezorg die bij een ongeval eerste hulp verleent aan

een patiënt met circulatiestilstand dient bijvoorbeeld de eerste opvang te doen en de behan-

deling te starten. Die behandeling kan onder andere defibrillatie en het toedienen van veelal

intraveneuze medicatie inhouden, daarin ondersteund door het Landelijk Protocol Ambulance-

zorg.(…)

4 Huidige situatie

(…)

De eerste lichting BMH-studenten studeert dit jaar af. Het gebrek aan voldoende stageplaatsen

vormt momenteel een serieuze belemmering voor de afronding van hun studie. Doordat de

juiste wettelijke regeling van hun bevoegdheden ontbreekt, is op korte termijn de uitstroom

richting de ambulancezorg een bijkomende belemmering. De Inspectie voor de Gezondheids-

zorg kan immers zonder juridische regeling geen BMH-ers op de ambulance toestaan. Uitein-

delijk geldt dit voor alle BMH-studenten: zonder wettelijke regeling dreigen ze startbekwaam

en gemotiveerd, maar aan handen en voeten gebonden op de arbeidsmarkt te verschijnen.

(…)

6 Samenvatting

(…)

Komt er geen wettelijke regeling, dan betekent dit een belemmering van de doorgroei van het

beroep, maar ook een belemmering op het gebied van de veiligheid van de (individuele)

volksgezondheid. Bovendien stoppen de opleidingen op korte termijn het uitstroomprofiel

ambulancezorg en verschijnen tientallen opgeleide jongeren met een maatschappelijk

waardeloos diploma op de arbeidsmarkt. Op de langere termijn betekent het waarschijnlijk

ook het einde van dit harmonisatie-initiatief voor de beroepen- en opleidingsstructuur in de

zorg.(…)”.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. Appellanten hebben in de inleidende dagvaarding gesteld dat de kern van het debat eruit bestaat dat studenten die aan de HAN de BMH hebben gevolgd of nog volgen, (enorme) studievertraging oplopen, worden geconfronteerd “met een maatschappelijk waardeloos diploma” (waarbij zij verwijzen naar het in r.o. 2.3 onder b vermelde “Position Paper”) en voor deze studenten bovendien (als gevolg van het ontbreken van de BIG-accreditatie) geen (passende) plek op de arbeidsmarkt aanwezig is.

Appellanten stellen dat de HAN - op grond van wanprestatie, misleiding (bedrog annex dwaling), alsmede onrechtmatig handelen - aansprakelijk is voor de schade die studenten hierdoor hebben geleden en nog zullen lijden.

3.2

[appellant] is in 2012 met de opleiding BMH begonnen, waarbij hij heeft gekozen voor de differentiatie Spoedeisende Hulp. Hij stelt dat hij door een tekort aan stageplaatsen noodgedwongen en op advies van de HAN is overgestapt naar het verkorte traject van 2,5 jaar HBO-Verpleegkunde.

[appellante] is in 2010 begonnen met de opleiding BMH, waarbij zij heeft gekozen voor de differentiatie Ambulance. [appellante] stelt dat zij na afronding van de opleiding BMH niet BIG-geregistreerd was en daarom noodgedwongen en op dringend advies van de HAN (eveneens) is overgestapt naar het verkorte traject van 2,5 jaar HBO-Verpleegkunde. Daardoor kon [appellante] wel een BIG-registratie verkrijgen.

Appellanten stellen dat de door hen gemaakte noodzakelijke overstap naar de verkorte HBO-V-opleiding voor hen beiden een studievertraging van 2,5 jaar tot gevolg heeft gehad, mogelijk voor [appellant] van 3 jaar. De schade door deze studievertraging van 2,5 dan wel 3 jaar wordt conform de Letselschaderichtlijn Studievertraging begroten zij op € 49.505,-- respectievelijk op € 59.406,--.

3.3

Appellanten hebben op deze gronden in eerste aanleg - samengevat - gevorderd:

I. een verklaring voor recht dat de HAN onzorgvuldig jegens BMH-studenten heeft gehandeld;

II. veroordeling van de HAN tot betaling van een voorschot op schadevergoeding aan [appellante] van € 49.505,- en een voorschot op schadevergoeding aan [appellant] van

€ 59.406,-, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van de algehele betaling;

III. veroordeling van de HAN in de buitengerechtelijke incassokosten,

met veroordeling van de HAN in de proceskosten.

3.4

De rechtbank heeft bij vonnis van 27 november 2019 de vorderingen van appellanten afgewezen. De rechtbank heeft aan haar oordeel het volgende ten grondslag gelegd.

3.5

Zij heeft, kort weergegeven, overwogen dat van een redelijk handelende en redelijk bekwame onderwijsinstelling verwacht mag worden dat de door haar aangeboden opleidingen zo worden ingericht dat deze in beginsel afgerond kunnen worden in de aangekondigde nominale duur, die in het geval van de BMH vier jaar beliep. De rechtbank constateert dat gedurende de eerste twee studiejaren van het eerste cohort BMH-studenten is gebleken dat de medische sector onvoldoende stageplaatsen aanbood, zodat het voor een aanzienlijk deel van de studenten niet mogelijk was om (tijdig) een stageplek te vinden, waardoor de voortgang van de studie stokte en het voor hen niet mogelijk was om de BMH-opleiding in vier jaar af te ronden. De rechtbank is van oordeel dat het tekort aan stageplaatsen voor een belangrijk deel zijn oorzaak vindt in van te voren voorzienbare omstandigheden als het ontbreken van een BIG-inbedding, de onbekendheid met de nieuwe opleiding en een ongunstige financiering. Nu het voorzienbare risico op een tekort aan stageplaatsen zich heeft verwezenlijkt betekent dit volgens de rechtbank dat de HAN in beginsel is tekortgeschoten in de zorgplicht jegens haar studenten, zodat zij in beginsel voor de bij hen door het tekort aan stageplaatsen ontstane schade aansprakelijk is.

Daaraan doet volgens de rechtbank niet af dat de HAN zich heeft ingespannen om de verhouding tussen vraag en aanbod te verbeteren, door (onder meer) voor een deel van de stages alternatieven aan te bieden en er voorts bij het ministerie van VWS erop aan te dringen dat de inbedding in de wet BIG vorm zou krijgen (hetgeen heeft geresulteerd in het op 1 mei 2017 in werking getreden besluit, op grond waarvan de BMH’er in het kader van artikel 36a wet BIG van af toen tijdelijk de zelfstandige bevoegdheid is toegekend om (bepaalde aangewezen) voorbehouden handelingen te verrichten).

Het oordeel (dat de HAN in beginsel aansprakelijk is) komt volgens de rechtbank slechts anders te luiden voor zover de HAN stelt en zo nodig bewijst dat zij haar potentiële studenten tijdig, dat wil zeggen op het moment dat zij nog zonder nadeel te ondervinden andere vergelijkbare keuzes konden maken, dus in ieder geval vóór aanvang van de studie, op een moment dat zij nog zonder vertraging konden starten met een alternatieve opleiding als HBO-V, op de hoogte heeft gebracht van de risico’s op het niet vinden van genoeg stageplaatsen, maar ook van de mogelijke gevolgen daarvan voor het verloop en de studeerbaarheid van de studie. De HAN had de studenten te voren duidelijk moeten inlichten dat zij een risico liepen dat zij de BMH-opleiding niet in de daarvoor bedoelde tijd zouden kunnen afronden. Indien de HAN haar studenten duidelijk op deze risico’s had gewezen kan haar niet worden tegengeworpen dat deze zich verwezenlijkt hebben, althans voor zover zij zich bovendien voldoende heeft ingespannen om de nadelige gevolgen zo beperkt mogelijk te houden, wat de HAN volgens de rechtbank heeft gedaan.

3.6

De rechtbank heeft de HAN vervolgens in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat zij [appellant] , voordat hij tot de studie werd toegelaten, heeft geïnformeerd over het risico op studievertraging door gebrek aan stageplaatsen. De brief van juni 2012 achtte de rechtbank onvoldoende om dit bewijs voorshands geleverd te achten.

Na bewijslevering (onder meer door middel van getuigen) heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat de HAN “voldoende heeft voldaan aan haar, in dit verband op grond van de zorgplicht geboden, verplichting de studenten van het studiejaar van [appellant] te informeren”. Dat [appellant] mogelijk minder goed geïnformeerd was dan andere studenten van de BMH-opleiding, doordat hij geen open dag heeft gevolgd, onvoldoende acht heeft geslagen op de hem verstuurde brieven en/of ondanks die brieven van juni en juli 2012 geen nadere informatie over de stageproblematiek heeft ingewonnen op de website, bij het informatienummer, in een aangeboden gesprek of tijdens het startgesprek, kan de HAN volgens de rechtbank niet worden aangerekend. Op deze gronden heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen.

3.7

Ten aanzien van [appellante] heeft de rechtbank overwogen dat zij wel stageplekken heeft gevonden en de studie zonder vertraging heeft doorlopen. Voor zover de HAN [appellante] onvoldoende zou hebben geïnformeerd over het gebrek aan stageplaatsen en het risico van studievertraging, heeft dit risico zich in haar geval niet verwezenlijkt en heeft zij daardoor geen schade geleden.

Vervolgens overweegt de rechtbank: “Voor zover de studenten aan hun vorderingen mede ten grondslag hebben gelegd dat de HAN verweten kan worden dat de BMH-opleiding na voltooiing, gelet op het toen ontbreken van een aan de positie van verpleegkundigen gelijkwaardige “inbedding” in het BIG-systeem, te weinig arbeidsmarktperspectief bood, hebben zij deze grondslag bij de mondelinge behandeling laten vallen; expliciet is aangevoerd dat de studenten geen klachten hebben over hun arbeidsperspectief.”

Van dwaling op dit punt is volgens de rechtbank ook geen sprake nu niet gesteld is dat het arbeidsperspectief onvoldoende was en niet is betwist dat ook werk op HBO-niveau beschikbaar was, ook in het vakgebied van medisch hulpverlener.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat de HAN de studenten, onder wie [appellante] , de toezegging heeft gedaan dat het beroep van medisch hulpverlener na afronding van de opleiding zou zijn “ingebed” in het BIG-systeem.

Op deze gronden heeft de rechtbank de vordering van [appellante] afgewezen.

3.8

[appellant] en [appellante] kunnen zich niet vinden in de bestreden vonnissen en hebben daartegen afzonderlijk grieven aangevoerd. Gelet daarop zal het hof hun hoger beroepen afzonderlijk behandelen, te beginnen met het hoger beroep van [appellant] .

Het hoger beroep van [appellant] (de grieven IX tot en met XII)

3.9

Voordat het hof de grieven van [appellant] zal bespreken overweegt het nu alvast het volgende. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank (en de daaraan ten grondslag liggen de overwegingen) dat:

i) de HAN in beginsel is tekortgeschoten in de zorgplicht jegens haar studenten, zodat zij in beginsel voor de bij hen door het tekort aan stageplaatsen ontstane schade aansprakelijk is en

ii) dat dit slechts anders is als de HAN stelt en zo nodig bewijst dat zij haar potentiële studenten tijdig op de hoogte heeft gebracht van de risico’s op het niet vinden van genoeg stageplaatsen, maar ook van de mogelijke gevolgen daarvan voor het verloop en de studeerbaarheid van de studie.

Het hof neemt deze overwegingen en oordelen over en maakt deze tot de zijne.

3.10

De rechtbank heeft geoordeeld dat de HAN [appellant] voordat hij tot de studie werd toegelaten voldoende heeft geïnformeerd over het risico op studievertraging door gebrek aan stageplaatsen. Tegen dit laatste oordeel van de rechtbank richten zich de grieven IX tot en met XI.

Deze grieven treffen doel. Het hof baseert zijn oordeel op het volgende.

3.11

Uit de stukken blijkt dat er slechts één schriftelijk stuk is dat de HAN persoonlijk (per mail ) aan alle aankomende studenten heeft gestuurd en waarin melding wordt gemaakt van een tekort aan stages. Dat is de brief van juni 2012, die hiervoor in r.o. 2.2 is geciteerd.

[appellant] heeft weliswaar als getuige verklaard dat hij bij zijn weten de brief van juni 2012 niet heeft ontvangen, maar nu de HAN onbetwist heeft gesteld dat zij deze brief aan alle aankomend studenten heeft gestuurd (via hetzelfde kanaal als alle andere berichten over de inschrijving) en dat in het introductiepakket in een andere brief nog naar de brief van juni 2012 wordt verwezen, moet worden aan genomen dat [appellant] kennis heeft gehad, dan wel kennis heeft kunnen nemen van de “junibrief”. Het hof zal de brief daarom wel betrekken bij zijn oordeel of de HAN [appellant] voldoende heeft geïnformeerd.

3.12

Het hof is van oordeel dat in de brief van juni 2012, hiervoor geciteerd in r.o. 2.2, niet duidelijk wordt gewaarschuwd voor het risico op studievertraging. Enerzijds wordt in de brief gezegd: “Een onzekere factor is momenteel het aantal beschikbare stageplaatsen. Dat is op dit moment nog onvoldoende (…)”, maar daar wordt direct aan toegevoegd : “maar daar werken wij samen met het werkveld hard aan en gelukkig komen er wekelijks stageplaatsen bij. Op zich is het gebrek aan stageplaatsen een normaal verschijnsel bij een beginnende opleiding omdat het werkveld, dat uitdrukkelijk om de opleiding heeft gevraagd, desondanks nog moet wennen aan professionals die op een andere manier worden opgeleid dan voorheen. Meestal lost dit zich binnen een paar jaar vanzelf op. Maar wij vinden het belangrijk om je dit nogmaals onder de aandacht te brengen.”

Er wordt dus wel op gewezen dat er op dit moment nog onvoldoende stageplaatsen zijn, maar door het gebruik van “nog” en de geruststellende opmerking dat er hard aan wordt gewerkt, dat het een normaal verschijnsel is bij een beginnende opleiding en dat dit zich meestal binnen een paar jaar vanzelf oplost, wordt een beginnend student, die pas in het derde jaar een echt lange stage moet lopen, niet direct gealarmeerd. En hij hoeft zeker niet te begrijpen dat hij de kans liep, zoals [appellant] overkwam, dat er pas op zijn vroegst in het najaar van 2017 een stageplek beschikbaar zou zijn.

Wat de inbedding van het beroep van medisch hulpverlener in de wet BIG betreft, wordt in de brief vermeld: “Daarnaast wordt er samen met het Ministerie ook nog druk gewerkt aan de wettelijke inbedding (BIG wet) die met name voor de ambulancedienst van wezenlijk belang is.” Ook deze opmerking geeft niet de indruk dat er op dat punt grote problemen te verwachten zijn.

3.13

Dat de HAN de situatie in juni 2021 - zowel wat het aantal stageplekken als wat de inbedding in de wet BIG betreft - wel zorgelijk vond, blijkt uit de brief die de HAN in diezelfde junimaand aan de zittende studenten stuurde, hiervoor geciteerd in r.o. 2.3 onder a. In deze brief staat vermeld hoe groot het stageaanbod is per september 2012. Daaruit blijkt dat er voor de aankomend eerstejaars, onder wie [appellant] , al een enorm tekort is aan stageplaatsen (te weten 13 plaatsen voor de 4 daagse oriëntatiestage, waar er 75 nodig zijn), terwijl er voor de langere stages in het tweede en derde jaar (van vijf respectievelijk twintig weken) ook grote tekorten zijn. In het tweede jaar zijn er 33 stageplaatsen, waar er 160 nodig zijn. Voor het derde jaar zijn er zes stageplaatsen, waar er 35 nodig zijn.

Ook wordt in de brief vermeld dat het aanpassen van de wet BIG een langdurig traject is, waarbij de vergelijking wordt getrokken met de Masteropleiding Physician Assistant, waarbij het tot ruim vijf jaar na de diplomering van de eerste studenten heeft geduurd voor dat dit geregeld was. Tot slot wordt gezegd dat het gebrek aan stageplaatsen gevolgen kan hebben voor de studieduur. Degene die het risico op verlenging niet wil lopen stelt de HAN in de gelegenheid om met ingang van studiejaar 2012 over te stappen naar de HBO-V. Daarbij merkt de HAN op: Wij realiseren ons dat je destijds bewust niet hebt gekozen voor de HBOV. We willen je dit in overweging geven omdat je via die route alsnog kunt gaan werken op de spoedeisende hulp of de ambulance. (…)”

Ook merkt de HAN op: “We kunnen ons voorstellen dat je schrikt van dit bericht en vragen hebt. Mede om die reden willen we met ieder van jullie nog voor de vakantie het persoonlijke gesprek aangaan om te bespreken wat dit voor jou betekent.(…)”

3.14

Desgevraagd heeft de HAN ter zitting in hoger beroep niet kunnen verklaren en toelichten waarom de inhoud en toon van de brief aan de aankomend studenten zo verschilde van die aan de zittende studenten. Het hof is van oordeel dat de HAN de aankomende studenten met de brief van juni 2012 niet voldoende heeft geïnformeerd over de risico’s. Het reële risico van studievertraging door het tekort aan stageplekken en het lange BIG-traject worden daarin niet voldoende kenbaar gemaakt. Waar de HAN zich in de brief aan de zittende studenten kan voorstellen dat zij schrikken van de brief, lijken zij de aankomende studenten juist niet te hebben willen afschrikken.

3.15

Dat er door mevrouw [naam1] (destijds adjunct-directeur bij het Instituut Verpleegkundige Studies van de HAN) tijdens het “studiestartgesprek” met [appellant] wel duidelijk is gewezen op het risico van studievertraging, kan naar het oordeel van het hof niet uit de getuigenverklaringen van [appellant] en [naam1] worden afgeleid. Uit hun verklaringen komt een vergelijkbaar beeld naar voren als uit de brief van juni 2012 aan de aankomende studenten. Er is wel gewezen op problemen met de BIG-registratie en het vinden van stageplekken, maar er werd tegelijk de goede hoop uitgesproken dat het allemaal wel goed zou komen.

Volgens [appellant] is tijdens het gesprek gezegd dat de problemen met de stageplekken vooral speelde voor de studenten die toen aan het derde jaar zouden beginnen en dat de verwachting was dat die problemen zouden zijn opgelost als [appellant] zo ver zou zijn. De boodschap was volgens [appellant] dat hij zich daar geen zorgen over hoefde te maken. Er is volgens [appellant] niet gesproken over de mogelijkheid dat hij studievertraging zou oplopen.

[naam1] verklaart dat in de studiestartgesprekken ook het risico van studievertraging aan de orde is gekomen, maar ze verklaart niet dat dat risico in concreto ook aan [appellant] is meegedeeld. [naam1] verklaart dat niet is gezegd dat de problemen zouden zijn opgelost. Volgens haar is alleen gezegd dat ze hoopten dat de problemen zouden zijn opgelost en dat ze er alles aan zouden doen om het op te lossen.

Ook op grond van de getuigenverklaringen kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen dat de HAN [appellant] duidelijk genoeg heeft gewaarschuwd voor het reële risico op studievertraging.

3.16

De HAN stelt dat er op de open dag ook melding is gemaakt van een tekort aan stageplaatsen. In de PowerPoint-presentatie van die dag wordt het tekort aan stageplaatsen echter niet gemeld. En ook al zou het die dag wel zijn vermeld, dan staat als onbetwist vast dat [appellant] de open dag niet heeft bijgewoond. Dat kan hem niet worden aangerekend. Er is geen verplichting de open dag bij te wonen. De brief van juni 2012 gaat er ook vanuit dat de aankomende studenten “wellicht” de open dag hebben bijgewoond, niet dat zij dat zeker hebben gedaan. Ook blijkt uit niets dat de open dag verplicht gesteld was voor aankomende studenten.

3.17

De HAN stelt ten slotte dat er vanaf 28 juni 2012 op de site van de BMH-opleiding een bericht is geplaatst dat er problemen zijn met het vinden van genoeg stageplaatsen en dat dit mogelijk studievertraging met zich kan brengen en waarin een persoonlijk gesprek wordt aangeboden indien meer informatie wordt gewenst. [appellant] stelt echter dat hij die mededeling nooit heeft gezien, omdat men al vóór 15 mei 2012 ingeschreven diende te zijn voor de BMH-opleiding (omdat het een numerus fixus studie was) en studenten voor hun studiezaken nooit kennis hoeven te nemen van deze algemene webpagina en ook nooit op deze pagina uitkomen. Dit laatste is door getuige [naam1] tijdens het getuigenverhoor bevestigd. Om deze reden kan er niet van worden uitgegaan dat [appellant] de webpagina heeft gezien voordat hij aan zijn studie begon en heeft de HAN daarvan ook niet mogen uitgaan.

3.18

Het feit dat er slechts één van de meer dan 70 ingeschreven aankomend studenten de studie uiteindelijk niet is gaan volgen (waarbij de reden daarvoor overigens onbekend is), vormt ook een aanwijzing dat de HAN de studenten niet duidelijk heeft gewezen op het risico van studievertraging.

3.19

Op grond van het voorgaande is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de HAN niet heeft bewezen dat zij [appellant] tijdig en voldoende heeft geïnformeerd over het reële risico op studievertraging. De HAN is aansprakelijk voor de schade die [appellant] ten gevolge van het schenden van deze, uit de zorgplicht voortvloeiende, informatieverplichting heeft geleden.

3.20

Het hof acht aannemelijk dat als [appellant] tijdig zou zijn gewaarschuwd op de manier waarop de zittende studenten in juni 2012 zijn gewaarschuwd, hij zou zijn gewisseld van studie. Dat heeft hij immers ook gedaan toen hij in 2015 werd geconfronteerd met het ernstige tekort aan stageplaatsen. Het hof acht daarmee het causaal verband tussen het tekortschieten van de HAN in haar zorgplicht en de door [appellant] opgelopen studievertraging aanwezig. Daarbij geldt dat aan [appellant] de mogelijkheid is ontnomen om meteen al een andere keuze te maken. Aan de stelplicht voor wat betreft het causaal verband tussen de tekortkoming en de schade kunnen in dit verband niet al te hoge eisen worden gesteld.

Het hof acht de HAN daarom aansprakelijk voor de schade die [appellant] door die studievertraging heeft gehad.

3.21

[appellant] vordert een voorschot op de schade die hij heeft gelden en nog zal lijden. Het komt het hof voor dat er inmiddels een eindtoestand is bereikt, zodat de totale schade kan worden begroot. [appellant] is in september 2012 begonnen met de BMH. Op de zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij in januari 2018 is afgestudeerd aan de HBO-V. Dat zou betekenen dat hij 1,5 jaar (en geen 2,5 jaar) vertraging heeft opgelopen.

Nu [appellant] tijdens die extra jaren studie – een half jaar in 2016 en het hele jaar 2017 – ook daadwerkelijk heeft gestudeerd, en hij in die periode niet de gelegenheid heeft gehad ook te werken, en er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de schade concreter te berekenen, acht het hof het voorshands redelijk om aansluiting te zoeken bij de Letselschaderichtlijn Studievertraging.

3.22

Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen om bij akte op de in 3.21vermelde veronderstellingen en overwegingen in te gaan en zich uit te laten over de omvang van zijn schade. De HAN zal bij antwoordakte kunnen reageren.

Het hoger beroep van [appellante] (de grieven I tot en met VII)

3.23

In grief I beklaagt [appellante] zich over de door de rechtbank te beperkt weergegeven grondslag van haar vordering en in grief II voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de studenten, onder wie [appellante] , de schadevordering niet meer baseren op het ontbreken van arbeidsperspectief. Zij hebben die grondslag volgens [appellante] niet laten vallen. De studenten hebben volgens [appellante] in de dagvaarding juist aan de hand van vele documenten aangevoerd en onderbouwd dat het arbeidsmarktperspectief, meer in het bijzonder het beroepsperspectief, (volledig) ontbrak.

3.24

Het hof overweegt op dit punt als volgt. Dat [appellante] de voormelde grondslag heeft laten vallen of prijsgegeven is in de stukken niet, althans niet voldoende onderbouwd, terwijl het laten vallen van de grondslag ook onlogisch zou zijn, omdat het niet kunnen vinden van werk voor [appellante] na haar afstuderen juist de reden was om over te stappen naar de verkorte HBO-V-opleiding. [appellante] stelt dat wellicht tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank desgevraagd is aangegeven dat de studenten op dat moment (maart 2018) geen klachten meer hadden over het arbeidsperspectief. Hoe dan ook baseert [appellante] haar vordering in hoger beroep in ieder geval expliciet (ook) op deze grondslag (het ontbreken van arbeidsperspectief na het afstuderen). Het hof zal deze grondslag daarom bij zijn oordeel betrekken. De grieven I en II slagen daarmee, dan wel behoeven geen nadere bespreking.

3.25

De BMH-opleiding leidt op tot het beroep van medisch hulpverlener in de richting ambulancezorg, spoedeisende hulp of anesthesie. Voor het uitoefenen van deze beroepen is nodig/vereist dat men bevoegd is om zelfstandig voorbehouden handelingen te verrichten (als bedoeld in artikel 36 wet BIG), waarvoor men BIG-geregistreerd dient te zijn. Dat was vóór de start van de opleiding al bekend, zoals op de zitting in hoger beroep door de HAN is erkend en zoals ook blijkt uit het “Arbeidsmarktonderzoek naar de behoefte aan een hbo-opleiding Medische Hulpverlening” van september 2007 en uit het onderzoeksrapport “Macrodoelmatigheid van de bachelor opleiding Medische Hulpverlening” van december 2009.

De noodzaak om bevoegdelijk zelfstandig voorbehouden handelingen te mogen verrichten geldt daarbij in sterke mate voor het beroep van medisch hulpverlener op de ambulance. Dat volgt uit diverse stukken die zowel door appellanten als de HAN in het geding zijn gebracht. Het hof verwijst in dit verband onder meer naar de brief van Ambulancezorg Nederland van 29 mei 2013 en de “Samenvatting bijeenkomst dinsdag 16 december 2014”.

Om afgestudeerden in staat te stellen om zelfstandig voorbehouden handelingen te verrichten diende het beroep van medisch hulpverlener te worden “ingebed” in het BIG-systeem. Uiteindelijk is dat, zoals eerder al is vermeld, per 1 mei 2017 gebeurd op grond van artikel 36a wet BIG , het zogenaamde “experimenteerartikel”.

3.26

Niet alleen was in 2010 het gebrek aan stageplaatsen voorzienbaar, ook was bij de start van de opleiding in 2010 al duidelijk dat de inbedding in de wet BIG wel eens tot 2019 zou kunnen duren. Ter zitting in hoger beroep heeft de HAN desgevraagd geantwoord dat zij in 2010 al wist dat een inbedding in de wet BIG pas aangevraagd en geregeld zou kunnen worden nadat de eerste lichting BMH-ers zou zijn afgestudeerd en dat zo’n traject, zoals ook bij de Master Physician Assistants het geval is geweest, dan best wel eens vijf jaar zou kunnen duren. De HAN wist dus dat de studenten van het cohort 2010 zouden afstuderen zonder dat zij bevoegd zouden zijn tot het zelfstandig verrichten van voorbehouden handelingen.

3.27

Het hof is van oordeel dat de HAN de (aankomend) studenten ook daarvoor had dienen te waarschuwen, nu het zelfstandig mogen uitvoeren van voorbehouden handelingen een essentieel onderdeel vormde van het beroep/de beroepen waarvoor de studenten werden opgeleid. Uit niets blijkt echter dat de HAN de aankomend studenten in 2010 heeft gewaarschuwd dat het beroep waarvoor zij zouden worden opgeleid na hun afstuderen voorlopig nog niet zou zijn ingebed in de wet BIG. Desgevraagd heeft de HAN ter zitting in hoger beroep verklaard dat een dergelijke waarschuwing destijds niet is gegeven. Daarmee heeft de HAN naar het oordeel van het hof de studenten de indruk gegeven en hebben de studenten redelijkerwijs mogen verwachten dat zij na hun afstuderen bevoegd zouden zijn om het vak uit te oefenen waarvoor zij waren opgeleid. De studenten waren daartoe echter niet bevoegd. De HAN is daarmee tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting om een student in staat te stellen zonder noemenswaardige vertraging de studie af te ronden én in beginsel in aanmerking te laten komen voor de functies waarvoor de studie opleidt. Daarnaast kan [appellante] zich jegens de HAN ook op dwaling beroepen. Grief IV slaagt op deze gronden.

3.28

Dat het ook zonder inbedding in de wet BIG mogelijk was om in een van de HBO-functies te werken waarvoor de BMH-opleiding opleidt, heeft de HAN tegenover de gemotiveerde betwisting door appellanten onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. In de stukken is dit op geen enkele manier geconcretiseerd en toegelicht. Ter zitting in hoger beroep heeft de HAN desgevraagd verklaard dat zij van twee studenten weet dat zij - voordat sprake was van de inbedding in de wet BIG - in een HBO-functie zijn gaan werken. Nog afgezien van het feit dat het hier om slechts twee studenten gaat, hebben appellanten onbetwist gesteld het hierbij om twee MBO-gediplomeerde verpleegkundigen ging, die al een BIG-registratie hadden.

3.29

[appellante] heeft verder onbetwist aangevoerd dat zij met een 8,5 is afgestudeerd bij het RAV in Den Bosch en dat zij daar aansluitend mocht blijven werken. Dit is alleen niet doorgegaan, omdat zij niet BIG-geregistreerd was. Ook elders kon zij geen werk vinden. Bij sommige ambulance-organisaties is het volgens de HAN nog wel mogelijk om aansluitend aan de opleiding nog gedurende negen maanden in een soort stage-achtige positie te werken. [appellante] heeft echter gesteld en de HAN erkend dat die mogelijkheid nog niet bestond toen [appellante] maart 2015 afstudeerde. Dat men zonder BIG-registratie niet op de ambulance kon werken blijkt ten slotte ook uit de al eerder vermelde “Samenvatting bijeenkomst 16 december 2014” waarin staat vermeld: “(…) Voor de ambulance is het een lastig verhaal omdat je daar zelfstandig aan de slag moet, daar wordt je niet aangenomen voordat de BIG geregeld is.”

3.30

Op deze gronden kan niet worden aangenomen dat het voor [appellante] mogelijk was om na haar afstuderen in de HBO-functie te werken waarvoor zij was opgeleid. Grief III slaagt daarmee ook.

3.31

Voor [appellante] is dit alles nog eens extra wrang, omdat zij, zoals zij ter zitting in hoger beroep onbetwist heeft gesteld, de HBO-V-opleiding na een half jaar heeft verlaten voor de nieuwe BMH-opleiding, omdat zij graag op de ambulance wilde werken.

3.32

De HAN is aansprakelijk voor de schade die [appellante] heeft geleden door het toerekenbaar tekortschieten door de HAN.

3.33

Dat [appellante] aansluitend aan de BMH-opleiding alsnog de verkorte HBO-V-opleiding van 2,5 jaar is gaan volgen, is onder de hiervoor geschetste omstandigheden te beschouwen als een zogenaamde “gedwongen zet” als een gevolg van het ontbreken van een inbedding in de wet BIG, en dus als een gevolg van het tekortschieten van de HAN. Dat geldt te meer nu het “Position Paper” spreekt over een “maatschappelijk waardeloos diploma” en de HAN [appellante] , naar [appellante] onbetwist heeft gesteld, zelf heeft geadviseerd de verkorte HBO-V-opleiding te gaan. Hoogstens zou je kunnen zeggen dat [appellante] die switch eerder had kunnen maken, toen haar - in 2012 - duidelijk moet zijn geweest/geworden dat het ontbreken van inbedding in de wet BIG een probleem zou (kunnen) zijn na het afstuderen.

3.34

[appellante] stelt dat zij zich van dat probleem niet bewust is geweest en dat zij zich niet kan herinneren of zij destijds de brief van juni 2012 heeft gelezen. Nu [appellante] kennelijk geen probleem had om een stage te vinden, is voorstelbaar dat zij de brief niet, of met weinig aandacht, heeft gelezen. Omdat [appellante] eerder al een keer was gewisseld van opleiding is het ook voorstelbaar dat zij niet direct opnieuw wilde wisselen en heeft willen afwachten hoe het zou lopen. In de gegeven omstandigheden is dat niet onredelijk, zeker nu de brief van juni 2012 vooral ingaat op het gebrek aan stageplaatsen en niet zozeer op de consequentie van het ontbreken van het BIG-registratie voor afgestudeerden. Als [appellante] in 2012 zou zijn overgestapt naar de verkorte HBO-V-opleiding zou zij twee jaar studievertraging hebben gehad. Nu is dat 2,5 jaar. Het hof is van oordeel dat dat halve jaar extra niet voor rekening van [appellante] dient te komen. De grieven V en VI treffen daarmee doel.

3.35

[appellante] vordert een voorschot op de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden. Het komt het hof voor dat er inmiddels een eindtoestand is bereikt, zodat de totale schade kan worden begroot. Vooralsnog lijkt de totale schade te bestaan uit 2,5 extra studiejaren. Het hof verwijst naar zijn overweging 3.21 met betrekking tot de begroting van de schade van [appellant] . Ook in het geval van [appellante] lijkt het het hof voorshands aangewezen de schade wegens studievertraging te begroten op basis van de desbetreffende richtlijn van de Letselschaderaad. Het lijkt het hof voorshands verder juist de schade te berekenen over de kalenderjaren waarin [appellante] de HBO-V zou hebben gevolgd als zij nominaal zou zijn afgestudeerd in de opleiding BMH.

3.36

Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de omvang van haar schade. De HAN zal bij antwoordakte kunnen reageren.

4 De Slotsom

4.1

Het hof stelt [appellant] en [appellante] beiden in de gelegenheid om bij akte te reageren op hetgeen het hof in r.o. 3.21 en r.o. 3.35 ten aanzien van de door hen geleden schade heeft overwogen. De HAN zal bij antwoordakte kunnen reageren.

4.2

Het hof zal verder iedere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 23 november 2021 voor de in r.o. 3.22 en r.o. 3.36 vermelde akten aan de zijde van [appellant] en [appellante] ;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, C.M.E. Lagarde en G.D. Hoekstra, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. C.M.E. Lagarde en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2021.

Productie 46 bij conclusie van antwoord en productie 6 bij memorie van grieven.

Productie 1 bij inleidende dagvaarding.

Inleidende dagvaarding, randnummer 1.

Inleidende dagvaarding, randnummer 2.

Inleidende dagvaarding, randnummer 28.

Inleidende dagvaarding, randnummer 28.

Productie 14 bij inleidende dagvaarding.

Vonnis van 4 juli 2018, r.o. 5.4. en verder.

Vonnis van 4 juli 2018, r.o. 5.5.

Vonnis van 4 juli 2018, r.o. 5.14.

Vonnis van 4 juli 2018, r.o. 5.15.

Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid bachelor medisch hulpverlener, Stb. 2017, 162, productie 40 bij conclusie van antwoord.

Vonnis van 4 juli 2018, r.o. 5.16.

Vonnis van 4 juli 2018, r.o. 5.21.

Productie 46 bij conclusie van antwoord.

Vonnis van 4 juli 2018, r.o. 5.21.

Vonnis van 3 juli 2019, r.o. 3.12.

Vonnis van 3 juli 2019, r.o. 3.12.

Vonnis van 3 juli 2019, r.o. 3.13.

Vonnis van 4 juli 2018, r.o. 5.22.

Vonnis van 4 juli 2018, r.o. 5.24.

Vonnis van 4 juli 2018, r.o. 5.27.

Vonnis van 4 juli 2018, r.o. 5.28.

Productie 13 van [appellant] c.s..

Productie 15 bij inleidende dagvaarding.

In haar toelichting op grief II.

Vgl. paragraaf 3.2 van het “Position Paper” Bachelor Medische Hulpverlening van Juni 2014, productie 1 bij inleidende dagvaarding.

Productie 5 bij inleidende dagvaarding, pagina’s 15, 21 en verder.

Productie 6 bij inleidende dagvaarding, pagina’s 22 tot en met 22 en bijlage 1, genaamd “Blauwdruk”.

Productie 3 bij memorie van grieven.

Productie 10 bij memorie van grieven.

Vgl. ook Hof Arnhem-Leeuwarden, 10 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6232, r.o. 4.16.

Memorie van grieven, pagina 18.

Memorie van grieven, productie 10.

Memorie van grieven pagina 18 en 25 en memorie van grieven, producties 9 en 10.

Zie hiervoor in r.o. 2.3 sub a.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature