< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Riviermoord te Suriname

Is er sprake van een noodlottig ongeval of betreft het overlijden van een jonge vrouw een levensdelict?

Het hof verklaart moord bewezen. Ook is bewezen een met de moord samenhangende poging om verzekeringsgeld ad 300.000,- euro te innen en het vervalsen van een document. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan hypotheekfraude. Het hof wijst voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek af. Het hof legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 20 jaar en wijst de vordering benadeelde partij van de nabestaande toe.

Uitspraak



Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001398-19

Uitspraak d.d.: 2 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 28 februari 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-706995-15 en 16-659844-18, tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

thans ingeschreven en verblijvende in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 en 9 september 2020 en 18 en 19 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2 (beide varianten) en 3 (alle varianten) van de zaak met parketnummer 16-706995-15 en beide varianten in de zaak met parketnummer16-659844-18 en oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren met aftrek van voorarrest, afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis en volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. K. Karakaya, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft de feiten 1 primair, 2 (beide varianten) en 3 (alle varianten) van de zaak met parketnummer 16-706995-15 en beide varianten in de zaak met parketnummer16-659844-18 bewezen verklaard en heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest, heeft de verzoeken tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen, de vordering van de benadeelde partij toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het op onderdelen tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

Het hof kan zich in veel van de overige beslissingen en motiveringen van de rechtbank vinden. Het hof heeft daarom in zijn overwegingen in dit arrest zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de overwegingen van de rechtbank.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na nadere omschrijving en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

zaak met parketnummer 16-706995-15:

1. primairhij in of omstreeks de periode van 25 juni 2015 tot en met 29 juni 2015, te [plaats] , althans in Suriname , opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon, te weten [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte,

nadat hij die [slachtoffer] een (grote) hoeveelheid alcohol (met zeer hoog alcoholisch percentage) had laten nuttigen, althans wetende dat die [slachtoffer] een (grote) hoeveelheid alcohol (met zeer hoog alcoholpercentage) had genuttigd en/of dronken was, althans in onmachtige toestand, althans fors onder invloed van alcoholische drank verkeerde,

- die [slachtoffer] meegenomen naar de oever van een rivier en/of

- gewacht tot ze alleen waren en/of

- die [slachtoffer] op een muurtje/balustrade langs die rivier gelegd/geholpen en/of laten klimmen, althans laten plaatsnemen en/of

- die [slachtoffer] in dronken/bedwelmde/bewusteloze/comateuze/slapende toestand, althans in staat van verminderd bewustzijn, althans in onmachtige toestand, althans niet in staat tot zwemmen, op een muurtje/balustrade langs die rivier laten liggen en/of

- die [slachtoffer] in het water heeft doen laten belanden en/of

- die [slachtoffer] in dronken/bedwelmde/bewusteloze/comateuze/slapende toestand, althans in staat van verminderd bewustzijn, althans in onmachtige toestand, althans niet in staat tot zwemmen, op een rand van een muurtje/balustrade waarachter zich een rivier bevond achtergelaten (door verderop met zijn rug naar haar toe te gaan urineren), waarop zij in het water is gevallen/gerold, althans terecht is gekomen

en/of een of meer vormen van geweld op die [slachtoffer] heeft toegepast waardoor die [slachtoffer] in de rivier terecht is gekomen en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] laten verdrinken, althans

- nagelaten om die [slachtoffer] , die in dronken/bedwelmde/bewusteloze/comateuze/slapende althans onmachtige toestand in het water verkeerde, uit het water te redden, althans om daartoe een poging te ondernemen,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

1. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 25 juni 2015 tot en met 29 juni 2015, te [plaats] , althans in Suriname ,

roekeloos, althans aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld, ten gevolge waarvan een persoon, te weten [slachtoffer] , aan zijn schuld te wijten is verdronken en aldus is overleden, immers heeft hij, verdachte

wetende dat die [slachtoffer] een (grote) hoeveelheid alcohol (met zeer hoog alcoholpercentage) had genuttigd en/of dronken/ bedwelmd/bewusteloos/comateus/slapend was, althans in onmachtige toestand, althans fors onder invloed van alcoholische drank verkeerde,

- die [slachtoffer] meegenomen naar de oever van een rivier en/of

- die [slachtoffer] op een muurtje/balustrade langs die rivier gelegd/geholpen/laten klimmen, althans laten plaatsnemen en/of

- die [slachtoffer] in dronken/bedwelmde/bewusteloze/comateuze/slapende toestand, althans in staat van verminderd bewustzijn, althans onmachtig, op een muurtje/balustrade langs die rivier laten liggen en/of

- die [slachtoffer] in dronken/bedwelmde/bewusteloze/comateuze/slapende toestand, althans in staat van verminderd bewustzijn, althans onmachtige toestand, althans niet in staat tot zwemmen, op een rand van een muurtje/balustrade waarachter zich een rivier bevond achtergelaten (door verderop met zijn rug naar haar toe te gaan urineren) waarop zij in het water is gevallen/gerold, althans terecht is gekomen en/of

(vervolgens) nagelaten om die [slachtoffer] , die in dronken/bedwelmd/bewusteloos/comateus/slapend althans onmachtige toestand in het water verkeerde, uit het water te redden, althans om daartoe een poging te ondernemen;

2.hij in of omstreeks de periode van 7 mei 2015 tot en met 21 juli 2015 te [plaats] en/of te [plaats] , althans in Nederland en/of in Suriname ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

Coöperatie Dela, althans een ander, te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag (van EUR 300.000,- en/of EUR 10.000,-), althans enig goed, met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid (te weten de hoedanigheid van bonafide begunstigde) en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- op 7 mei 2015 [slachtoffer] een overlijdensrisicoverzekering heeft laten afsluiten ter hoogte van EUR 300.000,- en/of

- op 1 juni 2015 [slachtoffer] de begunstiging daarvan heeft laten wijzigen, waardoor hij de begunstigde werd en/of

- op 2 juni 2015 [slachtoffer] een uitvaartverzekering heeft laten afsluiten ter hoogte van EUR 10.000,- en/of

- op 15 juni 2015 [slachtoffer] de begunstiging daarvan heeft laten wijzigen, waardoor hij de begunstigde werd, terwijl hij van plan was om die [slachtoffer] van het leven te beroven, althans om die [slachtoffer] in omstandigheden te brengen die een aanmerkelijke kans op overlijden zouden doen ontstaan en/of

- op 16 juni 2015 vanuit Suriname telefonisch contact heeft opgenomen met Coöperatie Dela, zich heeft voorgesteld als meneer [naam ] en heeft gevraagd of de overlijdensrisicoverzekering van [slachtoffer] op de juiste manier in orde was gemaakt, daarbij de opmerking makende 'stel dat het straks zover is' en/of

- op 26 juni 2015 een rol heeft gespeeld, althans aanwezig is geweest bij het te water raken en/of overlijden van die [slachtoffer] te [plaats] en/of

- op 20 juli 2015 bij de gemeente een overlijdensuittreksel heeft opgevraagd en verkregen (terwijl hij officieel geen nabestaande is en een dergelijke akte niet aan hem verstrekt zou mogen worden) en/of

- op 21 juli 2015 het overlijden van die [slachtoffer] telefonisch heeft gemeld bij Dela en tijdens dit telefoongesprek heeft gezegd dat zij op 29 juni 2015 is overleden, in de ochtend, op een voor hem onbekend tijdstip, en/of (aldus) niet de (volledige) waarheid heeft gesproken over het feit

- dat zij al in de nacht van 26 juni 2015 te water is geraakt (en vermoedelijk op diezelfde datum is overleden) en/of

- dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] aanwezig is geweest (en dus wel degelijk een tijdstip zou kunnen noemen) en/of

- dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] een rol van betekenis heeft gespeeld, waarnaar strafrechtelijk onderzoek is/werd gedaan en/of

- op 21 juli 2015 telefonisch informatie heeft ingewonnen bij Coöperatie Dela welke stukken zij van hem nodig hadden om tot uitkering over te gaan en/of (vervolgens) heeft gevraagd/heeft laten nagaan of een uittreksel van de gemeente in dit geval niet voldoende zou zijn om tot uitkering over te gaan, nu hij (nog) niet de beschikking had over de stukken die daartoe eigenlijk nodig waren,

zijnde de uitvoering van het misdrijf niet voltooid

en/of

hij op of omstreeks 21 juli 2015 te [plaats] , althans in Nederland, anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens heeft verstrekt aan Coöperatie Dela, althans een (rechts)persoon door wie of door wiens tussenkomst enige verstrekking of tegemoetkoming wordt verleend, welk feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, dat de verstrekte gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte

terwijl hij de begunstigde was van een overlijdensrisicoverzekering en/of een uitvaartverzekering op naam van [slachtoffer] , afgesloten bij Dela,

op 21 juli 2015 het overlijden van die [slachtoffer] telefonisch gemeld bij Coöperatie Dela en tijdens dit telefoongesprek gezegd dat "zij op 29 juni 2015 is overleden, in de ochtend, op een voor hem onbekend tijdstip, en/of (aldus) niet de (volledige) waarheid gesproken over het feit

- dat zij al in de nacht van 26 juni 2015 te water is geraakt (en vermoedelijk op diezelfde datum is overleden) en/of

- dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] aanwezig is geweest (en dus wel degelijk een tijdstip zou kunnen noemen) en/of

- dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] een rol van betekenis heeft gespeeld, waarnaar strafrechtelijk onderzoek is/werd gedaan;

3.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 1 december 2015 te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels de rechtspersoon Dynamic Credit Woninghypotheken B.V., althans een rechtspersoon, heeft bewogen tot het verstrekken van een hypothecaire geldlening met een totaalbedrag van EUR 375.950,-, althans tot afgifte van een geldbedrag,

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een valse werkgeversverklaring en/of een valse salarisspecificatie ingediend of laten indienen bij die Dynamic Credit Woninghypotheken B.V. (en/of diens gevolmachtigde Quion Hypotheekbemiddeling B.V.) ter verkrijging van een hypothecaire geldlening met betrekking tot de onroerende zaak/woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] op naam van een ander dan verdachte,

waardoor die Dynamic Credit Woninghypotheken B.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 1 december 2015 te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een werkgeversverklaring d.d. 3 augustus 2015 op naam van [getuige 1] en/of

- een salarisspecificatie d.d. 31 juli 2015 op naam van [getuige 1] , (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte valselijk

- op die werkgeversverklaring aangekruist dat er sprake was van "een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst" (terwijl er geen sprake was van een dienstverband), althans op die werkgeversverklaring de datum van 1 april 2015 als datum van indiensttreding vermeld (terwijl op die datum (nog) geen sprake was van een dienstverband) en/of

- op die werkgeversverklaring vermeld een bruto jaarsalaris van EUR 66.000,-- en/of een vakantietoeslag van EUR 5.280,- (terwijl van genoemd(e) salaris(componenten) geen sprake was),

- op die salarisspecificatie vermeld dat die [getuige 1] per 1 april 2015 in dienst was bij [naam B.V.] (terwijl er geen sprake was van een dienstverband, althans (nog) niet op voornoemde datum), en/of

- op die salarisspecificatie vermeld dat die [getuige 1] een bruto maandsalaris genoot van EUR 5.500,- (terwijl van genoemd salaris geen sprake was),

zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 1 december 2015 te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e)

- werkgeversverklaring d.d. 3 augustus 2015 op naam van [getuige 1] en/of

- een salarisspecificatie d.d. 31 juli 2015 op naam van [getuige 1] ,

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst,

bestaande die valsheid of vervalsing hieruit dat:

- op die werkgeversverklaring staat aangekruist dat er sprake was van "een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst" (terwijl er geen sprake was van een dienstverband), althans op die werkgeversverklaring de datum van 1 april 2015 als datum van indiensttreding staat vermeld (terwijl op die datum (nog) geen sprake was van een dienstverband) en/of

- op die werkgeversverklaring staat vermeld een bruto jaarsalaris van EUR 66.000,- en/of een vakantietoeslag van EUR 5.280,- (terwijl van genoemd(e) salaris(componenten) geen sprake was),

- op die salarisspecificatie staat vermeld dat die [getuige 1] per 1 april 2015 in dienst was bij [naam B.V.] (terwijl er geen sprake was van een dienstverband, althans (nog) niet op voornoemde datum) en/of

- op die salarisspecificatie staat vermeld dat die [getuige 1] een bruto maandsalaris genoot van EUR 5.500,- (terwijl van genoemd salaris geen sprake was), en bestaande dat gebruikmaken hieruit dat voornoemde geschriften zijn overgelegd aan Dynamic Credit Woninghypotheken B.V. (en/of diens gevolmachtigde Quion Hypotheekbemiddeling B.V.) ter verkrijging van een hypothecaire geldlening met betrekking tot de onroerende zaak/woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] ;

zaak met parketnummer 16-659844-18:

1. primairhij in of omstreeks de periode van 9 september 2014 tot en met 17 april 2018 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, een kwitantie van een geldlening van 10.000 euro van verdachte aan [slachtoffer] d.d. 9 september 2014, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door de handtekening van die [slachtoffer] op voornoemde kwitantie te plaatsen/zetten/na te maken, zulks met het oogmerk op dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en/of

hij in of omstreeks de periode van 17 april 2018 tot en met 24 september 2018 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse kwitantie van een geldlening van 10.000 euro van verdachte aan [slachtoffer] d.d. 9 september 2014, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst -,

bestaande die valsheid en/of vervalsing hieruit dat die kwitantie valselijk is voorzien van een handtekening die de handtekening van die [slachtoffer] moest voorstellen,

en bestaande dat gebruikmaken hieruit dat die kwitantie is overgelegd aan de rechtbank en/of de officier van de justitie als bewijs voor de door hem, verdachte, gestelde geldlening aan voornoemde [slachtoffer] , als ware dat geschrift echt en onvervalst.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van de feiten 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 16-706995-15 en feit 1 in de zaak met parketnummer 16-659844-18

Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof de verschillende feiten op de tenlastelegging in de overwegingen in het arrest vanaf hier als de feiten 1, 2, 3 en 4 benoemen. Vanaf de bewezenverklaring zal de oorspronkelijke aanduiding worden gehandhaafd.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd om de onder 1 tenlastegelegde moord op [slachtoffer] bewezen te verklaren. Hij heeft daarbij verwezen naar de bewijsconstructie en de conclusies van de rechtbank. Ook in hoger beroep is op geen enkele manier het alternatieve scenario van verdachte aannemelijk(er) geworden.

De poging tot oplichting van Dela, de hypotheekfraude en het valselijk opmaken en vervolgens gebruik maken van de kwitantie, zoals ten laste gelegd onder 2, 3 en 4, dienen eveneens bewezen te worden verklaard.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is ter zitting van het hof betoogd, dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de feiten 1, 2, 3 en 4. Aannames en subjectieve oordelen hebben in het onderzoek tot nu toe te veel een rol gespeeld. Ontlastend bewijs heeft geen of onvoldoende aandacht gekregen. Verdachte ontkent alle tenlastegelegde feiten en dient integraal te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Overwegingen hof

De overwegingen van het hof zijn als volgt opgezet:

1. Feitelijke vaststellingen gebeurtenissen en onderzoek 25 juni 2015 tot en met 29 juni 2015:

1.1 Vondst lichaam

1.2 115 melding

1.3 Onderzoek door de Surinaamse politie

Gebeurtenissen op 25 en 26 juni 2015 en de dagen erna:

1.4 Etentje

1.5 Bezoek aan supermarkt [naam supermarkt]

1.6 Bioscoopbezoek verdachte en [vriendin 2]

1.7 [slachtoffer] brengt de avond door in het appartementencomplex aan de [adres 1]

1.8 Telefoongegevens van 26 juni 2015

1.9 Voorwaardelijk verzoek 1, horen personen Toyota Ist

1.10 Onderzoek naar de doodsoorzaak en vindplaats van het lichaam

2 Tussenconclusie hof

3. Relatie [slachtoffer] en verdachte

3.1 Relatie beschouwd vanuit de kant van [slachtoffer]

3.2 Relatie beschouwd vanuit de kant van verdachte

3.3 [vriendin 1]

3.4 Andere vrouwen

4 Financiële kant relatie [slachtoffer] en verdachte

4.1 Financiële situatie [slachtoffer] vóór leren kennen verdachte

4.2 Investering [naam bedrijf]

4.3 Inschrijving op verschillende adressen

4.4 Leningen op naam van [slachtoffer]

4.5 Bankrekeningen, overmaken en contante stortingen en opnames

4.6 Bedrijven en contracten op naam van [slachtoffer]

5. Het afsluiten van de levensverzekeringen en uitvaartverzekering

6. Verklaringen verdachte

6.1 Verklaringen verdachte over financiële relatie met [slachtoffer] en over het afsluiten van de overlijdensrisicoverzekeringen en de uitvaartverzekering

6.2 Verklaringen verdachte over de gebeurtenissen op 25 en 26 juni 2015 en zijn vertrek uit Suriname

7. Conclusies hof

7.1 Beoordeling hof verklaringen verdachte

7.2 Conclusies omtrent aard relatie

7.3 Conclusies financiële kant van de relatie

7.4 Conclusies afsluiten verzekeringen

8. Overige relevante feiten en omstandigheden

8.1 Getuige [ex-zakenpartner]

8.2 Afwijzing voorwaardelijk verzoek horen [ex-zakenpartner]

8.3 Opmerkelijke communicatie van verdachte over [slachtoffer] na haar overlijden

8.4 Verdachte en omgang met andere vrouwen kort na overlijden [slachtoffer]

8.5 Instrueren en beïnvloeden [vriendin 1]

9. Conclusies hof

9.1 Beoordeling hof verklaringen verdachte over gebeurtenissen 25 en 26 juni 2015

9.2 Voorwaardelijk verzoek 3, horen ex-vrouw van verdachte, [naam ex-vrouw]

9.3 Eindconclusie feit 1

9.4 Alcohol

9.5 Voorbedachte raad

10. Overwegingen met betrekking tot feit 2

11. Overwegingen met betrekking tot feit 3

12. Overwegingen met betrekking tot feit 4

1. Feitelijke vaststellingen gebeurtenissen en onderzoek 25 tot en met 29 juni 2015

1.1 Vondst lichaam

Op 29 juni 2015 wordt een lichaam gevonden aan de oever van de Surinamerivier, achter een houtzagerij gelegen aan de Zaagmolenweg te Meerzorg in het district Commewijne in Suriname . Na onderzoek blijkt dit het stoffelijk overschot te zijn van [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] of [slachtoffer] ), een Nederlandse vrouw van 29 jaren oud, gewoond hebbende te Nederland. Zij was op 24 juni 2015 met haar jongere zus [naam zus] naar Suriname gevlogen om een paar weken vakantie te vieren.

1.2 115 melding

Op 26 juni 2015 omstreeks 02:50 uur krijgt de centrale meldkamer van het Korps Politie Suriname een telefonisch bericht via het noodnummer 115. De beller is verdachte. Verdachte meldt in dat gesprek dat zijn vriendin bij de hoge brug in het water is gevallen.

1.3 Onderzoek door de Surinaamse politie

De Surinaamse verbalisant [verbalisant 1] krijgt op 26 juni 2015 om 03:10 uur de melding dat een manspersoon zich bevindt bij de voet van de Wijdenboschbrug aan de Meerzorgzijde, wiens vriendin in de Surinamerivier moet zijn gevallen en in de diepte is verdwenen. Als hij samen met zijn collega [verbalisant 2] ter plaatse aankomt blijkt voormelde manspersoon verdachte te zijn. Verdachte verklaart dat zijn vriendin in de rivier is verdwenen. [verbalisant 1] heeft verklaard dat verdachte op de vraag waarom hij niet achter zijn vriendin aan is gesprongen antwoordt dat hij de plek eng en donker vindt, dat hij de plek niet kent en ‘dat hij niet kon zwemmen’. Als [verbalisant 1] omtrent voorgaande wordt bevraagd door de rechter-commissaris verklaart hij dat deze verklaring klopt.

De Surinaamse verbalisant [verbalisant 3] verklaart ook dat hij verdachte later die nacht/ochtend hoort zeggen ‘dat hij zelf geen hulp kon bieden, daar hij geen zwemmer zou zijn.’

Tijdens zijn eerste verhoor op het politiestation verklaart verdachte tegen verbalisant [verbalisant 2] op de vraag wat hij heeft gedaan om [slachtoffer] uit het water te redden blijkens het proces-verbaal: “Ik kon haar niet redden daar dat ik ook niet kon zwemmen en wist op dat moment geen raad.” Vanaf zijn tweede verhoor bij de politie verklaart verdachte dat hij kan zwemmen.

Door de politie in Suriname wordt een onderzoek ingesteld. Verdachte wordt gehoord en moet zijn paspoort inleveren en zich beschikbaar houden voor het onderzoek. Vanaf zijn eerste verhoor verklaart hij telkens dat hij [slachtoffer] op 26 juni 2015 ’s nachts heeft opgehaald van het appartementencomplex en met haar over de brug naar de plek onder de brug (het hof begrijpt: bij de voet van de Wijdenboschbrug aan de Meerzorgzijde) is gereden, waar zij op enig moment in de rivier terecht is gekomen. Dit vindt allereerst bevestiging in de vondst van haar lichaam verderop aan de oever van de rivier drie dagen later en verder in de mastgegevens van de telefoon van [slachtoffer] (waaruit blijkt dat zij om 01:04 uur haar telefoon nog heeft gebruikt en zij zich op dat moment bevond in het appartementencomplex aan de [adres 1] ) en hetgeen de politie onder de brug (verdachte, zijn voertuig met daarin [slachtoffer] schoenen en armbanden) aantreft.

Op de plek bij de rivier, waarover verdachte heeft verklaard met [slachtoffer] te hebben verbleven, wordt braaksel aangetroffen. Het braaksel wordt onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van alcohol. Er wordt geen alcohol in het braaksel aangetroffen. Het hof stelt vast dat dit braaksel niet is onderzocht op DNA. Hoewel verdachte dit braaksel heeft aangewezen als zijnde braaksel van [slachtoffer] , stelt het hof vast dat niet op grond van overig bewijs kan worden vastgesteld van wie dit braaksel afkomstig is.

Het voertuig waar verdachte gebruik van maakte is onderzocht. Op de bodem voor de bijrijdersstoel wordt een paar zwarte damesschoenen aangetroffen. In de auto wordt ook een paar zilverkleurige damesarmbanden aangetroffen. De Surinaamse verbalisant [verbalisant 1] die in de nacht naar aanleiding van de melding ter plaatse kwam, verklaart dat hij toen aldaar kijkend in de auto op de bodem voor de bijrijdersstoel meerdere zilveren armbandjes zag liggen. Hij heeft daarvan een tekening gemaakt. De Surinaamse verbalisant [verbalisant 4] verklaart dat hij het vreemd vond dat de schoenen in de auto lagen en dat het meisje daar kennelijk op blote voeten heeft gelopen. Het is een vieze plek met zwerfhonden. Ook verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat de plek niet hygiënisch is en dat het niet een plek is om op blote voeten te gaan lopen.

De appartementen waarin verdachte en [slachtoffer] verbleven aan de [adres 1] zijn in verdachtes bijzijn onderzocht. In de keuken wordt op een tafel een onaangebroken fles en een geopende fles Marienburg rum (hierna genoemd: Palm rum) aangetroffen. Op de tafel in de eetkamer staat een leeg blikje Coca cola. Er worden geen glazen/cups aangetroffen waaruit was gedronken. Op het bed wordt de IPhone van [slachtoffer] aangetroffen. De flesjes Palm rum zijn onderzocht. Het percentage alcohol is 90 %. De inhoud van een vol flesje is 200 milliliter. De inhoud van het geopende flesje betrof nog 53,2 milliliter. Rekening houdend met een foutmarge is berekend dat er 146 tot 147,5 milliliter uit het flesje was. Op de hals van het flesje aan de buitenzijde wordt DNA van zowel [slachtoffer] als verdachte aangetroffen.

Op 29 juni 2015, direct zodra het onderzoek door de politie is gesloten, vliegt verdachte vanuit Suriname terug naar Nederland. Hij heeft op dat moment het door de politie gevonden lichaam van [slachtoffer] niet gezien en haar ouders niet gesproken. Ook later, in Nederland, spreekt verdachte op geen enkel moment met de familie van [slachtoffer] . Op het vliegveld van Suriname , vlak voor zijn vertrek, maakt verdachte een selfie waarop hij lachend staat afgebeeld. Hij stuurt deze foto naar [vriendin 1] .

Gebeurtenissen op 25 en 26 juni 2015 en de dagen erna

1.4 Etentje

Verdachte is op 4 juni 2015 vanuit Nederland naar Suriname gevlogen. Nadat [slachtoffer] samen met haar zus op 24 juni 2015 omstreeks 15:30 uur was geland op het vliegveld van Suriname en zij met hun familie in de familiewoning waren aangekomen, is [slachtoffer] vroeg in de avond door verdachte opgehaald om met hem tijd door te brengen. Verdachte nodigt de volgende dag de ouders van [slachtoffer] , die vanwege het (ver)bouwen van hun familiehuis en voor vakantie ook enige weken in Suriname verblijven, en haar zus op 25 juni 2015 uit om met hem en [slachtoffer] uit eten te gaan. Het etentje is volgens verdachte bedoeld om rust te creëren in [slachtoffer] familie en om te laten zien dat hij haar vriend is. [slachtoffer] ouders en zus worden om 17:00 uur door verdachte en [slachtoffer] opgehaald. Zij dineren daarna samen in een restaurant. Bij het eten wordt geen alcohol gedronken. Verdachte betaalt het etentje. Rond 19:00 uur brengen verdachte en [slachtoffer] haar ouders en zus naar een familielid. Verdachte en [slachtoffer] rijden daarna samen weg.

1.5 Bezoek aan supermarkt [naam supermarkt]

Uit camerabeelden, die onderdeel uitmaken van het dossier, blijkt dat [slachtoffer] en verdachte de avond van 25 juni 2015 omstreeks 19:40 uur de supermarkt [naam supermarkt] in lopen. [slachtoffer] pakt een flesje Palm rum uit het schap en geeft het aan verdachte. Verdachte en [slachtoffer] kijken samen naar het etiket en zijn in gesprek. [slachtoffer] neemt het flesje over van verdachte. Verdachte pakt een tweede flesje Palm rum en kijkt naar het etiket. Hij loopt ermee naar de kassa. [slachtoffer] volgt hem. Verdachte overhandigt een paar bankbiljetten aan [slachtoffer] . Zij heeft dan de twee flesjes Palm rum in haar handen. Verdachte begint te hoesten. Verdachte pakt zijn mobiele telefoon en maakt een foto van [slachtoffer] terwijl zij poseert met de twee flesjes Palm rum. [slachtoffer] gaat vóór verdachte in de rij staan. Verdachte hoest nog een paar keer. Hij spreekt [slachtoffer] aan en loopt terug de winkel in. Ondertussen rekent [slachtoffer] de twee flesjes Palm rum af.

Op de telefoon van verdachte zijn drie foto’s aangetroffen van [slachtoffer] met twee flesjes Palm rum in haar hand. De foto’s zijn gemaakt op 25 juni 2015 om 19:48 uur in de supermarkt [naam supermarkt] .

1.6 Bioscoopbezoek verdachte en [vriendin 2]

Op 25 juni 2015 om 21:30 uur gaat verdachte met een andere vrouw, genaamd [vriendin 2] , naar de bioscoop. [slachtoffer] is hier niet van op de hoogte. Verdachte vertelt haar dat hij die avond een zakelijke afspraak heeft. Omstreeks 23:00 uur is de film afgelopen en gaan [vriendin 2] en verdachte met de auto van verdachte nog wat eten halen. Wanneer zij langs horecagelegenheid [naam bar 1] rijden stapt verdachte uit omdat zijn accountant (het hof begrijpt: [getuige 2] ) op dat moment daar zit met een tweede persoon. [vriendin 2] komt er op verzoek van de accountant ook even bij zitten. Op een gegeven moment geeft verdachte aan [vriendin 2] aan dat hij weg wil omdat hij slaap heeft. Verdachte en [vriendin 2] rijden dan in verdachtes auto terug naar de auto van [vriendin 2] . Verdachte zegt tegen [vriendin 2] dat hij naar huis gaat en rijdt heel hard weg.

[getuige 2] heeft verklaard dat hij die avond met [getuige 3] had afgesproken in de [naam bar 1] tegenover hotel [naam hotel] . Rond 24:00 uur komt verdachte langs. Verdachte zegt dat hij zijn vriendin thuis gaat brengen en een andere vriendin gaat ophalen om naar de [naam bar 2] te gaan waar hij heeft afgesproken met [naam ] . Verdachte vraagt of [getuige 2] en [getuige 3] ook nog naar de [naam bar 2] komen.

1.7 [slachtoffer] brengt de avond door in het appartementencomplex aan de [adres 1]

[vriendin 3] is samen met haar moeder [getuige 10] als zij [slachtoffer] op 25 juni 2015 tussen 21:00 uur en 22:00 uur voor de deuropening van appartement 2 op de tweede verdieping van het appartementencomplex aan de [adres 1] ziet. Dit appartementencomplex is eigendom van een oom van verdachte en wordt door verdachte gehuurd. De moeder van [vriendin 3] , [getuige 10] , ziet een jongedame van Hindoestaanse komaf (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) om ongeveer 21:00 uur voor appartement 2 staan. Om ongeveer 22:00 uur ziet zij dat [slachtoffer] nog steeds op dezelfde plek staat. Ze maakt op [getuige 10] een erg zenuwachtige indruk, bijna ‘bangerig’ te noemen. [getuige 10] stelt haar een aantal vragen. [slachtoffer] vertelt [getuige 10] onder meer dat ze niet de vrouw, maar de vriendin van verdachte is. [slachtoffer] lijkt helemaal niet dronken en lijkt ook niet onder invloed van alcohol. [getuige 10] heeft het ook niet geroken aan haar uitademing.

1.8 Telefoongegevens van 26 juni 2015

Op 26 juni 2015 omstreeks 00:47 uur maakt de telefoon van [slachtoffer] contact met de telefoon van verdachte. De locatie van de telefoon van [slachtoffer] is op dat moment in de buurt van de masten Commissarisweg en Welgedacht B. De verbalisant concludeert dat [slachtoffer] zich op dat moment naar alle waarschijnlijkheid ‘thuis’ (het hof begrijpt: in het appartementencomplex aan de [adres 1] ) bevindt. Verdachte bevindt zich op dat moment in de omgeving van De Boerbuiten.

Verdachte verplaatst zich blijkens mastgegevens tussen ongeveer 00:32 uur en 01:04 uur vanuit de omgeving van [naam hotel] naar de omgeving waar [slachtoffer] zich bevindt. Hij legt de route af van [naam hotel] naar de Boerbuiten, naar Hermitage, naar Hannaslust.

Om 01:04 uur maakt de telefoon van [slachtoffer] contact met de telefoon van verdachte. De locatie van de telefoon van [slachtoffer] is dezelfde als om 00:47 uur. De telefoon van verdachte is op dat moment bij Hannaslust.

Verdachte appt om 01:30 uur in een WhatsApp-groep, bestaande uit [naam ] , [getuige 2] en hemzelf, de volgende berichten: “Ik rij zo naar Havana. Mijn vriendin wil eerst nog naar de brug. Ze heeft erg veel gedronken. Even van het uitzicht genieten.” Verdachte heeft op 29 juni 2015 om 12:14 uur een screenshot van dit gesprek gemaakt.

Om 01:37 uur beantwoordt verdachte een berichtje van [vriendin 2] . In zijn berichtje staat: “X was erg gezellig. Sweet dreams, You are great.”

Verdachte maakt om 01:44 uur een notitie op zijn telefoon. In de notitie staat ‘[kentekennummer]’. Uit onderzoek door de Surinaamse politie blijkt dat een gelijkluidend (Surinaams) kenteken is afgegeven aan een witgelakte Toyota Ist. Verdachte heeft verklaard dat toen hij met [slachtoffer] op de plek bij de rivier was, daar eerst nog een ander stelletje was, rijdend in een witte Toyota Ist, welke Toyota na een half uurtje was vertrokken. Het hof concludeert op grond van voorgaande dat verdachte toen hij met [slachtoffer] op de plek bij de rivier was, het kenteken heeft genoteerd van de auto die daar aanvankelijk tegelijkertijd aanwezig was.

Om 02:50 uur belt verdachte zoals hiervoor reeds aangegeven het noodnummer 115.

Om 02:56 uur belt verdachte naar [naam ] . Dit gesprek duurt 485 seconden (ruim 8 minuten).

Om (Nederlandse tijd 08:08 uur, het hof begrijpt Surinaamse tijd) 03:08 uur appt verdachte naar [naam ] : “Politir is er”.

Op 26 juni 2015 hebben verdachte en [naam ] op meerdere momenten contact met elkaar via WhatsApp. Omstreeks 14:25 uur appt verdachte naar [naam ] : “Ik denk dat ik hulp nodig zal hebben. De ouders gaan ontkennen dat ze drinkt. Terwijl ze zwaar heeft gedronken. Heb ik zelfs een foto van.”

1.9 Afwijzing voorwaardelijk verzoek 1, horen personen Toyota Ist

Door de verdediging is verzocht om, in het geval het hof de notitie ‘ [kentekennummer] ’ van verdachte in belastende zin aanmerkt en vaststelt dat er een link is tussen deze notitie en een witte Toyota Ist, het onderzoek te heropenen en nader onderzoek te gelasten naar de tenaamgestelde en naar de gebruikers van de auto met dat kenteken op 26 juni 2015, zodat de verdediging in de gelegenheid kan worden gesteld deze tenaamgestelde en de gebruikers van het kenteken op 26 juni 2015 te vragen of dit voertuig op 26 juni 2015 onder de brug stond, of zij het voertuig van verdachte en hem en [slachtoffer] daarin hebben gezien en wat zij daarvan hebben waargenomen.

Het hof stelt vast dat de Surinaamse politie onderzoek heeft gedaan naar de tenaamgestelde van het kenteken en dat dit [naam ] betreft. Ook blijkt uit het dossier dat de Nederlandse politie de Surinaamse politie heeft gevraagd of zij onderzoek hadden gedaan naar de inzittenden van de witte Toyota Ist en dat de Surinaamse politie heeft laten weten dat de inzittenden van de witte Toyota Ist onbekend zijn gebleven. Over de identiteit van de personen die de bewuste nacht de Toyota Ist gebruikten, is op 26 juni 2015 ‘s nachts ter plaatse, en ook nadien, geen andere informatie dan de tenaamstelling bekend geworden. Het hof stelt ook vast dat het bij wijzen van dit arrest meer dan vijf en een half jaar geleden is dat de betrokken Toyota onder de brug op de parkeerplaats heeft gestaan. Eventuele getuigen – als zij al getraceerd kunnen worden – zouden in dit geval de vraag moeten beantwoorden welke voor hen tamelijk alledaagse waarneming zij - bij nacht van al dan niet aanwezigheid van anderen in een voor hen willekeurige auto onder de brug - toen hebben gedaan. Een (betrouwbaar) antwoord op die vraagstelling lijkt gelet op de (alledaagse) aard van de gevraagde waarneming en de werking van het menselijk geheugen met dit ruime tijdsverloop onwaarschijnlijk.

Los van het voorgaande acht het hof het gevraagde nadere onderzoek niet noodzakelijk.

Het hof overweegt hieromtrent, dat verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] en hij in de auto hebben verbleven totdat de Toyota Ist was weggereden. Over de wijze en het moment van het te water raken van [slachtoffer] kunnen de gebruikers van die auto dan ook niet verklaren. Uitgaande van deze verklaring van verdachte, acht het hof de eventuele waarnemingen van het stelletje van de witte Toyota Ist niet zodanig relevant dat nader onderzoek op dit punt noodzakelijk is. Het hof acht zich door de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende geïnformeerd en nader onderzoek niet noodzakelijk.

Het voorwaardelijke verzoek wordt afgewezen.

1.10 Onderzoek naar de doodsoorzaak en vindplaats van het lichaam

Op 29 juni 2015 wordt er in Suriname onderzoek gedaan op het lichaam van [slachtoffer] . De patholoog Chan concludeert dat er sprake is van overlijden vermoedelijk ten gevolge van verstikking ten gevolge van verdrinking.

Mede vanwege deze conclusie van Chan wordt een nader onderzoek door de Surinaamse politie niet noodzakelijk geacht en wordt de zaak op 29 juni 2015 formeel gesloten.

Nadien wordt er in Nederland door de patholoog Van de Goot een hersectie uitgevoerd op het lichaam. Van de Goot concludeert in zijn rapport van 15 juli 2015 dat er geen doodsoorzaak aanwijsbaar is, maar dat er ook geen aanwijzingen zijn die de diagnose verdrinking als eerste overweging aannemelijk maken. In zijn rapport d.d. 23 maart 2016 waarin Van de Goot ook de resultaten van patholoog Chan meeneemt, geeft hij weer dat bij bijna elke verdrinking een aantal kenmerken voorkomt te weten het opzetten van de longen, debris dan wel schuim in de luchtwegen en water in de maag, maar dat bij [slachtoffer] geen van deze kenmerken aanwezig waren. Van de Goot concludeert dat de diagnose verdrinking niet perse fout hoeft te zijn, maar dat het onterecht is deze diagnose als enige mogelijkheid te stellen en dat andere doodsoorzaken beslist niet uitgesloten zijn.

Patholoog Soerdjbalie-Maikoe concludeert op basis van de foto’s, het rapport van Van de Goot van 15 juli 2015 en het rapport van Chan dat er geen doodsoorzaak is gebleken. Voorts concludeert zij dat er geen bevindingen zijn die zouden kunnen duiden op verdrinking, maar dat zij verdrinking als doodsoorzaak niet uitsluit.

Lunetta, hoogleraar in de Forensische geneeskunde, gaat in zijn op 7 maart 2017 opgestelde rapport in op de door Van de Goot besproken kenmerken die voorkomen bij verdrinking, maar noemt dat het ontbreken van de met verdrinking verbonden kenmerken door Van de Goot niet kritisch is geëvalueerd in de context van de verregaande staat van ontbinding van het lichaam. Volgens Lunetta is de bekende mogelijkheid van dood door verdrinking zonder dat dit morfologische bevindingen bij autopsie oplevert met name bij lijken met vergaande ontbinding enigszins over het hoofd gezien door Van de Goot. Lunetta concludeert dat de doodsoorzaak onbekend en de manier van overlijden onbepaald is.

Professor S. Naipal, hydroloog, concludeert dat, uitgaande van het te water raken van het lichaam bij de ‘Vermakelijkheidspier’ (het hof begrijpt: bij de voet van de Wijdenboschbrug aan de Meerzorg zijde daar waar verdachte en [slachtoffer] zijn geweest), het aannemelijk is dat het lichaam terecht komt op de locatie waar het gevonden is en dat het zeer wel mogelijk is dat het lichaam daar al in de loop van 26 juni 2015 terecht is gekomen.

2 Tussenconclusie hof

Het hof concludeert op grond van voorgaande feiten en omstandigheden dat [slachtoffer] op 26 juni 2015 om 01:04 uur (het moment waarop [slachtoffer] telefonisch contact zoekt met de telefoon van verdachte die zich dan nog elders bevindt) nog in leven was en dat verdachte daarna met [slachtoffer] in de auto op 26 juni 2015 vanaf het appartementencomplex aan de [adres 1] over de Wijdenboschbrug naar de voet van de Wijdenboschbrug aan de Meerzorgzijde is gereden. Verder concludeert het hof dat [slachtoffer] tussen het tijdstip van 01:04 uur en 03:08 uur aldaar te water is geraakt en dat haar stoffelijk overschot drie dagen later is gevonden. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat op basis van de verschillende conclusies van deskundigen niet met zekerheid kan worden vastgesteld of zij op het moment van te water raken nog in leven was. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van die verschillende conclusies van de diverse pathologen die vanuit hun deskundigheid hebben gerapporteerd over de mogelijke doodsoorzaak van [slachtoffer] . Op de eerste rapportage na, blijkt dat er geen sprake is van eenduidigheid ten aanzien van de doodsoorzaak. Het hof verenigt zich met de conclusies van de deskundigen Van de Goot, Soerdjbalie-Maikoe en Lunetta en maakt de conclusie tot de zijne dat een doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld.

Op basis van de mastgegevens van de telefoon van [slachtoffer] (waaruit blijkt dat zij om 01:04 uur haar telefoon nog heeft gebruikt), in combinatie met wat de politie in het appartement van [slachtoffer] (haar telefoon) en onder de brug (verdachte, zijn auto met daarin haar schoenen en armbanden) aantreft en hetgeen verdachte verklaart, stelt het hof vast dat verdachte degene is die als laatste in de nabijheid van [slachtoffer] was toen zij nog in leven was.

3 Relatie [slachtoffer] en verdachte

3.1

Relatie beschouwd vanuit de kant van [slachtoffer]

leert verdachte via internet kennen als ze op zoek is naar een kamer die zij wil huren voor haar toenmalige vriend uit Suriname . Verdachte biedt op internet kamers aan en vanaf maart of april 2013 huurt [slachtoffer] een kamer bij verdachte voor de duur van een jaar.

Haar familie laat de politie na haar dood weten dat [slachtoffer] elke avond in het ouderlijk huis sliep en dat zij de afgelopen jaren (het hof begrijpt: feitelijk) nergens anders dan in haar ouderlijk huis heeft gewoond.

Op een gegeven moment gaat het uit met [slachtoffer] Surinaamse vriend. Uit de verklaringen van [vriendin 1 slachtoffer] , haar beste vriendin, blijkt dat [slachtoffer] verdachte rond die tijd leuk begint te vinden. Een andere vriendin, [vriendin 2 slachtoffer] , verklaart dat [slachtoffer] verdachte aantrekkelijk vindt en dat ze diepgaande gesprekken met hem heeft over school en haar ouders. Ze spreken af en toe af, verdachte haalt haar dan op bij het huis van haar ouders. Ze gaan dan uit eten of een stukje rijden. Ze krijgen ook een seksuele relatie. Verdachte heeft echter weinig tijd voor haar. Hij zegt altijd dat hij druk is met zijn werk. [slachtoffer] doet veel voor verdachte: ze wast en strijkt zijn kleding en maakt schoon. Naarmate hun relatie langer duurt komt [slachtoffer] erachter dat de relatie van verdachte met zijn ex-vrouw (toevoeging hof: [naam ex-vrouw] ) nog meerdere keren aan en uit gaat.

Van 4 november 2014 tot en met 25 november 2014 is [slachtoffer] in Suriname . Ze verblijft met verdachte in het appartementencomplex aan de [adres 1] . Ze verblijven daar vanwege zaken van verdachte. [slachtoffer] gaat er op voorhand vanuit dat zij hem daarbij zal assisteren. Verdachte neemt haar echter niet mee naar zijn zakelijke afspraken en ze zit veel alleen in het appartement aan de [adres 1] . ’s Nachts belt ze huilend met [vriendin 1 slachtoffer] . Ze vertelt [vriendin 1 slachtoffer] dat ze ziet dat verdachte uitgaat met andere vrouwen. Ook vertelt ze haar dat ze eerder is teruggekomen vanwege de andere vrouwen.

[getuige 4] , een zakelijke relatie van verdachte, verblijft in diezelfde periode ook in Suriname in het appartementencomplex. Zij ziet [slachtoffer] dagelijks en neemt haar onder haar hoede. [getuige 4] bemerkt dat verdachte en [slachtoffer] apart slapen. [slachtoffer] vertelt haar dat zij de vriendin van verdachte is. Verdachte neemt echter ook andere vrouwen mee naar het appartementencomplex en loopt [slachtoffer] voorbij met een andere vrouw zonder gedag te zeggen. Zij blijven ook slapen en gaan de volgende dag weer weg. Dit doet [slachtoffer] erg veel. [getuige 4] spreekt verdachte er op aan. Verdachte zegt daarop tegen [getuige 4] dat [slachtoffer] gewoon een vriendin is en dat [slachtoffer] weet dat hij niet verliefd op haar is. [slachtoffer] huilt veel. Ze vertelt [getuige 4] dat ze heel gek is op verdachte, maar dat ze ook bang voor hem is. Hij pakt haar telefoon, checkt haar en wist haar foto’s. Hij is gemeen en naar tegen haar en negeert haar. Hij heeft haar volledig in zijn greep. Ze denkt echt dat hij met haar gaat trouwen.

[naam oom] , een oom van verdachte, verblijft in diezelfde periode ook in het appartementencomplex in Suriname . Hij krijgt de indruk dat [slachtoffer] koste wat het kost verdachtes vriendin wil zijn. Ze vraagt bij alles toestemming aan verdachte en als verdachte iets zegt, dan doet [slachtoffer] dat.

[slachtoffer] komt twee of drie dagen eerder dan gepland terug uit Suriname . Ze moet huilen en vertelt haar zusje dat ze zich niet goed voelt en dat ze haar familie heeft gemist. Ze wil haar familie niet vertellen wat er is gebeurd.

In het dagboek van [slachtoffer] dat in Suriname in het kader van het onderzoek naar haar dood door de politie in beslag is genomen, beschrijft [slachtoffer] keer op keer hoe verliefd ze op verdachte is en hoeveel ze van hem houdt, maar dat verdachte nooit tijd voor haar heeft, haar geen aandacht geeft, haar afstoot en haar het gevoel geeft dat ze niet goed genoeg voor hem is. De tekst in het dagboek is niet voorzien van een datum. Wel verwijst [slachtoffer] naar de tijd die verdachte en zij eerder samen in Suriname doorbrachten. Het hof concludeert dat de tekst door [slachtoffer] in ieder geval gedeeltelijk is geschreven tussen 25 november 2014 en 26 juni 2015.

In de week voordat zij op 24 juni 2015 naar Suriname vliegen verblijven [slachtoffer] en haar zusje bij een vriendin van de familie, [getuige 5] . [getuige 5] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar in die week op een avond vertelt over haar vriend. Ze is blij en gelukkig omdat ze een tweede kans van hem krijgt. Ze heeft het weer goed gemaakt met hem en ze wil dat aan haar ouders vertellen in Suriname . Ze zegt dat ze gewoon zal gaan ook al krijgt ze dan ruzie met haar ouders.

Op 12 juni 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] het volgende WhatsApp gesprek:

“Verdachte: Ik wil je gezond hier

[slachtoffer] : Ja…

Verdachte: Knuffelen

Verdachte: En de hele dag vrijen

[slachtoffer] : Hmmm.. Wil ik ook”

Verdachte: Heb je je post opgehaald van kantoor

[slachtoffer] : Wil niet ziek komen”

Op 17 juni 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] het volgende WhatsApp gesprek:

Verdachte: al bijna twee jaar samen.

[slachtoffer] : Gaat snel. Ja. Gisteren nog met me vriendin erover.

Verdachte: de dag dat je bij me kwam voor een kamer. En nu kijk hoever tijd ons heeft gebracht.

[slachtoffer] : Ja.

Verdachte: Jammer dat je ouders lastig zijn.

[slachtoffer] : heel veel…. Ja echt hè…

Verdachte: Maar goed ook dat overwinnen wel wrl

[slachtoffer] : Ja… komt goed.

Op 18 juni 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] het volgende WhatsApp gesprek:

Verdachte: Ja ik ook ik wil je de hele dag vrijen. En als je hier bent haal ik je op bij je ouders.

[slachtoffer] : OK…

Verdachte: En dan weten zij ook direct dat je van mij bent en blijft. En dat het niet meer over gaat. Wat zij ook willen.

[slachtoffer] : Ja. En dat ze niet zo moeilijk meer gaan doen.

Verdachte: precies.

Op 24 juni 2015, voor of tijdens de vlucht naar Suriname , stuurt [slachtoffer] een berichtje naar haar ouders dat ze graag een paar dagen met verdachte wil doorbrengen in Suriname . [slachtoffer] en haar zusje worden in Suriname door hun ouders opgehaald van het vliegveld. Als ze in het familiehuis in [plaats] zijn aangekomen belt verdachte. Niet lang erna komt hij aanrijden met zijn auto en komt hij even binnen. [slachtoffer] gaat daarna met hem mee.

3.2

Relatie beschouwd vanuit de kant van verdachte

Verdachte heeft op verschillende momenten uitgebreid verklaard over zijn relatie met [slachtoffer] .

Verdachte heeft onder meer verklaard dat zij zijn vriendin was. Op andere momenten zegt hij dat [slachtoffer] slechts een vriendin is. Ook heeft hij verklaard dat ze zijn buitenvrouw was waar hij voor zorgde, dat dit twee jaren voor het verhoor (het hof begrijpt: omstreeks november 2013) is begonnen, nadat zij afstand had genomen van haar vorige vriend. Dit moment van relatiebeëindiging vindt bevestiging in gegevens van de huisarts van [slachtoffer] , luidende dat [slachtoffer] bij de huisarts is geweest in verband met de breuk van haar relatie met haar vriend in 2013. Verder verklaarde hij dat zij, na [vriendin 1] , zijn tweede vriendin was en dat [slachtoffer] op zichzelf zou gaan wonen in augustus 2015. Dit was anders met [vriendin 1] . Bij [vriendin 1] voelt hij zich prettiger, met [slachtoffer] was het echt eenrichtingsverkeer. Later in het verhoor verklaart verdachte dat hij een paar dagen in de week bij [slachtoffer] zou gaan wonen en een paar dagen bij [vriendin 1] . [slachtoffer] accepteerde deze situatie volgens verdachte. Ze wist dat verdachte nog een relatie had met zijn ex-vrouw en ze wist ook dat hij een andere vriendin had. Nog later in het verhoor verklaart verdachte dat [slachtoffer] niet wist van zijn plannen om met [vriendin 1] te gaan samenwonen. Ter zitting van de rechtbank heeft hij verklaard dat hij (onder meer tegen [slachtoffer] ) niet eerlijk is geweest door te zeggen dat hij exclusief voor haar was. Ter zitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat hij een wederkerige, gelijkwaardige relatie had met [slachtoffer] .

De andere vriendin van verdachte is [vriendin 1] . Over haar verklaart verdachte onder meer – kort gezegd – dat hij de eerste date met haar heeft in april 2014 en dat zij vanaf de kerstdagen 2014 ‘nummer één’ is. Op andere momenten heeft verdachte verklaard dat dit niet klopt en dat zij pas na juni 2015 een grote rol is gaan spelen. Vanaf april (het hof begrijpt: 2015) woont verdachte samen met [vriendin 1] in haar appartement in [plaats] . Niet lang daarna besluiten verdachte en [vriendin 1] te gaan samenwonen in [plaats] . Reden hiervoor is dat verdachte dicht in de buurt van de school van zijn twee zonen wil wonen. Ze gaan op zoek naar een woning en besluiten in mei/juni 2015 om per 1 augustus 2015 aan de [adres 2] te gaan wonen, waar de kinderen ieder een eigen slaapkamer kunnen krijgen. De huurders die er op dat moment inzitten, worden door verdachte op de hoogte gesteld dat ze er uitmoeten.

3.3

[vriendin 1]

heeft verklaard dat zij verdachte in maart 2014 heeft leren kennen via Tinder. Zij kregen snel een relatie. Ze heeft verdachte half april 2014 aan haar ouders voorgesteld. In september 2014 gaan [vriendin 1] en verdachte op vakantie naar de Dominicaanse Republiek. In januari/februari 2015 is [vriendin 1] ongeveer tien of twaalf dagen met verdachte in Suriname . Op een vraag van de verbalisanten wat verdachte heeft verteld over de plek waar [slachtoffer] in het water is gevallen verklaart [vriendin 1] dat ze daar in januari of februari (het hof begrijpt: 2015) zelf ook is geweest. Zij beschrijft dat je de brug over moet, de bocht om en dan naar beneden, dat je daar een mooi uitzicht hebt, dat zij er niet lang is geweest en dat ze er op een avond is geweest. Het was het idee van verdachte om naar deze plek toe te gaan. Bij haar verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft [vriendin 1] verteld dat het klopt dat je uit [plaats] rijdt als je naar de plek toe rijdt aan het einde van de brug. Verder heeft ze verklaard dat zij er maar één keer is geweest en dat ze met de auto waren. Ze logeerde in [plaats] en ze moesten de brug over. Toen ze gingen was het avond, alles was donker. Ze verklaart dat zij bij de politie over die plek de waarheid heeft verklaard zoals zij zich dat toen herinnerde. [vriendin 1] zegt dat verdachte haar heeft verteld dat zij er niet is geweest.

Er zijn meerdere Skype gesprekken aangetroffen tussen [vriendin 1] en verdachte, gevoerd in de maanden januari, maart en april 2015 waarin beiden seksueel getinte uitlatingen doen. [vriendin 1] geeft aan dat ze haar tijd met verdachte niet wil delen met een andere vrouw. [vriendin 1] bestelt op 14 juni 2015 voor € 2.822,- aan meubels op naam van verdachte met als afleveradres [adres 2] te [plaats] . Vanaf augustus 2015 gaan [vriendin 1] en verdachte daadwerkelijk samen aan de [adres 2] wonen. [vriendin 1] heeft geen overlijdensrisicoverzekering.

3.4

Andere vrouwen

[vriendin 5] leert verdachte eind augustus/begin september 2014 kennen op de salsadansschool in [plaats] . In het begin hebben zij een liefdesrelatie. Ze weet zeker dat verdachte op dat moment geen relatie had. Zij noemt hem de liefde van haar leven. Verdachte zegt tegen haar dat de verliefdheid wederzijds is. Zij huurt vanaf eind november/december 2014 een kamer aan de [adres 2] in [plaats] . Verdachte had gezegd dat het de bedoeling was dat ze zouden proberen te gaan samenwonen op dit adres. [vriendin 5] kent [vriendin 1] niet. Ze heeft [slachtoffer] nooit ontmoet. De poststukken die op naam van [slachtoffer] binnenkwamen werden door de bewoners aan verdachte gegeven. De huurovereenkomst tussen verdachte en [vriendin 5] is per 27 juli 2015 ontbonden.

[vriendin 3] leert verdachte in november 2014 kennen in Suriname , waar haar moeder werkt voor verdachte in het appartementencomplex aan de [adres 1] . In december 2014 vraagt verdachte of ze zijn vriendin wil worden. Zij geeft dan aan dat ze hierover na wil denken. In de maand december 2014 gaat [vriendin 3] met verdachte naar verschillende plekken in Suriname . Verdachte heeft haar ook eens meegenomen naar de onderkant van de Wijdenboschbrug in het district Commewijne. Toen ze daar waren hebben ze met elkaar gepraat. Verdachte zei tegen haar dat hij naar deze plek ging als hij rust wilde, het was zijn plekje. [vriendin 3] heeft bij de raadsheer commissaris uitgelegd hoe er naar de plek onder de brug in Commewijne werd gereden, dat het toen in de avond en donker was. Zij herinnert zich dat verdachte vertelde dat het zijn plekje was, dat dat in de auto was, dat zij er naar toe reden en dat verdachte dat vertelde. Verdachte had haar opgehaald die avond en toen zijn ze naar dat plekje gegaan. Zij weet dat ze onder aan de brug waren. Je moet erover heen rijden om er onder te komen. Verdachte wil in die tijd seks met haar hebben, maar ze heeft dat aldoor geweigerd. Zij hebben veelvuldig WhatsApp-contact in november en december 2014 en januari 2015. Verdachte en [vriendin 3] spreken af dat [vriendin 3] naar Nederland komt op 20 januari 2015. Verdachte geeft aan dat hij alles voor haar regelt in Nederland. De reis naar Nederland gaat niet door omdat [vriendin 3] niet mag van haar moeder. In juni 2015 krijgt ze een seksuele relatie met verdachte. Ze ziet hem die maand bijna elke dag. De laatste keer is op die bewuste avond (het hof begrijpt), op 25 juni 2015.

[vriendin 2] leert verdachte op 5 maart 2015 kennen, als hij haar via Facebook een berichtje stuurt. Vanaf dan sturen ze elkaar berichtjes. Op 19 mei 2015 stuurt verdachte aan [vriendin 2] : “p.s. je bent en was de enige.” Op 4 juni 2015 laat verdachte haar weten dat hij in Suriname is. Op 5 juni 2015 ontmoeten ze elkaar voor het eerst. Vanaf dan zien ze elkaar nog ongeveer 8 keren, de laatste keer is op de avond van 25 juni 2015 als ze naar de bioscoop gaan. Verdachte zegt bij die gelegenheden onder meer dat hij vrijgezel is en dat ze een mooi koppel zouden zijn, dat hij echt gek op haar is en dat hij graag haar vader wil spreken om hem te laten weten dat hij iets met [vriendin 2] wil.

In de dagen dat er naar [slachtoffer] wordt gezocht heeft verdachte regelmatig via zijn telefoon contact met [vriendin 2] . [vriendin 2] wordt ook gehoord als getuige en wordt bevraagd over haar contact met verdachte. Tijdens haar verhoor op 28 juni 2015 verklaart ze dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat ‘het niet zo hoefde te zijn dat alles wat hij tegen de politie had gezegd ook zo was gebeurd. Het staat wel zo in de verklaring maar het hoeft niet zo te zijn.’

[vriendin 2] verklaarde dat verdachte zei dat hij er misschien wel over had gesproken, maar dat hij niet met haar (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) wilde trouwen.

4 Financiële kant relatie [slachtoffer] en verdachte

4.1

Financiële situatie [slachtoffer] vóór verdachte

[slachtoffer] werkt vanaf 23 augustus 2012 tot haar overlijden bij de Action. Ze werkt 16 tot 18 uren per week. Ze had in 2013 een bruto jaarsalaris van € 16.241,-, in 2014 bedroeg dit 11.435,- en in 2015, tot en met 26 juni 2015 was dit een bedrag van € 5.123,-. Daarnaast volgt zij een studie en krijgt zij studiefinanciering tot augustus 2013.

Ze heeft sinds 18 juni 2003 één lopende rekening. Dit is bij de ING . Op 1 oktober 2012 wordt daaraan een spaarrekening gekoppeld. Zij heeft op dat moment geen andere rekeningen op haar naam. Zij spaart een groot deel van haar inkomsten van de Action en haar studiefinanciering door dit over te maken van haar lopende rekening naar haar spaarrekening. Op 31 juli 2013 heeft zij een positief saldo op haar lopende rekening van

€ 531,50 en op haar spaarrekening een positief saldo van € 16.637,96. Uit het dossier blijkt niet van enige geregistreerde lening.

4.2

Investering [naam bedrijf]

Op 1 en 2 augustus 2013 wordt vanaf [slachtoffer] spaarrekening in totaal een bedrag van

€ 15.000,- naar haar lopende rekening overgemaakt en vervolgens contant opgenomen. Op een harde computerschijf van verdachte wordt een document aangetroffen, gedateerd 1 augustus 2013. Er staat verder onder meer op vermeld dat de bedrijfsnaam [naam bedrijf] is, dat het een certificaat is voor [slachtoffer] en dat het gaat om een totaalbedrag van

€ 15.000,- tegen een rentepercentage van 10 % per jaar over geïnvesteerd bedrag. Ook staat er op vermeld dat er sprake is van een minimale looptijd van drie jaren en dat er bij vroegtijdige beëindiging sprake is van een 30 % boeteclausule. Dit digitale document is niet ondertekend. Hetzelfde document maar dan (origineel) ondertekend wordt op 12 juni 2018 door [naam zus] aan de politie overhandigd.

Verdachte heeft ter zitting bij de rechtbank verklaard dat de handtekening onder dit certificaat van hem is. Meerdere getuigen verklaren over [naam bedrijf] als zijnde een internet/marketing bedrijf van verdachte.

[vriendin 1 slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar had verteld dat zij geld had belegd bij verdachte. [slachtoffer] had haar niet verteld hoeveel geld ze aan verdachte had gegeven.

4.3

Inschrijving op verschillende adressen

Tot 21 juni 2014 staat [slachtoffer] ingeschreven op het adres [adres 3] te [plaats] . Dit betreft het ouderlijk huis. Vanaf 21 juni 2014 staat zij ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats] en vanaf 31 december 2014 op de [adres 4] te [plaats] . Vanaf 1 mei 2015 staat [slachtoffer] ingeschreven op [adres 5] te [plaats] .

Verdachte staat sinds 13 mei 2011 ingeschreven op de [adres 2] in [plaats] .

4.4

Leningen op naam van [slachtoffer]

Op 1 september 2014 sluit [slachtoffer] een lening af bij de Volkswagenbank. De lening wordt aangegaan bij/vanwege de koop van een auto, een Citroën C5, kenteken [kentekennummer] . Het totaal te betalen bedrag is € 16.891,20. Verdachte heeft hierover ter zitting bij de rechtbank verklaard dat hij deze auto in bezit had en erin reed. Uit gegevens van de RDW blijkt dat [slachtoffer] deze auto op naam heeft gehad tot 16 januari 2015. Verdachte heeft op 19 januari 2015 een bedrag van €7.400,- overgemaakt gekregen op zijn bankrekening, afkomstig van [naam B.V.] Verdachte heeft hierover ter zitting bij de rechtbank verklaard dat de restwaarde van de auto naar hem is gegaan.

Op 22 september 2014 sluit [slachtoffer] een lening af van € 17.000,- bij [naam tante] en [naam oom] . Dit zijn een oom en tante van verdachte. In de lening staat dat deze moet zijn afgelost op 1 december 2014. [naam oom] heeft hierover verklaard dat [slachtoffer] het huis van [naam oom] en zijn vrouw in [plaats] zou kopen, maar dat de financiering niet rondkwam vanwege een andere lening. Daarom heeft hij dit geld aan [slachtoffer] geleend. Verdachte heeft het geld gekregen waar [slachtoffer] bij was. Verdachte regelde alles, [slachtoffer] kwam alleen om alles te formaliseren. De woning werd echter niet verkocht en de lening werd niet terugbetaald. Bij het aangaan van de lening zei verdachte dat hij namens [slachtoffer] gemachtigd was om alles regelen. Op 22 september 2014 wordt een bedrag van € 16.995,- contant gestort op de rekening van [slachtoffer] . Op 23 september 2014 wordt een bedrag van € 13.313,92 overgeschreven naar de rekening van de Volkswagenbank.

Op 1 juli 2015 gaat een lening in op naam van [slachtoffer] , lopend bij Santander Consumer Finance Benelux B.V. De registratiedatum betreft 15 mei 2015 en het gaat om een bedrag van € 2.272,-. Tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres 2] in november 2015 wordt een rekening gevonden van een op 10 mei 2015 afgesloten krediet op naam van [slachtoffer] voor de aankoop van divers bruingoed voor een bedrag van € 2.214,99. Het gaat om een LED-televisie met soundbar en bijbehorende aansluitsnoeren. De goederen worden tijdens de doorzoeking in november 2015 in de woonkamer van verdachte aangetroffen. De typenummers corresponderen met de typenummers die op de aankoopnota staan vermeld.

4.5

Bankrekeningen, overmaken en contante stortingen en opnames

Vanaf 16 mei 2014 krijgt [slachtoffer] geld gestort op haar ING rekening, afkomstig van [naam B.V.] Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat dit bedrijf is opgericht in januari 2014 met als bestuurder en enig aandeelhouder [naam B.V.] [naam B.V.] is opgericht op 13 januari 2014 met [naam ex-vrouw] als bestuurder en enig aandeelhouder. Dit wordt gewijzigd en vanaf 8 juli 2014 is verdachte bestuurder en tevens enig aandeelhouder van [naam B.V.] Op 11 september 2014 wordt [ex-zakenpartner] ingeschreven als bestuurder voor [naam B.V.] per 1 september 2014. Op 11 september 2014 wordt de wijziging aangevraagd van beëindiging van de functie van [naam B.V.] als bestuurder van [naam B.V.] Verdachte heeft dit wijzigingsformulier ondertekend.

In de maanden na 16 mei 2014 worden drie bankrekeningen geopend op naam van [slachtoffer] .

In de periode van 16 oktober 2014 tot en met 4 mei 2015 wordt op de verschillende bankrekeningen van [slachtoffer] meerdere keren geld overgemaakt afkomstig van rekeningen van [naam B.V.] en van [naam B.V.] . Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam B.V.] van 31 januari 2014 tot en met 11 april 2014 bestuurd is geweest door [naam B.V.] [naam B.V.] is opgericht op 25 september 2013 door verdachte die hier bestuurder en enig aandeelhouder van is. Het gaat in totaal om een bedrag van € 37.516,07. De bedragen afkomstig van [naam B.V.] worden grotendeels dezelfde dag of binnen enkele dagen contant opgenomen of overgeboekt naar een rekening van verdachte of overgeboekt naar een andere rekening van [slachtoffer] . De bedragen afkomstig van [naam B.V.] worden binnen enkele dagen nagenoeg volledig via contante opnames bij de geldautomaat opgenomen.

Uit een WhatsApp gesprek tussen verdachte en [ex-zakenpartner] op 10 november 2014 blijkt dat verdachte, die op dat moment in Suriname is, beschikt over de ING pas van [slachtoffer] en staat te wachten bij een cambio (het hof begrijpt: een bedrijf in Suriname waar buitenlands geld kan worden gewisseld). Hij verzoekt [ex-zakenpartner] om een seintje te geven zodra het geld op [slachtoffer] rekening staat. Op 11 november 2014 wordt een bedrag van € 3.500,- ontvangen op de ING rekening van [slachtoffer] , afkomstig van de rekening van [naam B.V.] Uit het bankafschrift van de ING rekening van [slachtoffer] volgt dat op dezelfde dag om 17:54 uur een opname plaatsvindt via Suri Change met pas volgnr 004. Het hof leidt hieruit af dat verdachte de beschikking heeft over een bankpas van [slachtoffer] en daarmee geld opneemt van haar rekening.

Vanaf 15 september 2014 tot 15 juni 2015 (een tijdsbestek van negen maanden) wordt er daarnaast in totaal een bedrag van € 34.135,- contant gestort op een van de rekeningen van [slachtoffer] , dit terwijl dat in de 40 maanden daarvoor slechts ging om in totaal € 715,-. Vanaf 10 april 2013 tot en met 26 mei 2015 (26 maanden) wordt in totaal een bedrag van € 49.570,- contant opgenomen.

Bij de Belastingdienst is niets bekend van inkomsten en/of een dienstverband van [slachtoffer] bij [naam B.V.] of [naam B.V.] De bij de Belastingdienst geregistreerde netto-omzet van [naam B.V.] bedraagt € 0,-.

4.6

Bedrijven en contracten op naam van [slachtoffer]

Vanaf 1 maart 2014 staat de eenmanszaak [naam eenmanszaak] op naam van [slachtoffer] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. In de omschrijving van de ondernemingsactiviteiten staat ‘detacheren en uitzenden personeel’. Op 29 april 2014 wordt dit bedrijf opgeheven. Op 1 april 2015 wordt wederom op naam van [slachtoffer] een eenmanszaak genaamd [naam eenmanszaak] bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. Uit de omschrijving van de ondernemingsactiviteiten blijkt dat het een payrollbedrijf is. De bij de Belastingdienst bekende omzet van de bedrijf is nihil. Op 28 mei 2015 opent [slachtoffer] een bedrijfsspaarrekening voor [naam eenmanszaak] . Het rekeningnummer heeft als tenaamstelling [naam eenmanszaak] , [adres 6] te [plaats] . Dit adres wordt in diezelfde periode ook genoemd in de stukken als het adres van [naam B.V.] Het saldo van de bedrijfsspaarrekening van [naam eenmanszaak] bedraagt op 2 juni 2015 € 0,-.

Op 21 november 2014 wordt [naam stichting] opgericht te [plaats] , Suriname door [slachtoffer] . De stichting heeft als doel het rekruteren en uitzenden van personeel, het deelnemen in, samenwerken met of drijven van een zaak of onderneming met een soortgelijke doelstelling, het voeren van bestuur over andere ondernemingen en het beheren en administreren van roerende en onroerende goederen. Het kapitaal van de stichting betreft SRD 100,-. Uit het dossier blijkt niet van enige nadere activiteit van [slachtoffer] zelf met betrekking tot deze stichting.

Op 6 januari 2015 wordt op naam van [slachtoffer] een contract afgesloten met Vitens voor de woning aan de [adres 4] te [plaats] . Het contract wordt op 5 augustus 2015 opgezegd door de zus van [slachtoffer] , in verband met het overlijden van [slachtoffer] . Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] nooit feitelijk op de [adres 4] heeft gewoond.

Op 29 mei 2015 wordt op naam van [slachtoffer] een contract afgesloten met Vitens voor de woning aan [adres 5] te [plaats] .

In haar dagboek schrijft [slachtoffer] : “Waarom al die dingen op mijn naam aangevraagd (auto) of dat ik voor bepaalde dingen voor jou moet betalen?”

Op 3 juni 2015 stuurt [slachtoffer] verdachte het volgende bericht via WhatsApp:

“Kan je alsjeblieft die 100 euro voor mij storten. Ik heb het eerder al gezegd. Ik had voor me kleding gezet. Nu kan ik niks halen. Jij weet ook ik krijg niet zoveel. En ik kan alles voor jou doen maar niet voor een ander. Of moet ik aan de ander vragen…. Ik ga voor een ander niks betalen. Ik doe het thuis al niet.”

Op 5 juni 2015 stuurt verdachte: “Had je ziggo betaald?” [slachtoffer] antwoordt: “Ja die is al betaald.” Verdachte stuurt terug: “Gelukkig”.

Op 10 juni 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] het volgende gesprek via WhatsApp:

“Verdachte: heb je de rekeningen van energie en water betaald? Voordat ze die afsluiten of extra kosten berekenen?

(…)

[slachtoffer] : Waarom moet het nog steeds van mij rekening die UPC/energie en water af…

Verdachte: Is nog niet omgezet. Spreek je er wel over als je hier bent.

[slachtoffer] : Ja, want een ander kan het betalen die daar woont dan dat ik voor een ander iets doe. Maar wel een ding ik had al mijn geld van me rekening weggehaald om voor mij spaargeld.

Verdachte: Kun je zo skypen?”

[vriendin 1 slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] geld uitgaf aan kleding en bioscoopbezoek en dat dit om kleine bedragen ging. [vriendin 1 slachtoffer] heeft verder verklaard dat zij [slachtoffer] adviseerde om het hele gebeuren (het hof begrijpt: met verdachte) te stoppen. [slachtoffer] zei tegen haar dat het te gecompliceerd was, omdat ze aan de ene kant bepaalde gevoelens had en aan de andere kant met hem in projecten zat.

Stand van zaken bankrekeningen [slachtoffer] na haar dood

Na haar dood betreft het saldo van [slachtoffer] bankrekeningen een schuld van € 6.653,83.

5. Het afsluiten van de overlijdensrisicoverzekeringen en de uitvaartverzekering

Op 30 april 2015 belt [slachtoffer] naar Dela en laat zich informeren over een nieuw af te sluiten overlijdensrisicoverzekering (hierna ook: levensverzekering). Zij zegt met name geïnteresseerd te zijn in het moment waarop de dekking van de verzekering ingaat, of je direct verzekerd bent of dat je een bepaalde maand betaald moet hebben.

Op 7 mei 2015 sluit [slachtoffer] een overlijdensrisicoverzekering af bij Dela met een standaard begunstiging, te weten rang 1: verzekeringnemer, rang 2: partner van verzekeringnemer, rang 3: kinderen van verzekeringnemer en rang 4: erfgenamen van verzekeringnemer. Het gewenste kapitaal bij overlijden van de verzekerde gedurende de looptijd van de dekking is € 300.000,-. De polis staat op naam van [slachtoffer] met als ingangsdatum 7 mei 2015 en als einddatum 7 mei 2025. De premie wordt afgeschreven van het rekeningnummer [nummer] . Dit is het rekeningnummer van [slachtoffer] .

Op 29 mei 2015 belt [slachtoffer] naar Dela en vraagt op welke manier je de begunstigde van een overlijdensrisicoverzekering kunt veranderen.

Op 1 juni 2015 om 12:49 uur wordt vanaf het e-mailadres [mailadres 1] een bericht gestuurd naar Dela waarin wordt verzocht om verdachte als begunstigde aan te merken. Ook wordt verzocht om het rekeningnummer waar de premie van moet worden afgeschreven te wijzigen in [nummer] (het hof begrijpt: het rekeningnummer van verdachte). Het e-mailadres [mailadres 2] staat in de cc van dit bericht. Op 1 juni 2015 om 13:14 uur wordt vanaf het e-mailadres [mailadres 2] een bericht gestuurd naar Dela en naar [mailadres 1] met de mededeling dat het nieuwe rekeningnummer op naam van [verdachte] staat en dat hij Dela machtigt om de premie van [slachtoffer] maandelijks te incasseren.

Ook is er een uitvaartverzekering afgesloten. Op 1 juni 2015 stuurt Dela klantenservice een e-mail naar het e-mailadres [mailadres 1] met als onderwerp ‘Kopie van uw DELA Uitvaart Plan (diensten en-of geld). In de e-mail wordt [slachtoffer] bedankt voor haar aanvraag. Vermeld staat dat de verzekeringsnemer en de te verzekeren persoon [slachtoffer] betreft, dat de dekking € 10.000,- is en de ingangsdatum is 1 juli 2015. [slachtoffer] heeft op dat moment al een uitvaartverzekering bij Klaverblad Levensverzekering. Na het overlijden van [slachtoffer] keert Klaverblad een bedrag uit van € 13.112,-.

Op 2 juni 2015 belt [slachtoffer] naar Dela en vraagt of het e-mailbericht van 1 juni 2015, waarin zij verzoekt de begunstigde van haar levensverzekering te veranderen, al binnen is. Ook vraagt ze of ze op de juiste wijze het rekeningnummer vanaf welke de premie moet worden betaald heeft gewijzigd. Verder vraagt ze of ze een aparte polis nodig heeft om haar partner te verzekeren. [getuige 6] , die nadien namens Dela aangifte heeft gedaan van poging tot oplichting, verklaart over het veranderen van een begunstigde kort na het afsluiten van de verzekering dat dit vaker voorkomt in het geval de verzekering via internet wordt afgesloten. Op de website is het niet mogelijk om een afwijkende begunstiging direct op te geven. De op 1 juni 2015 verzochte wijzigingen zijn op 3 juni 2015 door Dela verwerkt in de polis.

Op 5 juni 2015 belt [slachtoffer] naar Dela en vraagt om advies met betrekking tot het bijschrijven van haar partner op de polis van haar overlijdensrisicoverzekering.

Op 8 juni 2015 tussen 01.00 uur en 01.28 uur hebben verdachte en [slachtoffer] contact via WhatsApp:

“Verdachte: Hi lieverd. Ik mis je. Je bent al bijna hier

Verdachte: Kan niet wachten

[slachtoffer] : Hai lief… ik mis je ook

[slachtoffer] : ja bijna twee weken ongeveer

[slachtoffer] : Ik kan ook niet wachten..

Verdachte: I know

Verdachte: Hoe gaat het daar

[slachtoffer] : Gaat goed

Verdachte: Nog nieuws?

[slachtoffer] : Nee…

Verdachte: Hmm

Verdachte : En mijn dela geregeld? Die hebben we ook nodig als we gaan samenwonen.

[slachtoffer] : Vandaag of morgen weet ik het…Ja die dela is geregeld.. En die van mij ook. Had een brief ontvangen.

Verdachte: Van mij ook? Is het naar jouw adres gestuurd of naar mijn?

[slachtoffer] : Ik heb jou adres gedaan

Verdachte: Dan hou ik het in de gaten

[slachtoffer] : Ok

Verdachte: En de gezondheidsvragen ook geregeld

[slachtoffer] : Ja

Verdachte: Ok super”

Een kwartier later vraagt [slachtoffer] aan verdachte via WhatsApp:

“ [slachtoffer] : Op die dela van jou moet ik het wijzigen naar mijn adres of moet ik het zo laten…

Verdachte: Je kan het zo laten

[slachtoffer] : OK

Verdachte: Doen we wel als we weer samenwonen

[slachtoffer] : Ja is goed”.

Op 9 juni 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] contact via WhatsApp:

“Verdachte: Vraagje had je ook je uitvaart geregeld bij dela? Vergeet dat niet ok

[slachtoffer] : Ja dat is al geregeld.

Verdachte: Bij dela ook toch?

[slachtoffer] : Ja. Moet voor jou ook.

Verdachte: Nee volgende maand doe ik het wel

[slachtoffer] : OK

Verdachte: Heb je al naar leuke meubels gekeken en een heerlijk bed voor ons

[slachtoffer] : Ik heb die polis ook al

Verdachte: Ok neem hem even mee

[slachtoffer] : Ja.. Heb nog niet gedaan. Ga morgen”.

Op 10 juni 2015 sluit ook verdachte door bemiddeling van [slachtoffer] een overlijdensrisicoverzekering af bij Dela. De verzekering heeft als begindatum 9 juni 2015 en als einddatum 9 juni 2025. Verdachte is de verzekeringnemer en verzekerde voor een bedrag van € 300.000,-. De premie zal worden afgeschreven van het rekeningnummer [nummer] . Dit betreft het (hiervoor reeds genoemde) rekeningnummer van [slachtoffer] .

Op 15 juni 2015 belt [slachtoffer] naar Dela met de vraag hoe zij de begunstigde van haar uitvaartverzekering kan wijzigen. De medewerker van Dela vertelt haar dat zij dit per e-mail kan doen.

Op 15 juni 2015 wordt vanaf het e-mailadres [mailadres 1] een e-mail gestuurd met het verzoek om de begunstigde voor haar uitvaartplan te wijzigen in verdachte. Op de nieuwe polis d.d. 15 juni 2015 staat verdachte als begunstigde vermeld.

Op 15 juni 2015 wordt vanaf het e-mailadres [mailadres 3] een bericht gestuurd met het verzoek om de begunstiging van de overlijdensrisicoverzekering van verdachte te wijzigen. De nieuwe begunstigde moet worden [slachtoffer] . De e-mail is ondertekend door verdachte. Dit verzoek wordt op 17 juni 2015 verwerkt.

Op 16 juni 2015 belt een man die zich voorstelt als [naam ] naar Dela met een nummer waarvan is vastgesteld dat dit op 26 juni 2015 in gebruik is bij verdachte. Verbalisant herkent de stem van deze meneer [naam ] als die van verdachte. Verdachte vraagt of er nog iets geregeld moet worden met betrekking tot de begunstiging bij de overlijdenspolis van zijn vriendin. Verdachte zegt hierbij letterlijk: “Ja, dus stel dat het straks zo ver is euhm, zijn er dan dingen die ik nog moet regelen of is dan een begunstiging bij jullie voldoende?” Ook informeert verdachte naar de mogelijkheid om elkaars premies van de overlijdensrisicoverzekering te betalen zodat in geval van uitkering geen sprake is van belastingheffing over het uit te betalen bedrag.

Op 14 juli 2015 belt verdachte naar Dela met het verzoek om een rekeningnummer te wijzigen. De medewerker vertelt hem dat dit niet telefonisch kan, maar wel via de website. Diezelfde dag verzoekt verdachte via de website van Dela om het rekeningnummer te wijzigen waarvan de premie voor zijn overlijdensrisicoverzekering dient te worden afgeschreven. Dit dient vanaf dat moment vanaf een rekening op naam van verdachte te worden geïncasseerd.

Op 20 juli 2015 gaat verdachte naar het gemeentehuis in [plaats] . Hij heeft een afspraak gemaakt om overlijdensaangifte te doen. Als hij bij de balie van de betreffende ambtenaar staat zegt hij dat hij een uittreksel komt halen voor zijn vriendin omdat zij overleden is. De ambtenaar ziet in het Basis Registratie Personen systeem (BRP) dat [slachtoffer] al als overleden geregistreerd staat. Als ze dit aan verdachte vertelt zegt hij dat hij een overlijdensuittreksel nodig heeft om allerlei dingen te regelen. Ze twijfelt niet aan zijn verhaal en verstrekt verdachte het uittreksel. Achteraf hoort ze van haar leidinggevende dat ze het uittreksel niet aan verdachte had mogen verstrekken omdat hij niet met [slachtoffer] getrouwd was of als partner geregistreerd stond. Op het uittreksel staat vermeld dat [slachtoffer] op 29 juni 2015 overleden is te district Commewijne Suriname .

Op de volgende dag, 21 juli 2015, belt verdachte naar Dela en meldt dat zijn vriendin op 29 juni in Suriname is overleden. Hij vertelt dat hij het precieze Nederlandse tijdstip niet weet, maar dat het ergens in de ochtend is gebeurd. Hij vermeldt dat hij een uittreksel bij de gemeente heeft gehaald, maar dat hij geen overlijdensakte heeft omdat die in het buitenland ligt. Als de medewerker van Dela vertelt dat de akte van overlijden wel door Dela moet worden ontvangen voordat het verzekerde bedrag kan worden uitgekeerd, vraagt verdachte of het uittreksel van de gemeente niet voldoende is. De medewerker biedt aan het even na te gaan en verdachte zegt daarop: “Graag”. De medewerker zoekt het uit en deelt vervolgens aan verdachte mede dat voor het uitkeren van het verzekerde bedrag een akte noodzakelijk is. Daarna informeert verdachte naar de uitvaartverzekering van [slachtoffer] en vraagt of deze al is geactiveerd omdat deze pas net is afgesloten en daarom pas in juni of juli ingaat. De medewerker bevestigt dat deze een ingangsdatum heeft van 1 juli 2015. Verdachte vraagt hoe het daarmee zit omdat ze op 29 juni is overleden. De medewerker vertelt hem dat normaal gesproken dan niet wordt uitgekeerd. Als verdachte wordt doorgeschakeld naar een medewerker op een andere afdeling, wordt hem verteld dat hij een akte van overlijden moet sturen en indien mogelijk een kopie van de nota van de uitvaartkosten. Verdachte vraagt nogmaals of het klopt dat de uitvaartpolis in juli in zou gaan en of er dan niet wordt uitgekeerd. De medewerker antwoordt bevestigend.

Op 21 juli 2015 maakt verdachte een notitie in zijn telefoon onder meer luidende “Kopie akte overlijden Nota uitvaartkosten.”

Op 23 september 2015 neemt verdachte opnieuw telefonisch contact op met Dela en vertelt hij dat hij belt naar aanleiding van een brief van Dela waarin het verzoek wordt gedaan om formulieren op te sturen. Verdachte – die in de middag hierover wordt teruggebeld - vertelt dat hij na het rouw verwerken van het verlies nu zit te wachten op stukken uit Suriname , maar dat dat niet zo snel geregeld is en dat hij het daarom ook nog niet kan sturen. Ook vertelt hij dat dit zes maanden kan duren, dat hij via een relatie heeft geprobeerd om de stukken eerder te krijgen, maar dat ze in Suriname niet heel snel werken. De medewerker van Dela zegt dat hij een aantekening aan het dossier zal toevoegen dat men in afwachting is van documenten uit Suriname en dat het voorlopig niet anders is. Verdachte zegt dat hij er helaas niks anders van kan maken en dat het al vervelend genoeg is. De medewerker van Dela zegt dat hij het begrijpt, maar dat het voor hen dan uiteraard even stopt totdat er bericht is.

6 Verklaringen verdachte

6.1

Verklaringen verdachte over financiële relatie met [slachtoffer] en over het afsluiten van de levensverzekeringen en uitvaartverzekering

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] elke maand een bedrag gestort kreeg op haar rekening van één van zijn bedrijven. Dit was vanwege het feit dat zij extra salaris nodig had om een huis te kunnen krijgen. Af en toe deed ze wat werkzaamheden voor verdachte, maar de gestorte bedragen waren geen realistische vergoeding. De vergoeding was vooral om te zorgen dat ze op eigen benen kon staan en om haar schulden af te lossen, die ze had gemaakt ten behoeve van haar ex-vriend uit Suriname . Verdachte verklaarde dat ze niet op enige andere manier geld van hem had gehad.

Ten aanzien van de opname op 1 en 2 augustus 2013 van in totaal € 15.000,- van de spaarrekening van [slachtoffer] en het bij verdachte en [slachtoffer] aangetroffen certificaat d.d. 1 augustus 2013, heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] dit geld had opgenomen en dat zij een antwoord klaar wilde hebben als haar ouders zouden vragen waar het geld voor bestemd was. Verdachte heeft toen het certificaat opgesteld, maar dit was een fake certificaat.

Bij de rechter-commissaris verklaarde verdachte dat de belangrijkste reden voor de het afsluiten van de overlijdensrisicoverzekering op [slachtoffer] leven was dat ze gingen samenwonen, maar dat er ook een aantal financiële zaken [slachtoffer] kant op waren gegaan en dat de levensverzekering was bedoeld om ervoor te zorgen dat, als dat niet meer terugbetaald kon worden, de verzekering dan zou uitkeren. Verdachte verklaarde bij die gelegenheid ook dat er bankafschriften zijn waar leningen aan [slachtoffer] op terug te vinden zijn.

Ter zitting bij de rechtbank d.d. 19 juli 2017 verklaarde verdachte dat [slachtoffer] meerdere geldbedragen bij hem had geleend, dat er een financiering was afgesloten om het af te lossen en dat [slachtoffer] werk voor hem verrichtte.

In april en mei 2018, toen verdachte door de rechtbank was geschorst uit zijn voorlopige hechtenis, zijn door de verdediging stukken ingebracht betreffende kopieën van kwitanties van € 7.500,- en € 10.000,- en een kopie van een leningovereenkomst d.d. 2 maart 2014 van € 50.000,-. Hieruit zou volgens de verdediging moeten blijken dat [slachtoffer] deze bedragen in contanten van hem heeft geleend. Verdachte heeft verklaard dat hij aanwezig was toen [slachtoffer] tekende voor de leningen van € 50.000,- en € 10.000,- en dat hij heeft gezien hoe zij haar handtekening zette. Op een latere zitting bij de rechtbank verklaart verdachte dat hij niet wil verklaren hoeveel [slachtoffer] aan contant geld van hem heeft geleend.

Ter zitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] grote bedragen zwart geld heeft geleend en dat zij daadwerkelijk voor [naam B.V.] en [naam B.V.] heeft gewerkt.

Ten aanzien van het afsluiten van overlijdensrisicoverzekering op het leven van [slachtoffer] heeft verdachte meerdere redenen opgegeven. Zo heeft hij verklaard dat ze (het hof begrijpt: verdachte en [slachtoffer] ) zouden kijken of ze een huis konden kopen en ze dat ze het niet meer dan normaal vonden om daarin een risico af te dekken. Later in datzelfde verhoor verklaart verdachte dat ze niet samen een huis zouden gaan kopen, maar dat [slachtoffer] zelf een huis wilde kopen. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat de belangrijkste reden voor het afsluiten van de verzekering was dat ze gingen samenwonen. Ter zitting bij de rechtbank verklaarde verdachte dat de hoofdreden om de overlijdensrisicoverzekering af te sluiten was dat [slachtoffer] verschillende geldbedragen van hem had geleend. Hij heeft hierover bij het hof verklaard dat dat zij deze schulden waarschijnlijk had gemaakt vanwege haar vorige vriend uit Suriname .

Omtrent de reden van het afsluiten van de levensverzekering op het leven van verdachte heeft verdachte verklaard dat dit was omdat [slachtoffer] dan zijn kinderen daarmee financieel kon helpen, dat het geld bedoeld was voor zijn kinderen en dat [slachtoffer] na het overlijden van verdachte een rol op zich zou kunnen nemen om zijn kinderen te bieden wat verdachte hen anders had kunnen bieden.

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] de polis van de verzekering en de post mee moest nemen naar Suriname omdat zij haar post niet bij haar ouders kon bewaren. Haar zusje zou haar spullen doorzoeken. Verdachte borg daarom de post voor [slachtoffer] op. Omdat hij eerder zou terugkomen uit Suriname nam [slachtoffer] deze post mee naar Suriname .

Op de vraag waarom hij op 28 juni 2015, toen hij met de politie in het appartementencomplex aan de [adres 1] was, van deze papieren foto’s heeft gemaakt, heeft hij ten overstaan van de rechtbank verklaard dat hij dat niet meer weet. Bij het hof heeft hij op deze vraag verklaard dat hij op dat moment in een voor hem vreemd land was en dat hij niet bekend is met het rechtssysteem van Suriname .

6.2

Verklaringen verdachte over de gebeurtenissen op 25 en 26 juni 2015 en zijn vertrek uit Suriname

De avond van 25 juni 2015 is verdachte met de familie van [slachtoffer] in [plaats] uit eten geweest. Na het etentje zijn [slachtoffer] en hij geld gaan wisselen in een casino. Daarna zijn ze naar de supermarkt [naam supermarkt] gegaan. [slachtoffer] wilde graag Palm rum proberen. Verdachte wist niet dat dit 90 % alcohol bevatte, dat heeft hij pas achteraf begrepen. Dit heeft hij niet op het etiket zien staan. Na het supermarktbezoek heeft hij [slachtoffer] bij het appartementencomplex afgezet en is hij met [vriendin 2] naar de bioscoop gegaan. Hij heeft [vriendin 2] weer bij haar auto afgezet en hij is naar het appartementencomplex gereden om [slachtoffer] op te halen om naar [naam bar 2] te gaan. Toen hij in het appartement aankwam zat [slachtoffer] aan tafel met een geopend flesje Palm rum. Zij dronk de Palm rum gemixt met cola in een beker. In zijn eerste verklaringen bij de Surinaamse politie in 2015 verklaart hij dat hij [slachtoffer] aantrof in een beschonken, dan wel dronken toestand. Ter zitting bij de rechtbank en het hof heeft hij respectievelijk verklaard dat ze een beetje aangeschoten, dan wel aangeschoten was. Bij de rechtbank heeft hij hierover verder verklaard dat hij in 2015 het verschil tussen dronken en aangeschoten niet kende.

Verdachte heeft ook wisselend verklaard over of [slachtoffer] haar schoenen aan had toen ze het appartement verliet. Volgens de letterlijke uitwerking van het tweede verhoor in Suriname heeft verdachte verklaard dat zij haar schoenen had aangedaan en de trap zelfstandig heeft gelopen. In zijn eerste verhoor in Nederland in november 2015 heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] haar schoenen in de hand meenam en op blote voeten de trap af liep naar de auto. Ook verklaarde hij dat het geen makkelijke trap was om vanaf te lopen. In zijn laatste verklaringen heeft verdachte verklaard dat ze haar schoenen met hoge hakken aan had en in staat was om daarmee de trap bij het appartement af te lopen.

Over de plek onder aan de Wijdenboschbrug heeft verdachte op meerdere momenten uitgebreid verklaard. In zijn eerste verklaring in de vroege ochtend van 26 juni 2015 heeft verdachte verklaard dat hij naar de voet van de Wijdenboschbrug is gegaan omdat zijn vriendin het romantisch vond om wat frisse lucht te halen langs de rivier. Ten tijde van het tweede verhoor in Suriname op de volgende dag verklaart verdachte volgens de letterlijke uitwerking van het verhoor dat hij over de brug is geweest en dat [slachtoffer] heeft gevraagd van: Ga daar en daar heen en dan kunnen we bij het water zitten. Op het moment dat verdachte en [slachtoffer] over die brug gingen, wilde [slachtoffer] onderaan die brug afslaan om naar de rivier te gaan. Verdachte verklaarde dat hij toen vroeg: Weet je zeker dat we hier kunnen rijden? Want dat er overal die gaten… Maar dat hij inmiddels in de verte wel een auto zag. Eentje had de lampen nog een beetje aan. Verdachte dacht toen: Okay, die, dus je kan daar wel komen met de auto. In zijn derde verhoor in november 2015 in Nederland verklaart verdachte opnieuw dat [slachtoffer] over de brug wilde rijden en nog even langs het water met verdachte wilde praten en romantisch zijn. Dat verdachte richting [naam bar 2] reed en dat het toen echt zo was van.. Weet je wat we doen? Laten we even naar de overkant rijden en eh, dan kunnen we nog eventjes naar beneden… Dan wil ik je wat laten zien. Dan kunnen we even beneden daar gaan praten. En weet je, ik wil even tijd met jou hebben. Ik zeg: nou natuurlijk, geen probleem. Aldus verdachte was dat net voor de rotonde, en [naam bar 2] was 500 meter verderop. Verdachte verklaart dat [slachtoffer] zei dat ze over de brug heen iets wilde laten zien. Dat [slachtoffer] bij de brug zei: ga hier rechtsaf. Ja ben je gek geworden? Dat is gewoon een soort van berm, waar je dan doorheen gaat. Zegt ze: nee, nee, komt goed, ga daar maar af. Dus nou, ik eraf en… Ja, ik had een kleine… een soort ja, Toyota Aygo idee zeg maar, zo’n klein autootje had ik bij me. Nou dat, het is best nat, regenseizoen, dus ja, je moet je moet rekening houden dat je niet ergens vast komt te zitten. En eh, op een gegeven moment echt wel diepe kuilen, dus het is manoeuvrerend richting het water en het was donker. Dus eh, uiteindelijk zegt ze: nee je kan gewoon doorrijden, je kan daar gewoon parkeren. Er staan meer auto’s daar en ook wel vissers. Dus oké. Verdachte verklaart dat hij er niet eerder was geweest en dat [slachtoffer] er vast wel eerder is geweest, dat zij het hem anders niet op die manier kon uitleggen toch?

Verdachte heeft aldus meermalen verklaard, in Suriname , maar later ook bij de politie in Nederland en bij de rechtbank, dat hij de plek niet kende, dat hij hier nog nooit was geweest en dat hij er op aanwijzingen van [slachtoffer] naartoe is gereden. Ter zitting bij het hof heeft hij verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij eerder op die plek is geweest, dat hij EMDR therapie heeft gehad om het trauma van het ongeluk van [slachtoffer] te verwerken en dat de plek van het ongeluk tijdens de therapie is behandeld.

Onder de brug aangekomen was er een ander stelletje met een auto (een Toyota Ist) onder de brug. Dit stelletje was bezig met seksuele handelingen. Verdachte heeft tot de zitting bij de rechtbank van 30 januari 2019 verklaard dat ze zelf in de auto een beetje gezoend hebben en dat ze de auto zijn uitgestapt toen het andere stelletje weg was gegaan. Op de zitting bij de rechtbank van 30 januari 2019 heeft verdachte verklaard dat ze in de auto hebben gevreeën en dat de armbanden en schoenen van [slachtoffer] in de weg zaten en daarom af en uit zijn gegaan.

Verdachte heeft over de in zijn telefoon aangetroffen notitie ‘ [kentekennummer] ’ bij de politie verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij deze om 01:44 uur heeft gemaakt. Hij weet niet met welk doel hij deze notitie heeft gemaakt, meestal maakt hij een foto als hij wordt afgesneden. Ter zitting bij de rechtbank d.d. 30 januari 2019 heeft verdachte verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij een kenteken heeft genoteerd en dat hij ook niet weet waarom de notitie in zijn telefoon staat.

Nadat het stelletje in de Toyota Ist was weggereden zijn verdachte en [slachtoffer] uitgestapt. Toen ze de auto uitstapte koos [slachtoffer] er zelf voor om op blote voeten te lopen. Ze was op dat moment nog steeds goed aanspreekbaar. Ze zijn bij het muurtje verder gegaan waar ze in de auto mee bezig waren. [slachtoffer] wilde op het muurtje gaan zitten. Ineens voelde ze zich niet lekker en heeft ze zittend overgegeven, zittend op de rand met haar rug naar de rivier. Daarna is ze gaan liggen en heeft ze overgegeven de andere kant op, richting de rivier. Ze is met haar ogen dicht gaan liggen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] vervolgens gewoon stil lag en een beetje aan het slapen was en dat er geen gesprek meer met haar mogelijk was. Ter zitting bij de rechtbank heeft verdachte verklaard dat ze aanspreekbaar was en dat haar laatste woorden waren dat het oké was dat verdachte even ging plassen. Ter zitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat ze met elkaar in gesprek bleven en dat [slachtoffer] bevestigde dat hij even kon gaan plassen. Hij is een stukje bij haar vandaan gelopen om te gaan plassen. Toen hij terug kwam zag hij haar niet meer liggen. Hij heeft in het water gekeken en heeft over de pier gerend om te kijken of hij haar nog zag maar ze was weg. Verdachte heeft blijkens de letterlijke uitwerking van dit gesprek in zijn 115 melding, en ook later diezelfde nacht bij het politiebureau tegen een verbalisant verklaard dat hij een plons in het water hoorde en dat hij nog wat zwarts in het water zag. In zijn eerste verhoor op 26 juni 2015 in Suriname vertelt verdachte een geluid te hebben gehoord en dat hij in het water nog haar hoofdhaar zag. In zijn tweede verhoor in Suriname op 27 juni 2015 verklaart verdachte dat hij een geluid hoorde alsof iets in het water viel, dat hij het hoofdhaar van [slachtoffer] nog net kon zien door de verlichting die van de brug weerkaatste. Hij weet zeker het hoofdhaar te hebben gezien. Tegenover de politie in Nederland vertelt verdachte geen plons of iets dergelijks te hebben meegekregen. Dat toen hij ging kijken hij iets zwarts zag dat leek op haren en heel veel stroming. Ter zitting bij de rechtbank heeft hij verklaard dat hij niet meer weet of hij een plons hoorde en dat hij haar niet gezien kan hebben in het water gelet op de stroming in het water en de afstand die hij moest teruglopen van het plassen naar het muurtje. Ter zitting bij het hof heeft hij verklaard dat hij niets in het water heeft gezien en dat het er erg donker was. Verdachte wist dat de rivier gevaarlijk was en hij heeft angst voor donker water. Verdachte kan zwemmen. Het is een misverstand dat hij daar wisselend over heeft verklaard en dat komt door de verschillen tussen de Surinaams Nederlandse taal en de Nederlandse taal. Hij heeft bedoeld te zeggen dat hij niet in deze rivier kon zwemmen. Bij de rechter-commissaris heeft hij op een vraag waarom hij [slachtoffer] niet is nagesprongen nog verklaard dat zijn vader aan die kant van de rivier heeft gewoond en dat zijn vader vertelde dat er krokodillen in de rivier leven, dat de stroming gevaarlijk is en dat de mensen daar niet zwemmen.

Op 29 juni 2015, direct zodra het onderzoek door de politie is gesloten, vliegt verdachte vanuit Suriname terug naar Nederland. Hij heeft op dat moment het door de politie gevonden lichaam van [slachtoffer] niet gezien en haar ouders niet gesproken. Bij de politie verklaart hij hierover dat hij vanwege zakelijke afspraken naar Nederland moest. Ter zitting bij het hof heeft hij verklaard dat hij zo snel mogelijk terug wilde vanwege zijn gemoedstoestand.

Het hof zal hierna onder 7.1 tot en met 7.4 ingaan of en in hoeverre het hof verdachte volgt in zijn verklaringen.

7 Conclusies hof

De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk om het leven brengen van [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachte raad, of dat er sprake was van een noodlottig ongeval, zoals de verdediging ter zitting van het hof heeft betoogd en zoals verdachte vanaf zijn eerste verhoor telkens heeft verklaard. Voor een ander scenario zoals zelfmoord, is geen aanknopingspunt te vinden in het dossier.

Het hof heeft hiervoor reeds geconcludeerd dat [slachtoffer] op 26 juni 2015 om 01:04 uur nog in leven was, dat zij tussen 01:04 uur en 03:08 uur te water is geraakt en dat haar stoffelijk overschot drie dagen later is gevonden. Als hiervoor overwogen oordeelt het hof dat op basis van de verschillende conclusies van deskundigen niet met zekerheid kan worden vastgesteld of zij op het moment van te water raken nog in leven was. Het feit dat geen precieze doodsoorzaak kan worden vastgesteld staat een bewezenverklaring evenwel op zich niet in de weg. [slachtoffer] kon niet zwemmen. Zij is in het tijdsbestek van 01:04 uur tot ten laatste niet lang na 03:08 uur overleden. Het hof stelt vast, zoals ook hiervoor reeds overwogen, dat op basis van de mastgegevens van de telefoon van [slachtoffer] (waaruit blijkt dat zij om 01:04 uur haar telefoon nog heeft gebruikt) in combinatie met hetgeen de politie in het appartement van [slachtoffer] (telefoon [slachtoffer] ) en onder de brug (verdachte, verdachtes voertuig met daarin [slachtoffer] schoenen en armbanden) aantreft en hetgeen verdachte verklaart, dat verdachte degene is die als laatste in de nabijheid van [slachtoffer] was toen zij nog in leven was.

7.1

Beoordeling hof verklaringen verdachte

Het hof overweegt dat verdachte meerdere verklaringen heeft afgelegd waarin hij telkens uitgebreid heeft verklaard. Het hof stelt vast dat verdachte wisselend, deels innerlijk tegenstrijdig en in strijd met overig bewijs heeft verklaard over belangrijke punten, zoals over zijn relatie met [slachtoffer] en de aard daarvan, over hun financiële relatie, over de redenen om een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten op het leven van [slachtoffer] en over meerdere omstandigheden waaronder de gebeurtenissen zoals die op 26 juni 2015 hebben plaatsgevonden.

Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen als geheel. Dit brengt het hof er ook toe enkel op de verklaring van verdachte af te gaan wanneer daarvoor ondersteuning van ander bewijs voorhanden is.

Het is het hof ook opgevallen dat verdachte voortdurend zijn verklaringen bijstelt op momenten dat zijn verhoorders doorvragen of hem onderzoeksresultaten voorhouden die strijdig (lijken te) zijn met zijn eerder afgelegde verklaringen. Op verschillende momenten in het strafproces heeft de verdediging stukken overgelegd om delen van de verklaringen van verdachte te onderbouwen. Het hof stelt vast dat deze stukken vaak pas na meerdere verzoeken daartoe van de officier van justitie, rechter-commissaris en/of rechtbank tijdens de behandeling van de rechtbank en het hof zijn ingediend. Het hof zal hieronder vaststellen dat de bij de rechtbank overgelegde overeenkomst van lening vals was.

7.2

Conclusies omtrent aard van de relatie

Het hof overweegt dat verdachte heeft verklaard dat hij deels met [slachtoffer] zou gaan samenwonen. Uit de WhatsApp gesprekken blijkt ook dat hij dit samenwonen in juni 2015 op liefdevolle wijze met [slachtoffer] besprak en dat hij haar voorhield dat ze binnenkort met elkaar zouden samenwonen. De werkelijkheid was anders. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] niet wist dat hij (ook) plannen had om per 1 augustus 2015 met [vriendin 1] te gaan samenwonen. Het samenwonen met [slachtoffer] wordt door verdachte tijdens verhoren zelf tegengesproken wanneer hij stelt dat [slachtoffer] op zichzelf zou gaan wonen. Bovendien blijkt nergens van feitelijke voorbereidende stappen waaruit naar voren komt dat dit samenwonen met [slachtoffer] daadwerkelijk zou gaan plaatsvinden, behalve het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering waarvan verdachte heeft verklaard dat dit ter voorbereiding op hun samenwonen was. De woning aan [adres 5] waar het samenwonen volgens verdachte zou gaan plaatsvinden, is door de politie onderzocht. Daaruit bleek dat de woning in het geheel niet was ingericht en derhalve niet gereed was voor bewoning. Het ontbreken van concrete stappen ten aanzien van het samenwonen met [slachtoffer] staat in schril contrast met de feitelijke gang van zaken rond het samenwonen met [vriendin 1] . Niet alleen woonde verdachte feitelijk al samen met [vriendin 1] vanaf april 2015, ook maakten zij vanaf mei/juni 2015 plannen en kochten zij meubels om samen te gaan wonen aan de [adres 2] , waar ook de zonen van verdachte dan zouden gaan verblijven. De huurders die tot dan in de woning verbleven kregen bericht dat ze er per 1 augustus uit moesten en verdachte en [vriendin 1] zijn ook daadwerkelijk vanaf augustus 2015 samen gaan wonen aan de [adres 2] .

Het hof concludeert dat verdachte [slachtoffer] heeft misleid over de aard van hun relatie. Hij heeft haar voorgespiegeld dat ze zouden gaan samenwonen, maar dit zou niet daadwerkelijk gaan plaatsvinden. Zij was niet op de hoogte van zijn plannen om met [vriendin 1] te gaan samenwonen. In de maand juni 2015, waarin verdachte [slachtoffer] laat weten dat hij haar mist als hij in Suriname is, heeft verdachte een seksuele relatie met [vriendin 3] en probeert hij een relatie aan de te knopen met [vriendin 2] . Op de avond voor de dood van [slachtoffer] gaat verdachte uit eten met [slachtoffer] en haar familie om te laten zien dat hij haar vriend is. Daarna zet hij [slachtoffer] af bij het appartementencomplex en gaat zonder dat [slachtoffer] dit weet met een andere vrouw, met wie hij een relatie wil aanknopen, naar de bioscoop. Verdachte laat [getuige 4] weten dat [slachtoffer] slechts een vriendin is, terwijl hij [slachtoffer] op 18 juni 2015 zoals boven weergegeven laat weten dat ze van hem is en blijft. Illustratief voor de misleiding acht het hof dat verdachte in de WhatsApp communicatie liefkozingen telkens afwisselt met zakelijke vragen van zijn kant over de af te sluiten levensverzekering, polis of het halen van post.

7.3

Conclusies financiële kant van de relatie van [slachtoffer] en verdachte

De geldelijke bezittingen van [slachtoffer] zijn in de laatste twee jaren van haar leven van een positief saldo van in totaal € 17.169,46 op 31 juli 2013 gegaan naar een schuld van

€ 6.653,83 ten tijde van haar overlijden.

Daarnaast had zij op het moment van overlijden en in de twee jaren daarvoor meerdere leningen en contracten op naam waarvan niet is gebleken dat zij daarbij enig belang, dan wel daarvan enig voordeel heeft gehad. Van alle leningen die op [slachtoffer] naam zijn afgesloten blijkt dit ten behoeve van verdachte is geweest. Zo was de lening bij de Volkswagenbank afgesloten vanwege de aankoop van een auto die vervolgens door verdachte in gebruik is genomen. Toen de auto werd verkocht ging de opbrengst daarvan naar verdachte.

De lening bij de oom en tante van verdachte werd op naam van [slachtoffer] afgesloten om deze lening bij de Volkswagenbank af te lossen. De op naam van [slachtoffer] afgesloten lening bij Santander was om een tv met toebehoren te financieren die vervolgens naar verdachte is gegaan en ook na haar dood bij hem gebleven.

Ook ten aanzien van de contracten die op [slachtoffer] naam waren afgesloten is niet gebleken dat zij daarvan enig profijt in de vorm van afname van energie, water of een tv/internet abonnement heeft gehad. Uit haar dagboek en berichten naar verdachte hierover blijkt dat zij deze rekeningen hiervan ook betaalt en blijkt dat zij zich afvraagt waarom ze dit van verdachte moet betalen. Uit diezelfde berichten blijkt ook dat verdachte deze situatie laat voortbestaan en [slachtoffer] hiervoor blijft laten betalen.

Ten tijde van haar overlijden had [slachtoffer] verschillende bedrijven op naam, maar is niet gebleken dat zij binnen die bedrijven enige substantiële activiteit heeft ontplooid. Een van die bedrijven betreft een Surinaams bedrijf. Uit het dossier blijkt echter niet van concrete plannen van [slachtoffer] om in Suriname te gaan verblijven. Van verdachte blijkt daarentegen dat hij concrete plannen had en ook stappen ondernam om in Suriname een zorghotel te beginnen. De vastgelegde ondernemingsactiviteiten betreffen activiteiten op gebieden waar verdachte met de bedrijven die op zijn naam staan eveneens op opereert. Het valt het hof op dat ook [vriendin 5] op verzoek van verdachte een thuiszorgbedrijf op haar naam heeft gehad. [vriendin 5] verklaart dat verdachte van die bedrijfsrekening contant geld opnam, terwijl zij met moeite en kosten het bedrijf uiteindelijk van haar naam verwijderd heeft gekregen. [vriendin 1 slachtoffer] heeft - als hierboven reeds vastgesteld - verklaard dat [slachtoffer] op het advies van [vriendin 1 slachtoffer] ermee te stoppen zei dat het te gecompliceerd was, omdat ze aan de ene kant bepaalde gevoelens had en aan de andere kant met hem in projecten zat. Dat liep allemaal door elkaar heen. Het hof houdt het ervoor dat verdachte [slachtoffer] , op een gelijke wijze als bij [vriendin 5] , ertoe bracht bedrijven op te richten die in wezen – hoe dan ook – werden gebruikt of bestemd waren om zijn eigen activiteiten mee te verrichten. Ook hier heeft verdachte [slachtoffer] misleid en gebruikt.

Ten aanzien van de opnames van [slachtoffer] spaarrekening op 1 en 2 augustus 2013 van in totaal € 15.000,- concludeert het hof, gelet op het bij verdachte en [slachtoffer] nabestaanden aangetroffen certificaat dat door verdachte is opgemaakt en ondertekend en gelet op de verklaring van [vriendin 1 slachtoffer] hieromtrent, dat dit geld naar verdachte is gegaan.

[slachtoffer] heeft vanaf 16 mei 2014 geld gestort gekregen op meerdere rekeningen die op haar naam staan, afkomstig van twee bedrijven waaraan verdachte gelieerd is. Verdachte spreekt over “zijn bedrijven.” Deze bedragen werden telkens dezelfde dag of binnen enkele dagen contant opgenomen, overgeboekt naar een rekening van verdachte of overgeboekt naar een andere rekening van [slachtoffer] . Uit het dossier blijkt dat deze bedragen voor een gedeelte weer rechtstreeks (giraal) naar verdachte zijn gegaan. Ten aanzien van het overige deel van deze naar [slachtoffer] rekeningen overgemaakte bedragen overweegt het hof dat er na haar overlijden niets meer van die bedragen op haar rekeningen is aangetroffen. Vaak werden deze bedragen dezelfde dag of binnen enkele dagen contant opgenomen. Van één contante opname van de bankrekening van [slachtoffer] is gebleken dat verdachte dit met een bankpasje van [slachtoffer] deed nadat hij een seintje van de direct daaraan voorafgaande storting kreeg van [ex-zakenpartner] . Van andere contante opnames is niet komen vast te staan door wie dit is gedaan. Nergens blijkt evenwel uit dat [slachtoffer] de laatste twee jaren van haar leven veel geld uitgaf of dat zij meer geld had te besteden dan daarvoor. Sterker nog, op 3 juni 2015 vraagt [slachtoffer] verdachte om geld omdat zij anders niets kan kopen. Haar beste vriendin [vriendin 1 slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar geld uitgaf aan winkelen en bioscoopbezoek, maar dat dit altijd slechts kleine bedragen betrof.

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] grote schulden had gemaakt, ontstaan vanwege haar relatie met haar ex-vriend uit Suriname . Het hof stelt vast dat er, behoudens deze verklaring van verdachte, geen aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat er grote geldbedragen van [slachtoffer] richting haar vorige vriend in Suriname zijn gegaan of dat [slachtoffer] anderszins schulden heeft gemaakt vanwege deze ex-vriend. Twee vriendinnen verklaren dat [slachtoffer] wel eens spullen naar haar ex-vriend stuurde. Zij spreken in dat verband niet over een grote hoeveelheid of kostbare goederen. Zo verklaart [vriendin 2 slachtoffer] dat die man uit Suriname haar wel eens om wat vroeg en dat [slachtoffer] de doos dan aanvulde met bijvoorbeeld hagelslag. [slachtoffer] deed daar verder ook niet geheimzinnig over aldus [vriendin 2 slachtoffer] . [vriendin 1 slachtoffer] verklaart dat [slachtoffer] kleding en iets wat met een auto te maken had naar Suriname heeft gestuurd. Ze denkt niet dat [slachtoffer] dat nog deed toen de relatie met die ex uit was. Het hof ziet, ook gelet op hun verklaringen, geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat [slachtoffer] veel geld heeft uitgegeven ten behoeve van haar ex-vriend. Het hof acht dit inhoudelijk ook niet aannemelijk, omdat uit de verklaringen van verdachte en uit het WhatsApp gesprek tussen verdachte en [slachtoffer] op 17 juni 2015 blijkt dat verdachte en [slachtoffer] al in de loop van 2013 een relatie kregen. De relatie met haar ex-vriend was blijkens de verklaring van haar vriendin [vriendin 1 slachtoffer] toen al uit. Voorgaande vindt qua tijdslijn bevestiging in gegevens van [slachtoffer] huisarts. In 2013 had [slachtoffer] (tot augustus) nog een gezonde financiële positie. In augustus 2013 nam [slachtoffer] weliswaar al haar spaargeld op, maar hiervoor heeft het hof reeds vastgesteld dat dit naar verdachte is gegaan.

Het hof concludeert dat verdachte degene is die bij het opnemen van [slachtoffer] opgebouwde spaargeld en de leningen en contracten die op naam van [slachtoffer] zijn afgesloten aantoonbaar financieel voordeel heeft gehad. Op grond hiervan en op grond van de verklaringen van [vriendin 1 slachtoffer] en [getuige 4] concludeert het hof dat [slachtoffer] , afgezien van de door haar gekoesterde affectieve gevoelens voor verdachte, vanwege financiële redenen niet zomaar uit de relatie met verdachte kon stappen. Het hof concludeert dat [slachtoffer] in financieel opzicht verstrikt is geraakt in haar relatie met verdachte en dat verdachte degene is geweest die daarvan op meerdere momenten heeft geprofiteerd.

7.4

Conclusie afsluiten verzekeringen

Ten aanzien van de redenen die door verdachte zijn opgegeven om een overlijdens-risicoverzekering af te sluiten op het leven van [slachtoffer] overweegt het hof dat verdachte daarover allereerst heeft verklaard dat dit was omdat [slachtoffer] en hij wilden gaan samenwonen. Het hof heeft hiervoor reeds vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] op dit punt heeft misleid en dat verdachte niet voornemens was om met [slachtoffer] te gaan samenwonen. Tevens is gebleken dat verdachte met [vriendin 1] , met wie verdachte daadwerkelijk is gaan samenwonen, geen overlijdensrisicoverzekering heeft afgesloten.

Ook heeft verdachte verklaard dat de hoofdreden voor het afsluiten van de overlijdensrisicoverzekering was dat [slachtoffer] grote sommen geld van hem had geleend. Verdachte heeft tijdens de behandeling in eerste aanleg aangekondigd dat hij die geldleningen met stukken kon onderbouwen. Mede om verdachte hiertoe in de gelegenheid te stellen werd zijn voorlopige hechtenis geschorst. Op 17 april 2018 werd een aantal kopieën van kwitanties door de verdediging aan de rechtbank overgelegd waaruit deze leningen zouden moeten blijken. Uit onderzoek door twee handschriftdeskundigen is gebleken, zoals hierna uitgebreider uiteen zal worden gezet, dat de handtekening die voor die van [slachtoffer] moet doorgaan onder de kwitantie van een lening bij verdachte van € 10.000,- is vervalst, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] die handtekening heeft gezet. Het hof concludeert op grond hiervan dat deze verklaring van verdachte aantoonbaar onjuist en ongeloofwaardig is. De kwitanties die door verdachte zijn overgelegd kunnen niet ter onderbouwing van zijn stelling dienen.

Verdachte heeft verder verklaard dat er bewijs is van geldleningen in de vorm van bankafschriften. Ook heeft hij verklaard dat er een financiering was afgesloten om ‘het’ af te lossen. Van voorgaande omstandigheden waaruit een objectieve onderbouwing van leningen zou kunnen blijken is niets gebleken. Ook dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte dat sprake is geweest van leningen aan [slachtoffer] .

Het hof stelt vast dat er geen aanknopingspunten zijn voor leningen van verdachte aan [slachtoffer] behoudens verklaringen van verdachte. Het hof acht deze verklaring van verdachte op grond van voorgaande en op grond van de conclusies die hiervoor zijn getrokken ten aanzien van de financiële kant van de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] niet aannemelijk geworden.

De verklaring van verdachte omtrent de reden voor het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering op zijn leven met [slachtoffer] als begunstigde, namelijk dat zij met dat geldbedrag dingen zou kunnen doen met zijn kinderen die hij dan niet meer zou kunnen doen, acht het hof niet geloofwaardig. Verdachte heeft immers ook verklaard dat [slachtoffer] geen dingen samen met de kinderen deed. Zij mocht bijvoorbeeld niet de kinderen van school halen. Dat [slachtoffer] zijn kinderen niet mocht zien blijkt ook uit een notitie die na haar dood op [slachtoffer] laptop is aangetroffen. Dit in tegenstelling tot [vriendin 1] , waarmee hij in mei/juni 2015 reeds plannen maakte om te gaan samenwonen aan de [adres 2] waar zijn kinderen dan ook zouden verblijven.

Het hof acht op grond van het voorgaande de verklaringen van verdachte omtrent de redenen voor het afsluiten van de overlijdensrisicoverzekeringen niet geloofwaardig. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte, die op dat moment in Suriname verbleef, een opvallende urgentie had bij het afsluiten van de verzekeringen door kort voordat [slachtoffer] vertrok haar te vragen of ze alles had geregeld, door vanuit Suriname te bellen naar de verzekeraar of alles was geregeld voor ‘als het straks zover is’, en [slachtoffer] te vragen om de polis mee naar Suriname te nemen.

8 Overige relevante feiten en omstandigheden

8.1

[ex-zakenpartner]

Zakenpartner [ex-zakenpartner] heeft op 17 januari 2017 ten overstaan van de rechercheofficier verklaard dat verdachte en hij in een gesprek dat plaatsvond rond mei 2015 bespraken dat zij beiden weer naar Suriname zouden gaan. In de context van die reis naar Suriname liet verdachte toen over ‘het meisje’ vallen ‘dat zij er straks niet meer is’.

Door de verdediging is ter zitting van het hof betoogd, dat de verklaringen van getuige [ex-zakenpartner] waaronder die van 17 januari 2017, onbetrouwbaar zijn en van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De verdediging heeft daarbij gewezen op de slechte verstandhouding tussen verdachte en [ex-zakenpartner] en hun zakelijke onenigheid vanwege het feit dat [ex-zakenpartner] nog geld moest betalen aan verdachte. Ook heeft de raadsman de manier van totstandkoming van deze verklaring van 17 januari 2017 en de inconsistenties tussen zijn verschillende verklaringen aangehaald. Verdachte heeft ontkend dat hij tegen [ex-zakenpartner] heeft gezegd dat een meisje zou verdwijnen en er is geen enkele objectieve bevestiging voor de belastende verklaring van [ex-zakenpartner] . Indien het hof de verklaringen van [ex-zakenpartner] en dan met name die van 17 januari 2017 voor het bewijs zal gebruiken, verzoekt de verdediging – voorwaardelijk - om [ex-zakenpartner] als getuige ter zitting te doen horen.

Het hof stelt vast dat [ex-zakenpartner] voor het eerst is gehoord door de politie op 17 december 2015. In dat verhoor heeft hij onder meer verklaard dat hij van verdachte hoorde dat ‘het meisje’ in Suriname was overleden. Hij dacht toen bij zichzelf: ‘Als hij er maar niets mee te maken heeft.’

Op 25 februari 2016 wordt getuige [getuige 7] gehoord. [getuige 7] verklaart dat hij eind 2015 [naam ex-vrouw] tegenkwam en dat zij hem vertelde dat verdachte het meisje had vermoord. [getuige 7] belde daarop naar [ex-zakenpartner] en vertelde hem dat hij over verdachte had gehoord dat het meisje dood was en dat verdachte dat waarschijnlijk gedaan had. [ex-zakenpartner] vertelde hem toen dat hij er met verdachte over had gepraat en dat verdachte zei dat hij er niets mee te maken had. [ex-zakenpartner] dacht echter dat verdachte er wel wat mee te maken had want in een gesprek tussen [ex-zakenpartner] en verdachte had verdachte iets laten doorschemeren: “ Dit meisje gaat waarschijnlijk verdwijnen.” [ex-zakenpartner] zei tegen [getuige 7] dat hij denkt dat verdachte ‘het gedaan heeft.’

Daarna is [ex-zakenpartner] op 11 maart 2016 gehoord. Hij wordt tijdens dat verhoor geconfronteerd met de verklaring van [getuige 7] , zoals hiervoor kort weergegeven. [ex-zakenpartner] wil hierop geen verklaring afleggen, naar eigen zeggen vanwege zijn eigen veiligheid.

Op 14 april 2016 spreekt [getuige 7] weer met de politie. Hij verklaarde dat [ex-zakenpartner] hem had gebeld en hem had gevraagd waarom [getuige 7] had verklaard wat [ex-zakenpartner] hem had verteld over dat het meisje ging verdwijnen. [ex-zakenpartner] zei tegen [getuige 7] dat [getuige 7] hem daarmee had belast. Toen [getuige 7] vervolgens tegen [ex-zakenpartner] zei dat hij [ex-zakenpartner] daarmee niet had belast en hem vroeg wie er nu daadwerkelijk wordt belast, antwoordde [ex-zakenpartner] volgens [getuige 7] : “Had ik het dan kunnen voorkomen?”

[ex-zakenpartner] wordt daarna meerdere keren benaderd door de politie, maar hij weigert om een verklaring in het onderzoek naar verdachte af te leggen.

Op 13 mei 2016 wordt [getuige 8] gehoord door de politie. Hij verklaart dat hij van [ex-zakenpartner] heeft gehoord dat er een meisje is vermoord in Suriname en dat dit meisje een contact is van verdachte.

Als [ex-zakenpartner] in het kader van een andere kwestie in mei 2016 met een verbalisant spreekt, vertelt hij dat verdachte met hem heeft gesproken en dat als hij iets zou zeggen over die moordzaak van dat meisje, direct duidelijk zou zijn dat die informatie van hem afkomstig is en dat hij bang is dat hem of zijn familie iets zal overkomen. Dat hij heeft besloten dat hij niet verklaard over de moord op het meisje omdat hij dan gevaar loopt.

[ex-zakenpartner] is in het kader van onderhavige zaak op 3 juni 2016 en 14 juni 2016 nog door de politie gehoord.

Op 17 januari 2017 wordt [ex-zakenpartner] door de rechercheofficier gehoord en legt hij de hiervoor weergegeven verklaring af. Dit verhoor is uitgewerkt en de audio opname bevindt zich bij het dossier. Het hof heeft deze opname zelf uitgeluisterd en stelt vast dat de uitwerking in het proces-verbaal van verhoor van de rechercheofficier overeenkomt met de audio opname.

Op 29 november 2017 is [ex-zakenpartner] door de rechter-commissaris in bijzijn van de toenmalige raadsman van verdachte gehoord. Hij is in dat verhoor niet teruggekomen op zijn verklaring van 17 januari 2017, maar heeft verklaard dat hij eerder heeft verklaard wat hij zich toen herinnerde.

Door de verdediging is ten aanzien van [getuige 7] nog aangevoerd dat hij geen objectieve getuige is, omdat [getuige 7] ervan overtuigd is dat verdachte schuldig is en hij bij de politie heeft verklaard een hekel te hebben aan verdachte. De raadsman verzoekt daarom om zijn verklaringen uit te sluiten van het bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat het enkele feit dat iemand een hekel aan een ander heeft en denkt dat diegene schuldig is, niet op voorhand betekent dat verklaringen niet betrouwbaar (kunnen) zijn. Bovendien is [getuige 7] op 1 november 2017 bij de rechter-commissaris door de toenmalige raadsman van verdachte bevraagd onder meer over zijn uitlatingen bij de politie dat hij een hekel aan verdachte heeft. [getuige 7] heeft daarop een genuanceerde verklaring gegeven die er op neerkomt dat hij verdachte in de kern geen slechte jongen vindt. Het hof zal dan ook geen gevolg verbinden aan de eerdere uitlating van [getuige 7] dat hij een hekel aan verdachte heeft. Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 7] overweegt het hof verder dat deze helder, gedetailleerd en specifiek zijn. Het hof ziet geen redenen om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen te twijfelen. Het hof gebruikt zijn verklaringen dan ook voor het bewijs.

Het hof stelt vast dat [ex-zakenpartner] anders over hun zakelijke onenigheid heeft verklaard dan verdachte. Hij betwist dat verdachte nog geld van hem krijgt en geeft als reden van hun zakelijke afscheid van elkaar dat hij niet langer met verdachte samen kon werken, omdat het bij verdachte niet altijd is wat het lijkt en dat er telkens dingen boven water kwamen. Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat [ex-zakenpartner] een zakelijk of ander belang had om in strijd met de waarheid belastend over verdachte te verklaren. Het hof concludeert bovendien dat uit de moeizame totstandkoming van zijn belastende verklaring blijkt dat [ex-zakenpartner] – naar eigen zeggen vanwege zijn veiligheid - in eerste instantie onwillig was om te verklaren. Het hof ziet geen aanknopingspunten voor de stelling van de verdediging dat [ex-zakenpartner] tijdens eerdere verhoren te veel onder druk is gezet door zijn verhoorders. Evenmin is het hof van oordeel dat verdachte inhoudelijk op een onjuiste wijze is geconfronteerd met de inhoud van eerdere verhoren van [getuige 7] en [ex-zakenpartner] .

Tijdens zijn verhoor op 17 januari 2017 heeft [ex-zakenpartner] blijkens de uitwerking van dit verhoor duidelijk en stellig verklaard over de cruciale uitlating van verdachte. Als de rechercheofficier zijn bewoordingen herhaalt verbetert [ex-zakenpartner] hem op het audiobestand hoorbaar op een detail. Hij geeft een plaats- en tijdsduiding aan de uitlating van verdachte door te verklaren wanneer het gesprek met verdachte ongeveer heeft plaatsgevonden en waar, en dat verdachte zijn uitlating deed in de context van zijn aanstaande reis naar Suriname .

Hoewel er inconsistenties zitten tussen zijn verschillende verhoren, vindt het hof in zijn eerdere verklaringen zoals hiervoor weergegeven genoeg aanknopingspunten om deze laatste verklaring voor zover weergegeven betrouwbaar te achten, temeer nu deze verklaring niet geheel op zichzelf staat, maar steun vindt in de verklaringen van [getuige 8] en met name die van [getuige 7] . Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat ook de verklaring van [ex-zakenpartner] d.d. 17 januari 2017 zoals hiervoor weergegeven kan worden gebruikt voor het bewijs.

8.2

Afwijzing voorwaardelijk verzoek horen [ex-zakenpartner]

Ten aanzien van het verzoek van de verdediging om [ex-zakenpartner] ter zitting als getuige te horen, overweegt het hof dat [ex-zakenpartner] reeds in bijzijn van de verdediging op 29 november 2017 door de rechter-commissaris is gehoord, welk verhoor geruime tijd in beslag heeft genomen, na het betreffende voor verdachte belastende verhoor. De toenmalige raadsman van verdachte heeft [ex-zakenpartner] bij die gelegenheid kunnen ondervragen. [ex-zakenpartner] is toen niet teruggekomen op zijn verklaring die hij op 17 januari 2017 heeft afgelegd, maar heeft verklaard dat hij geen toelichting kan geven op de details die hij noemt in zijn verklaring van 17 januari 2017, omdat hij het zich niet kan herinneren. Het hof ziet gelet op voorgaande geen noodzaak tot het nogmaals horen van [ex-zakenpartner] . Het hof heeft hierbij tevens in aanmerking genomen dat de verklaring van [ex-zakenpartner] , zoals deze wordt gebruikt voor het bewijs, steun vindt in ander bewijs zoals onder meer in de verklaringen van [getuige 7] en [getuige 8] en ander in dit arrest besproken bewijs. Er is derhalve geen sprake van sole or decisive evidence.

Het voorwaardelijk verzoek wordt afgewezen.

8.3

Opmerkelijke communicatie van verdachte over [slachtoffer] na haar overlijden

Op 2 juli 2015 spreken verdachte en [naam tante] elkaar via WhatsApp:

“ [naam tante] : Hoi [verdachte] , zou je [slachtoffer] willen benaderen. Ik heb nog steeds niets binnen gekregen. Groetjes [naam tante]

Verdachte: Ja zal ik doen. Ik heb haar een bericht gestuurd.

[naam tante] : Gisteren gebeld maar ze pakte niet op. Hoor van je”.

In de telefoon van [slachtoffer] is een sms-bericht aangetroffen van 2 juli 2015:

“Hallo [slachtoffer] ik heb nog niets gestort gekregen. Hoor graag van jou. Groetjes [naam tante].”

Op 8/9 juli 2015 spreken verdachte en [naam tante] elkaar via WhatsApp:

“ [naam tante] : Nog wat van [slachtoffer] gehoord? Maak me ernstig zorgen. gr

Verdachte: Hi, nee. Maar ook niet van oom [naam oom] . Hij komt zijn afspraken niet na

(. . .)

(Gaat verder over oom [naam oom] ).

Op 21 augustus 2015 heeft verdachte contact met ene [naam ] op WhatsApp:

“ [naam ] : Goedemorgen! Alles lekker? Vraag: mag ik het nummer van mevrouw [slachtoffer] ? Of mag ik even met haar afspreken?

Verdachte: Druk, ben niet in NL. As donderdag terug.

[naam ] : Ok goed bezig! Maar mag ik het nummer van haar? Of geen haar mijn nummer dat ze me even belt aub”

Verdachte bevestigt dit door middel van een emoticon met een duim omhoog.

Op 14 januari 2016 is [naam tante] ( [naam tante] ) als getuige gehoord. Zij verklaart over de lening die [slachtoffer] had bij haar en dat [slachtoffer] niets meer van zich liet horen. Verdachte zei dat [slachtoffer] in Duitsland zat. In juli 2015 vertelde verdachte haar dat [slachtoffer] een lening in Duitsland probeerde te krijgen.

8.4

Verdachte en omgang met andere vrouwen kort na overlijden [slachtoffer]

In juli 2015 leert verdachte [vriendin 4] kennen op Tinder. Rond 20 juli 2015 ontmoeten ze elkaar voor het eerst. Ze gaat ervan uit dat hij alleenstaand is. Af en toe gaan ze uit en dan nemen ze een hotel.

Op 25 augustus 2015 belt verdachte met [medeverdachte] . Verdachte vertelt hem dat hij het leuk heeft gehad in Italië en zijn verjaardag (op 23 augustus) daar heeft gevierd. Hij heeft veel geshopt en gefeest met [vriendin 1] .

[vriendin 1] heeft verklaard dat ze in augustus 2015 vier dagen in Italië is geweest met verdachte.

8.5

Instrueren en beïnvloeden [vriendin 1]

Op 27 september 2015 omstreeks 22.21 uur zitten verdachte en [vriendin 1] in de auto van verdachte. Voor deze auto is een machtiging verleend voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de periode 23 september 2015 tot en met 17 november 2015.

Verdachte en [vriendin 1] zeggen in dit gesprek op 27 september 2015 onder meer:

S; maar heb jij nu nog vragen?

M: Nee het is mij nu duidelijk…(..)

S: En als je het even niet meer ziet zitten (NTV) dan zeg je ik ga er weer vandoor wil je me nog een keer spreken dan is hier mijn nummer.. en dan weet je ook een beetje hoe ze het gesprek zijn ingegaan en wat ze allemaal hebben gevraagd weet je..

(..)

M: “maar.. wat ik wel wil eigenlijk dat we er het gewoon bijhouden van nou ok we hebben een open relatie (NTV).. we kennen elkaar sinds maart vorig jaar, en dat jij haar al had als vriendinnetje.. prima geen probleem dat wist ik niet daar wil ik ook niks van weten ik heb mijn dingen jij hebt jouw dingen, en we houden ook gewoon aan dat we elkaar af en toe zagen dat we dan bij elkaar bleven slapen enne.. wil jij dat ik (NVT) weet dat jullie samen een huis zouden kopen?

S: Je weet verder niks.. je weet ook niet van die polis”.

En omstreeks 22.30 uur wordt gezegd:

“S : Echt hier ga je zo keihard doorheen…en dan ehh is t de bonus dat het wordt uitgekeerd (…)snap je wat ik bedoel? dan gaan we echt naar Bali…of wil je niet naar Bali?

M : Tuurlijk wel.. maar ik wil eigenlijk ook heel graag naar Singapore

S : dan doen we het allebei”.

S: eh levensverzekering kan je vragen Hoe bedoel je dat? dan gaan ze vragen heb jij een levensverzekering? Nou dat weet ik niet.

S: dan zeg je nee die heb ik niet..(..)

S: ja en het punt is zij zijn getraind om te zorgen dat zij steeds het gesprek overnemen en op een gegeven moment kunnen ze je in een heel andere hoek gaan pakken om te kijken of je daar misschien in de val raakt.. (NTV)laat hun praten… luister… je hoeft niks te zeggen luister naar wat ze te vertellen hebben.. weet ik niet.. nou ja dat is niet helemaal waar zeg je ik weet niet wat ie doet…(..)

S: ze weten dat jij en ik het hebben gehad over .. ehh t ongeluk.. ja… jij moet weten van mij dat t een ongeluk is ehhh gebeurd in Suriname dat ik daar heel veel moeite mee heb en daar door slecht slaap en ehm dat soort dingen

Omstreeks 23.58 uur bespreken verdachte en [vriendin 1] het volgende:

“S: Ok.. ik heb eh als het inderdaad wel uitgekeerd wordt dan gaat er zo wie zo een beetje geld naar m’n ex…

S: jij weet niet van de details, je weet dat er iemand een ongeluk heeft gehad je weet dat de laatste paar dagen dat ik eigenlijk terug zou komen dat dat spannend was dat er een ongeluk was gebeurd die dingen staan overal bekend snap je?

M : weet ik dat jij een relatie met haar hebt?

S : (…)wij hebben een open relatie daar kun je alles direct mee afkappen

M : ik vond dat wel een goeie (…) een open relatie

S : ik vond hem geniaal”.

[vriendin 1] heeft over dit gesprek bij de raadsheer-commissaris verklaard dat ze instructies kreeg van verdachte en dat hij probeerde haar gerust te stellen. Over die bonus in dat gesprek zegt [vriendin 1] dat zij denkt dat het over die levensverzekering gaat.

Tijdens datzelfde verhoor verklaart [vriendin 1] dat zij met verdachte in januari/februari 2015 op de plek bij het water bij de brug is geweest, maar dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat zij daar niet is geweest.

Op 22 oktober 2015 omstreeks 21.03.48 uur voeren verdachte en [vriendin 1] een gesprek in de auto en verdachte zegt het volgende:

“Het maakt niet uit wat er gebeurd maar wij zullen nooit uit elkaar gaan. Of ik iemand heb vermoord of niemand heb vermoord. Wij gaan niet uit elkaar.”

De verdediging heeft ter zitting van het hof aangevoerd, dat [vriendin 1] in een eerder gevoerd gesprek zelf was gekomen met de kwalificatie ‘open relatie’, zoals ook blijkt uit het dossier. Bovendien blijkt ook uit het dossier dat verdachte en [vriendin 1] daadwerkelijk een open relatie hadden. Hieruit volgt dat het niet klopt dat verdachte [vriendin 1] op dat moment instrueerde om te verklaren dat ze een open relatie hadden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent, dat uit de inhoud van het gesprek blijkt dat verdachte haar op dat moment wel degelijk instrueert naar aanleiding van haar vraag ‘weet ik dat jij een relatie met haar hebt?’ Dat [vriendin 1] tijdens een eerder gesprek zelf met de kwalificatie ‘open relatie’ kwam, doet daar niets aan af. Bovendien geeft [vriendin 1] tijdens haar verhoor bij de raadsheer-commissaris zelf ook aan dat verdachte haar tijdens dit gesprek instrueert.

Gelet op voorgaande concludeert het hof dat verdachte [vriendin 1] tijdens de afgeluisterde gesprekken op 27 september 2015 op meerdere punten heeft geïnstrueerd en ook dat hij [vriendin 1] heeft geprobeerd te beïnvloeden omtrent haar herinnering aan hun bezoek aan de plek bij het water in januari/februari 2015.

9 Conclusies hof

9.1

Beoordeling hof verklaringen verdachte over gebeurtenissen 25 en 26 juni 2015

De verklaringen van verdachte zijn ook als zij betrekking hebben op de gebeurtenissen van 26 juni 2015 wisselend, deels innerlijk tegenstrijdig en aantoonbaar feitelijk onjuist. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen als geheel.

Zo heeft verdachte wisselend verklaard over de staat waarin hij [slachtoffer] aantrof in het appartement op 26 juni 2015. Dit geldt in het verlengde daarvan ook voor het feit of [slachtoffer] met haar schoenen aan, of juist in de hand de trap van het appartement afliep. Verder heeft hij wisselende verklaringen afgelegd over wat [slachtoffer] en hij in de auto aan het doen waren toen ze op de plek bij het water stonden en of ze wel of niet aanspreekbaar was op het moment dat hij ging plassen. Hij heeft wisselend verklaard over of hij iets hoorde en zag toen [slachtoffer] naar zijn zeggen in het water verdween. Hij heeft ook wisselend verklaard over het feit of hij wel of niet kan zwemmen. Dat dit berust op een misverstand en komt door de verschillen tussen het Surinaams Nederlands en het Nederlands acht het hof niet aannemelijk geworden, nu niet één, maar drie verschillende verbalisanten in verschillende bewoordingen hebben genoteerd dat verdachte op verschillende momenten heeft verklaard dat hij niet kon zwemmen. Over zijn redenen om op 29 juni 2015 direct na sluiten van het onderzoek door de politie naar Nederland te vliegen heeft verdachte eveneens wisselend verklaard.

Aantoonbaar onjuist heeft verdachte meermalen verklaard dat hij nog nooit eerder op de plek was geweest waar [slachtoffer] te water is geraakt en dat hij er op haar aanwijzingen hoe te rijden naartoe is gereden. Uit verklaringen van [vriendin 3] en [vriendin 1] blijkt dat hij hier meermalen was geweest vóór 25 juni 2015. Dat het zijn plekje was, aldus [vriendin 3] .

Daarnaast zijn er veel ongeloofwaardige aspecten aan de verklaring van verdachte. Te denken valt aan zijn verklaring dat verdachte niet wist dat Palm rum 90 % alcohol bevat, terwijl dit op het etiket van de fles in grote, opvallende cijfers staat aangegeven en uit de camerabeelden van de [naam supermarkt] blijkt dat verdachte deze flesjes gedurende enige tijd heeft bekeken. Ook acht het hof niet geloofwaardig dat verdachte in 2015 het verschil tussen aangeschoten en dronken niet kende.

Verdachte heeft geen antwoord (kunnen) (ge)geven op de vraag waarom hij om 01:44 uur in de nacht toen hij naar eigen zeggen onder de brug was de notitie van een kenteken van een Surinaamse Toyota Ist in zijn telefoon heeft gezet.

Als laatste acht het hof ook zijn verklaring dat hij [slachtoffer] in dronken, ziekelijke toestand op een muurtje direct grenzend aan de Surinamerivier, een brede getijdenrivier, achterlaat om te gaan plassen op voorhand niet erg geloofwaardig.

Verwerping stelling verdediging oorzaak is trauma

Over de verschillen in zijn verklaringen over de gebeurtenissen op 26 juni 2015 heeft de verdediging naar voren gebracht dat dat mogelijk komt doordat verdachte getraumatiseerd was door het ongeluk van [slachtoffer] en dat hij psychische klachten had. Verdachte heeft meermalen verklaard dat hij EMDR-therapie heeft gehad om het trauma van het ongeluk een plaats te geven. De verdediging heeft daartoe stukken overgelegd op de zitting bij het hof van 18 februari 2021.

Het hof stelt allereerst vast dat de stukken die in dit kader zijn overgelegd op een zeer laat moment in het strafproces zijn ingediend, terwijl verdachte hier reeds in eerste aanleg meermalen om was verzocht. Hij heeft dit toen geweigerd. Het hof stelt verder vast dat het stukken betreft afkomstig van een revalidatiearts en een teamleider/fysiotherapeut. Zij bevestigen, mede op basis van een tweetal stukken die zij overigens van verdachte hebben ontvangen, dat verdachte in 2015 en 2016 onder behandeling is geweest mede naar aanleiding van het ongeluk met [slachtoffer] . Zij spreken over klachten van PTSS en een daarop gerichte EMDR behandeling.

Deze stukken maken het oordeel van het hof omtrent de geloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte niet anders. Het hof merkt daarbij allereerst op dat de diagnose PTSS niet wordt gesteld in de stukken en dat de revalidatie arts en de fysiotherapeut ook niet zonder meer deskundig zijn om deze diagnose te stellen. Bovendien gaan zij uit van het overlijden van [slachtoffer] als gevolg van een noodlottig ongeval op basis van informatie die verdachte hen heeft gegeven. Daarbij is vast komen te staan dat verdachte destijds al op de wachtlijst voor behandeling stond vanwege een eerder auto-ongeluk en daarbij opgelopen fysieke klachten, waaronder nekklachten. Niet valt vast te stellen waar de gestelde klachten van PTSS hun oorsprong vinden. Voorts bevat de door de verdediging overgelegde medische informatie geen enkele onderbouwing voor het door de verdediging gestelde oorzakelijk verband dat de beschreven klachten van PTSS zouden leiden tot wisselende verklaringen van verdachte.

Het hof stelt in dit verband ten aanzien van de wijze waarop verdachte heeft verklaard over zijn al dan niet eerdere aanwezigheid op de plek onder de Wijdenboschbrug vast dat het opvallend is dat verdachte kort na de verdwijning van [slachtoffer] eind juni 2015 in Suriname en nadien in november 2015 in Nederland – toen hij aldus zijn politieverklaring al onder behandeling was - consequent en gedetailleerd beschrijft hoe hij door [slachtoffer] naar de plek onder de Wijdenboschbrug werd gedirigeerd. Hij is consistent in zijn uitlating dat hij daar niet eerder was geweest. Ten tijde van de zitting van de rechtbank in januari 2019 heeft verdachte aanvankelijk ook verklaard daar niet eerder te zijn geweest. Toen hij daarna werd geconfronteerd met de verklaringen van [vriendin 3] en [vriendin 1] , heeft hij gezegd dat hij inderdaad met [vriendin 1] in Suriname is geweest, maar dat [vriendin 1] zich van die plek niets kan herinneren. Vervolgens verklaart hij dat hij niet zeker weet of hij daar is geweest. Als reactie op het gegeven dat [vriendin 3] zegt dat het verdachtes plekje zou zijn, zegt verdachte bij de rechtbank tot slot dat hij daar niet is geweest. Zowel [vriendin 3] als [vriendin 1] zijn in hoger beroep op dit punt als getuige bevraagd en hebben bevestigd dat verdachte hen op de plek onder die brug heeft gebracht. Het hof heeft geen aanleiding aan die verklaringen te twijfelen. [vriendin 1] bevestigt daarbij ook dat verdachte haar heeft gezegd dat zij zich vergist en aldaar niet was geweest. Dat maakt het oordeel van het hof omtrent de betrouwbaarheid van haar verklaring over haar bezoek aan de plek niet anders.

Het hof stelt het volgende vast. Bij de rechtbank is verdachte – anders dan tijdens de politieverhoren - niet consistent in zijn verklaringen geweest over zijn herinnering of hij eerder op die plek is geweest. Ten tijde van de behandeling in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij het zich niet kan herinneren dat hij er ooit eerder was geweest. Dit maakt – hoe dan ook - dat verdachte over zijn herinnering aan zijn aanwezigheid op de plek onder de brug wisselend heeft verklaard. Het verandert niet het oordeel van het hof dat verdachte in zijn eerdere gedetailleerde verklaringen dat [slachtoffer] hem naar die plek heeft gedirigeerd terwijl hij op die plek niet eerder was geweest, ongeloofwaardig is. Deze consistente en gedetailleerde verklaringen omtrent de door haar gegeven aanwijzingen verhouden zich niet met de stelling van de verdediging dat verdachtes herinnering is aangetast ten gevolge van de door de verdachte gevolgde EMDR-therapie en/of de door hem gestelde PTSS.

De consistente en gedetailleerde wijze waarop verdachte bij de politieverhoren vertelt dat [slachtoffer] hem naar die plek bracht en dat hij aldaar niet eerder was geweest, maakt wel dat het hof het ervoor houdt dat verdachte op een beredeneerde wijze tot deze ongeloofwaardige verklaringen is gekomen. Dit alles – zoals hierboven ook al onder 7.2 overwogen - doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte.

Uitlatingen verdachte tegen undercoveragent

Door de raadsman is ter zitting van het hof aangevoerd, dat de uitlatingen die verdachte tegen een undercoveragent heeft gedaan, ten onrechte niet als ontlastend zijn aangemerkt.

Verdachte heeft meerdere keren tegen de undercoveragent gezegd dat hij [slachtoffer] niet heeft gedood en dat haar dood een noodlottig ongeval is geweest. Nu verdachte geen idee had dat hij met een undercoveragent van doen had en zich onbespied waande, moeten deze verklaringen als ontlastend voor verdachte en zijn strafrechtelijke betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] worden beschouwd, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Uit het dossier blijkt dat in het politieonderzoek in 2016 gedurende een periode van ruim negen maanden een undercoveragent is ingezet die contact met verdachte heeft gezocht en hem meerdere malen heeft ontmoet. Verdachte heeft tijdens die ontmoetingen meerdere malen met hem gesproken over de gebeurtenissen met [slachtoffer] en heeft daarbij telkens verteld dat zij – kort gezegd – door een ongeluk om het leven is gekomen. Hoewel deze uitlatingen op geen enkele wijze belastend bewijs opleveren tegen verdachte, volgt het hof de raadsman niet in zijn stelling dat deze uitlatingen dan dus ontlastend zijn voor verdachte en zijn strafrechtelijke betrokkenheid bij het onder 1 tenlastegelegde. Het hof beschouwt deze uitlatingen van verdachte tegen de undercoveragent dan ook noch als belastend, noch als ontlastend.

9.2

Voorwaardelijk verzoek 3, horen ex-vrouw van verdachte, [naam ex-vrouw]

De verdediging heeft verzocht om, in het geval het hof de verklaringen van [naam ex-vrouw] voor het bewijs wil bezigen, het onderzoek te heropenen om [naam ex-vrouw] als getuige onder ede te horen over de door de verdediging gesignaleerde tegenstrijdigheden in haar verklaringen.

Het hof overweegt hieromtrent, dat de verklaringen van [naam ex-vrouw] niet voor het bewijs worden gebruikt. Het verzoek behoeft daarom geen verdere bespreking.

9.3

Eindconclusie feit 1

Het hof heeft gelet op met name de volgende omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien:

Verdachte heeft [slachtoffer] misleid omtrent de aard van hun relatie door haar voor te houden dat zij een liefdesrelatie hadden en dat zij zouden gaan samenwonen. In werkelijkheid woonde hij al samen met [vriendin 1] en maakte hij plannen om het samenwonen met [vriendin 1] te continueren in [plaats] , te gaan samenwonen in een woning waar ook zijn zoons een gedeelte van de tijd zouden gaan verblijven. [slachtoffer] was niet op de hoogte van het samenwonen en deze plannen. In de maand voor haar dood houdt hij [slachtoffer] meermalen voor dat hij haar mist en dat zij gaan samenwonen en zij van hem is. Hij heeft die maand ook meermalen seksueel contact met [vriendin 3] en hij probeert een relatie te beginnen met [vriendin 2] . Op de avond voor haar dood nodigt verdachte haar familie uit om te laten zien dat hij [slachtoffer] vriend is. Daarna zet hij haar af en gaat hij met [vriendin 2] naar de bioscoop.

Voordat [slachtoffer] een relatie krijgt met verdachte leidt zij geen opvallend financieel bestaan. Ze studeert, heeft een bijbaan bij de Action en heeft een bedrag van ruim

€ 15.000,- op haar spaarrekening staan. Na haar overlijden heeft ze een girale schuld van ruim € 6.000,-. Daarnaast heeft zij meerdere (andere) leningen op haar naam staan. Verdachte heeft ten aanzien van het verdwijnen van haar spaargeld en het opbouwen van haar girale schuld en overige leningen telkens financieel voordeel gehad. [slachtoffer] is tijdens haar leven in financieel opzicht verstrikt geraakt in haar relatie met verdachte en verdachte is degene die daar ten koste van [slachtoffer] van heeft geprofiteerd. Verdachte is hierbij op een loverboyachtige manier te werk gegaan: veinzen dat zij voor hem de enige was en vervolgens een ondoorzichtige financiële verstrengeling tussen hen bewerkstelligen, waarbij [slachtoffer] haar positieve banksaldi zag verdampen.

Getuige [ex-zakenpartner] heeft verklaard dat verdachte en hij in een gesprek dat plaatsvond rond mei 2015 bespraken dat zij beiden weer naar Suriname zouden gaan. In de context van die reis naar Suriname liet verdachte toen over ‘het meisje’ vallen ‘dat zij er straks niet meer is’.

Ongeveer anderhalve maand voor [slachtoffer] overleed is een overlijdensrisicoverzekering op haar leven afgesloten. Kort voor haar overlijden is de begunstiging gewijzigd en werd verdachte de begunstigde.

Een maand voor het overlijden van [slachtoffer] is een uitvaartverzekering op haar naam afgesloten, terwijl zij al een uitvaartverzekering had. Verdachte is van deze nieuwe uitvaartverzekering de begunstigde.

Verdachte heeft ongeloofwaardige verklaringen afgelegd ten aanzien van zijn redenen om de overlijdensrisicoverzekeringen en uitvaartverzekering door [slachtoffer] te laten afsluiten.

Bij het afsluiten van de verzekeringen had verdachte opvallende urgentie door aan [slachtoffer] te vragen of ze alles had geregeld, door nota bene vanuit Suriname onder een andere naam te bellen naar de verzekeraar of alles was geregeld voor ‘als het straks zover is’, en [slachtoffer] te vragen om de polis mee naar Suriname te nemen.

[slachtoffer] , die niet kon zwemmen, is - voor of na haar overlijden - in bijzijn van verdachte te water geraakt. Verdachte heeft hierover wisselend, deels innerlijk tegenstrijdig en aantoonbaar feitelijk onjuist verklaard. Het hof acht zijn verklaring dat sprake is geweest van een noodlottig ongeval niet geloofwaardig.

Verdachte heeft geprobeerd zijn alternatieve scenario digitaal vast te leggen door het maken van foto’s van [slachtoffer] met de flesjes rum in de supermarkt en door in de WhatsApp groep te zeggen dat zijn vriendin veel gedronken heeft en dat zij naar de brug wil en van dat gesprek vervolgens een screenshot te maken. Toen hij op de plek bij het water was heeft hij het kenteken genoteerd van een auto die daar stond. Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat, en waarom, hij deze notitie heeft gemaakt, concludeert het hof dat verdachte het noteren op dat moment van belang vond. In het licht van het overige bewijs waaronder ook verdachtes bericht naar [naam ] op 26 juni 2015 om 14:25 uur (“Heb ik zelfs een foto van”) en gelet op het uitblijven van een verklaring van verdachte waaruit anders zou blijken, beschouwt het hof deze notitie, de foto’s van [slachtoffer] met de flesjes rum en het screenshot van voornoemd gesprek, in samenhang beschouwd, als gemaakt om zijn alternatieve scenario op een later moment zo nodig te kunnen onderbouwen. Door de verdediging is naar voren gebracht dat als verdachte deze foto’s en notitie inderdaad om die reden had gemaakt hij het bestaan hiervan in zijn eerste verhoren wel kenbaar had gemaakt, maar dat hij dit niet heeft gedaan. Het hof duidt dit niet direct inbrengen, maar het achter de hand houden, echter als in lijn met de eerdere constatering dat verdachte vaker pas op een laat moment komt met stukken ter onderbouwing van delen van zijn verklaring. Dat verdachte geen beroep heeft gedaan op deze notitie of op de foto’s en het screenshot, maakt de conclusie dat hij bij het maken hiervan de bedoeling had om zijn alternatieve scenario vast te leggen daarom niet anders.

Het opmerkelijke gedrag van verdachte na het overlijden van [slachtoffer] . Verdachte vliegt op 29 juni 2015, als het lichaam van [slachtoffer] die dag is gevonden, maar hij dat nog niet heeft gezien of haar familie heeft gesproken, terug naar Nederland. Uit de verklaring van verdachte zelf en de waarnemingen van de politie blijkt dat verdachte erop gebrand was het geplande vliegtuig naar Nederland te halen. Hiernaar gevraagd heeft hij wisselende verklaringen gegeven over de reden om op dat moment al naar Nederland te vliegen. Verdachte maakt op het vliegveld een selfie waarop hij lachend is afgebeeld en stuurt die naar [vriendin 1] . Het afscheid van [slachtoffer] heeft hij niet bijgewoond. Om de familie van [slachtoffer] heeft hij zich op geen enkel moment meer bekommerd. In juli 2015 leert hij [vriendin 4] kennen op Tinder. Vanaf augustus 2015 woont hij samen met [vriendin 1] in hun woning aan de [adres 2] en gaat hij met haar feesten en shoppen in Italië. In deze periode maakt hij zich ook schuldig aan – kort gezegd – hypotheekfraude (feit 3) zoals hierna uiteen zal worden gezet.

Op 14 juli 2015 heeft verdachte telefonisch contact met een medewerker van Dela om een rekeningnummer te wijzigen. Hij meldt dan het overlijden van [slachtoffer] niet. Op 20 juli 2015 vraagt verdachte een overlijdensuittreksel van [slachtoffer] op bij de gemeente. Een dag later belt hij naar Dela om het overlijden van [slachtoffer] te melden en vraagt hij of het uittreksel volstaat in plaats van een overlijdensakte om de overlijdensrisicoverzekering te laten uitkeren.

In juli/augustus 2015 vertelt verdachte familieleden en een kennis niet dat [slachtoffer] is overleden als zij naar haar vragen, maar suggereert hij juist dat zij nog in leven is. Daarnaar gevraagd heeft verdachte daar geen aannemelijke, verifieerbare verklaring voor.

Uit afgeluisterde gesprekken tussen [vriendin 1] en verdachte blijkt dat hij haar instrueert omtrent haar verhoor bij de politie. Zo spreken ze af dat zij zal verklaren dat ze een open relatie hebben. Ook blijkt dat hij haar heeft geprobeerd te beïnvloeden omtrent het al dan niet met verdachte bezoeken van de plek onder de brug aan het water in februari 2015.

Het hof komt tot de slotsom dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden afgeleid dat verdachte voor het overlijden van [slachtoffer] al kennis droeg van haar naderende overlijden en dat alle handelingen van verdachte - en daarmee zijn opzet - zoals hiervoor beschreven gericht waren/was op haar dood alsook op het construeren van het alternatieve scenario van een noodlottig ongeval.

Het hof concludeert dat verdachte [slachtoffer] op 26 juni 2015 tussen 01:04 uur en 03:08 uur

opzettelijk om het leven heeft gebracht door haar in het water te doen belanden of

haar, voorafgaande aan het in het water doen belanden, al om het leven heeft gebracht.

Vanwege het ontbreken van duidelijke sporen kan de doodsoorzaak niet met zekerheid worden vastgesteld. Het ombrengen van [slachtoffer] kan – hoe dan ook - niet anders hebben plaatsgevonden dan door een of meer vormen van geweld. Door de verdediging is aangevoerd dat uit de verrichte secties op het lichaam van [slachtoffer] geen sporen van geweld zijn aangetroffen. Op zichzelf is dat juist. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de mate van ontbinding van het lichaam en de eerste sectie het onderzoek substantieel hebben bemoeilijkt. Bovendien sluit afwezigheid van (bijvoorbeeld) beschadiging aan het strottenhoofd geweld op de hals beslist niet uit.

9.4

Alcohol

Naast de verklaring van verdachte bevat het dossier (mogelijke) aanwijzingen dat [slachtoffer] in de avond van 25 juni 2015 alcohol heeft genuttigd. Dit gaat om de aankoop van de flesjes Palm rum, het aangebroken flesje in het appartement van verdachte en het aangetroffen braaksel bij de pier. Ook is na haar dood in [slachtoffer] lever een concentratie van 1,85 g/kg ethanol aangetroffen. Ethanol is de chemische naam van de stof die in het normaal spraakgebruik alcohol wordt genoemd.

Van het aangetroffen braaksel kan echter niet worden vastgesteld dat dit van [slachtoffer] is en in het braaksel is geen alcohol (meer) aangetroffen. Voor wat betreft de in de lever aangetroffen ethanol heeft toxicoloog Pennings in zijn rapport d.d. 13 november 2017 uiteengezet dat dit kan wijzen op antemortale alcoholinname, postmortale vorming en op balseming met een ethanol houdende balsemvloeistof. De bijdrage van ieder van deze processen is in het geval van [slachtoffer] onbekend. Daarom is interpretatie van de waarde van 1,85 g/kg in de lever niet mogelijk.

Verder zijn er getuigen die [slachtoffer] om 22:00 uur nog hebben gezien en niet hebben gemerkt dat zij alcohol gedronken had. Het hof kan daarom niet met zekerheid vaststellen dat [slachtoffer] de alcoholhoudende drank ook daadwerkelijk tot zich genomen heeft en/of dat (en in welke mate) zij onder invloed was. Het hof zal verdachte dan ook voor die betreffende onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.

9.5

Voorbedachte raad

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Voor het bewijs van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit het bewijs volgt dat verdachte zich gedurende een langere periode heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit. Daarbij is van belang dat verdachte anderhalve maand voor zijn vertrek naar Suriname tegen [ex-zakenpartner] gezegd dat ‘zij er straks niet meer is’. In deze tijd werd ook de levensverzekering afgesloten op het leven van [slachtoffer] bij Dela. Verdachte heeft meermaals gecontroleerd of [slachtoffer] dit op een juiste manier had geregeld en heeft zelf ook vanuit Suriname naar Dela gebeld onder een andere naam en gevraagd of alles in orde was met de zinsnede: ‘Ja, dus stel dat het straks zo ver is…’.

Gelet op dit alles staat vast dat verdachte van te voren het besluit heeft genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat hij tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Uit het dossier volgt dat hij planmatig en berekenend te werk is gegaan, waarbij hij aandacht heeft besteed aan diverse aspecten ten behoeve van en rondom het overlijden van [slachtoffer] . Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De hof acht, gelet op alle hiervoor weergegeven bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en in lijn met de zienswijze van het openbaar ministerie en de beslissing van de rechtbank - bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] , zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd.

10 Overwegingen met betrekking tot feit 2

De verdediging heeft ter zitting van het hof primair aangevoerd, dat de ten laste gelegde handelingen geen begin van uitvoering in de zin van artikel 45 Sr opleveren. Dat verdachte op 21 juli 2015 aan een medewerker van Dela telefonisch meldt dat [slachtoffer] is overleden en informatie inwint, brengt niet met zich dat daaruit blijkt dat verdachte opzet had om verzekeringsgelden te innen, laat staan dat daaruit zou blijken dat hij Dela zou willen oplichten. De telefoongesprekken van 21 juli 2021 kunnen niet worden gekwalificeerd als handelingen, gericht op het bewegen van Dela tot het uitkeren van € 300.000,- en

€ 10.000,-.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen rol heeft gespeeld bij het overlijden van [slachtoffer] . Verdachte heeft bij alle tenlastegelegde gedragingen geen oogmerk gehad om Dela onder valse voorwendselen geldbedragen aan hem uit te laten keren.

Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent, dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen de volgende gang van zaken blijkt. Verdachte heeft [slachtoffer] begin mei 2015 een overlijdensrisicoverzekering bij Dela laten afsluiten ter hoogte van € 300.000,- met een standaardbegunstiging. Hij heeft haar daartoe voorgespiegeld dat zij een wederkerige liefdesrelatie hadden en dat zij op korte termijn zouden gaan samenwonen. Op 1 juni 2015 verzoekt [slachtoffer] om verdachte als begunstigde op te nemen op de polis. Dezelfde dag herinnert verdachte [slachtoffer] eraan een uitvaartverzekering af te sluiten en checkt hij bij haar of dat ook bij Dela is. Op 15 juni 2015 wordt de uitvaartverzekering zodanig gewijzigd dat verdachte de begunstigde wordt. Op 16 juni 2015 belt verdachte vanuit Suriname naar Dela en stelt zich voor als [naam ] en vraagt of de overlijdensrisicoverzekering op de juiste manier in orde was gemaakt met de opmerking ‘stel dat het straks zover is’. Op 26 juni 2015 is verdachte verantwoordelijk voor het overlijden van [slachtoffer] .

Op 20 juli 2015 vraagt verdachte bij de gemeente een overlijdensuittreksel op en heeft deze gekregen, terwijl hij niet gerechtigd was om deze te krijgen. Dit uittreksel bespreekt verdachte vervolgens met Dela in het kader van uitkering van de afgesloten levensverzekering. Op 21 juli 2015 belt verdachte Dela met het bericht dat [slachtoffer] op 29 juni 2015 is overleden, in de ochtend, op een voor hem onbekend tijdstip. Verdachte wist op dat moment dat [slachtoffer] in de nacht van 26 juni 2015 te water is geraakt en vermoedelijk ook toen al was overleden. Nu hij aanwezig was bij – aldus het verdrinkingsscenario van verdachte – het te water raken van [slachtoffer] , kon verdachte ook een juist tijdstip noemen. Verder heeft verdachte ook niet verklaard dat hij bij haar overlijden een rol van betekenis heeft gespeeld. Het hof constateert dat verdachte in zijn contacten met Dela na de dood van [slachtoffer] – zelfs in het door verdachte gestelde ongevalsscenario – niet open en volledig is geweest.

Verdachte heeft in zijn contacten met Dela informatie ingewonnen welke stukken aanvullend nodig zijn om tot uitkering over te gaan en hij heeft bij Dela laten nagaan of het door hem geregelde uittreksel van de gemeente in dit geval voldoende zou zijn. Dela heeft daarop volgens de gebruikelijke procedure verdachte formulieren gezonden.

Een poging tot misdrijf – in casu het oplichten van Dela – is strafbaar wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of uit voorgaande handelingen van verdachte, in samenhang met andere redengevende feiten en omstandigheden, blijkt van een begin van uitvoering waardoor het voornemen van verdachte op het gronddelict – het oplichten van Dela - zich heeft geopenbaard. Gedragingen zijn aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, als zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.

Naast voorgaande handelingen acht het hof ook het telefoontje van verdachte naar Dela op 23 september 2015 van belang. Hierin vertelt verdachte dat hij belt naar aanleiding van een brief van Dela waarin het verzoek wordt gedaan om de toegezonden formulieren op te sturen. Verdachte brengt Dela op de hoogte en vertelt dat hij zit te wachten op stukken uit Suriname , maar dat dat niet zo snel geregeld is en dat hij het daarom ook nog niet kan sturen. Ook vertelt hij dat dit zes maanden kan duren, dat hij via een relatie heeft geprobeerd om de stukken eerder te krijgen, maar dat ze in Suriname niet heel snel werken. Verdachte zegt dat hij er helaas niks anders van kan maken en dat het al vervelend genoeg is.

Het hof overweegt, dat de hiervoor uiteengezette handelingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op het met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling laten uitkeren van de levensverzekering en derhalve op het oplichten van de Dela. Met name uit het melden van het overlijden op 21 juli 2015, het laten nagaan welke stukken hij nodig heeft om de verzekering te laten uitkeren en het navragen of de akte van overlijden kan worden vervangen door het overlijdensuittreksel nu hij (nog) niet de beschikking heeft over de akte, in samenhang bezien met de eerdere handelingen, blijkt van dit begin van uitvoering. Op 23 september 2015 benadrukt verdachte nog eens dat hij heeft geprobeerd de stukken sneller te krijgen maar (nog) niet de beschikking heeft over de akte.

Behalve uit voornoemde feitelijke handelingen blijkt ook uit het hiervoor weergegeven OVC gesprek met [vriendin 1] op 27 september 2015 om 22:30 uur dat verdachtes opzet gericht was op het laten uitkeren van de levensverzekering en daarmee op het oplichten van Dela.

Ten aanzien van het subsidiair gevoerde verweer overweegt het hof dat het hof, anders dan de raadsman, uitgaat van de feitelijke situatie waarin verdachte verantwoordelijk is voor het overlijden van [slachtoffer] . Gelet op de conclusies die het hof hiervóór ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft getrokken, wordt dit verweer eveneens verworpen.

Concluderend is het hof van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting en het anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekken aan degene door wie enige verstrekking wordt verleend, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl hij weet dat de verstrekte gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking.

Ten aanzien van de uitvaartverzekering blijkt, dat verdachte in het telefoontje van 21 juli 2015 naar Dela informeert of deze reeds is geactiveerd omdat deze pas zeer recent is afgesloten. De medewerker deelt hem tijdens dit gesprek mede dat deze ‘pas in juli’ zou ingaan en daarom normaal gesproken niet zal worden uitgekeerd. Hieraan is verder geen vervolg gegeven. Gelet hierop en gelet op het verdere verloop van dit telefoontje stelt het hof vast dat er anders dan bij de overlijdensrisicoverzekering ten aanzien van de uitvaartverzekering geen sprake is van een voltooide poging tot oplichting van Dela. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

11 Overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 3

Door de verdediging is ter zitting van het hof aangevoerd, dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde. Nergens is uit gebleken dat er geen sprake was van een dienstverband van [getuige 1] bij [naam ] Haarmode via een payrollovereenkomst. Van de door de rechtbank voor het bewijs gebruikte tapgesprekken kan van een aantal niet worden vastgesteld dat zij betrekking hebben op het onder 3 tenlastegelegde. Voor wat betreft de andere tapgesprekken hebben verdachte en [getuige 9] voldoende toelichting gegeven. Verdachte dient van het onder 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Aangifte en verklaring [aangever]

heeft namens Quion Groep BV (hierna: Quion) aangifte gedaan tegen [getuige 1] , [getuige 9] en eventuele andere betrokkenen van oplichting, valsheid in geschrifte en het niet naar waarheid verstrekken van gegevens bij het aanvragen van een hypothecaire geldlening voor het onroerend goed op het adres [adres 1] te [plaats] , medio juli 2015. Deze feiten zijn gepleegd ten nadele van Dynamic Credit Woninghypotheken waar Quion gevolmachtigde van is. Door de onjuiste informatieverstrekking is Quion bewogen tot afgifte van een geldbedrag van € 375.950,-. Als Quion hiervan zou hebben geweten was zij niet overgegaan tot afgifte van het geld.

[aangever] heeft verklaard dat voor het verstrekken van de hypothecaire geldlening onder meer een recente salarisstrook van mevrouw [getuige 1] en een werkgeversverklaring van mevrouw [getuige 1] zijn opgevraagd. Via het Service Provider Landelijk Netwerk Intermediairs zijn deze stukken aangeleverd. Quion heeft de inkomensstukken voor waar aangenomen. Mede op basis van deze documenten is de hypotheek verstrekt. De arbeidsovereenkomst en salarisstrook hebben als bewijs gediend. [aangever] noemt het inkomen van mevrouw [getuige 1] behoorlijk hoog gelet op de functie van manager bij een MKB-bedrijf. Daarnaast is het dienstverband redelijk recent. Het hoge inkomen is vrijwel geheel nodig voor de verkrijging van de hypotheek, aldus [aangever] .

Het hypotheekdossier

In het hypotheekdossier van [getuige 9] en [getuige 1] bevinden zich onder meer de volgende documenten:

- een werkgeversverklaring ten aanzien van [getuige 1] met een dienstverband als manager sinds 1 april 2015 bij [naam B.V.] met een bruto jaarsalaris van € 66.000,- en een vakantietoeslag van € 5.280,-. Op deze verklaring is aangekruist dat de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft of is aangesteld in vaste dienst. Deze verklaring is op 3 augustus 2015 door [verdachte] te [plaats] ondertekend;

- een salarisspecificatie van [naam B.V.] van 31 juli 2015, betreffende het inkomen van [getuige 1] van € 5.500,- bruto in de maand juli 2015. Op de specificatie is te lezen dat [getuige 1] per 1 april 2015 in dienst is.

Op 19 augustus 2015 is door [getuige 9] en [getuige 1] een hypotheek aangevraagd voor een bedrag van € 375.950,-. De hypothecaire lening voor een bedrag van € 375.950,- is door Dynamic Credit Woninghypotheken B.V. verstrekt aan [getuige 9] en [getuige 1] ten behoeve van de aankoop van het pand aan de [adres 1] te [plaats] .

Gegevens Belastingdienst

Uit de door de Belastingdienst verstrekte gegevens blijkt dat [getuige 1] een bedrag van

€ 8.492,- aan loon heeft opgegeven bij de Belastingdienst dat is betaald door [naam B.V.] BV. Dit betreft gegevens over het belastingjaar 2015. De datum van aanvang van deze inkomstenverhouding is 1 mei 2015. Uit de door [naam B.V.] BV ingediende loonstaten in de periode van 1 mei 2015 tot en met 31 december 2015 blijkt dat er door [naam B.V.] BV voor [getuige 1] geen inkomen is opgegeven bij de Belastingdienst.

Verdachte vanaf 11 september 2014 uitgeschreven als bestuurder [naam B.V.]

Zoals hiervoor onder 4.5 reeds is vastgesteld is [naam B.V.] opgericht in januari 2014 met als bestuurder en enig aandeelhouder [naam B.V.] . Vanaf 8 juli 2014 is verdachte bestuurder en enig aandeelhouder van [naam B.V.] Op 11 september 2014 wordt [ex-zakenpartner] ingeschreven als bestuurder voor [naam B.V.] per 1 september 2014. Op 11 september 2014 wordt de wijziging aangevraagd van beëindiging van de functie van [naam B.V.] als bestuurder van [naam B.V.] Verdachte heeft dit wijzigingsformulier ondertekend. Uit voorgaande blijkt, dat verdachte vanaf 11 september 2014 niet meer rechtsgeldig bevoegd was om namens [naam B.V.] op te treden.

Verklaringen [getuige 1] en [getuige 9]

[getuige 1] heeft verklaard dat zij vanaf 1 mei 2015 heeft gewerkt in de kapperszaak [naam ] Haarmode van haar man, [getuige 9] . Eind oktober 2015 is zij met het werk in de kapperszaak gestopt wegens medische klachten. [getuige 1] heeft eind mei 2015 haar eerste salaris ontvangen via een payrolling instantie. Een meneer met de naam [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) was in die tijd hun boekhouder. Meneer [verdachte] heeft het afsluiten van de hypotheek geregeld. Hij heeft tijdens een bespreking schetsen gemaakt met betrekking tot de financiering en wat voor salaris er nodig was voor de hypotheek. De achternaam van [verdachte] was [verdachte] . Meneer [verdachte] kwam met [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] , medeverdachte) naar de salon voor de ondertekening.

[getuige 9] heeft verklaard dat [getuige 1] sinds 1 mei 2015 tot begin oktober 2015 als directeur of directrice voor zijn zaak heeft gewerkt. In die tijd betaalde hij zijn medewerkers via de payroll van [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Dit ging om nettosalaris, loonheffing en vakantiegeld. [getuige 9] wilde zijn vrouw een nettosalaris geven van ongeveer € 3.500,- per maand. [verdachte] had uitgerekend hoeveel het brutosalaris was. [getuige 9] betaalde maandelijks

€ 7.397,38 aan het payrollbedrijf van [verdachte] . Dit bedrag bestond alleen uit het salaris van [getuige 1] . [verdachte] betaalde het nettosalaris van € 3.417,79 aan [getuige 1] . [getuige 9] heeft [verdachte] vanaf mei 2015 betaald. Achteraf voelt [getuige 9] zich opgelicht door verdachte omdat hij per maand meer betaalde dan het brutosalaris. Voor de payroll service hoefde hij niets te betalen. Achteraf blijkt ook dat verdachte zijn werk slecht heeft gedaan, want hij kreeg een boete van € 19.000,- van de Belastingdienst.

Toen [getuige 9] aan [verdachte] vertelde dat hij een huis wilde kopen heeft verdachte alles voor hem geregeld met een hypotheekadviseur . [verdachte] of de hypotheekadviseur hebben de aanvraag voor de hypotheek verzorgd. [verdachte] heeft, toen [getuige 9] wilde stoppen met het storten van het salaris in september, hem toen een paar keer gewaarschuwd dat hij dan problemen met de bank zou kunnen krijgen in verband met de hypotheek. Omdat hij haar dan in dienst genomen zou hebben voor de hypotheek.

Betalingen van [naam ] Haarmode aan [naam B.V.]

Er is blijkens de stukken vijf keer een bedrag overgemaakt van de rekening van [naam ] Haarmode naar de rekening van [naam B.V.] :

op 26 mei 2015 is een bedrag van € 7.670,31 overgemaakt met als omschrijving:

‘ [naam ] haarmode personeel, loon maand mei’;

op 10 juni 2015 is een bedrag van € 4.433,46 overgemaakt met als omschrijving: ‘Loonheffing en vakantie geld’;

op 22 juni 2015 is een bedrag van € 7.670,31 overgemaakt met als omschrijving: ‘Salaris juni ( [naam ] haarmode)’;

op 9 juli 2015 is een bedrag van € 4.433,46 overgemaakt met als omschrijving: ‘Loonheffing en vakantie geld juni’;

op 24 juli 2015 is een bedrag van € 7.678,22 overgemaakt met als omschrijving ‘salaris juli ( [naam ] haarmode)’.

Betalingen van [naam ] Haarmode aan verdachte

Er is vier keer een bedrag overgemaakt van de rekening van [naam ] Haarmode naar de privérekening van verdachte:

Op 4 mei 2015 is een bedrag van € 7.397,39 overgemaakt (geen omschrijving);

op 26 mei 2015 is een bedrag van € 7.397,39 overgemaakt met als omschrijving ‘Maand mei’;

Op 24 juni 2015 is een bedrag van € 8.102,- overgemaakt met als omschrijving ‘Loon juni ( [getuige 1] );

Op 24 juli 2015 is een bedrag overgemaakt van € 7.397,39 met als omschrijving ‘Salaris van ( [getuige 1] ).

Betalingen van [naam B.V.] aan [getuige 1]

Er is vier keer een bedrag overgemaakt van de rekening van [naam B.V.] naar de rekening van [getuige 1] :

op 4 mei 2015 is een bedrag van € 3.417,79 overgemaakt met als omschrijving: ‘Salaris april (excuus voor de ve’;

op 26 mei 2015 is een bedrag van € 3.417,79 overgemaakt met als omschrijving: ‘maand mei’;

op 24 juni 2015 is een bedrag van € 4.255,99 overgemaakt met de omschrijving: ‘maand juni’;

op 29 juli 2015 is een bedrag van € 3.417,79 overgemaakt met de omschrijving: ‘juli’.

Tapgesprekken

Op 19 augustus 2015 belt NN6368 vanuit [plaats] naar verdachte die op dat moment in [plaats] is. Verdachte is weergegeven met de letter S.

NN: Oké nou want ik heb iemand voor je een klant van ons die heeft een winkel in [plaats] stad en die heeft, eeh, die wil een huis kopen en die heeft een hypotheek nodig

S: Oké

NN: nou heb ik hem gezegd dat misschien zijn vrouw eventueel via jouw Payroll organisatie zou kunnen gaan werken.

S: Ja, ik snap het. En ja.

NN: en eeh, eigenlijk dezelfde constructie als [getuige 9] (het hof begrijpt: [getuige 9] ) een beetje.

S: Ja, ideaal.

NN: Ik zeg kost je misschien wel een paar duizend euro. Maarre

S: Dan heb je wel wat.

Op 20 augustus 2015 om 10:22 uur belt verdachte vanuit [plaats] naar NN6368. Verdachte is weergegeven met de letter S.

NN: [naam ] Store is op een gegeven moment vervangen door [naam ] minimarket en dat is eigenlijk een soort ja eeh ze verkopen van alles wat enzo, en hij draait best wel redelijk, is ook een goeie vent. Levert ook zijn cijfers netjes in. Hij eeh, hij wil alleen een huis kopen. En eeh zijn vrouw werkt niet.

S: Ja, ik snap het.

NN: Dus ik heb hem gezegd van nouja, zeg eeh ik heb misschien wel iemand die

(…)

S: Dan gaan we daar even naar luisteren en kijken wat die eeh, welke mogelijkheden er zijn voor hem. en dan eeh maken we een plan de campagne.

NN: Ja, ik noem maar wat stel dat zijn vrouw inderdaad in dienst wordt gezet en geeft jou contant geld, jij stort het geld salaris en hij betaalt de extra lasten wat jij eraan wil verdienen weet ik veel wat jullie komen eruit, kan je er aardig wat aan verdienen toch denk ik.

(…)

NN: Is het uiteindelijk allemaal geluk bij (fon) vermaan of eeh?

S: Ja hij moest die 2012 eeh wat is het 2012 aangifte of aanslag moest die overleggen met 2013

NN: Ja, die heeft die allemaal opgestuurd toch zag ik?

S: Ja, alleen 2012 of de officiële aangifte is eeh ja die was er niet, dus we hebben toen de, wat is het? eeh volgens mij de definitieve aanslag maar niet de uitleg weetje wel niet de complete aangifte op kunnen sturen.

NN: Oke

S: Ik heb toen eeh, eeh, in overleg met [medeverdachte] bij die hypotheekadviseur zeg maar hebben we toch wel direct die andere opgevraagd bij de Belastingdienst dus als die dan binnen komt dan eeh, dan hebben we hem in huis.

NN: Oke

S: Hypotheek is beoordeeld. voorlopige en eeh voorlopig is die ook akkoord. Dus ze hebben die officiële aangifte nodig van 2012, eigenlijk die beoordelaar van de bank heeft al akkoord geven, alleen in eeh afwachting eeh op dat stuk zeg maar.

(…)

NN: Ach ja, ja heel irritant inderdaad. Nouja als het uiteindelijk maar lukt eeh

S: Ja

NN: Zijn 06 nummer nog even naar mij appen ofzo?

S: Van [getuige 9] ? (…) Ja stuur ik jou door.

Op 20 augustus 2015 om 15:23 uur belt [medeverdachte] naar verdachte die op dat moment in [plaats] is. Verdachte wordt weergegeven met letter S.

S: Ja ik was net even bij die nieuwe klant. Ehm wat voor salaris heeft hij nodig om 250000 euro hypotheek te krijgen? even globaal.

Verder blijkt uit dit telefoongesprek dat [verdachte] een paar pagina’s moet laten tekenen door [getuige 9] en dit moet scannen zodat dit naar [medeverdachte] teruggestuurd kan worden.

Op 25 augustus 2015 belt verdachte vanuit [plaats] naar [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ). Uit dit telefoongesprek blijkt dat het verhaal van [getuige 9] (het hof begrijpt: [getuige 9] ) is doorgestuurd naar de geldverstrekker. Zoals het nu uitziet lijkt het goed te gaan. [verdachte] gaat vandaag nog bij [getuige 9] langs. Het is nu afwachten. Als het lukt kunnen ze een flesje opentrekken volgens [medeverdachte] .

Op 1 september 2015 belt [medeverdachte] naar verdachte die op dat moment in [plaats] is. Uit dit telefoongesprek blijkt dat een vriend geld van [getuige 9] heeft geleend. [medeverdachte] wil dat dit goed ingedekt is omdat de bank hier op terug gaat komen. [verdachte] zegt dat [getuige 9] 40% op een andere manier betaalt. [medeverdachte] zegt dat dit dus zwart is en wil het beestje bij de naam noemen. [verdachte] lacht en zegt: ‘Ik ben voorzichtig aan de telefoon’. [medeverdachte] denkt dat het lastig gaat worden, en dat [getuige 9] misschien wel een probleem krijgt bij de belastingdienst. [getuige 9] heeft tegen [verdachte] gezegd dat hij duizenden euro’s, dan wel tienduizenden euro’s aan zwart geld in zijn kluis thuis heeft. Verdachte wordt weergegeven met de letter S en [medeverdachte] wordt weergegeven met de letter B.

S: Ja, die overeenkomst is er.

B : Ja, dus als dan zeg eeh, dit is de herkomst die 15 duizend is de herkomst van een groot gedeelde van zijn spaargeld.

(…)

S: Ja, kijk ik kan nog wel een overeenkomst maken dat die 10 duizend euro ergens vandaan komt.

Op 4 september 2015 belt [medeverdachte] naar verdachte die op dat moment in [plaats] is. Uit dit telefoongesprek blijkt dat [medeverdachte] zegt dat er akkoord is. [verdachte] en [medeverdachte] zijn helemaal blij en feliciteren elkaar. [medeverdachte] noemt het briljant en [verdachte] zegt dat ze oorlog hebben gevoerd en hebben gewonnen. [verdachte] zegt dat hij [getuige 9] zal inlichten.

Op 7 september 2015 belt verdachte vanuit [plaats] met NN0101 [getuige 9] . Verdachte wordt weergegeven met de letter S en NN0101 [getuige 9] met de letters SH.

SH: Nou kijk maar ik wil morgen zien, wij kunnen wel een oplossing voor haar vinden. Want sowieso in plaats van om voor mij om deze maand die salaris van [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1] ) niet meer storten.

S: Maar, ik moet je wel even onderbreken. Die moet je wel sowieso deze maand en de maand oktober doen he.

SH: Nou dat wordt echt vervelend voor mij. Nou weetje wat mijn bedoeling was, als ik eerder kan wel uit dan kan ik wel 1000 euro aan haar geven om in een hotel te gaan logeren, ofzo

S: Ik snap het idee, alleen voor jou moet je even opletten, op het moment dat je dat dus niet meer doet deze september en oktober en dat heb ik je aangegeven, er komt een controle straks weet je gewoon dat op een gegeven moment is ze niet meer in dienst en dan wordt het gezien als zijnde oké, het is alleen voor de hypotheek geweest. Snapje en daar, dat moet je nu niet willen zeker niet met al die kasstortingen op je bankafschrift.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting bij de rechtbank en het hof verklaard dat hij de hypotheekaanvraag voor [getuige 9] en [getuige 1] heeft geregeld en dat hij in die periode bevoegd was om [naam B.V.] rechtsgeldig te vertegenwoordigen. Hij heeft voorts verklaard dat [getuige 1] op basis van een payrollconstructie via [naam B.V.] feitelijk werkzaam was bij [naam ] Haarmode, maar dat [getuige 9] zelf verantwoordelijk was voor de afdracht van belastingen en overige werkgeverslasten. [getuige 9] maakte het geld dat bestemd was voor het salaris van [getuige 1] over naar de privérekening van verdachte, omdat [ex-zakenpartner] toegang had tot alle rekeningen van [naam B.V.] en verdachte nog niet. De bedragen die zagen op het salaris van het overige personeel werden wel naar de rekening van [naam B.V.] overgemaakt, aldus verdachte.

Conclusie hof

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is het hof met de rechtbank van oordeel dat de werkgeversverklaring en de salarisspecificatie niet conform de werkelijkheid zijn opgesteld, dat deze documenten zijn ingediend bij de hypotheekaanvraag en dat op basis van deze documenten de hypotheek is verstrekt.

Het hof overweegt hieromtrent allereerst, dat in weerwil van wat verdachte hierover zelf ter zitting van het hof heeft verklaard, uit de stukken van de Kamer van Koophandel blijkt dat hij niet meer bevoegd was om [naam B.V.] rechtsgeldig te vertegenwoordigen en derhalve ook niet om de bij de hypotheekaanvraag ingediende stukken op te stellen en deze te ondertekenen. De verklaring van verdachte dat het overmaken van het salaris van [getuige 1] door [naam ] Haarmode naar verdachtes privérekening gebeurde omdat verdachte nog niet de beschikking had over alle rekeningen van [naam B.V.] , beoordeelt het hof dan ook als niet kloppend gelet op de tijdslijn voor wat betreft welke persoon op welk moment aan het roer stond van [naam B.V.] .

Het hof is verder van oordeel dat er geen sprake was van de situatie dat [getuige 1] op basis van een payrollconstructie via [naam B.V.] feitelijk werkzaam was bij [naam ] Haarmode op de wijze waarop dit aan aangever met de salarisstrook en werkgeversverklaring werd voorgespiegeld. Dit volgt allereerst uit het feit dat er door [naam B.V.] geen inkomen is opgegeven van [getuige 1] bij de Belastingdienst. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het verder – uitgaande van een situatie waarin sprake is van een payrollconstructie - zeer ongebruikelijk is dat er geen loonbelasting door [naam B.V.] is afgedragen, omdat dit in de regel door het payrollbedrijf wordt gedaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [getuige 9] er ook vanuit ging dat hiervan sprake zou zijn. Op voornoemde salarisspecificatie van de maand juli 2015 die is ingediend ter verkrijging van de hypotheek staat bovendien ook vermeld dat van het loon á € 5.500,- een gedeelte van € 2.045,83 aan loonheffing wordt ingehouden. Op de werkgeversverklaring wordt, anders dan [getuige 1] zelf verklaart, vermeld dat het dienstverband op 1 april 2015 is ingegaan.

Er is tevens niet gebleken van een overeenkomst van opdracht tussen [naam ] Haarmode en [naam B.V.] en van een payrollovereenkomst tussen [getuige 1] en [naam B.V.] De verdediging heeft ter zitting van het hof gewezen op een payroll overeenkomst die ter zitting van de rechtbank d.d. 20 november 2017 door de verdediging is ingebracht. Het hof overweegt hieromtrent, dat hierin staat vermeld dat [naam B.V.] met ingang van 1 juni 2015 door [naam ] Haarmode aangewezen medewerkers in dienst zal nemen. Gelet op deze genoemde datum kan dit document niet worden beschouwd als van toepassing op [getuige 1] die met terugwerkende kracht vanaf de maand april 2015 salaris overgemaakt kreeg.

Ten aanzien van de tapgesprekken overweegt het hof dat in de gesprekken op 19 en 20 augustus 2015 wordt gesproken over een constructie om een hypotheek te verkrijgen. Dit betreft in dat geval een nieuwe klant, niet zijnde [getuige 9] . Wel wordt er naar hem en de bij hem toegepaste constructie verwezen als zijnde dezelfde. Uit het tapgesprek van 7 september 2015 tussen verdachte en [getuige 9] volgt dat [getuige 9] het salaris voor de maand september 2015 niet wil storten. Verdachte waarschuwt hem vervolgens wat de gevolgen kunnen zijn voor de hypotheekaanvraag. Ingeval er sprake zou zijn geweest van een daadwerkelijk arbeidsverband via het payrollbedrijf van verdachte in die periode, ziet het hof niet in waarom het al dan niet doorbetalen van het salaris van [getuige 1] door [getuige 9] ter discussie werd gesteld, laat staan waarom dit diende te worden besproken in verband met de hypotheek.

[getuige 9] heeft een hoger bedrag aan brutoloon aan [naam B.V.] betaald dan [getuige 1] op basis van het bruto jaarsalaris en de vakantietoeslag verdiende. Verdachte heeft verklaard dat het verschil aan hem toekwam op basis van de werkzaamheden die hij voor [getuige 9] verrichtte. [getuige 9] spreekt dit echter tegen. Door de verdediging zijn ten tijde van de behandeling in hoger beroep bij het verhoor van [getuige 9] bij de raadsheer-commissaris facturen overgelegd van [naam B.V.] aan [naam ] Haarmode die zien op ‘personeelskosten [getuige 1] ’ van de maanden april, mei en juni 2015. Hierop is ook vermeld een apart bedrag aan begeleiding/advies. [getuige 9] heeft bij het zien van deze door de verdediging ingebrachte facturen verklaard dat hij die bedragen weliswaar heeft betaald, maar die facturen niet heeft gekregen. Het hof ziet in deze facturen dan ook geen overtuigend steunbewijs voor de verklaring van verdachte dat het extra geld hem toekwam vanwege zijn overige werkzaamheden, los van het feit dat die facturen van [naam B.V.] niet het bankrekeningnummer van het bedrijf, maar die van de privérekening van verdachte vermelden. Verdachte heeft hierover geen aannemelijke opheldering gegeven.

Door de verdediging is nog naar voren gebracht dat [getuige 9] en [getuige 1] beiden een sepot hebben gekregen inzake de verdenking van hypotheekfraude met de omschrijving ‘civiel en administratief recht’, dat de hypotheekverstrekker geen fouten heeft ontdekt in het hypotheekdossier en dat er geen civiele boetes zijn opgelegd. De raadsman heeft betoogd dat dit anders zou zijn gegaan als de werkgeversverklaring en de salarisstrook vals zou(den) zijn. De raadsman heeft aan voorgaande de conclusie verbonden dat dit als zwaar ontlastend in de zaak van verdachte moet worden meegenomen. Het hof ziet dit anders en overweegt dat het beslissingen omtrent vervolging in zaken van medeverdachten en beslissingen van de hypotheekverstrekker in het onderzoek naar [getuige 9] en [getuige 1] niet de verdenking ten aanzien van verdachte regarderen en dat het hof daarom deze beslissingen niet als belastend of ontlastend zal meenemen in de bewijsconstructie in de zaak van verdachte.

Op basis van voorgaande oordeelt het hof dat aan de hypotheekverstrekker een situatie is voorgespiegeld – een bonafide vast dienstverband als manager in dienst bij [naam B.V.] met een bruto jaarsalaris van € 66.000 (exclusief vakantiegeld) – die in werkelijkheid niet bestond. Uit de tapgesprekken blijkt dat verdachte en [medeverdachte] deze constructie samen hebben opgezet. Aangever heeft verklaard dat door deze onjuiste informatie de hypotheek is verstrekt.

Het hof oordeelt op grond van het voorgaande dat Dynamic Credit Woninghypotheken B.V. als gevolg van een samenweefsel van verdichtsels door de verdachte en [medeverdachte] is bewogen tot het verstrekken van een hypothecaire geldlening met een totaalbedrag van

€ 375.950,- en de afgifte van dit geldbedrag. Het hof acht dan ook -gelijk de rechtbank- wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan oplichting, valsheid in geschrift en het gebruikmaken van valse documenten.

12 Overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 4

De verdediging heeft ter zitting van het hof aangevoerd, dat er sprake is van fundamentele gebreken bij het onderzoek naar de handtekeningen van [slachtoffer] , omdat er onvoldoende handtekeningen zijn als referentiekader en omdat de aangeleverde en onderzochte documenten allemaal kopieën zijn van originelen. De deskundige De Jong had zich bij zijn onderzoek daarom moeten onthouden van een uitspraak over een hypothese, aangezien het te riskant is zich te baseren op materiaal dat geen originele documenten bevat.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op 17 april 2018 heeft de toenmalige raadsman van verdachte namens verdachte een faxbericht aan de rechtbank gestuurd met daarin onder meer als bijlage een kwitantie van

€ 10.000,- van 9 september 2014. Op deze kwitantie staat dat de lening is verstrekt door [verdachte] en dat dit bedrag per kas in ontvangen door [slachtoffer] te [plaats] . Deze kwitantie is ondertekend door de verstrekker en de ontvanger.

Ter terechtzitting van 30 mei 2018 te [plaats] heeft verdachte verklaard:

“Het klopt dat de levensverzekering die is afgesloten op het leven van [slachtoffer] en waarvan ik begunstigde was diende als zekerheid voor de terugbetaling van door mij aan haar geleende bedragen. U vraagt mij of ik de originele kwitanties nog heb. Ik zou deze moeten gaan zoeken. Momenteel onderzoek ik de dozen gevuld met een willekeur aan papieren. Hier komen steeds meer stukken uit waaronder handtekeningen en afspraken. Als ik iets heb gevonden dan gaat het naar mijn advocaat. De originele kwitanties heb ik nog niet kunnen vinden. (…) De kwitantie van (…) € 10.000,- vond ik op een USB-stick. Ik ben nog steeds op zoek naar het origineel. Mijn onderzoek om mijn stellingen te kunnen onderbouwen is nog niet voltooid. (…) U vraagt mij of ik de USB-stick waarop ik de kwitanties heb aangetroffen aan de officier van justitie kan geven. Dat kan ik zeker, dan zal ik deze weer moeten opzoeken.”

Ook heeft verdachte op diezelfde zitting verklaard:

“Toen zij tekende voor de lening van € 10.000,- was ik daarbij. Ik heb haar die handtekening zien zetten.”

Ter terechtzitting van 30 mei 2018 heeft de rechtbank beslist dat de namens verdachte ingebrachte kwitanties onderzocht dienden te worden. In de aanloop naar deze zitting was het de rechtbank opgevallen dat bepaalde handtekeningen een grote mate van gelijkenis vertonen, waaronder de handtekening van [slachtoffer] onder een document van de Rabobank op 2 mei 2015, op pagina 2528 (de rechtbank leest: 2 juni 2015 en pagina 2529) en de handtekening van [slachtoffer] op de kwitantie van € 10.000,- gedateerd 9 september 2014. Ten behoeve van het door de rechtbank gewenste onderzoek heeft de rechtbank de volgende hypothesen aan de deskundige voorgelegd, met de vraag aan de deskundige om de resultaten van het onderzoek voor elk document afzonderlijk onder deze hypothesen te beschouwen.

“Hypothese 1: De handtekening op de kwitantie van € 10.000,- is een authentieke handtekening van [slachtoffer] .

Hypothese 2: De handtekening op de kwitantie van € 10.000,- is geen* authentieke handtekening van [slachtoffer] .

*waaronder bijvoorbeeld een kopie of overgetrokken handtekening van een ander document”

Het hof gaat er - evenals de rechtbank – vanuit dat de handtekening van [slachtoffer] onder het document van de Rabobank d.d. 2 juni 2015 een authentieke handtekening is van [slachtoffer] . Dit volgt ook uit het dossier, aangezien het Gmailaccount van [slachtoffer] is onderzocht en daaruit blijkt dat op 2 juni 2015 een mail gericht aan [slachtoffer] binnenkomt afkomstig van de Rabobank waaruit blijkt dat op [slachtoffer] naam een rekening-courant en bedrijfsspaarrekening is geopend op haar naam. Op 2 juni 2015 volgt een uitgaande mail met daarin de overeenkomst met betrekking tot de opening van de rekeningen geretourneerd en ondertekend door [slachtoffer] . In de dagen erna wordt vanaf dit e-mailadres de overlijdensrisicoverzekering op verdachtes leven afgesloten. Uit WhatsApp gesprekken blijkt ook dat [slachtoffer] degene was die in diezelfde periode bezig is de overlijdensrisicoverzekering op verdachtes leven af te sluiten. Het hof stelt vast dat [slachtoffer] degene is die dit Gmailaccount in die periode gebruikt en die de ondertekende overeenkomst met de Rabobank retour zendt. Hieruit volgt dat kan worden geconcludeerd dat de handtekening onder die overeenkomst ook daadwerkelijk door [slachtoffer] is gezet.

Gerechtelijk deskundige voor handschriftonderzoek W. de Jong heeft voornoemd onderzoek naar de handtekeningen uitgevoerd. De Jong is voor het onderzoek uitgegaan van de volgende vraag:

“Met welke mate van waarschijnlijkheid zijn de handtekeningen “ [slachtoffer] ” op de in de materiaalopstelling onder punt 2.1 bij betwist materiaal vermelde documenten (het hof begrijpt: de betwiste documenten) door [slachtoffer] op deze documenten geplaatst?”.

Daartoe heeft de deskundige de volgende hypothesen opgesteld:

“Hypothese 1: De handtekeningen op de betwiste documenten zijn door [slachtoffer] op deze documenten geplaatst.

Hypothese 2: De handtekeningen op de betwiste documenten zijn niet door [slachtoffer] , maar door een ander persoon op deze documenten geplaatst.”

De deskundige benoemt dat de betwiste handtekeningen niet in originele vorm zijn aangeleverd, maar als foto- c.q. faxkopieën ter beschikking zijn gesteld. De herkomst en de generatie (het aantal kopieerhandelingen) is onbekend. Hierdoor zijn de mogelijkheden van een vergelijkend schriftonderzoek aan fundamentele beperkingen onderhevig. Wanneer de onderzoeksresultaten al een uitspraak over de echtheid van een handtekening toelaten, mag dat niet als een uitspraak over de echtheid van het document, waarop deze schrijfproductie voorkomt, worden opgevat. Wanneer daarentegen sporen van (technische) manipulatie worden vastgesteld of afwijkingen ten opzichte van het referentiemateriaal worden waargenomen die niet met de omvang en kwaliteit van het vergelijkingsmateriaal, bijzondere omstandigheden of de natuurlijke variatiebreedte van kenmerken kunnen worden verklaard, is een substantiële uitspraak in de richting ‘vals’ in principe mogelijk. In dit onderzoek zijn de betwiste handtekeningen grotendeels leesbaar, in lopend verbonden schrift met een abstracte slotconstructie vervaardigd en tonen ondanks een schoolse vormgeving van de letters ‘ [slachtoffer] ’ nog voldoende kenmerken met een onderscheidend vermogen, om – met inachtneming van de beperkingen bij het onderzoeken van niet-originele schrijfproducties – uitspraken over het schrijverschap van de betwiste handtekeningen te kunnen doen.

De deskundige merkt op dat om de variatiebreedte van de kenmerken in de ondertekeningswijze van een persoon te kunnen beoordelen over het algemeen ca. 20 handtekeningen nodig zijn, maar aangezien de beschikbare handtekeningen van [slachtoffer] een homogeen en consistent schriftbeeld vormen, er vanuit mag worden gegaan dan deze handtekeningen onder normale omstandigheden representatief zijn voor haar ondertekeningswijze in het jaar 2014.

Daarnaast brengt de deskundige bij het onderzoek naar voren dat bij fotokopieën alleen kan worden onderzocht of de betwiste handtekeningen onder elkaar of ten opzichte van handtekeningen in het referentiemateriaal vormen van absolute congruentie tonen.

De handtekening van [slachtoffer] op de kwitantie van € 10.000,- is in dit onderzoek aangeduid met X2. De handtekening op het document van de Rabobank is aangeduid met V9. Ook het document waarop handtekening V9 staat is niet in originele vorm aangeleverd.

Uit het onderzoek naar vormen van congruentie is vastgesteld dat X2 en V9 absoluut congruent zijn. Het onderzoek heeft op evidente wijze aangetoond dat X2 een reproductie van V9 is en door montage of een directe vorm van nabootsing (overtrekken) op de kwitantie inzake het bedrag van € 10.000,- is aangebracht.

De deskundige concludeert als volgt:

“De onderzoeksbevindingen met betrekking tot de betwiste handtekening op het schriftstuk X2 zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 2 waar is, dan wanneer hypothese 1 waar is.”

In reactie op de rapportage van W. de Jong schrijft drs. W.P.F. Fagel – die is aangezocht door de verdediging de rapportage van deskundige De Jong te beoordelen - bij brief van 30 november 2018 dat de betrouwbaarheid van de conclusies gebaseerd op de in kopie onderzochte betwiste handtekeningen beperkt is. Zoals in het rapport van De Jong eveneens is opgemerkt, bestaat er een specifieke situatie waarin over een authentiek ogende handtekening op een kopie toch een zeer stellige conclusie kan worden gegeven: indien er een ander document voorhanden is met een handtekening die een zeer sterke mate van dekking vertoont (“congruent is” in de woorden van De Jong) met de betwiste handtekening, dan moet er sprake zijn van manipulatie. Is dat andere document in origineel beschikbaar, dan kan met praktische zekerheid worden gesteld dat de op de kopie zichtbare betwiste handtekening een vervalsing is. Is dat andere document ook alleen in kopie beschikbaar, wat hier het geval is, dan zijn er drie scenario’s denkbaar:

1. de betwiste handtekening is een kopie van de handtekening op het andere document;

2. de handtekening op het andere document is een kopie van de betwiste handtekening;

3. beide handtekeningen zijn kopieën van dezelfde, op weer een ander document geplaatste handtekening.

De plausibiliteit van scenario 1 hangt sterk samen met de a priori waarschijnlijkheid dat de kopie van het andere document een waarheidsgetrouwe reproductie is van een niet-gemanipuleerd of samengesteld origineel. In dit geval dus van de plausibiliteit dat de overeenkomst betreffende de Rabospaarrekening daadwerkelijk door [slachtoffer] is ondertekend.

Tot slot kan drs. Fagel zich vinden in de conclusie over de handtekening op schriftstuk X2 onder de aanname dat document V9 een waarheidsgetrouwe kopie is van een daadwerkelijk door [slachtoffer] ondertekende overeenkomst van de Rabobank.

Conclusie feit 4

Het hof acht de conclusies van de deskundigen en hun onderbouwing logisch en navolgbaar.

Het hof stelt vast dat beide deskundigen in hun onderzoek rekening houden met de beperkingen ten aanzien van de onderzochte documenten zoals de raadsman die naar voren heeft gebracht. Zij hebben die beperkingen betrokken bij hun conclusies. Het hof is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen logisch en navolgbaar zijn. Het hof kan zich verenigen met de conclusies van beide deskundigen en maakt deze tot de zijne.

Gelet op deze conclusies stelt het hof vast dat de handtekening op de kwitantie van

€ 10.000,- niet door [slachtoffer] is gezet. Verdachte heeft echter verklaard dat hij aanwezig was bij en heeft gezien dat [slachtoffer] deze handtekening zette. Het hof acht deze verklaring van verdachte dan ook niet geloofwaardig en in strijd met de waarheid. Het hof stelt vast dat verdachte deze verklaring heeft afgelegd om de waarheid te bemantelen. Hij wilde met het overleggen van de kwitantie immers aantonen dat [slachtoffer] een groot geldbedrag van hem had geleend, iets waarvan het hof reeds eerder in dit arrest heeft vastgesteld dat daarvan geen sprake is geweest. Het hof kwalificeert de verklaring van verdachte dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] haar handtekening zette op de kwitantie dan ook als kennelijk leugenachtig. Het hof acht de leugenachtigheid van deze verklaring van verdachte mede redengevend voor het bewijs dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte degene is die de kwitantie van een geldlening van € 10.000,- valselijk heeft opgemaakt door de handtekening na [slachtoffer] na te maken door montage of door het maken van een kopie en wel in de periode van 9 september 2014 tot en met 17 april 2018. Daarnaast heeft verdachte in de periode van 17 april 2018 tot en met 24 september 2018 te [plaats] opzettelijk gebruik gemaakt van deze valse kwitantie door deze als bewijs van de door hem gestelde geldlening aan [slachtoffer] over te leggen aan de rechtbank.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-706995-15 onder 1 primair, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 16-659844-18 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zaak met parketnummer 16-706995-15:

1. primairhij in de periode van 25 juni 2015 tot en met 29 juni 2015, in Suriname , opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon, te weten [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte

- die [slachtoffer] meegenomen naar de oever van een rivier en

- gewacht tot ze alleen waren en

- die [slachtoffer] in het water heeft doen belanden

en/of

een of meer vormen van geweld op die [slachtoffer] heeft toegepast

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

2.hij omstreeks de periode van 7 mei 2015 tot en met 21 juli 2015 te [plaats] en in Suriname ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

Coöperatie Dela te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag van EUR 300.000, met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid (te weten de hoedanigheid van bonafide begunstigde) en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- op 7 mei 2015 [slachtoffer] een overlijdensrisicoverzekering heeft laten afsluiten ter hoogte van EUR 300.000,- en

- op 1 juni 2015 [slachtoffer] de begunstiging daarvan heeft laten wijzigen, waardoor hij de begunstigde werd, terwijl hij van plan was om die [slachtoffer] van het leven te beroven, en/of

- op 16 juni 2015 vanuit Suriname telefonisch contact heeft opgenomen met Coöperatie Dela, zich heeft voorgesteld als meneer [naam ] en heeft gevraagd of de overlijdensrisicoverzekering van [slachtoffer] op de juiste manier in orde was gemaakt, daarbij de opmerking makende 'Stel dat het straks zover is' en

- op 26 juni 2015 een rol heeft gespeeld bij het te water raken en overlijden van die [slachtoffer] te [plaats] en

- op 20 juli 2015 bij de gemeente een overlijdensuittreksel heeft opgevraagd en verkregen (terwijl hij officieel geen nabestaande is en een dergelijke akte niet aan hem verstrekt zou mogen worden) en

- op 21 juli 2015 het overlijden van die [slachtoffer] telefonisch heeft gemeld bij Dela en tijdens dit telefoongesprek heeft gezegd dat zij op 29 juni 2015 is overleden, in de ochtend, op een voor hem onbekend tijdstip, en aldus niet de volledige waarheid heeft gesproken over het feit

- dat zij al in de nacht van 26 juni 2015 te water is geraakt (en vermoedelijk op diezelfde

datum is overleden) en

- dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] aanwezig is geweest (en

dus wel degelijk een tijdstip zou kunnen noemen) en

- dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] een rol van betekenis

heeft gespeeld, waarnaar strafrechtelijk onderzoek is/werd gedaan en

- op 21 juli 2015 telefonisch informatie heeft ingewonnen bij Coöperatie Dela welke stukken zij van hem nodig hadden om tot uitkering over te gaan en/of (vervolgens) heeft gevraagd/heeft laten nagaan of een uittreksel van de gemeente in dit geval niet voldoende zou zijn om tot uitkering over te gaan, nu hij (nog) niet de beschikking had over de stukken die daartoe eigenlijk nodig waren,

zijnde de uitvoering van het misdrijf niet voltooid

en

hij op 21 juli 2015 te [plaats] , anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens heeft verstrekt aan Coöperatie Dela, door wie of door wiens tussenkomst enige verstrekking of tegemoetkoming wordt verleend,

welk feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl hij wist, dat de verstrekte gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte

terwijl hij de begunstigde was van een overlijdensrisicoverzekering op naam van [slachtoffer] , afgesloten bij Dela,

op 21 juli 2015 het overlijden van die [slachtoffer] telefonisch gemeld bij Coöperatie Dela en tijdens dit telefoongesprek gezegd dat "zij op 29 juni 2015 is overleden, in de ochtend, op een voor hem onbekend tijdstip,

en/of aldus niet de (volledige) waarheid gesproken over het feit

- dat zij al in de nacht van 26 juni 2015 te water is geraakt (en vermoedelijk op diezelfde datum is overleden) en

- dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] aanwezig is geweest (en dus wel degelijk een tijdstip zou kunnen noemen) en

- dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] een rol van betekenis heeft gespeeld;

3.hij in de periode van 1 april 2015 tot en met 1 december 2015 te [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels de rechtspersoon Dynamic Credit Woninghypotheken B.V., heeft bewogen tot het verstrekken van een hypothecaire geldlening met een totaalbedrag van EUR 375.950,-

hebbende hij, verdachte en zijn mededaders met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid een valse werkgeversverklaring en een valse salarisspecificatie ingediend of laten indienen bij die Dynamic Credit Woninghypotheken B.V. (en/of diens gevolmachtigde Quion Hypotheekbemiddeling B.V.) ter verkrijging van een hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] op naam van een ander dan verdachte,

waardoor die Dynamic Credit Woninghypotheken B.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte

en

hij in de periode van 1 april 2015 tot en met 1 december 2015 te [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen,

- een werkgeversverklaring d.d. 3 augustus 2015 op naam van [getuige 1] , en

- een salarisspecificatie d.d. 31 juli 2015 op naam van [getuige 1] ,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte valselijk

- op die werkgeversverklaring aangekruist dat er sprake was van "een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst" terwijl er geen sprake was van een dienstverband en

- op die werkgeversverklaring vermeld een bruto jaarsalaris van EUR 66.000,- en een vakantietoeslag van EUR 5.280,- terwijl van genoemde salariscomponenten geen sprake was,

- op die salarisspecificatie vermeld dat die [getuige 1] per 1 april 2015 in dienst was bij [naam B.V.] , terwijl er geen sprake was van een dienstverband, en

- op die salarisspecificatie vermeld dat die [getuige 1] een bruto maandsalaris genoot van EUR 5.500,- terwijl van genoemd salaris geen sprake was,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en

hij in de periode van 1 april 2015 tot en met 1 december 2015 te [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse

- werkgeversverklaring d.d. 3 augustus 2015 op naam van [getuige 1] en

- een salarisspecificatie d.d. 31 juli 2015 op naam van [getuige 1] ,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften echt en onvervalst,

bestaande die valsheid of vervalsing hieruit dat:

- op die werkgeversverklaring staat aangekruist dat er sprake was van "een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst" terwijl er geen sprake was van een dienstverband en

- op die werkgeversverklaring staat vermeld een bruto jaarsalaris van EUR 66.000,- en een vakantietoeslag van EUR 5.280,- terwijl van genoemde salariscomponenten geen sprake was,

- op die salarisspecificatie staat vermeld dat die [getuige 1] per 1 april 2015 in dienst was bij [naam B.V.] , terwijl er geen sprake was van een dienstverband en

- op die salarisspecificatie staat vermeld dat die [getuige 1] een bruto maandsalaris genoot van EUR 5.500,- terwijl van genoemd salaris geen sprake was,

en bestaande dat gebruikmaken hieruit dat voornoemde geschriften zijn overgelegd aan Dynamic Credit Woninghypotheken B.V. (en/of diens gevolmachtigde Quion Hypotheekbemiddeling B.V.) ter verkrijging van een hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] ;

zaak met parketnummer 16-659844-18:

1. primairhij in de periode van 9 september 2014 tot en met 17 april 2018 te [plaats] en [plaats] een kwitantie van een geldlening van 10.000 euro van verdachte aan [slachtoffer] d.d. 9 september 2014, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, door de handtekening van die [slachtoffer] op voornoemde kwitantie te plaatsen/na te maken, zulks met het oogmerk op dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en

hij in de periode van 17 april 2018 tot en met 24 september 2018 te [plaats] , opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse kwitantie van een geldlening van 10.000 euro van verdachte aan [slachtoffer] d.d. 9 september 2014, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande die valsheid en/of vervalsing hieruit dat die kwitantie valselijk is voorzien van een handtekening die de handtekening van die [slachtoffer] moest voorstellen,

en bestaande dat gebruikmaken hieruit dat die kwitantie is overgelegd aan de rechtbank en de officier van de justitie als bewijs voor de door hem, verdachte, gestelde geldlening aan voornoemde [slachtoffer] geschrift echt en onvervalst.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 16-706995-15 onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

moord.

Het in de zaak met parketnummer 16-706995-15 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

poging tot oplichting

en

anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekken aan degene door wie of door wiens tussenkomst enige verstrekking of tegemoetkoming wordt verleend, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij weet dat de verstrekte gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming.

Het in de zaak met parketnummer 16-706995-15 onder 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van oplichting

en

medeplegen van valsheid in geschrift

en

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Het hof beschouwt deze feiten als in voortgezette handeling gepleegd, te weten

het medeplegen van valsheid in geschrift, het medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, en het medeplegen van oplichting.

Het in de zaak met parketnummer 16-659844-18 bewezenverklaarde levert op:

de voortgezette handeling van

valsheid in geschrift

en

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van de verdachte

Het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, heeft op 5 april 2018 een rapport Pro Justitia uitgebracht over verdachte (hierna te noemen: het PBC rapport of het rapport). Het rapport is opgemaakt door de deskundigen J. Marx, psychiater, en S. Labrijn, GZ-psycholoog.

In het rapport wordt weergegeven dat verdachte gedeeltelijk heeft meegewerkt aan het onderzoek. Hij heeft gesproken met de onderzoekers en heeft deelgenomen aan activiteiten op de afdeling. Hij heeft niet volledig meegewerkt aan het testpsychologisch onderzoek, in het bijzonder het persoonlijkheidsonderzoek is niet voltooid door een gebrek aan medewerking. Verdachte heeft geen toestemming gegeven voor het opvragen van medische informatie. Referenten hebben niet meegewerkt aan het milieuonderzoek.

Labrijn schrijft in de diagnostische beschouwing over verdachte dat het in de contacten opvalt dat verdachte externaliseert en dat er sprake is van een opgeblazen gevoel van eigenwaarde. Verdachte ervaart weinig afstand tussen hemzelf en het door hem gepresenteerde geïdealiseerde beeld.

In een (beperkt) onderzoek scoort verdachte hoog op het facet arrogante en bedrieglijke interpersoonlijke stijl. Er zijn aanwijzingen voor pathologisch liegen, maar zulks kan niet afdoende worden onderbouwd. Uit het rapport blijkt dat verdachte eenmaal tegen een medewerkster van het Pieter Baan Centrum heeft gelogen, terwijl hij haar daarbij recht in de ogen keek.

De deskundigen concluderen dat noch de observaties en klinische indrukken op basis van de gesprekken, noch de psychologische testresultaten aanleiding geven om te concluderen dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Hoewel alles overziend de indruk bestaat dat verdachte – op relationeel en zakelijk gebied – neigt tot opportunisme, lijkt hij tot aan het tenlastegelegde overwegend naar behoren gefunctioneerd te hebben op de verschillende levensgebieden. Dit in ogenschouw nemend voldoet verdachte thans niet aan de algemene diagnostische criteria voor een persoonlijkheidsstoornis. Door de beschreven beperkingen is het niet mogelijk om te komen tot volledige persoonlijkheidsdiagnostiek. Verdachte komt echter over als een gecontroleerde, assertieve en zelfverzekerde man. Zijn mogelijk zwakkere kanten en mechanismen (gladde prater, opportunisme en het vervallen in primitieve afweermechanismen als devaluatie en externaliseren) kunnen qua intensiteit en de mate van interferentie met een normaal functioneren niet als pathologisch worden gekwalificeerd. Er zijn binnen de gestructureerde setting van de observatie ook geen aanwijzingen voor een pathologisch verhoogde agressieve prikkelbaarheid, krenkbaarheid of impulsiviteit, noch voor ziekelijke gebreken op het terrein van de regulatie en controle van agressieve impulsen. Bij verdachte is evenmin sprake van een intellectuele beperking. Ten slotte kan op basis van de resultaten van de PCL-R, waarbij wordt opgemerkt dat vier van de twintig items niet konden worden ingevuld, worden geconcludeerd dat er bij verdachte thans niet kan worden aangetoond dat er bij hem sprake is van psychopathie (volgens het concept van Hare). De deskundigen concluderen dat geen gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, dan wel een ziekelijke stoornis wordt aangetoond. Gesteld kan worden dat verdachte, gegeven de afwezigheid van een aantoonbare stoornis, ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde (indien bewezen) niet op basis van een stoornis werd belemmerd in zijn keuze- en handelingsvrijheid.

Het hof overweegt dat het de conclusies van de deskundigen zoals hiervoor weergegeven bevestigd ziet in het beeld dat het hof ter zitting van verdachte heeft gekregen. Het hof neemt de conclusies op de in het rapport vermelde gronden over. Het hof concludeert daarom dat het hiervoor bewezen verklaarde volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar aangezien noch op grond van voorgaande, noch anderszins een omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de moord op 29-jarige [slachtoffer] door haar in een rivier in Suriname te doen belanden ten gevolge waarvan zij is overleden, dan wel haar kort daarvoor om het leven te brengen. Het lichaam van [slachtoffer] is enkele dagen nadat zij in het water belandde, gehavend en incompleet enkele kilometers verderop aan de oever van de rivier aangetroffen. De laatste momenten van het leven van deze jonge vrouw moeten afschuwelijk zijn geweest.

Verdachte is berekend en gewetenloos te werk gegaan en heeft zich bij zijn handelen alleen laten leiden door zijn zucht naar financieel gewin. Hij heeft toen zij nog in leven was op allerlei manieren financieel van [slachtoffer] geprofiteerd. In de laatste maanden van haar leven heeft hij haar voorgehouden dat hij met haar een toekomst wilde opbouwen en dat ze zouden gaan samenwonen. Verdachte heeft haar door zijn leugens en bedrog emotioneel aan zich gebonden en ook op financieel gebied is zij door toedoen van verdachte verstrikt geraakt in haar relatie met verdachte. Voor het vertrek naar Suriname heeft hij [slachtoffer] overlijdensrisicoverzekeringen laten afsluiten, haar voorhoudende dat dat nodig was omdat ze zouden gaan samenwonen, en heeft verdachte zelf bij Dela extra gecontroleerd of de verzekering op [slachtoffer] leven helemaal in orde was ‘voor als het straks zover is’. Het handelen van verdachte voorafgaand aan de reis en ook zijn acties aldaar waren erop gericht dit misdrijf te plegen en derhalve geld te verdienen aan de dood van [slachtoffer] .

Verdachte heeft ook daadwerkelijk geprobeerd om Dela te bewegen over te gaan tot uitbetaling van de overlijdensrisicoverzekering en heeft zich daarom ook schuldig gemaakt aan poging tot oplichting van Dela. Hij heeft geen enkele compassie getoond naar deze jonge vrouw die van hem hield, maar heeft haar planmatig en gericht op zijn eigen financiële gewin van het leven beroofd. Een dergelijke koelbloedige moord met als doel het opstrijken van de levensverzekering schokt de gehele rechtsorde.

De door verdachte gepleegde moord heeft voor de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed en verdriet toegebracht. Dit blijkt onder meer uit de slachtofferverklaring van haar ouders en zusje, die door haar zusje ter zitting van het hof is voorgelezen. Uit deze verklaring blijkt onder meer hoe zeer zij hun dochter en zus missen en hoe pijnlijk de afgelopen jaren voor hen zijn geweest.

Verdachte heeft in het kader van deze strafzaak - in strijd met de waarheid - verklaard dat de levensverzekering was afgesloten vanwege leningen die [slachtoffer] bij hem had afgesloten. Verdachte heeft ter staving van deze verklaring een vervalste kwitantie overgelegd aan de rechtbank en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en het gebruik maken van een vervalst document.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan hypotheekfraude. Het hof rekent verdachte aan dat hij zonder scrupules een hypotheekverstrekkende instantie door middel van valselijk opgemaakte stukken heeft bewogen tot het verstrekken van een hypothecaire lening. Uit het dossier blijkt dat verdachte bij het plegen van deze hypotheekfraude niet alleen de belangen van hypotheekverstrekkende instantie, maar ook de belangen van het echtpaar ten behoeve van wie de hypotheek werd aangevraagd heeft geschaad door onder valse voorwendselen financieel van hen te profiteren en hen op te zadelen met een forse boete van de Belastingdienst.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting rijst een beeld op van een verdachte met een leven gekenmerkt door opportunisme, list en bedrog.

Het hof heeft bij de straftoemeting ten nadele van verdachte in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 januari 2021 – eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Het hof heeft verder acht geslagen op de inhoud van voornoemd Pro Justitia rapport. Het hof gaat gelet op de inhoud van dat laatstgenoemde rapport voor zover hiervoor weergegeven uit van een volledige toerekenbaarheid van de feiten aan verdachte. Hoewel de deskundigen het onder 4 bewezenverklaarde niet in het onderzoek hebben betrokken ziet het hof geen aanleiding om ten aanzien van dit feit tot een ander oordeel te komen.

Moord behoort tot de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed: het recht op leven. De wetgever heeft voor moord dan ook als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren vastgesteld.

Het hof constateert dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn welke is gelegen tussen het moment van instellen van het hoger beroep d.d. 14 maart 2019 en de einduitspraak van het hof op 2 april 2021. Het hof overweegt hieromtrent dat de zaak na een regiezitting op 13 september 2019 is verwezen naar de raadsheer-commissaris om op verzoek van de verdediging 14 getuigen te doen horen. Daarna stond de zaak inhoudelijk gepland op 22, 23 en 24 juni 2020. Op de eerste zittingsdag bleek dat verdachte wegens medische redenen niet was verschenen. De zaak is op verzoek van de raadsman aangehouden. Daarna stond de zaak gepland op 8, 9 en 10 september 2020. Op de tweede zittingsdag heeft verdachte twee van de raadsheren van het hof gewraakt. De behandeling van de zaak is toen wederom aangehouden. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 12 oktober 2020 afgewezen. De zaak is daarna verder inhoudelijk behandeld en wel op 18 en 19 februari 2021. Dit heeft geresulteerd in deze einduitspraak d.d. 2 april 2021.

Het hof stelt vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna negen maanden. Deze gehele overschrijding is echter ontstaan vanwege het tweemaal aanhouden van de zitting liggende in de invloedssfeer van verdachte. Het hof heeft na elke aanhouding de voortgang in de zaak bewaakt en heeft bewerkstelligd dat de zaak met inachtneming van de agenda’s van de verschillende procespartijen zo spoedig mogelijk weer op zitting werd geplaatst. Gelet hierop zal het hof aan de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn geen gevolgen verbinden.

Het hof is, alles afgewogen, van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot de strafoplegging een juiste afweging heeft gemaakt. Vanwege de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd kan vanuit een oogpunt van vergelding niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een langdurige gevangenisstraf.

Het hof spreekt verdachte ten aanzien van feit 2 van de zaak met parketnummer 16-706995-15 op een onderdeel (de uitvaartverzekering) vrij. Dit heeft gelet op de samenhang van het gehele feitencomplex niet tot gevolg dat dit zou moeten leiden tot een andere strafoplegging dan die van de rechtbank. Verder heeft het hof er bij de strafoplegging rekening mee gehouden dat sprake is van eendaadse samenloop zoals hiervoor bij de kwalificatie weergegeven, alsook dat een aantal feiten als voortgezette handeling is gepleegd. Dit heeft echter, alles afwegende, eveneens niet tot gevolg dat tot een andere strafoplegging dan de rechtbank heeft opgelegd moet worden gekomen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is ook het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van de tijd die door de verdachte in voorarrest is doorgebracht, passend en geboden is. Het hof zal deze straf aan verdachte opleggen.

Voor het opleggen van de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 22 jaar, heeft het hof in deze zaak geen overtuigende en doorslaggevende argumenten aangetroffen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.968,71 en ziet op materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De vordering is door de verdediging inhoudelijk niet weersproken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-706995-15 onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Deze rente wordt berekend over het bedrag van € 1.136,- (aanpassing vliegtickets en reservering stoelen in het vliegtuig) vanaf 2 juli 2015, over het bedrag van € 590,27 (kosten notaris) vanaf 23 juli 2015, over het bedrag van € 174,64 (kosten notaris) vanaf 3 augustus 2015, over het bedrag van € 1.064,80 (factuur patholoog) vanaf 15 juli 2015 en over het bedrag van € 3,- (parkeerkosten gesprek met de officier van justitie) vanaf 18 mei 2018, tot de dag van volledige betaling.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Voorlopige hechtenis

De verdediging heeft verzocht, gelet op de vrijspraak die is bepleit, de voorlopige hechtenis op te heffen. Vanwege de bewezenverklaringen en de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren is opheffing van de voorlopige hechtenis echter niet aan de orde. Het verzoek wordt afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 56, eerste en tweede lid, 57, 63, 225, 227a, 289 en 326 van het Wetboek van Strafrecht .

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af de verzoeken tot het doen van nader onderzoek.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-706995-15 onder 1 primair, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 16-659844-18 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-706995-15 onder 1 primair, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 16-659844-18 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-706995-15 onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.968,71 (tweeduizend negenhonderdachtenzestig euro en eenenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-706995-15 onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.968,71 (tweeduizend negenhonderdachtenzestig euro en eenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 39 (negenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente voor de materiële schade over het bedrag van € 1.136,- op 2 juli 2015, over het bedrag van € 590,27 op 23 juli 2015, over het bedrag van € 174,64 op 3 augustus 2015, over het bedrag van € 1.064,80 op 15 juli 2015 en over het bedrag van € 3,- op 18 mei 2018, tot de dag der voldoening.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 2 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s die als bijlagen zijn opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 12 mei 2017, genummerd 2015230088, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 4343. Tenzij anders vermeld zijn dit processen-verbaal opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Zaaksdossier 1, map 3, p. 866 en 867

Zaaksdossier1, map 1, relaas p. 3

Digitaal Onderzoek, p. 2252 en 2253.

Zaaksdossier 1, map 3, p. 812

Zaaksdossier1, map 3, p. 906

Zaaksdossier1, map 3, p. 816

Zaaksdossier1, map 3, p. 817

Persoonsdossier 1, p. 3944

Zaaksdossier 1, map 1, p. 3 relaas

Persoonsdossier 1, p. 3943 en 3952

Zaaksdossier1, map 3, p. 824

Zaaksdossier 1, map 3, p. 868

Zaaksdossier 1, map 3, p. 825

Zaaksdossier 1, map 3, p. 909

Zaaksdossier 1, map 3, p. 912

Zaaksdossier 1, map 3, p. 898

Zaaksdossier 1, map 3, p. 909

Zaaksdossier 1, map 3, p. 848

Forensische opsporing map 1, p. 125 en 126

Forensische opsporing map 1, p. 303

Zaaksdossier 1, map 3, p. 1060 en 1063

Zaaksdossier 1, map 1, p. 66, verhoor [naam zus]

Digitaal onderzoek, p.2418

Verhoor bij de raadsheer-commissaris d.d. 12 juni 2020, p. 3

Zaaksdossier 1 map 3 p. 1060

Zaaksdossier 1, map 1, p. 60: verhoor [naam zus]

Zaaksdossier 1, map 1, p. 61: verhoor [naam zus]

Persoonsdossier 1, p. 4051: verklaring verdachte

Zaaksdossier 1, map 1, p. 61, 62, 63: verhoor [naam zus]

Zaaksdossier 1 map 3 p. 850 tot en met 862

Digitaal onderzoek p. 2413 en 2414

Proces-verbaal zitting hof 8 september 2020, p. 6

Zaaksdossier 1, map 3, p. 945 en 946: verhoor [vriendin 2]

Zaaksdossier1, map 3, p. 967: verhoor [vriendin 2]

Zaaksdossier 1, map 2 p. 402 en 403: verhoor [getuige 2]

Zaaksdossier 1, map 3. P. 1040: verhoor [vriendin 3]

Zaaksdossier 1 map 3 p. 979 en 980: verhoor [getuige 11]

Zaaksdossier 1 map 3 p. 1023: verhoor [getuige 10]

Digitaal onderzoek p. 2252

Digitaal onderzoek p. 2252

Zaaksdossier 1 map 1 p. 84

Digitaal onderzoek p. 2418

Zaaksdossier 1, map 3, p. 960: verhoor [vriendin 2]

Digitaal onderzoek p. 2381

Persoonsdossier p. 3952: verhoor verdachte

Digitaal Onderzoek, p. 2252 en 2253.

Digitaal onderzoek p. 2267

Digitaal onderzoek, p. 2362 en 2375

Digitaal Onderzoek, p. 2376

Forensische Opsporing map 2 vanaf p. 401, Obductieverslag d.d. 28 september 2015, opgesteld door patholoog drs. M.P.K. Chan, werkzaam bij het pathologisch-anatomisch laboratorium van het academisch ziekenhuis [plaats]

Zaaksdossier 1, map 1 p. 5 algemeen relaas

Forensische opsporing map 1, p. 44, Obductieverslag d.d. 15 juli 2015, opgesteld door dr. F.R.W. van de Goot, arts en forensisch patholoog, werkzaam bij het Centrum voor Forensische Pathologie

Forensische opsporing map 1, p. 236, Geëxtrapoleerd Obductie verslag [slachtoffer] , obductiepathologen dhr. M. Cheng en dr. F.R.W. van de Goot, opgesteld door dr. F.R.W. van de Goot

Forensische opsporing map 1, p. 238, Geëxtrapoleerd Obductie verslag [slachtoffer] , obductiepathologen dhr. M. Cheng en dr. F.R.W. van de Goot, opgesteld door dr. F.R.W. van de Goot

Forensische opsporing map 1, p. 193, rapport Beoordeling van de inhoud van twee sectierapporten betreffende [slachtoffer] , d.d. 22 november 2015, opgesteld door forensisch patholoog drs. V. Soedjbalie-Maikoe, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, p. 189 en 193.

Opsporingshandelingen Nederland en Rechtshulp, p. 2246W, Gerechtelijk-geneeskundige verklaring d.d. 7 maart 2017, opgesteld door P. Lunetta, professor in de Forensische geneeskunde van de Universiteit van Turku te Finland

Zaaksdossier 1, map 3, p. 905

Zaaksdossier 1, map 1 p. 244: verhoor [vriendin 1 slachtoffer]

Opsporingshandelingen Nederland en Rechtshulp p. 2141

Zaaksdossier 1, map 1: p. 243 verhoor [vriendin 1 slachtoffer]

Zaaksdossier 1, map 1, p. 254: verhoor [vriendin 1 slachtoffer]

Zaaksdossier 1, map 1, p. 258 en 259: verhoor [vriendin 2 slachtoffer]

Zaaksdossier 1, map 1, p. 246: verhoor [vriendin 1 slachtoffer]

Digitaal Onderzoek p. 2442, 2456 en 2461.

Zaaksdossier 1, map 1, p. 248, verhoor [vriendin 1 slachtoffer]

Verhoor [vriendin 1 slachtoffer] door raadsheer-commissaris d.d. 19 juni 2020

Zaaksdossier 1 map 2, p. 650, verhoor [getuige 4]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 636, verhoor [getuige 4]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 640, verhoor [getuige 4]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 641, verhoor [getuige 4]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 651, verhoor [getuige 4] .

Zaaksdossier 1, map 2, p. 641, verhoor [getuige 4]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 651 en 652, verhoor [getuige 4]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 638, verhoor [getuige 4]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 655, verhoor [getuige 4]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 511, verhoor [naam oom]

Zaaksdossier 1, map 1, p. 126, verhoor [naam zus]

Forensische opsporing map 2, p. 540 tot en met 570: dagboek [slachtoffer]

Zaaksdossier 1, map 1, p. 270, verhoor [getuige 5]

Digitaal onderzoek, p. 2684 en 2685

Zaaksdossier 2, p. 1373

Zaaksdossier 2, p. 1373 en 1374

Zaaksdossier 1, map 1, p. 59, verhoor [slachtoffer]

Zaaksdossier 1, map 1, p. 60, verhoor [slachtoffer]

Persoonsdossier 1 p. 4024

Forensische opsporing map 1 p. 100

Persoonsdossier 1, p. 4108

Proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank d.d. 30 en 31 januari en 14 februari 2019, p. 17

Persoonsdossier 1, p. 4035

Persoonsdossier 1, p. 4040

Persoonsdossier 1, p. 4042

Zaaksdossier 1, map 2, p. 442. verhoor [vriendin 1]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 449, verhoor [vriendin 1]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 451, verhoor [vriendin 1]

Verhoor [vriendin 1] d.d. 15 mei 2017 p. 9 en 10, als bijlage bij proces-verbaal t.b.v. de gevangenhouding van de verdachte [verdachte] , bevindt zich ‘los’ in het hofdossier, in het mapje ‘politieonderzoek’

Proces-verbaal verhoor raadsheer-commissaris d.d. 12 juni 2020, p. 4

Digitaal Onderzoek, p. 2434

Opsporingshandelingen Nederland en rechtshulp, p. 2143

Zaaksdossier 1, map 2, p. 443 en 444, en 454 verhoor [vriendin 1]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 358 en 359, verhoor [vriendin 5]

Zaaksdossier 1, map 2, p 357 en 364

Zaaksdossier 1, map 2, p 363 en 370

Zaaksdossier 1, map 2, p 358

Zaaksdossier 1, map 3, p. 1041 en 1042, verhoor [vriendin 3]

Zaaksdossier 1, map 3, p. 1053, verhoor [vriendin 3]

Proces-verbaal van verhoor raadsheer-commissaris d.d. 17 juni 2020

Zaaksdossier 1, map 3, p. 1041 en 1042

Digitaal Onderzoek, p. 2298

Digitaal Onderzoek, p. 2309

Zaaksdossier 1, map 3, p. 1040 en 1042, verhoor [vriendin 3]

Zaaksdossier 1, map 3, p. 1053 verhoor [vriendin 3] .

Zaaksdossier 1, map 3, p. 945, verhoor [vriendin 2]

Zaaksdossier 1, map 3, p. 955, 956, 957, 958 en 959, verhoor [vriendin 2]

Zaaksdossier 1, map 3, p. 968, verhoor [vriendin 2]

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen Belastinggegevens [slachtoffer] en loonaangifte [naam B.V.] BV, bevindt zich ‘los’ in het hofdossier, in het mapje ‘politieonderzoek’

Financiële opsporing map 1 p. 2763

Financiële opsporing map 1, p. 2754

Financiële opsporing map 1, p. 2746

Digitaal Onderzoek, p. 2733

Proces-verbaal van de zitting van de rechtbank d.d. 30 januari 2019, p. 24

Zaaksdossier 1, map 2, p. 667, verhoor [getuige 7] en p. 685, verhoor [naam ]

Zaaksdossier 1, map 1, verhoor [vriendin 1 slachtoffer] , p. 244

Digitaal onderzoek p. 2507

Zaaksdossier 1, map 1, p. 4

Digitaal Onderzoek p. 2586

Proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank d.d. 30 januari 2019, p. 18

Financiële Opsporing map 1 p. 2764

Financiële Opsporing map 1 p. 2765

Proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank d.d. 30 januari 2019, p. 18

Financiële Opsporing map 1 p. 2781

Zaaksdossier 1, map 2, p. 503 en 504

Zaaksdossier 1, map 2, p. 511

Financiële opsporing, map 1 relaas p. 9 en 10

Financiële opsporing map 1, p. 3109

Financiële opsporing map 1, p. 2767 en 2768

Financiële opsporing map 1, p. 2754

Financiële opsporing map 3, p. 3822

Financiële opsporing, map 3 p. 3756

Financiële opsporing map 3, p. 3850 tot en met 3855

Financiële opsporing map 3, p. 3858 tot en met 3861

Financiële opsporing map 1, p. 2742, 2743 en 2744

Een faxbericht van mr. N. Velthorst van 17 april 2018 bestaande uit 59 pagina’s. Het uittreksel van de Kamer van Koophandel met betrekking tot [naam B.V.] staat op pagina’s 38 tot en met 41

Financiële opsporing map 3, p. 3796

Financiële opsporing map 1, p. 2753

Financiële opsporing map 1, p. 2745

Financiële opsporing map 1, p. 2750

Proces-verbaal van aanvullende bevindingen WhatsApp gesprekken d.d. 1 juni 2018, bevindt zich los in het hofdossier, in het mapje ‘Politieonderzoek’.

Financiële opsporing map 1, p. 2970

Financiële opsporing map 1, p. 2757

Financiële opsporing map 1, p. 2755

Financiële opsporing map 1, p. 2753

Financiële opsporing, map 2, p. 3246

Financiële opsporing map 3 p. 3734

Financiële opsporing map 3, p. 3737

Digitaal onderzoek p. 2613 en 2614

Financiële opsporing map 1, p. 2949

Digitaal onderzoek p. 2527 tot en met 2529

Facturen [naam B.V.] aan [naam ] Haarmode, overgelegd door de verdediging bij het verhoor van [getuige 9] bij de raadsheer-commissaris d.d. 17 juni 2020 (gehecht achter dit verhoor)

Financiële opsporing map 1, p. 3129

Een uittreksel uit het openbaar stichtingenregister van de (Surinaamse) Kamer van Koophandel en Fabrieken d.d. 31 maart 2020, overgelegd door de verdediging ter zitting d.d. 8 september 2020 en een akte van oprichting. Deze stukken bevinden zich ‘los’ in het hofdossier in het mapje ‘Inhoudelijke stukken ingebracht door de verdediging’

Opsporingshandelingen Nederland en Rechtshulp, p. 2098

Proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank d.d. 30 januari 2019, p. 19

Opsporingshandelingen Nederland en Rechtshulp, p. 2097

Forensische opsporing map 2, p. 564

Zaaksdossier 2, p. 1432

Zaaksdossier 2, p. 1347

Zaaksdossier 2, p. 1448

Zaaksdossier 1, map 1, p. 249, verhoor [vriendin 1 slachtoffer]

Proces-verbaal van verhoor van [vriendin 1 slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris d.d. 19 juni 2020, bevindt zich in het hofdossier in de RHC map

Financiële opsporing map 1, p. 2756

Zaaksdossier 2 p. 1283

Zaaksdossier 2 p. 1237

Zaaksdossier 2, p. 1197 en 1198

Financiële opsporing map 1, p. 2742

Zaaksdossier 2, p. 1284

Zaaksdossier 2, p. 1241

Zaaksdossier 2, p. 1240

Opsporingshandelingen Nederland en Rechtshulp, p. 2052

Zaaksdossier 2, p. 1284 en 1285

Zaaksdossier 2, p. 1222: verhoor [getuige 6]

Zaaksdossier 2, p. 1201 en 1202

Zaaksdossier 2, p. 1285 en 1286

Digitaal onderzoek, p. 2368, 2369 en 2370

Digitaal Onderzoek, p. 2370 en 2371

Digitaal Onderzoek, p. 2672

Zaaksdossier 2 p. 1208

Financiële opsporing map 1, p. 2754

Zaaksdossier 2, p. 1287

Zaaksdossier 2, p. 1245

Zaaksdossier 2, p. 1205

Zaaksdossier 2, p. 1210

Zaaksdossier 2, p. 1211 en 1212

Digitaal Onderzoek p. 2252

Zaaksdossier 2, p. 1288

Zaaksdossier 2, p. 1288 en 1289

Zaaksdossier 2, p. 1213

Zaaksdossier 2, p. 1311 en 1312

Zaaksdossier 2, p. 1309

Zaaksdossier 2, p. 1289 en 1290

Zaaksdossier 2 p. 1292

Digitaal Onderzoek p. 2362

Zaaksdossier 2, p. 1295

Zaaksdossier 1, map 3, p. 1060 en 1063

Financiële opsporing map 1, p. 2766

Zaaksdossier 1, map. 2, p. 361 en 367, verhoor [vriendin 5]

Zaaksdossier 1, map 1, p. 257

Verhoor raadsheer commissaris d.d. 18 juni 2020, p. 4

Persoonsdossier 1, p. 4106

Digitaal onderzoek, p. 2639

Zaaksdossier 1, map 2, p. 761D

Persoonsdossier 3, p. 4338

Zaaksdossier 1, map 2, p. 672, verhoor [getuige 7]

Zaaksdossier 1, map 2, p. 723

Zaaksdossier 1, map 2 p. 679 verhoor [getuige 7]

Zaaksdossier 1, map 2, verhoor [getuige 8] p. 628

Zaaksdossier 1, map 2, p. 732

Zaaksdossier 1, map 2, p. 761D

o Proces-verbaal van verhoor van [ex-zakenpartner] bij de rechter-commissaris d.d. 29 november 2017, bevindt zich in een kartonnen RC map in het hofdossier

Zaaksdossier 3, p. 1562 en [ex-zakenpartner] verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 29 november 2017, bevindt zich een RC map in het hofdossier

Digitaal onderzoek, p. 2365

Zaaksdossier 3, p. 1575

Zaaksdossier 01, map 2, p 496

Digitaal Onderzoek, p. 2366 en 2367

Zaaksdossier 01, map 2, p 490

Zaaksdossier 1, map 2, p. 470, verhoor [vriendin 4]

Zaaksdossier 4, p. 1699

Zaaksdossier 1, map 2, p. 451

Persoonsdossier 1, p. 4287

Persoonsdossier 1 p. 4293

Persoonsdossier 1 p. 4295

Persoonsdossier 1 p. 4297

Verhoor van [vriendin 1] bij de raadsheer-commissaris d.d. 12 juni 2020, p. 3 en 4, bevindt zich in de RHC map

Forensische opsporing map 1, p. 43, Obductieverslag d.d. 15 juli 2015, opgesteld door dr. F.R.W. van de Goot, arts en forensisch patholoog, werkzaam bij het Centrum voor Forensische Pathologie

Forensische opsporing map 1, Aanvulling op sectie d.d. 29 oktober 2015, opgesteld door dr. F.R.W. van de Goot, arts en forensisch patholoog, en dr. P.R. Algra, arts en radioloog, beiden werkzaam bij het Centrum voor Forensische Pathologie

Zaaksdossier 2, p. 1193

Zaaksdossier 4, p. 1991A en 1991B

Zaaksdossier 4, p. 1991E, 1991F en 1991G

Zaaksdossier 4, p. 1715

Zaaksdossier 4, p. 1714

Zaaksdossier 4, p. 1716 en 1718

Zaaksdossier 4, 1947 tot en met 1960

Zaakdossier 4, p. 1912 en 1913

Financiële opsporing map 3, p. 3822

Financiële opsporing, map 3 p. 3756

Financiële opsporing map 3, p. 3850 tot en met 3855

Financiële opsporing map 3, p. 3858 tot en met 3861

Zaaksdossier 4, p. 1991-77 tot en met 1991-80

Zaaksdossier 4, p. 1991-85

Zaaksdossier 4, p. 1991-101

Zaaksdossier 4, p. 1991-130 tot en met 1991-132

Zaaksdossier 4, p. 1991-102, 1991-103, 1991-130 en 1991-141

Map Voorgeleiding RC, bijlage 8 gevoegd achter het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van verdachte d.d. 14 mei 2017 om 10:00 uur, nummer 20170514165410476.

Map Voorgeleiding RC, bijlage 8 gevoegd achter het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van verdachte d.d. 14 mei 2017 om 10:00 uur, nummer 20170514165410476.

Zaaksdossier 4, p. 1694

Zaaksdossier 4, p. 1991-156

Zaaksdossier 4, p. 1695 tot en met 1697

Zaaksdossier 4, p. 1698

Zaaksdossier 4, p. 1699

Zaaksdossier 4, p. 1701

Zaaksdossier 4, p. 1702

Zaaksdossier 4, p. 1703

Een faxbericht van mr. N. Velthorst van 17 april 2018 bestaande uit 59 pagina’s. De kwitantie staat op p. 6, bevindt zich in het hofdossier in het mapje ‘stukken ingebracht door de verdediging’

Digitaal onderzoek p. 2444

Digitaal onderzoek p. 2669


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature