< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

BPM. Vermindering (afschrijving).

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer 19/00825

uitspraakdatum: 22 juni 2021

Uitspraak van de tweeëntwintigste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. (handelend onder de naam [Y] ) te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 mei 2019, nummer AWB 18/1388, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 2 april 2012 heeft belanghebbende aangifte in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) ingediend. De volgens deze aangifte verschuldigde bpm is op 3 april 2012 voldaan.

1.2.

Op 9 mei 2012 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.

1.3.

Op 28 augustus 2017 is de Inspecteur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. De Inspecteur heeft bij beschikking van 15 september 2018 het verzoek om een dwangsom afgewezen (hierna: dwangsombeschikking). Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.

1.4.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 december 2017 het bezwaar tegen de dwangsombeschikking ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). Ook heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een uitspraak op haar bezwaar tegen de voldoening op aangifte. Beide beroepen zijn door de Rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 18/1388.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 1 juni 2021. Namens belanghebbende is [A] verschenen, bijgestaan door [B] . Van de zijde van de Inspecteur is [C] verschenen, bijgestaan door [D] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft met dagtekening 2 april 2012 een aangifte bpm ingediend ter zake van de registratie van een uit Italië afkomstige Audi A3 Sportback 2.0T S3 Quattro Ambition (5451, hierna: de auto). De verschuldigde bpm is aan de hand van een koerslijst van Autotelex berekend op € 7.644. De verschuldigde bpm is op 3 april 2012 voldaan. De historische nieuwprijs van de auto is € 56.541. De datum van eerste toelating is 4 augustus 2010. De historische bruto bpm van de auto is € 13.006.

2.2.

Tegen de voldoening op aangifte heeft belanghebbende op 9 mei 2012 bezwaar gemaakt. Op 24 mei 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld binnen vier weken een nadere toelichting op het bezwaarschrift in te dienen. Op 17 februari 2015 heeft de Inspecteur zijn verzoek aanvullende gronden in te dienen herhaald.

2.3.

Op 28 augustus 2017 heeft de Inspecteur een ingebrekestelling ontvangen wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Daarbij heeft belanghebbende verzocht om een dwangsom. Verder heeft belanghebbende in deze brief zijn bezwaarschrift nader toegelicht.

2.4.

De dwangsombeschiking is op 15 september 2017 genomen. Op 19 oktober 2017 heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt.

2.5.

Op 12 december 2017 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen dwangsombeschikking ongegrond verklaard, omdat belanghebbende de Inspecteur onredelijk laat in gebreke had gesteld.

2.6.

Op 19 januari 2018 heeft belanghebbende pro forma beroep ingesteld bij de Rechtbank. Bij brief van 27 december 2017 heeft de Inspecteur zijn voornemen van een uitspraak op bezwaar tegen de voldoening op aangifte kenbaar gemaakt. Tevens heeft de Inspecteur belanghebbende gevraagd of zij wil worden gehoord. Een hoorgesprek heeft vervolgens plaatsgevonden op 24 januari 2018.

2.7.

Op 5 april 2018 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de voldoening op aangifte gegrond verklaard en tot een teruggave van € 383 (5%) beslist omdat in de aangifte gebruik is gemaakt van btw-waardering. Tevens is een proceskostenvergoeding van € 498 toegekend, alsmede een vergoeding van immateriële schade van € 4.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Over de vermindering van bpm is overeenkomstig de Algemene wet inzake rijksbelastingen rente vergoed.

2.8.

De Rechtbank heeft op 21 mei 2019 uitspraak gedaan. Zij heeft het beroep wat betreft de dwangsombeschikking ongegrond verklaard, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar inzake de voldoening op aangifte niet-ontvankelijk en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake diezelfde voldoening ongegrond. Ook heeft zij een vergoeding van immateriële schade van € 5.500 vastgesteld en de Inspecteur veroordeeld tot voldoening van het nog niet uitbetaalde deel daarvan, alsmede heeft zij de Inspecteur veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van € 512. Tevens heeft de Rechtbank de Inspecteur gelast tot betaling van het griffierecht. In haar uitspraak heeft de Rechtbank verder beslist dat de te betalen bedragen vermeerderd worden met wettelijke rente, te berekenen vanaf vier weken na de uitspraak tot de dag van algehele voldoening.

2.9.

De Inspecteur heeft de vergoeding voor immateriële schade (in twee termijnen) uitbetaald aan belanghebbende. De laatste betaling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2019. Daarbij is rente berekend tot 24 juli 2019.

2.10.

Op 18 juni 2019 heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of:

de hoogte van het geheven griffierecht en de verschuldigdheid daarvan bij aanvang van de gerechtelijke procedure in strijd is met het Unierecht,

de Rechtbank, het Hof en de Hoge Raad bevoegd zijn uitleg te geven aan de bepalingen van het Unierecht,

het Hof verplicht is aan het Hof van Justitie EU prejudiciële vragen te stellen,

de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd door niet tijdig op het bezwaar te beslissen,

de Inspecteur het verdedigingsbeginsel/hoorrecht heeft geschonden bij zowel het nemen van de dwangsombeschikking als de ongegrondverklaring van het daartegen ingediende bezwaar,

sprake is van een in strijd met het Unierecht vermeend verschil in heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige auto’s en belanghebbende in verband daarmee aanspraak kan maken op een rentevergoeding wegens de vooruitbetalingsverplichting van de bpm,

de Inspecteur verplicht is kentekengegevens in het geding te brengen,

de Inspecteur aan de beslissing van de Rechtbank heeft voldaan door de vergoeding van immateriële schade uit te betalen aan belanghebbende in plaats van aan de gemachtigde,

de Inspecteur van rechtswege en zonder een daartoe ingediend verzoek verplicht is aan belanghebbende in de vorm van een passende rente van minimaal 8% schade te vergoeden bij vermindering van de verschuldigde bpm,

belanghebbende aanspraak kan maken op een passende rentevergoeding van minimaal 8% over het betaalde griffierecht, en

belanghebbende recht heeft op integrale vergoeding van de kosten gemaakt in verband met de behandeling van de het bezwaar, het beroep en het hoger beroep in plaats van een forfaitair vastgestelde proceskostenvergoeding.

3.2.

Belanghebbende stelt voorts dat de Rechtbank het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in een andere samenstelling had moeten beoordelen dan de inhoudelijke zaak en dat de Rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,5 heeft toegepast voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding.

3.3.

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard in te stemmen met het door de Rechtbank vastgestelde bedrag van de vergoeding voor immateriële schade. Aanvullend heeft belanghebbende ter zitting verzocht om toekenning van een vergoeding wegens immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Hoogte griffierecht en verschuldigdheid bij aanvang rechtsgang

4.1.

Belanghebbende heeft onder verwijzing naar onder meer het arrest Kantarev (HvJ EU 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:807) gesteld dat zowel de Rechtbank als het Hof te veel griffierecht heeft geheven door geen rekening te houden met de omvang van het financiële belang dat belanghebbende heeft bij de onderhavige geschillen. Volgens belanghebbende kan de toegang tot de nationale rechter alleen worden gewaarborgd indien niet meer griffierechten worden geheven dan 4% van de vordering die voorwerp is van geschil. Dit betoog slaagt niet op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. Voorts acht het Hof de van belanghebbende geheven bedragen – door de Rechtbank een griffierecht van € 338 en door het Hof een griffierecht van € 519 – in het onderhavige geval geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, gegeven haar financiële situatie of gelet op het bepaalde in artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in aanmerking komt voor vrijstelling of vermindering van het verschuldigde griffierecht.

Uitleg Unierecht

4.2.

Belanghebbende stelt -zakelijk weergegeven- dat de Rechtbank, het Hof en de Hoge Raad onbevoegd zijn om het Unierecht uit te leggen, omdat uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie daartoe bevoegd is. Dit betoog faalt. Op grond vaste jurisprudentie is het de taak van de nationale rechter de volledige werking van het Unierecht te verzekeren (vgl. HvJ EU 14 september 2014, ECLI:EU:C:2017:687), terwijl de rechter in belastingzaken op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen. Daar waar aan de orde is de nationale rechter dus niet alleen bevoegd, maar ook gehouden het Unierecht te interpreteren en toe te passen. Rechtbank en Hof zijn, als niet in hoogste instantie oordelende rechterlijke instanties, op grond van artikel 267 VWEU in voorkomend geval wel bevoegd, maar niet verplicht een Unierechtelijk geschilpunt voor te leggen aan het Hof van Justitie EU, ook niet als het rechtsvorming zou betreffen waarover dat Hof (nog) niet heeft geoordeeld. Een hoogste nationale rechterlijke instantie is niet gehouden het oordeel van het Hof van Justitie EU te vragen indien het niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de nationale wetgeving in overeenstemming is met het Unierecht. De andersluidende conclusie die belanghebbende trekt uit het arrest Hans Åkerberg Fransson (HvJ EU 26 februari 2013, ECLI:EU:C:2013:105) berust op een onjuiste lezing van dat arrest. Het Hof ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU.

Dwangsom

4.3.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd, omdat hij na in gebreke te zijn gesteld niet tijdig uitspraak heeft gedaan. Dit betoog slaagt niet. Op grond van artikel 4:17, zesde lid, van de Awb is geen dwangsom verschuldigd als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. Nu het als pro forma aangeduide bezwaarschrift (summiere) gronden bevat, moest de Inspecteur uiterlijk op 26 juni 2012 op het bezwaar te beslissen. Op 17 februari 2015 heeft de Inspecteur zijn verzoek om aanvullende gronden in te dienen, herhaald. Belanghebbende heeft de Inspecteur op 28 augustus 2017 in gebreke gesteld. Dat is onredelijk laat. Dit betekent dat de Inspecteur geen dwangsom is verschuldigd (zie de parlementaire geschiedenis, aangehaald in Hof Arnhem-Leeuwarden 28 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7958). Op grond van artikel 4:12 Awb was de Inspecteur niet gehouden belanghebbende te horen voorafgaand aan de beslissing tot afwijzing van de dwangsom. Ook in bezwaar bestond die verplichting niet, nu de Inspecteur gelet op tijdsverloop het bezwaar kennelijk ongegrond mocht verklaren. Belanghebbendes beroep op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Het enkele feit dat de dwangsombeschikking verband houdt met een beslissing over een geschil waarin het Unierecht aan de orde is, maakt nog niet dat het Unierecht van toepassing is ter zake van de dwangsombeschikking.

Betaling vergoeding immateriële schade

4.4.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Rechtbank, doordat de Inspecteur de toegekende vergoeding voor immateriële schade niet aan de gemachtigde heeft uitbetaald. Voor zover belanghebbende hiermee stelt dat de Rechtbank in haar beslissing heeft nagelaten te vermelden dat de vergoeding aan de gemachtigde dient te worden uitbetaald, wijst het Hof erop dat de bestuursrechter niet is gehouden te beslissen op een verzoek het bedrag aan proceskostenvergoeding over te maken naar de rekening van een ander dan de belanghebbende (vgl. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324). Voor zover de gemachtigde stelt op grond van de beslissing van de Rechtbank een vordering te hebben op de Inspecteur, kan die vordering uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden ingesteld.

Vooruitbetaling bpm en vergoeding van rente

4.5.

Belanghebbende stelt dat de bpm op de onderhavige auto’s in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting (veel) eerder plaats (moeten) vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt (de registratie in het kentekenregister). Die stelling faalt. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten een registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt, noch om van die belastingplichtigen te eisen dat bij de voldoening ervan rekening wordt gehouden met de staat waarin het motorrijtuig op het tijdstip van registratie verkeert indien die staat van belang is voor de hoogte van de belastingheffing. Het wettelijke systeem en ook de praktijk in Nederland dwingen de belanghebbende niet om het motorrijtuig eerder te naam te stellen en bpm te voldoen dan op het moment waarop het motorrijtuig geschikt is (gemaakt) om te worden toegelaten tot gebruik van de weg in Nederland. Het is niet onredelijk om van de belastingplichtige die om uitreiking van een aangiftebiljet voor de bpm verzoekt, te verlangen dat deze het motorrijtuig eerst bij de RDW aanmeldt voor inschrijving in het kentekenregister en dat het voldoen van bpm pas mogelijk wordt wanneer de RDW het motorrijtuig heeft geïdentificeerd en daarvoor een kenteken heeft opgegeven (vgl. HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415). Verder is van belang dat de vraag of de Belastingdienst terecht het fiscaal akkoord niet geeft zolang de bpm voor het desbetreffende motorrijtuig niet is voldaan, niet ter beoordeling staat van de belastingrechter (vgl. HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:507). Het arrest Grundig Italiana SpA (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:EU:C:1998:299), waar belanghebbende naar verwijst, mist toepassing, omdat op het binnenlandse product (de eerder geregistreerde auto) de bpm al is geheven ter zake van en evenzeer voorafgaand aan de eerste registratie van die auto. Dit betekent dat de omstandigheid dat de bpm moet worden vooruitbetaald geen aanleiding is voor een rentevergoeding.

Kentekengegevens

4.6.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur gehouden is de kentekengegevens in het geding in te brengen, omdat die gegevens nodig zijn om vast te kunnen stellen of aanspraak bestaat op vermindering van bpm wegens, naar het Hof begrijpt, extra leeftijdskorting of een lager tussentarief. Door de kentekengegevens niet in te brengen, belemmert de Inspecteur de verwezenlijking van de op grond van de rechtsorde van de Unie aan haar toegekende rechten, aldus belanghebbende. Dit betoog slaagt niet. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is een bestuursorgaan gehouden alle stukken aan de bestuursrechter over te leggen die aan dat bestuursorgaan ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten (vgl. HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107). Het bestuursorgaan is echter niet verplicht om andere gegevens te vergaren en over te leggen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672). Verder is van belang dat de betreffende kentekengegevens niet in de systemen van de Belastingdienst zijn opgeslagen, maar dat de Inspecteur deze gegevens (digitaal) moet opvragen bij de RDW. De omstandigheid dat de Inspecteur met het bestaan van de kentekengegevens bekend is en ook de mogelijkheid die de Inspecteur heeft om die gegevens digitaal te raadplegen in het door de RDW beheerde kentekenregister doen hier niet aan af, omdat het gegevens betreft die zich bevinden onder derden. Verder verzet het Unierecht zich er niet tegen dat van de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting wordt verlangd de daarvoor benodigde feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Dit betekent dat op de Inspecteur niet de verplichting rust de betreffende kentekengegevens in het geding te brengen, maar dat het op de weg van belanghebbende ligt de kentekengegevens in te brengen om een eventueel beroep op vermindering van bpm met die gegevens te onderbouwen. Het Hof wijst erop dat belanghebbende daartoe in staat moet zijn (geweest) nu zij in de aangifte bpm heeft vermeld dat zij de aanvrager is van het kenteken. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende niet (voldoende) gemotiveerd gesteld dat vermindering van bpm moet worden verleend wegens extra leeftijdskorting of een lager tussentarief.

Passende rentevergoeding bij vermindering verschuldigde bpm

4.7.

Belanghebbende maakt aanspraak op een passende rentevergoeding van minimaal 8% over de op grond van het Unierecht onverschuldigd betaalde bpm. Volgens belanghebbende vloeit het recht op vergoeding van rente – over de gehele termijn waarover zij niet over de onverschuldigd betaalde belasting heeft kunnen beschikken – rechtstreeks uit het Unierecht voort, zonder dat daaraan een verzoek ten grondslag behoeft te worden gelegd. Dit betoog slaagt niet op de gronden als vermeld in de rechtsoverwegingen 66 tot en met 69 van het arrest Sole-Mizo (HvJ EU 23 april 2020, ECLI:EU:C:2020:292). Het vereiste dat belanghebbende voor de vergoeding van ‘Irimie-rente’ op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 een afzonderlijk verzoek moet indienen bij de Ontvanger levert derhalve geen strijd op met de Unierechtelijke vereisten van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid.

4.8.

Indien het Hof moet verstaan dat in het betoog van belanghebbende de aanspraak op vergoeding van heffingsrente of belastingrente besloten ligt, faalt dit betoog eveneens, aangezien een vergoeding van rente overeenkomstig de Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft plaatsgevonden.

Proceskosten bezwaarfase

4.9.

De Inspecteur heeft voor de bezwaarfase een forfaitaire proceskosten van € 498 toegekend. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten onrechte voor de bezwaarfase geen vergoeding van de werkelijke kosten heeft toegekend. Daartoe heeft zij gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, aangezien bij de onderhavige heffing van bpm sprake is geweest van een ernstige miskenning door de Inspecteur van het recht van de Unie en dat een dergelijke schending noopt tot toekenning van vergoeding van de werkelijke kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep zijn gemaakt. Het feit dat in geschil is of een standpunt van het betrokken bestuursorgaan in strijd is met bepalingen van recht van de Unie, brengt niet met zich dat sprake is van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin of dat aan het recht van de Unie aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend. Bijkomende omstandigheden kunnen in samenhang met deze omstandigheden tot een andere conclusie nopen, maar zulke omstandigheden zijn in dit geval niet aangevoerd. Derhalve is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de vergoeding van de forfaitaire proceskosten als bedoeld in het Besluit (vgl HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833).

Samenstelling zetel Rechtbank

4.10.

Belanghebbende stelt met een beroep op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat andere rechters dan degene die de hoofdzaak behandelde, hadden moeten oordelen over het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van die hoofdzaak. Dit betoog slaagt niet op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623. Het arrest Groupe Gascogne SA (HvJ EU 26 november 2013, ECLI:EU:C:2013:770, waar belanghebbende zich op beroept, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu dit arrest een handeling van een instelling van de Unie betreft.

Proceskosten beroepsfase

4.11.

De Rechtbank heeft voor de vaststelling van de proceskosten in rechtsoverweging 15 van haar uitspraak onder verwijzing naar Hoge Raad 20 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:660 een wegingsfactor van 0,5 in aanmerking genomen en geen aanleiding gezien voor een vergoeding van werkelijke kosten. Het Hof verenigt zich met het oordeel van Rechtbank en wijst aanvullend op het hiervoor onder 4.9 overwogene.

Redelijke termijn in hoger beroep.

4.12.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Naar het oordeel van het Hof is de coronapandemie een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie die een verlenging van de termijn met vier maanden rechtvaardigt. Een dergelijke verlenging leidt er naar het oordeel van het Hof niet toe dat geen sprake meer is van een doeltreffende voorziening. Daarbij is rekening gehouden met de periode waarin de gerechtsgebouwen gesloten waren en een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van verdaagde zittingen. Naar het oordeel van het Hof is deze verlenging niet in strijd met het Unierecht. Het hogerberoepschrift is door het Hof ontvangen op 18 juni 2019 en het Hof doet heden uitspraak, zodat ook in hoger beroep de redelijke termijn (van twee jaar en vier maanden) niet is overschreden.

Rentevergoeding over het griffierecht

4.13.

Nu het hoger beroep ongegrond is, behoeft de grief van belanghebbende betreffende een rentevergoeding over het griffierecht geen behandeling.

Slotsom Op grond van hetgeen is overwogen is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Keuning, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2021.

De griffier is verhinderd De voorzitter,

te ondertekenen.

(J.W. Keuning)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 juni 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature