< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Gehandicaptenparkeerplaats. De positie van het bord E6 is zodanig dat niet duidelijk is of het ervóór of erachter gelegen parkeervak wordt bedoeld. Volgt vernietiging van de sanctiebeschikking.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.271.266/01

CJIB-nummer

: 224144528

Uitspraak d.d.

: 11 juni 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Noord-Holland van 8 oktober 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 14 januari 2021 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Bij voornoemd tussenarrest heeft het hof bepaald dat de zaak ter zitting van het hof wordt behandeld tenzij de betrokkene binnen vier weken na dagtekening van dit arrest aangeeft van die gelegenheid geen gebruik te willen maken. De betrokkene heeft hier niet op gereageerd.

De zaak is behandeld op de zitting van 28 mei 2021. De betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam] .

De beoordeling

1. In voornoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv , nu het hof niet kan vaststellen dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

2. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij die beschikking een sanctie opgelegd van

€ 380,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 januari 2019 om 13.40 uur op de Kampervest in Haarlem met het voertuig met het kenteken [kenteken1] .

3. De betrokkene is het niet eens met de in het zaakoverzicht opgenomen verklaring van de ambtenaar, waarin wordt aangegeven dat het voertuig van de betrokkene was geparkeerd op een door bord E6 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) aangeduide gehandicaptenparkeerplaats en dat deze plaats was voorbehouden aan het voertuig met het kenteken [kenteken2] . Op de door de advocaat-generaal overgelegde foto’s is duidelijk te zien dat dit bord betrekking heeft op het achterliggende parkeervak. Op de foto’s is te zien dat daar een Mercedes is geparkeerd.

De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de wijze waarop het bord is geplaatst geen enkele aanleiding geeft om te vermoeden dat de daarvoor gelegen parkeerplaats voor een gehandicapte is bedoeld. Het bord heeft betrekking op de achterliggende parkeerplaats. Dat er tegels met een afbeelding van een rolstoel op de eerder gelegen parkeerplaats liggen, wordt duidelijk als langs de parkeerplaats wordt gelopen en er verder geen voertuig staat. De betrokkene wijst in dit verband op jurisprudentie van het hof. Ter zitting heeft de betrokkene aangegeven dat hij in het vak waarin zijn voertuig stond geparkeerd geen tegel heeft gezien. Als hij die wel had gezien, had hij getwijfeld en zijn voertuig daar niet geparkeerd, alhoewel een tegel, gelet op de rechtspraak van het hof, geen correcte aanduiding is.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Het voertuig stond geparkeerd op een door bord E6 RVV 1990 aangeduide gehandicaptenparkeerplaats. Blijkens het onderbord is het gebruik van deze gehandicaptenparkeerplaats voorbehouden aan het voertuig met het kenteken [kenteken2] .”

5. De advocaat-generaal heeft een aankondiging van beschikking overgelegd. Hierbij zijn foto’s gevoegd waarop is vermeld “2019-01-26 13.42”. Op deze foto’s is een blauw voertuig zichtbaar. Op een aantal foto’s is het kenteken [kenteken1] te zien. Verder is zichtbaar dat in het parkeervak halverwege het voertuig en bij de achterkant van dat voertuig een tegel met een afbeelding van een rolstoel ligt. Ter hoogte van de achterkant van het voertuig dat voor het onderhavige voertuig is geparkeerd (een Mercedes), staat een bord E6. Ter zitting heeft de advocaat-generaal een afbeelding van Google Maps Street View overgelegd, waarop zichtbaar is dat de paal met het bord E6 vlak voor het vak staat, waarin de Mercedes staat geparkeerd.

6. Op basis van de door de advocaat-generaal overgelegde foto’s is het hof van oordeel dat ter plaatse sprake is van een onduidelijke situatie. Gelet op de plaatsing van het bord E6 met onderbord kan niet met voldoende mate van duidelijkheid worden vastgesteld dat het parkeervak waarin de betrokkene zijn voertuig heeft geparkeerd als een gehandicaptenparkeerplaats moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat in de bestrating tegels zijn aangebracht met daarop de afbeelding van een rolstoel, maakt het voorgaande niet anders, nu een dergelijke tegel geen verkeersteken is als bedoeld in het RVV 1990 (vgl. het arrest van het hof van 27 januari 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:591). Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

7. Het voorgaande brengt mee dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen. Tevens zal het hof bepalen dat het bedrag van de zekerheidstelling aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd.

5. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 57,80 (Amsterdam - Leeuwarden v.v. conform www.9292.nl).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 57,80.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature