< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk; de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de voormalige echtelijke woning. Ook de gebruiksvergoeding vanaf datum ontbinding huwelijk in geschil.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.280.817

(zaaknummers rechtbank Gelderland, 348288 en 356625)

beschikking van 2 maart 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.A.Th. Klaver te Hoorn,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Tijseling te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 april 2020 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 juli 2020;

- het verweerschrift tevens (deels voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties;

- het verweerschrift in het (deels voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, tevens akte vermeerdering verzoek met producties;

- een e-mail van mr. Klaver van 1 december 2020;

- een brief van mr. Klaver van 7 december 2020 met producties;

- een journaalbericht van mr. Klaver van 13 januari 2021 met productie;

- een journaalbericht van mr. Tijseling van 25 januari 2021 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 februari 2021 plaatsgevonden. In verband met het coronavirus heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een Skype -verbinding. Via deze verbinding waren aanwezig de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Het hof heeft de op voorhand door partijen toegezonden spreekaantekeningen geweigerd omdat deze niet voldeden aan de voorschriften van het procesreglement.

3 De feiten

3.1

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn [in ] 2009 te [C] gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

3.2

In de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden is - voor zover hier van belang - het navolgende opgenomen:

“Artikel 1.

Tussen de echtgenoten bestaat in hun huwelijk geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen.

Artikel 2 .

Alle goederen, welke de echtgenoten bij de aanvang van hun huwelijk bezitten of die zij later door erfopvolging, making of gift of op andere wijze mochten verkrijgen, zijn en blijven eigendom van diegene der echtgenoten, door wie zij ten huwelijk zijn aangebracht of tijdens huwelijk zijn verkregen.

Alle schulden door de echtgenoten vóór of na de voltrekking van hun huwelijk aangegaan, welke niet de gewone gang van de huishouding betreffen, alsmede schulden drukkende op aan een der echtgenoten persoonlijk toebehorende goederen, komen ten laste van degene hunner door wie die schulden zijn gemaakt of door wie de met schuld bezwaarde goederen werden verkregen.

De echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot en wel ten bedrage van of naar de waarde ten dage van die onttrekking. Deze vergoeding is terstond opeisbaar, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten, in welk geval de echtgenoten een redelijke betalingsregeling -al of niet met zekerheidstelling- treffen, waarbij de belangen van beiden in acht worden genomen.

Artikel 3 .

De echtgenoten verbinden zich over en weer door een afzonderlijke, nauwkeurige en geregelde beschrijving en boekhouding steeds van de samenstelling en grootte van ieders vermogen, zomede van de aard en de grootte van ieders inkomen te doen blijken en daarvan op eerste vordering van de andere echtgenoot aan laatstbedoelde inzage te verschaffen.

(…)

Artikel 7 .

Indien tijdens huwelijk een of meer onroerende zaken of andere goederen worden gekocht, welke door de echtgenoten bestemd worden te dienen als echtelijke woning of op andere wijze aan de samenwoning der echtgenoten dienstbaar zijn, worden die goederen door de echtgenoten gezamenlijk, ieder voor de helft, in eigendom verworven, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen.

De echtgenoot, die in verband met de in dit artikel bedoelde gezamenlijke verkrijging m éér dan de helft van de tegenprestatie uit eigen middelen heeft voldaan heeft voor dat meerdere een vordering op de andere echtgenoot.

Deze vordering, welke geen rente draagt, is - behoudens het daaromtrent hierna bepaalde - eerst en dan terstond opeisbaar bij faillissement van - of aanvraag tot surséance van betaling danwel schuldsanering door de tot vergoeding verplichte echtgenoot, bij ontbinding van het huwelijk der echtgenoten, indien tussen hen scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken of bij verbreking van hun samenwoning, doch uitsluitend indien die verbreking in overwegende mate te wijten is aan de tot vergoeding verplichte echtgenoot, alsmede bij vervreemding van vorenbedoelde goederen.

(…)

Artikel 9 .

De kosten van de gemeenschappelijke huishouding en van de verzorging en opvoeding der kinderen, die uit het huwelijk mochten worden geboren, die door de echtgenoten mochten worden geadopteerd of die met beider toestemming in het gezin mochten worden opgenomen, komen voor rekening van de echtgenoten in evenredigheid van ieders inkomen.

Voorzover de inkomsten der echtgenoten ontoereikend mochten zijn om in bedoelde uitgaven te voorzien, zijn de echtgenoten verplicht ten laste van hun eigen vermogens, naar evenredigheid daarvan, daartoe bij te dragen.

(…)”

3.3

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in ] 2009 te [C] ,

- [de minderjarige2] , geboren [in ] 2011 te [A] , en

- [de minderjarige3] , geboren [in ] 2015 te [D] .

3.4

De vrouw heeft op 21 januari 2019 een verzoek tot echtscheiding ingediend.

3.5

Bij beschikking van 18 december 2019 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, beslissingen genomen ten aanzien van de verzochte nevenvoorzieningen (voortzetting bewoning en gebruik van de woning, gebruiksvergoeding tot aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking voor de woning, hoofdverblijfplaats kinderen, kinderalimentatie , zorgregeling, ouderschapsplan en partneralimentatie ) en de beslissing op de verzoeken ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk aangehouden met gelijktijdige verwijzing naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

3.6

Het huwelijk van partijen is op 8 april 2020 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van 18 december 2019.

3.7

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man tot het vaststellen van een gebruiksvergoeding vanaf datum ontbinding huwelijk afgewezen, de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld en het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk in geschil. Dit betreft zowel de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als de verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de Van [a-straat] 18a te [A] (hierna: de woning). Ook de gebruiksvergoeding vanaf datum ontbinding huwelijk (8 april 2020) is nog in geschil.

4.2

De vrouw is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Grief 1 ziet op de door de rechtbank gehanteerde terminologie en grief 2 op (de kwalificatie van) de hypothecaire geldlening. De grieven 3 tot en met 7 hebben betrekking op (de grondslag van) de vergoedingsvorderingen van de vrouw, haar privévermogen en dat van de man, de door de vrouw gedane aflossingen en investeringen in de gezamenlijke woning en de kwalificatie van de kosten van de huishouding.

De vrouw verzoekt het beroep gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en vergoedingsaanspraken zijn vastgesteld als bepaald onder rechtsoverweging 2.9 tot en met 2.22 en opnieuw beschikkende:

1. de wijze van verdeling en vergoedingsaanspraken vast te stellen zoals in de conclusie

van het hoger beroepschrift is aangegeven;

2. te bepalen dat partijen binnen 1 maand na het uitspreken van onderhavige beschikking,

ten overstaan van een door de vrouw aan te wijzen notaris, een notariële akte doen verlijden, conform welke akte de woning goederenrechtelijk wordt toegedeeld aan de vrouw tegen uitkering aan de man van het door de vrouw berekende bedrag;

3. te bepalen dat wanneer de man in gebreke blijft aan het onder 2 verzochte mee te

werken, deze uitspraak in de plaats zal treden van de medewerking/toestemming van de man;

4. een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

4.3

De man is op zijn beurt met vier grieven in (voor een deel voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep gekomen. Grief 1 ziet op de hypothecaire geldlening. Voorwaardelijke grief 2 van de man ziet op de vergoedingsaanspraken van de man en de vrouw in verband met investeringen in de woning en de kosten van de huishouding. Grief 3 ziet op de gebruiksvergoeding en grief 4 op de hoogte van de studieschuld /onderhandse lening van de vrouw bij de man en de afgesproken rente van 5%.

De man verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, het door de vrouw ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

bij wege van incidenteel hoger beroep

te bepalen dat voor het bepalen van de overwaarde op de echtelijke woning en de omvang van de hypotheekschuld primair de stand van de hypotheeklening per 1 november 2019 wordt gehanteerd, en daarbij tevens te bepalen dat de man is vrijgesteld van betaling van de maandelijkse aflossing vanaf 1 november 2019 tot aan de datum van verdeling, dan wel subsidiair te bepalen dat de omvang van de hypotheeklening wordt vastgesteld op de datum van de notariële levering van de echtelijke woning aan de vrouw, en daarbij te bepalen dat het aandeel van de man in de aflossing van de hypotheekschuld over de periode 1 januari 2018 tot en met de datum van de notariële toedeling van de woning aan de vrouw (dan wel aan derden) met de vrouw wordt verrekend;

te bepalen dat de vrouw voor het gebruik van de gezamenlijke woning van partijen een gebruiksvergoeding verschuldigd is aan de man vanaf 8 april 2020 tot aan het moment waarop de woning aan de vrouw (dan wel aan derden) wordt geleverd;

te bepalen dat de vrouw in verband met de aan haar verstrekte geldlening in verband met een jaar studieschuld aan de man een bedrag van € 24.000,- verschuldigd is te vermeerderen met de contractuele rente van 5% primair vanaf 8 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair vanaf 8 april 2020, tot aan de dag waarop de schuld aan de man is voldaan;

bij wege van voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

de omvang van het bedrag dat de man uit eigen middelen heeft ingebracht in de woning vast te stellen op een bedrag van € 230.549,89, zodat op basis van hetgeen in de akte huwelijkse voorwaarden in artikel 7 tussen partijen is afgesproken wordt bepaald dat de man aanspraak maakt op een vergoeding door de vrouw ter hoogte van € 115.274,94, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum van de vaststelling, zulks op basis van de grondslagen als in dit voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is aangevoerd;

de vrouw te veroordelen om alle financiële gegevens (lees: bankafschriften, documenten, jaaroverzichten, appendices et cetera) die zijn gebruikt en verwerkt in de financiële analyse van de door de vrouw ingeschakelde deskundige in het geding te brengen, zodat de omvang van de eventuele vergoedingsaanspraken van de vrouw en de man in rechte kunnen worden vastgesteld.

4.4

De vrouw voert verweer in het (deels voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep en heeft tevens haar verzoek bij akte vermeerderd. Zij verzoekt (samengevat):

1. tot handhaving van het ingestelde beroep en de grieven van de vrouw en haar verzoeken zoals vermeld onder punt 1 tot en met 4 van het inleidend beroepschrift;

2. om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de man ingestelde incidentele hoger beroep en het voorwaardelijk ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans ongegrond en/of onbewezen te verklaren en de ingestelde vorderingen van de man te ontzeggen en/of af te wijzen, voor zover betrekking hebbende op de subsidiaire verzoeken onder a, en de primaire en subsidiaire verzoeken onder b, c, d en e;

3. tot referte: ten aanzien van het primaire verzoek van de man onder a;

4. te bepalen dat de door de vrouw betaalde en nog te betalen vaste eigenaarslasten van de woning, die tot aan de notariële levering van de woning aan de vrouw c.q. koper met de man verrekend worden, tot en met maart 2021 een bedrag belopen van € 9.667,20 en welk bedrag vanaf deze datum maandelijks oploopt met € 245,40;

5. om de man te veroordelen tot terugbetaling aan de vrouw uit hoofde van onverschuldigde betaling een bedrag van € 1.740;

6. het door het hof in de beschikking vast te stellen door de vrouw uiteindelijk aan de man te betalen bedrag in zijn geheel niet eerder opeisbaar te verklaren dan bij gelegenheid van notariële toedeling van de woning aan de vrouw dan wel indien de vrouw het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet kan bewerkstelligen bij gelegenheid van de notariële levering bij verkoop van genoemde woning aan een derde.

5 De motivering van de beslissing

aanvullende verzoeken

5.1

De vrouw heeft bij haar reactie op het incidenteel hoger beroep aanvullende verzoeken gedaan en grieven geformuleerd. De man heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt de in beginsel strakke regel dat de rechter - behoudens ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij - geen acht mag slaan op grieven die pas worden aangevoerd na de door de wet daartoe aangewezen gelegenheid (in het principaal beroep bij het beroepschrift). Deze regel beperkt ook in echtscheidingsprocedures in beginsel de bevoegdheid in hoger beroep nieuwe verzoeken te doen of verzoeken te wijzigen na het beroepschrift. Uit de aard van het geschil kan anders voortvloeien. Een reden voor een uitzondering op deze regel is niet gebleken. Het hof slaat daarom geen acht op de wijzigingen van het verzoek van de vrouw en de daartoe opgeworpen grieven gedaan bij verweerschrift op het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van 2 november 2020.

(verdeling van) de eenvoudige gemeenschap; opmerking vooraf

5.2

De rechtbank spreekt ten onrechte van het “vaststellen” van de wijze van verdeling. Dat is een contaminatie van twee rechtsfiguren uit artikel 3:185 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met verschillende rechtsgevolgen:

- de vaststelling van de verdeling: de rechter verdeelt, de deelgenoten niet;

- het gelasten van de wijze van verdeling: de deelgenoten verdelen zelf, maar wel op de

wijze die de rechter gelast; de rechter verdeelt niet zelf, maar geeft de regels voor de verdeling.

Dat het partijen hier gaat om het gelasten van de wijze van verdeling blijkt uit het verzoek van de vrouw in hoger beroep. Zij verzoekt immers dat de man wordt veroordeeld mee te werken aan de overdracht van de woning en dat, wanneer hij in gebreke blijft mee te werken, de uitspraak van het hof in de plaats zal treden van de medewerking/toestemming van de man. Dat zou niet nodig geweest zijn als de rechter zelf de verdeling had vastgesteld.

uitgangspunten in het kader van de beoordeling

5.3

Artikel 3:185 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat, indien deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van partijen en het algemeen belang. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt bij de vaststelling van de verdeling niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben verzocht en behoeft hij niet - expliciet - in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd.

kwalificeren en peildatum (grief 1van de vrouw)

5.4

Partijen delen de mening dat voor wat betreft het kwalificeren van de gemeenschap en de vaststelling van de peildatum voor de samenstelling en omvang van de gemeenschap er in de bestreden beschikking sprake is van kennelijke verschrijvingen. Er is geen sprake van een eenvoudige huwelijksgoederengemeenschap (waarmee de rechtbank lijkt te hebben bedoeld een beperkte huwelijksgoederengemeenschap) maar van een eenvoudige gemeenschap. Partijen zijn het erover eens dat uit artikel 1 van de huwelijksvoorwaarden volgt dat er geen enkele huwelijksgoederengemeenschap tussen hen bestaat en dat dus ook geen sprake is van een beperkte gemeenschap van woning. Dit brengt mee dat 21 juli 2019 niet als peildatum heeft te gelden. Grief 1 van de vrouw slaagt.

echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening (grief 2 van de vrouw, grief 1 van de man)

5.5

Een eenvoudige gemeenschap bestaat ingevolge artikel 3:166 BW uit een of meer goederen en kan geen schulden omvatten. Een schuld is geen goed en kan niet worden verdeeld. Partijen delen de mening dat de overweging van de rechtbank op dit punt een onjuistheid bevat. Voorts zijn partijen het erover eens dat zij in hun onderlinge verhouding gelijkelijk draagplichtig zijn voor de hypothecaire geldlening die zij gezamenlijk zijn aangegaan.

5.6

Niet in geschil is dat partijen de woning in gezamenlijke eigendom hebben, dat de vrouw de woning kan overnemen tegen een waarde van € 450.000,-, dat de vrouw ervoor zorg moet dragen dat de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypotheekschuld wordt ontslagen en dat de vrouw de overdrachtskosten van de notaris voor haar rekening neemt. Ook is niet (langer) in geschil dat voor het bepalen van de overwaarde en de omvang van de hypothecaire geldlening moet worden uitgegaan van 1 november 2019 en dat de man vanaf 1 november 2019 van aflossingen is vrijgesteld. De hypothecaire geldlening bedroeg op 1 november 2019 € 245.460,02 (productie I bij beroepschrift). De helft van de door de vrouw betaalde aflossingen van de hypothecaire geldlening over de periode van 1 januari 2018 tot 1 november 2019 bedraagt € 8.598,92. Dat bedrag moet aan de vrouw worden vergoed en met de man worden verrekend. Beider grieven slagen. Het hof zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.

gebruiksvergoeding (grief 3 van de man)

5.6

Op grond van artikel 3:169 BW is iedere deelgenoot, tenzij een regeling anders bepaalt, bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Ingevolge artikel 3:172 BW delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, tenzij een regeling anders bepaalt. Op grond van de Memorie van Antwoord bij artikel 3:169 BW (Parlementaire geschiedenis Boek 3, pagina 587) kan worden aangenomen dat de mede-eigenaar (deelgenoot) die het goed met uitsluiting van de andere mede-eigenaar (deelgenoot) gebruikt, zijn mede-eigenaar (deelgenoot) die aldus verstoken is gebleven van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van de mede-eigendom (deelgenootschap) recht heeft, schadeloos zal moeten stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Daarbij dienen de redelijkheid en de billijkheid die de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen (artikel 3:166 lid 3 BW en artikel 6:2 BW ) tot maatstaf.

5.8

Zolang de woning niet verdeeld is en de vrouw deze bewoont, moet de man het genot voor zijn deel (de onverdeelde helft) missen. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding afgewezen en daartoe overwogen dat er weinig tijd tussen de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en de overdracht van de echtelijke woning zal zitten en dat de man dus spoedig over zijn deel van de overwaarde van de echtelijke woning kan beschikken; met grief 3 in incidenteel hoger beroep komt de man tegen dit oordeel op. De vrouw voert verweer. Zij voert aan dat zij geen schuld heeft in het blijven vastzitten van het vermogen van de man, omdat de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van een vergoeding voor haar investeringen het haar onmogelijk maakte de woning daags na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op haar naam te zetten. Het zou onterecht zijn indien zij hiervoor de financiële consequenties krijgt toegerekend. De vordering van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden draagt geen rente, bovendien is nog niet vastgesteld hoe hoog de gepretendeerde vordering is, dus van verzuim kan geen sprake zijn, zodat ook uit dien hoofde een schadeloosstelling niet aan de orde is, aldus de vrouw. Bovendien beroept de vrouw zich op de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen deelgenoten beheerst.

5.9

Het hof overweegt als volg. De bepaling van de hoogte van een gebruiksvergoeding is vooral gestoeld op de redelijkheid en billijkheid. Toepassing hiervan in deze zaak leidt er naar het oordeel van het hof toe dat dat de gebruiksvergoeding ten behoeve van de man moet worden gelijkgesteld aan de helft van de hypothecaire lasten verbonden aan het perceel; omdat de vrouw de volledige hypotheekrente heeft betaald, zou dat erop neerkomen, dat de vorderingen van partijen tegen elkaar wegvallen. Het hof ziet geen aanleiding een aanvullende vergoeding aan de man toe te kennen. De grief is weliswaar terecht voorgesteld, maar leidt niet tot vernietiging van de bestreden beschikking op dit punt.

toestemming/medewerking

5.10

De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat partijen binnen één maand na het uitspreken van onderhavige beschikking, ten overstaan van een door de vrouw aan te wijzen notaris, een notariële akte doen verlijden, conform welke akte de onroerende zaak goederenrechtelijk wordt toegedeeld aan de vrouw en te bepalen dat wanneer de man in gebreke blijft daaraan mee te werken, deze uitspraak in de plaats zal treden van de medewerking/ toestemming van de man. De man heeft onweersproken gesteld dat beide partijen in eerste aanleg uitdrukkelijk hebben toegezegd dat zij zullen meewerken aan een spoedige overdracht van de woning en dat heeft hij in hoger beroep herhaald. Hij heeft erop gewezen dat het de vrouw is die tot op heden haar medewerking niet heeft verleend, omdat zij de procedure in hoger beroep wenst af te wachten. Dit sluit aan bij het feit dat de vrouw door de beslissing van de rechtbank niet in staat was de woning over te nemen. Gelet hierop is van weigerachtigheid van de zijde van de man niet gebleken. Omdat de man ook een belang heeft bij overdracht van de woning aan de vrouw, aangezien de vrouw hem een bedrag dient te betalen, valt niet te verwachten dat de man zijn medewerking en toestemming zal weigeren. Het hof zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

vergoedingsrechten vrouw en man (grieven 3 tot en met 7 van de vrouw en voorwaardelijke grief 2 van de man)

5.11

De vrouw is het niet eens met de bestreden beschikking voor zover de rechtbank heeft beslist dat aan haar geen vergoedingsrecht op grond van de huwelijkse voorwaarden toekomt en dat alleen aan de man een vergoedingsrecht toekomt, omdat volgens de rechtbank alleen hij privévermogen heeft ingebracht. Zij verzoekt het hof om het haar toekomende vergoedingsrecht alsnog vast te stellen en met dat van de man te verrekenen. Voorts concludeert zij tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, dan wel tot afwijzing daarvan. De man voert verweer en heeft - slechts voor het geval het hof de vrouw in haar verzoek in hoger beroep volgt - voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Alsdan stelt de man dat hij genoegzaam heeft onderbouwd dat hij met (voorhuwelijks) privévermogen een bedrag van € 230.549,89 heeft geïnvesteerd en aanspraak maakt op zijn vergoedingsrecht.

5.12

De investeringen van partijen omvatten twee componenten, te weten aflossingen op de hypotheekschuld en investeringen in de woning zelf in de vorm van kosten van verbouwingen en dergelijke. Partijen zijn gedurende hun huwelijk eigenaar geweest van twee verschillende (opvolgende) woningen. De overwaarde van de eerste woning is besteed aan de tweede woning. Voor zover partijen in de eerste woning ongelijke bedragen hebben geïnvesteerd, zijn zij het erover eens dat die bedragen als investering bij aanvang in de tweede woning in de zin van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden behandeld dient te worden. De nadere investeringen vallen onder artikel 2 van de huwelijksvoorwaarden.

5.13

De vrouw erkent het vergoedingsrecht van de man voor wat betreft de gedane investeringen in de woningen van partijen met zijn privévermogen tot een bedrag van € 196.074,75. De vrouw stelt dat zij voor een bedrag van € 302.097,14 in de woningen heeft geïnvesteerd door middel van hypothecaire aflossingen en kosten voor verbouwingen.

5.14

De vrouw heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een bedrag van € 116.781,09 aan hypotheekaflossingen heeft verricht. Zij heeft uitvoerige stukken overgelegd, waaronder een controlerapport van een deskundige. Het hof heeft op dit vlak geen reden aan de juistheid van de bedragen te twijfelen, mede gelet op de niet voldoende gemotiveerde betwisting door de man. De vrouw erkent daartegenover dat de man hypothecaire aflossingen heeft verricht voor in totaal € 162.818,-. De man heeft gesteld dat hij meer heeft afgelost, maar heeft ook erkend dat hij daarbij geen rekening heeft gehouden met een bedrag aan terugbetaling door de vrouw van € 11.500,-. De vrouw heeft daarnaast nog enkele andere bedragen gemotiveerd betwist. Gelet hierop is er geen aanleiding om uit te gaan van een hoger bedrag aan hypothecaire aflossingen aan de zijde van de man dan door de vrouw is gesteld.

5.15

De vrouw heeft daarnaast aannemelijk gemaakt dat zij investeringen in de woningen van partijen heeft gedaan door privévermogen voor verbouwingen aan te wenden. De rechtbank heeft kort gezegd overwogen dat betalingen uit inkomen hiervoor niet relevant zijn. Dit is onjuist. Zodra de vrouw immers het inkomen heeft ontvangen, is dit tot het vermogen van de vrouw gaan behoren. Had zij dit niet geïnvesteerd in verbouwingen, dan had zij gespaard. De betalingen zijn dus wel degelijk ten laste van haar vermogen gekomen. Ook de man heeft echter kosten van verbouwingen betaald. De vrouw stelt weliswaar dat zij voor een groter bedrag heeft bijgedragen dan de man, maar zij heeft dit niet aannemelijk gemaakt. De hoogte van het bedrag aan investeringen van € 185.316,05 heeft zij onvoldoende onderbouwd. Van verschillende posten in het rapport is niet duidelijk geworden of deze betrekking hebben op vermogensvormende investeringen dan wel op regulier onderhoud. Hierover kan twijfel bestaan, omdat het veel posten betreft van relatief kleine bedragen van minder dan € 100,-. Niet elke uitgave voor de woning kan worden beschouwd als een investering waardoor de ander is gebaat. De (partij-)deskundige die de vrouw heeft ingeschakeld is ook geen deskundige op bouwkundig gebied en heeft een dergelijke toets dan ook niet aangelegd. Daarmee is onduidelijk in hoeverre de betalingen van de vrouw daadwerkelijk recht geven op een vergoeding van de man. Hetzelfde geldt voor de uitgaven die de man heeft gedaan. Ook hij heeft ter onderbouwing van zijn grief in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep niet aangetoond dat hij meer heeft geïnvesteerd dan het bedrag dat door de vrouw is erkend. Beide partijen hebben ter zitting verklaard dat zij de financiële middelen voor een deskundigenonderzoek ontberen. Het hof gaat ervan uit dat een ieder voor een gelijk bedrag aan verbouwingskosten heeft geïnvesteerd in de woningen nu partijen over en weer niet hebben aangetoond dat zij op dit punt meer hebben bijgedragen dan de ander. Op die grond saldeert het hof de vergoedingsrechten voor verbouwingskosten op nul.

5.16

De grieven van de vrouw slagen deels. De voorwaardelijke grief van de man faalt. Het hof zal het verzoek van de man op grond van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afwijzen.

studieschuld/onderhandse lening (grief 4 van de man)

5.17

De man is het niet eens met de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde restschuld die de vrouw aan hem heeft vanwege een door hem aan haar verstrekte onderhandse lening. Volgens de man bedraagt de restschuld € 24.000,-. Voorts kan hij zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat de vrouw geen rente verschuldigd is. Hij voert daartoe aan dat partijen in het ‘contract onderhandse lening’ een afspraak hebben gemaakt over rentebetaling voor het geval zij ongehuwd zijn en niet meer samenwonen. De vrouw voert verweer. De restantschuld is € 23.000,- en volgens de bepalingen in het contract is zij geen rente verschuldigd.

5.18

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw met betaling van € 3.000,- op 11 mei 2009 aannemelijk gemaakt dat de restschuld € 23.000,- bedraagt. Het bankafschrift vermeldt ‘hierna € 23.000,--', wat naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwing in het voordeel van het standpunt van de vrouw is. Uit niets volgt de onjuistheid van de berekening van de vrouw. Voor wat betreft de verschuldigdheid van rente is in artikel 3 in het contract onderhandse lening bepaald dat op het moment dat partijen ongehuwd zijn én niet meer samenwonend zijn de vrouw aan de man een rente verschuldigd is van 5% per jaar over de in die periode nog uitstaande hoofdsom. Daarnaast is bepaald dat de totale schuld moet zijn afgelost op 1 januari 2019. Nu het huwelijk van partijen op 8 april 2020 is ontbonden en zij dus sindsdien ongehuwd zijn én ook niet meer samenwonen is de vrouw daarom vanaf die datum tot aan de dag der algehele voldoening de afgesproken rente aan de man verschuldigd. De grief van de man faalt voor wat betreft de hoogte van de restschuld en slaagt voor wat betreft de verschuldigde rente.

samenvatting en conclusie

5.19

Het vergoedingsrecht van de man jegens de gemeenschap ter zake van hypothecaire aflossingen bedraagt € 162.818,-, dat van de vrouw € 116.781,09 (rov. 5.14). Het verschil bedraagt € 46.036,91. De man heeft een vordering op de vrouw voor de helft van dat bedrag, oftewel € 23.018,45. Daarnaast heeft de man een vordering op de vrouw van € 102.269,99 vanwege zijn aandeel in de overwaarde van de woning. Daartegenover heeft de vrouw een vordering op de man van € 8.598,92 bestaande uit zijn aandeel in de aflossing op de hypotheekschuld tot 1 november 2019.

5.20

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vrouw met betrekking tot de woning een bedrag van € 116.689,52 aan de man moet betalen, te weten € 23.018,45 + € 102.269,99 -/- € 8.598,92. Op dit bedrag komt de bijdrage van de man in de overige (eigenaars)lasten verbonden aan de echtelijke woning in mindering zoals de rechtbank die heeft vastgesteld, aangezien de man daartegen geen grief heeft gericht en het aanvullende verzoek van de vrouw buiten beschouwing blijft. Dat betekent dat de vrouw het bedrag kan verrekenen dat de man aan haar dient te betalen over de periode van 8 januari 2018 tot aan levering van de echtelijke woning aan de vrouw dat bestaat uit:

- de helft van de gemeentelijke belastingen;

- de helft van de waterschapsbelasting;

- de helft van de overlijdensrisicoverzekering TAF;

- de helft van de inboedel- en opstalverzekering .

5.21

Daarnaast dient de vrouw aan de man het bedrag van € 23.000,- te betalen ter zake van de lening voor haar studie. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met 5% rente per jaar vanaf 8 april 2020 tot de dag der algehele voldoening.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven 1 en 2, en slagen de grieven 3 tot en met 7 deels. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

in het incidenteel hoger beroep

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt grief 1, is grief 3 terecht voorgesteld, maar kan niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking, faalt grief 2 en slaagt grief 4 deels. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, deels vernietigen, deels bekrachtigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

7.1

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 20 april 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

7.2

gelast partijen over te gaan tot verdeling van de ontbonden gemeenschap en de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk als volgt:

partijen dienen binnen een maand na heden, ten overstaan van een door de vrouw aan te wijzen notaris, een notariële akte te doen verlijden, op basis van welke akte de woning aan de [a-straat] 18a te [A] wordt toegedeeld aan de vrouw tegen uitkering door de vrouw aan de man van een bedrag van € 116.689,52, verminderd met de helft van de gemeentelijke belastingen, de helft van de waterschapsbelasting, de helft van de overlijdensrisicoverzekering TAF en de helft van de inboedel- en opstalverzekering die de vrouw vanaf 8 januari 2018 tot de overdracht van de woning aan haar ter zake van de woning heeft betaald;

7.3

bepaalt dat de kosten van deze notariële akte voor rekening van de vrouw komen;

7.4

bepaalt dat de vrouw aan de man voorts een bedrag dient te betalen van € 23.000,- vermeerderd met 5% rente (op jaarbasis) over het openstaande bedrag vanaf 8 april 2020 tot de dag der voldoening;

7.5

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.6

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Eskes, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.L. van der Bel, bijgestaan door G.J. Heuvelink als griffier, en is op 2 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature