< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

IPR. Faillissementsrecht. Bevoegdheid Nederlandse rechter. Peeter/Gatzen-vordering?

Spaanse bank werkt na faillissement mee aan verkoop van Spaanse woning door failliet.

De woning en de verkoopopbrengst vallen daardoor buiten het faillissement.

De curator spreekt de bank aan.

Nederlandse rechter bevoegd? Rechtbank: Nee. Hof: ja en verwijst terug.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.276.152/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 184351)

arrest van 6 april 2021

in de zaak van

Mr. Jan Hein Mastenbroek, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van Goudhof Juweliers [A] v.o.f., [B] in privé en [C] in privé,

wonende te Lucaswolde,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: de curator,

advocaat: mr. K.M. Löwik-Felt te Groningen,

tegen:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Caixa Rural Altea Cooperativa de Credit Valenciana,

gevestigd te Alicante (Spanje),

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Caixaltea,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

30 oktober 2019 dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, onder bovengenoemd zaaknummer heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 24 januari 2020,

- de memorie van grieven.

2.2

Vervolgens heeft de curator de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

3.2

Bij vonnis van 7 juni 2016 zijn de faillissementen uitgesproken van [B] (hierna: [B] ), [C] (hierna: [C] ), beiden wonende te [D] , en de door hen gedreven vennootschap onder firma Goudhof Juweliers [A] (hierna: de vof), gevestigd te Veendam, onder benoeming van mr. J.H. Mastenbroek als curator en mr. P. Molema als rechter-commissaris.

3.3

[B] en [C] hielden bij Caixaltea een bankrekening aan (hierna: de bankrekening). Op de datum waarop het faillissement is uitgesproken was het saldo op de bankrekening € 511,77.

3.4

Ten tijde van het uitspreken van het faillissement waren [B] en [C] eigenaar van een vakantiewoning in de gemeente Altea, Spanje. Ten behoeve van de aankoop is in 2002 een hypotheek naar Spaans recht gevestigd ten behoeve van Caixaltea.

3.5

Op 7 juli 2016 hebben [B] en [C] een koopovereenkomst met[E] (hierna: [E] ) gesloten met betrekking tot de vakantiewoning voor een bedrag van € 360.000,-.

3.6

Voorafgaand aan de levering van de vakantiewoning is door [E] bij wijze van voorschot € 33.000,- betaald door overboeking op de bankrekening van [B] en [C] bij Caixaltea (ontvangen op 12 juli 2016) en € 3.000,- contant. Het bedrag van € 33.000,- is in de twee dagen na ontvangst bijna volledig opgenomen dan wel doorgestort door [B] en [C] . Het resterende creditsaldo van de bankrekening was op14 juli 2016 € 107,41.

3.7

Op 14 juli 2016 is Caixaltea door de zaakwaarnemer/makelaar van [B] en [C] geïnformeerd over de verkoop van de vakantiewoning. Op verzoek van de zaakwaarnemer heeft een medewerkster van Caixaltea, [F] (hierna: [F] ) op 19 juli 2016 aan deze laten weten dat het uitstaande bedrag in verband met de hypotheek € 144.716,22 bedroeg.

3.8

Bij e-mail van 20 juli 2016 om 10.18 uur heeft de curator aan het hoofdkantoor van de Grupo Cooperative Cajamar medegedeeld dat [B] en [C] als gevolg van hun faillissement niet meer beschikkingsbevoegd zijn. Voorts heeft de curator verzocht om de bankrekeningen van [B] en [C] te blokkeren, om toezending van bankafschriften vanaf januari 2015 en om meer informatie over de vakantiewoning en de ten behoeve daarvan gevestigde hypotheek. Het hoofdkantoor heeft de mail diezelfde dag om 12.50 uur doorgestuurd naar Caixaltea. Hierop heeft Caixaltea de bankrekening geblokkeerd.

3.9

Bij e-mail van 27 juli 2016 heeft [F] namens Caixaltea aan de curator de ontvangst van zijn e-mail van 20 juli 2016 bevestigd en verzocht een vertaling van de faillissementsuitspraak met apostille te doen toekomen. Bij e-mail van 5 augustus 2016 heeft de curator aan dit verzoek voldaan.

3.10

Op de datum van levering van de vakantiewoning, 3 augustus 2016, heeft de notaris, Beatriz Azpitarte Melero te Altea, contact opgenomen met Caixaltea om de aflossing van de hypothecaire lening af te stemmen. Caixaltea heeft de notaris bevestigd dat na betaling van € 144.716,22 de hypothecaire lening volledig zou zijn afgelost en het hypotheekrecht zou kunnen worden doorgehaald in de openbare registers.

3.11

Daarna is op diezelfde dag, 3 augustus 2016, de akte van levering met betrekking tot de vakantiewoning gepasseerd ten overstaan van voornoemde notaris. De vakantiewoning is geleverd tegen een koopprijs van € 360.000,-, welk bedrag door [E] is voldaan door afgifte van een cheque ter hoogte van € 144.716,22 ten behoeve van Caixaltea, een cheque ter hoogte van € 150.872,06 ten behoeve van [B] en [C] en een cheque ter hoogte van € 17.611,72 ten behoeve van hun makelaar (naast de betalingen vermeld in rechtsoverweging 3.6.). Met betrekking tot het resterende, achtergehouden bedrag van € 10.800,- is onbekend of dit betaald is.

3.12

[B] en [C] hebben de cheque van € 150.872,06 niet (via een) bij Caixaltea (aangehouden bankrekening) geïnd.

3.13

Na aflossing van de hypothecaire lening van Caixaltea door middel van genoemde cheque van € 144.716,22 is het hypotheekrecht doorgehaald in de daartoe bestemde openbare registers.

3.14

Bij e-mail van 19 augustus 2016 is door Caixaltea een bankafschrift met betrekking tot de bankrekening aan de curator toegestuurd. Daarbij is door Caixaltea aangegeven dat er geen hypotheekrechten zijn.

3.15

Op 5 september 2016 heeft de curator aan Caixaltea verzocht aan te geven of er eerder wel hypotheken zijn geweest. Daarop heeft Caixaltea laten weten dat er op dat moment geen hypotheken waren. Op 5 oktober 2016 heeft de curator nogmaals verzocht of dat op enig moment anders was. Daarop is geen reactie ontvangen. De curator heeft op 18 oktober 2016 gerappelleerd, maar ook daarna is geen reactie ontvangen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

De curator heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd Ciaxaltea te veroordelen tot betaling van € 360.000,-, te vermeerderen met rente en kosten.

4.2

Caixaltea heeft verweer gevoerd.

4.3

De rechtbank heeft zich bij vonnis van 30 oktober 2019 onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het geschil en de curator in de proces- en nakosten veroordeeld.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

De curator is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Hij vordert – samengevat – dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 30 oktober 2019 vernietigt, de Nederlandse rechter bevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen en de zaak conform artikel 76 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (terug)verwijst naar de rechtbank om op de hoofdzaak te worden beslist. Daarnaast vordert de curator Caixaltea te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

5.2

Caixaltea is gevestigd in Spanje. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten. Centraal in dit hoger beroep staat de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

5.3

Met zijn eerste grief komt de curator op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van de curator gekwalificeerd moet worden als een zogenaamde Peeters/Gatzen-vordering en dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van deze vordering kennis te nemen daarom beoordeeld dient te worden volgens de regels van Verordening (EU)

nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-bis). De curator stelt dat de grondslag van zijn vordering niet is gebaseerd op een benadeling van schuldeisers voorafgaand aan het faillissement, zoals bij een Peeters/Gatzen-vordering het geval is, maar op een benadeling die zich tijdens het faillissement heeft voorgedaan. Daarom moet de bevoegdheid van de rechter om over deze vordering te oordelen niet worden beoordeeld aan de hand van Brussel I-bis, maar aan de hand van de regels uit Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: Insolventieverordening).

5.4

Het hof oordeel als volgt. In het arrest van 8 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2269) heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) over onder meer de rechtsmacht met betrekking tot Peeters/Gatzen-vorderingen. In zijn verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad de Peeters/Gatzen-vordering als volgt omschreven:

“In geval van benadeling van schuldeisers door de gefailleerde, voorafgaand aan het faillissement, is een faillissementscurator bevoegd op te komen voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers, waarbij, zoals de Hoge Raad voor het eerst heeft beslist in zijn arrest van 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4521, NJ 1983/597 (Peeters/Gatzen), onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken van een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad tegen een derde die bij die benadeling betrokken was, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe.”

5.5

Uit het arrest van het HvJEU van 6 februari 2019, ECLI:EU:C:2019:96 (NK/Paribas) volgt – kort gezegd – dat een door een curator ingestelde Peeters/Gatzen-vordering niet valt onder de werkingssfeer van de Insolventieverordening, maar onder de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I), de voorloopster van Brussel I-bis. Het HvJEU overweegt in zijn arrest van 6 februari 2019 dat het doorslaggevende criterium om vast te stellen onder welke regeling een vordering valt, niet is de procedurele context van die vordering maar de rechtsgrondslag ervan. Volgens deze benadering moet worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit de gemene regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht dan wel uit specifieke, afwijkende regels voor insolventieprocedures.

Ook al is er bij een Peeters/Gatzen-vordering onmiskenbaar een band met de insolventieprocedure aangezien het gaat om een vordering die is ingeleid door de curator in het belang van de schuldeisers, een dergelijke vordering kan ook door de schuldeisers afzonderlijk worden ingesteld, hetzij voor, tijdens of na de insolventieprocedure. Onder deze omstandigheden kan een Peeters/Gatzen-vordering, die kan worden ingesteld door de schuldeiser zelf en dus niet onder de uitsluitende bevoegdheid van de curator valt, en losstaat van de inleiding van een insolventieprocedure, niet worden beschouwd als een rechtstreeks en onlosmakelijk gevolg van een dergelijke procedure. Daarom valt een Peeters/Gatzen-vordering binnen de materiële werkingssfeer van Brussel I(-bis), aldus het HvJEU.

5.6

Omdat op het punt van de afbakening ten opzichte van de Insolventieverordening inhoudelijk geen verschil bestaat tussen Brussel I en Brussel I-bis, moet worden aangenomen dat de rechtsregel uit genoemd arrest ook van toepassing is onder het regime van

Brussel I-bis. De rechtsmacht inzake een Peeters/Gatzen-vordering moet in voorkomend geval dan ook worden beoordeeld aan de hand van Brussel I-bis, en valt niet onder de werkingssfeer van de Insolventieverordening.

5.7

In het licht van het arrest van het HvJEU is het dus van belang om de rechtsgrondslag van de onderhavige vordering vast te stellen. De vordering berust op een volgens de curator onrechtmatig handelen van Caixaltea, dat erin heeft bestaan dat Caixaltea op

3 augustus 2016 heeft meegewerkt aan (betalingen in het kader van) de levering van de vakantiewoning door [B] en [C] , terwijl Caixaltea wist dat [B] en [C] failliet waren verklaard en dus niet bevoegd waren tot die verkoop. De curator vordert vergoeding van de schade die voor de boedel het gevolg is van dit onrechtmatig handelen. Omdat de faillissementen van [B] en [C] op 7 juni 2016 zijn uitgesproken, gaat het hier om handelen dat na de faillietverklaringen heeft plaatsgevonden en onrechtmatig is vanwege dat faillissement. Caixaltea had in verband met de uit de faillietverklaringen voortvloeiende beschikkingsonbevoegdheid van [B] en [C] namelijk niet zonder instemming van de curator mogen meewerken aan de levering van de vakantiewoning. Daarmee kwalificeert volgens de curator zijn vordering in deze zaak niet als een Peeters/Gatzen-vordering, zoals deze door de Hoge Raad in zijn arrest van 8 september 2017 is omschreven, zodat ook de rechtsregel uit het arrest van het HvJEU in de zaak NK/Paribas niet op de vordering van toepassing is.

5.8

Het hof stelt vast dat de vordering van de curator dus is gebaseerd op een handelen van Caixaltea dat als gevolg van het faillissement van [B] en [C] door de curator als onrechtmatig wordt aangemerkt. De curator stelt immers dat Caixaltea in verband met de uit de faillietverklaringen voortvloeiende beschikkingsonbevoegdheid van [B] en [C] niet zonder instemming van de curator had mogen meewerken aan de levering van de vakantiewoning. De vordering van de curator houdt daarmee zeer nauw verband met het faillissement. De vordering kan niet door afzonderlijke schuldeisers zelf worden ingesteld en kan ook niet los worden gezien van de inleiding van de insolventieprocedure. Dit maakt dat de vordering van de curator naar het oordeel van het hof niet dient te worden beschouwd als een Peeters/Gatzen vordering die voortvloeit uit het gemene burgerlijke recht, maar als een vordering die voortvloeit uit het faillissementsrecht. De curator heeft zijn vorderingen ook mede gebaseerd op de artikel 23, 24, 53 en 54 Fw. Op basis van artikel 1 lid 2, aanhef en onder b, Brussel I- bis valt de vordering dan ook buiten de werkingssfeer van deze verordening. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter moet in plaats daarvan beoordeeld worden aan de hand van de regels uit de Insolventieverordening.

5.9

Op grond van artikel 3 van de Insolventieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen de vordering van de curator, nu de insolventieprocedures in Nederland zijn geopend. Daarmee slaagt de eerste grief en kan het bestreden vonnis van de rechtbank Noord-Nederland niet in stand blijven. De verzoeken van de curator om de Nederlandse rechter bevoegd te verklaren en de zaak (terug) te verwijzen naar de rechtbank om op de hoofdzaak te worden beslist, liggen hiermee voor toewijzing gereed (art. 76 Rv).

5.10

Nu het hof tot het oordeel komt dat de Nederlandse rechter bevoegd is, behoeven de grieven 2 tot en met 4 geen afzonderlijke bespreking meer. De vijfde grief, waarmee de curator opkomt tegen de proceskostenveroordeling door de rechtbank, slaagt ook. Het hof zal hierna afzonderlijk over de proceskosten oordelen.

6 De slotsom

6.1

De grieven 1 en 5 slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd.

6.2

Het hoger beroep slaagt en daarom zal het hof Caixaltea in de kosten van het

hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de curator zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 100,88

- griffierecht € 5.517,-

totaal verschotten € 5.617,88

- salaris advocaat € 4.064,- (1 punt x tarief € 4.064,-)

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van

30 oktober 2019 en doet opnieuw recht;

verklaart de Nederlandse rechter bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen;

verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, om op de hoofdzaak te worden beslist;

veroordeelt Caixaltea in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 5.617,88 voor verschotten en op € 4.064,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Caixaltea in de nakosten, begroot op € 163,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- in geval Caixaltea niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. van Rijssen, O.E. Mulder en J.G. Knot en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

6 april 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature