< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Heeft een ‘losgemaakte’ predikant recht op een transitievergoeding? Het oordeelt van niet. De kerkorde voorziet hier niet in. De PKN mag de rechtsverhouding van de gemeentepredikant tot de kerkelijke gemeente, op grond van artikel 2:2 BW , anders vormgeven dan als arbeidsovereenkomst. De regeling van de transitievergoeding is geen regeling van sterk dwingend recht die ook moet worden toegepast bij een eigensoortige overeenkomst. Het oordeel of al dan niet sprake is van sterk dwingend recht komt aan de burgerlijke rechter toe. Het beroep op niet-ontvankelijkheid omdat de predikant niet eerst de kerkelijke rechtsgang had gevolgd verwerpt het hof.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.295.009/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 8689305 / AR VERZ 20-50)

beschikking van 1 november 2021

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: verzoeker,

hierna: [verzoeker],

advocaat: mr. H. den Besten, die kantoor houdt te Almere,

tegen

de Protestantse Gemeente te Goutum C.A.,

gevestigd te Goutum,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: verweerster,

hierna: PG Goutum,

advocaat: mr. G. van den Brink, die kantoor houdt te Montfoort.

1 De procedure bij de kantonrechter

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van 25 november 2020 die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift in hoger beroep (met bijlagen) door de griffie van het hof ontvangen op 10 februari 2021, waarbij tevens een incident tot verwijzing werd opgeworpen;

- de akte met aanvullende producties van [verzoeker] , ontvangen op 29 april 2021;

- de afwijzende beslissing van het hof op het verwijzingsincident van 25 mei 2021;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, ontvangen op 13 september 2021;

- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep (met producties), ontvangen op 21 september 2021;

- een akte van [verzoeker] met producties, ontvangen op 29 september 2021;

- de mondelinge behandeling van 6 oktober 2021, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2.2

Vervolgens heeft het hof een datum voor deze beschikking bepaald, die nader is vastgesteld op vandaag.

3 Waar gaat deze procedure over?

Deze procedure gaat over de vraag of een predikant (een ‘gewone’ dominee) van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), na een losmakingsprocedure van de kerkelijke gemeente (een voor de predikant onvrijwillig einde van zijn werkzaamheden) recht heeft op een transitievergoeding. Het hof oordeelt met de kantonrechter dat dit niet het geval is. De kerkgemeente heeft nog betoogd dat de burgerlijke rechter deze vraag niet mag beantwoorden, omdat de dominee niet eerst alle kerkelijke bezwaar- en beroepsprocedures had doorlopen. In die stelling gaat het hof niet mee.

Het hof zal die beslissingen hierna motiveren.

4 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

4.1

PG Goutum maakt deel uit van de PKN, een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 BW . [verzoeker] is sinds 1986 predikant binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland, een van de gefuseerde kerkgenootschappen waaruit PKN in 2004 is ontstaan. [verzoeker] heeft op 5 mei 2013 het beroep dat door PG Goutum op hem is gedaan aanvaard en was sinds 1 september 2013 als predikant voor gewone werkzaamheden verbonden aan PG Goutum.

4.2

Na een tussen [verzoeker] en de (kerkenraad van de) PG Goutum gerezen conflict heeft het Breed Moderamen van de classicale vergadering Friesland verzocht om [verzoeker] los te maken van PG Goutum. Dit verzoek is overeenkomstig de kerkelijke regelingen behandeld door het Generale college voor de ambtsontheffing in de Protestantse Kerk in Nederland (GCA), die het verzoek op 23 januari 2020 heeft toegewezen, met ingang van 1 augustus 2020. [verzoeker] heeft in deze losmaking berust, maar op een aantal andere aspecten beroep ingesteld. Dit beroep is bij uitspraak van 26 juni 2020 van het Generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen in de Protestantse Kerk in Nederland (GCBG) niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard.

In verband met de losmaking is aan [verzoeker] een wachtgeld ten laste van PKN toegekend.

4.3

Op 26 februari 2020 heeft [verzoeker] in verband met de losmaking jegens PG Goutum aanspraak gemaakt op een transitievergoeding van € 98.709,- bruto. Bij e-mailbericht van 12 maart 2020 heeft de advocaat van PG Goutum bericht dat PG Goutum geen transitievergoeding zal betalen. Deze weigering is als volgt gemotiveerd:

“Aangezien sprake is van een kerkrechtelijke rechtsverhouding tussen uw cliënt en de Protestantse gemeente te Goutum is titel 10 van Boek 7 BW niet van toepassing en is derhalve geen transitievergoeding verschuldigd.

Overigens staan ook meerdere kerkordelijke bepalingen in de weg aan het betalen van een dergelijke vergoeding.”

5 De van belang zijnde kerkelijke regelingen

5.1

PKN heeft een statuut in de zin van artikel 2:2 lid 2 BW . Dit bestaat onder meer uit

de Kerkorde (verder: KO) en Ordinantiën (verder: Ord.) en Generale Regelingen (verder: GR). Dit statuut voorziet in een eigen geschillenbeslechting, verder ook aangeduid als kerkelijke rechtspraak.

Het predikantsambt is in het statuut beschreven. Naast het predikantsambt kent de KO ook het ambt van ouderling en dat van diaken.

In de KO is in artikel VI het zogenaamde non-dominatiobeginsel verwoord:

"l. Opdat niet het ene ambt over het andere, de ene ambtsdrager over de andere, (...) heerse, (... ), is de leiding in de kerk toevertrouwd aan ambtelijke vergaderingen.

2. Deze vergaderingen zijn voor de gemeente de kerkenraad.

(…)

3. De kerkenraad wordt gevormd door de bij de gemeente dienstdoende predikanten, de ouderlingen en de diakenen. (... ) "

Dit is verder uitgewerkt in artikel 5 lid 2 van Ord. 3:

"De kerkenraad stelt degene die beroepen is tot predikant van de gemeente een beroepsbrief ter hand, (...). Bij het opstellen van de beroepsbrief wordt rekening gehouden met de vrijheid van het ambt van predikant als dienaar des Woords. De inhoud en strekking van de beroepsbrief kunnen er dus niet toe leiden dat de predikant aan de kerkenraad of aan de gemeente ondergeschikt is."

5.2

In het statuut (Ord. 3) worden verschillende soorten predikanten onderscheiden; naast de predikant voor gewone werkzaamheden (verder: de Gemeentepredikant) bestaan ook predikanten in algemene dienst of predikanten met bijzondere opdracht. Voor de Gemeentepredikant bepaalt Ord. 3 dat een eigen rechtspositie geldt die is neergelegd in GR 5, getiteld Rechtspositie van predikanten (verder: de Rechtspositieregeling). Verder hanteert PKN een Gids arbeidsvoorwaarden voor predikanten, waarin is opgenomen dat de rechtspositie geheel door het kerkelijk recht wordt beheerst en gezien wordt als een rechtsverhouding van eigen aard (sui generis) en dat het burgerlijk overeenkomstenrecht niet (rechtstreeks) van toepassing is.

5.3

Predikanten in algemene dienst dan wel met bijzondere opdracht kunnen daarentegen wel op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn. Bij de bijzondere opdracht gaat het om predikanten veelal in dienst van een andere organisatie (de gevangenis- en de legerpredikant, in dienst van justitie dan wel defensie); bij de predikanten in algemene dienst gaat het om predikanten die een arbeidsovereenkomst hebben met de Landelijke Dienstenorganisatie van de PKN. Predikanten met een dergelijke aanstelling kunnen door de Landelijke Dienstenorganisatie tijdelijk gedetacheerd worden bij een kerkelijke gemeente als interim c.q. ambulant predikant.

5.4

De Rechtspositieregeling (GR 5) voorziet in de beloning (traktement) en verdere rechten als vakantie voor de Gemeentepredikant. Het traktement wordt uit de generale kas betaald en niet rechtstreeks door de kerkelijke gemeente waaraan de Gemeentepredikant is verbonden. De Rechtspositieregeling kent ook een wachtgeldregeling, onder meer na losmaking van de Gemeentepredikant van zijn gemeente (artikel 29 GR 5 ), dat nader is uitgewerkt in uitvoeringsbepalingen. Deze uitvoeringsbepalingen voorzien in een wachtgeld dat minimaal aansluit bij de hoogte en duur van een WW-uitkering ingeval sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst maar met een suppletie daarbovenop die afhankelijk is van het resterend aantal levensjaren tot de AOW-datum en van het aantal dienstjaren, met een hoogte van in beginsel 70% van het traktement. Voor [verzoeker] loopt het wachtgeld tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

5.5

De losmakingsprocedure is omschreven in artikel 20 van Ord. 3 en houdt in dat, indien door bepaalde oorzaken, gelegen in de kerkelijke gemeente of in de persoon van de predikant, zulke spanningen rijzen dat de vraag rijst of de predikant ‘de gemeente nog langer met stichting kan dienen’, het breed moderamen van de classicale vergadering op verzoek van de predikant, de kerkenraad of uit eigen beweging het GCA kan vragen een oordeel uit te spreken, met een beroepsmogelijkheid bij het GCA voor de behandeling van bezwaren en geschillen (verder: GCBG).

5.6

Artikel XIV van de KO kent daarnaast nog de mogelijkheid om geschillen waarvoor binnen de orde van de kerk niet een afzonderlijk orgaan is aangewezen, voor te leggen aan, per saldo, een classicaal college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Dit is nader uitgewerkt in Ord. 12, waarin in artikel 3 onder meer is bepaald dat een ambtsdrager die zich bezwaard voelt door een besluit van een kerkenraad, bezwaar in kan dienen met een bezwaartermijn van 30 dagen en in artikel 8 een beroepsmogelijkheid (ook weer binnen 30 dagen) op het GCBG is gegeven.

6 De beslissing van de kantonrechter

6.1

[verzoeker] heeft bij inleidend verzoekschrift van 5 augustus 2020 de kantonrechter gevraagd om PG Goutum te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van bruto € 80.246,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2020.

6.2

PG Goutum heeft zich tegen dit verzoek verweerd met, naast een inhoudelijk verweer, ook een bevoegdheids- en ontvankelijkheidsverweer. Dat laatste hield in dat [verzoeker] ook voor de transitievergoeding eerst de kerkelijke rechtsgang had moeten doorlopen.

6.3

De kantonrechter heeft het bevoegdheids- en het ontvankelijkheidsverweer verworpen, dat laatste omdat de kerkelijke regelingen geen grondslag bieden voor toekenning van een transitievergoeding.

6.4

Het verzoek van [verzoeker] is afgewezen omdat de PKN in de KO voor de Gemeentepredikant is afgeweken van de arbeidsovereenkomst. Onder verwijzing naar het arrest NGK Hattem – Gort, oordeelde de kantonrechter dat kerkgenootschappen volgens artikel 2:2 BW worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Een kerkgenootschap kan de rechtsverhouding tot een geestelijk ambtsdrager in beginsel naar eigen inzicht vormgeven en kan daarbij afwijken van dwingend recht. Daarvan is in dit geval sprake. De transitievergoeding is geen aanspraak van zodanig fundamentele aard dat de PKN in haar regelingen daar niet van had kunnen afwijken. Evenmin is sprake van een eigendomsrecht op de aanspraak op de transitievergoeding dat beschermd wordt door Europese verdragen.

7 De verzoeken in hoger beroep

7.1

[verzoeker] vordert in principaal appel, onder vermeerdering van zijn verzoek, dat het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigt, voor recht verklaart dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en PG Goutum en zijn verzoeken uit de procedure in eerste aanleg alsnog toewijst.

7.2

In incidenteel appel verzoekt PG Goutum dat het hof, onder vernietiging van de beschikking van de kantonrechter, [verzoeker] alsnog niet-ontvankelijk verklaart in zijn inleidende verzoek.

7.3

Het hof zal uitgaan van het vermeerderde verzoek van [verzoeker] , aangezien de vermeerdering op het processueel juiste moment is gedaan en ook verder niet gebleken is dat de vermeerdering als zodanig in strijd met de eisen van een goede procesorde is.

8. De ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn appel en in zijn verzoek tot toekenning van een transitievergoeding

8.1

PG Goutum heeft betoogd dat [verzoeker] niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen omdat het beroepschrift een onvoldoende motivering zou bevatten van de daarin opgenomen grieven en het beroepschrift niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Het hof verwerpt dit betoog. [verzoeker] heeft ook voor PG Goutum voldoende kenbaar zijn bezwaren tegen de beschikking van de kantonrechter verwoord. Of zijn argumenten houtsnijden, raakt niet de ontvankelijkheid van het beroepschrift, maar de beoordeling daarvan.

8.2

Het incidentele appel van PG Goutum komt erop neer dat de [verzoeker] eerst de volledige kerkelijke bezwaarprocedure en daarna de beroepsprocedure bij de GCBG (verder tezamen ook aan te duiden als de kerkelijke rechter) had dienen te volgen alvorens zijn vordering aan de kantonrechter te mogen voorleggen en dat hij, door dit niet te doen, niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

8.3

Het hof overweegt dat de centrale stelling van [verzoeker] is dat de wettelijke bepaling over de transitievergoeding (artikel 7:673 BW) een zwaarwegend dwingendrechtelijke bepaling is waaraan PG Goutum is gebonden, ongeacht de wijze waarop de aanstelling van [verzoeker] als Gemeentepredikant is vormgegeven. Dit is een geheel op het burgerlijk recht gebaseerde vordering die geen kerkrechtelijke aspecten kent. PKN kent geen specifieke interne regeling betreffende transitievergoedingen of een daarvoor gecreëerde gelijkwaardige voorziening. Ter zitting van het hof is door de daar aanwezige vertegenwoordiger van de bond van predikanten, onweersproken, verklaard dat hierover rond 2015 wel is gesproken, maar dat dit is afgewezen. In het verlengde daarvan kent de KO ook geen bijzondere, op de transitievergoeding toegesneden rechtsgang. Dat theoretisch de mogelijkheid had bestaan dat de kerkelijke rechter had geoordeeld dat artikel 7:763 BW een zwaarwegend dwingendrechtelijke bepaling is die ook bij Gemeentepredikanten toepassing dient te vinden, niettegenstaande het sui generis karakter van de aanstelling, levert niet de verplichting op voor [verzoeker] om op straffe van niet-ontvankelijkheid eerste de algemene kerkelijke bezwaar- en beroepsprocedure te doorlopen. Het hof betrekt daarbij dat ook volgens PG Goutum niet ter discussie staat dat [verzoeker] zijn vordering aan de kantonrechter had mogen voorleggen als de kerkelijke rechter hem niet in het gelijk zou hebben gesteld, aangezien het uiteindelijk aan de burgerlijke rechter is om te oordelen of sprake is van een zwaarwegend dwingendrechtelijke bepaling en voorts dat de mogelijkheid om een transitievergoeding te vorderen aan een korte vervaltermijn onderhevig is van drie maanden, te rekenen vanaf het einde van de overeenkomst met PG Goutum, derhalve drie maanden na 1 augustus 2020. Dat de bezwaar – en beroepsprocedure, bij een binnen de termijn ingediend bezwaar tegen de beslissing van de kerkenraad van 12 maart 2020, zodanig ruim voor 1 november 2020 zou zijn afgerond dat [verzoeker] in dat geval nog tijdig naar de kantonrechter had kunnen stappen, valt ernstig te betwijfelen.

8.4

Het hof oordeelt daarom dat in dit geval zwaarwegende omstandigheden zich verzetten tegen de verplichting van [verzoeker] om eerst de kerkrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedure te doorlopen alvorens zijn verzoek aan de kantonrechter voor te mogen leggen. Het incidenteel beroep treft geen doel.

9 De beoordeling in principaal appel

9.1

[verzoeker] heeft in principaal appel vier grieven voorgedragen, die het hof hierna onderwerpsgewijs zal bespreken.

Geen arbeidsovereenkomst

9.2

Artikel 2:2 lid 2 BW bepaalt dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Deze bepaling berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een kerkgenootschap, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap, waaronder regels over het bestuur van het kerkgenootschap en over de verhouding tussen het kerkgenootschap en zijn geestelijk ambtsdrager(s). Uit art. 2:2 lid 2 BW volgt dat het eigen statuut alleen geldt voor zover dit niet in strijd is met de wet. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het begrip ‘wet’ in deze bepaling verwijst naar bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’, waarbij is gedacht aan ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’.

9.3

De Hoge Raad heeft in het eerdergenoemde arrest NGK Hattem – Gort hieruit afgeleid dat de in art. 2:2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid meebrengt dat een kerkgenootschap de rechtsverhouding tot een geestelijk ambtsdrager in zijn statuut in beginsel naar eigen inzicht kan vormgeven. Daarbij is afwijking van dwingend recht mogelijk , tenzij dat recht een belang van zo fundamentele aard beschermt dat afwijking van dat dwingend recht in de omstandigheden van het geval, ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid, niet kan worden aanvaard.

9.4

Dat de Gemeentepredikant een geestelijk ambtsdrager is, staat niet ter discussie. PKN heeft in haar statuut de rechtsverhouding tussen de kerkgemeente en de Gemeentepredikant geregeld als hiervoor in 5.1 tot en met 5.3 weergegeven. Met de daarin voorkomende bepalingen is onmiskenbaar beoogd de toepasselijkheid van de bepalingen van titel 10 van Boek 7 BW op die verhouding uit te sluiten. PG Goutum heeft zich aan deze regeling geconformeerd.

9.5

[verzoeker] heeft betoogd dat het eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad achterhaald is door latere uitspraken, met name het arrest X-Amsterdam. Het hof verwerpt dit standpunt. Dit arrest had niet betrekking op de inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen en daaruit volgt niet dat een kerkgenootschap aan de wettelijke bepalingen betreffende de arbeidsovereenkomst is gebonden indien de rechtsverhouding met de predikant als een arbeidsovereenkomst zou moeten worden gekwalificeerd, als artikel 2:2 BW zou worden weggedacht. Overigens heeft [verzoeker] de stelling dat PG Goutum feitelijk over hem gezag uitoefende als ware zij werkgeefster, amper uitgewerkt. De ter zitting van het hof gegeven voorbeelden (begintijdstippen kerkdiensten, niet met vakantie kunnen met Kerst en Pasen) zij daarvoor onvoldoende.

9.6

Ook het betoog dat PKN een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen enerzijds Gemeentepredikanten die geen arbeidsovereenkomst kunnen hebben en anderzijds predikanten in algemene dienst of met een bijzondere opdracht die wel op basis van een arbeidsovereenkomst aangesteld kunnen worden, kan er niet toe leiden dat overeenkomst met de Gemeentepredikant daarom ook als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt. Dit ligt besloten in de inrichtingsvrijheid van het kerkgenootschap, waarbij de keuze om bij de Gemeentepredikant geen arbeidsovereenkomst aan te willen nemen ook berust op een theologisch, leerstellig element (het non-dominatiobeginsel, zie hiervoor onder 5.1) dat een lange geschiedenis kent. Dat PKN bij andere predikanten die niet aan een kerkelijke gemeente verbonden zijn en waar de relatie tussen predikant en kerkenraad daarmee een andere is dan bij de Gemeentepredikant, wel een arbeidsovereenkomst mogelijk acht en deze ook afsluit, valt eveneens binnen de inrichtingsvrijheid van een kerkgenootschap. Predikanten in algemene dienst zijn niet in dienst van een kerkelijke gemeente maar van een overkoepelende organisatie binnen PKN. Ook de interim-predikant die vanuit de Landelijke Dienstenorganisatie van PKN tijdelijk in Goutum is gedetacheerd is niet in dienst van PG Goutum en heeft een ander takenpakket dan [verzoeker] had als Gemeentepredikant. Van een gelijke situatie van de Gemeentepredikant en de predikant in algemene dienst of met een bijzondere opdracht is derhalve geen sprake. Daar komt nog bij dat kerkgenootschappen zijn uitgezonderd in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (artikel 3).

9.7

De stelling van [verzoeker] dat de keuze van PKN om in 2015 de overeenkomst sui generis te handhaven voor Gemeentepredikanten en niet over te gaan op arbeidsovereenkomsten, vooral ingegeven zou zijn door financiële motieven, maakt dit niet anders. Zo dit al juist zo zijn, valt ook een dergelijke keuze binnen de inrichtingsvrijheid van een kerkgenootschap. PG Goutum heeft dit overigens bestreden en uit het door [verzoeker] in het geding gebrachte advies van de Adviescommissie Rechtspositie Predikanten van augustus 2015 blijkt niet dat in de discussie alleen financiële motieven een rol zouden hebben gespeeld en het theologisch non-dominatiobeginsel niet heeft meegewogen bij de toen gemaakte keuze tot handhaving van de overeenkomst sui generis.

9.8

Ook het betoog van [verzoeker] dat uit het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM) en het daarbij behorende protocol 12 lid 1 zou voortvloeien dat hij recht heeft op een arbeidsovereenkomst, treft geen doel. In de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is aangenomen dat binnen het nationale recht de nationaalrechtelijke uitzonderingen voor kerkelijke organisaties worden gerespecteerd.

9.9

Grief I in principaal appel faalt en de verzochte verklaring voor recht is niet toewijsbaar.

De transitievergoeding is geen zwaarwegend dwingendrechtelijke bepaling

9.10

[verzoeker] stelt verder dat de transitievergoeding een fundamenteel recht is, waarop hij aanspraak kan doen gelden, ongeacht de vorm waarin PG Goutum zijn rechtsverhouding tot de kerkelijke gemeente heeft vormgegeven.

9.11

Het hof deelt dit standpunt niet. De transitievergoeding is door de wetgever in het leven geroepen voor arbeidsovereenkomsten in de zin van titel 10 boek 7 BW als een vergoeding die de werkgever moet betalen bij onvrijwillig ontslag aan de werknemer. Het recht op de transitievergoeding volgt niet uit de Grondwet of uit internationale verdragen. De transitievergoeding is niet verschuldigd bij beëindiging van andere rechtsverhoudingen waarbinnen arbeid moet worden verricht, zoals bij de overeenkomst van opdracht of de overeenkomst tot het verrichten van diensten, of bij de resterende ambtelijke aanstellingen na de inwerkingtreding van de WNRA. Evenmin is bij arbeidsovereenkomsten altijd een transitievergoeding door de werkgever verschuldigd bij een voor de werknemer onvrijwillig ontslag. Het hof verwijst naar de cao-uitzondering van artikel 7:673b BW en de in artikel 7:673 lid 7 BW verwoorde uitzonderingen. De bepalingen omtrent de toekenning van een transitievergoeding vormen daarmee geen zwaarwegend dwingendrechtelijke bepalingen waaraan PG Goutum gebonden is bij een overeenkomst sui generis.

De kantonrechter heeft ook nog overwogen dat het geheel van de kerkelijke rechtspositie voor ‘losgemaakte’ predikanten op een aantal punten beduidend beter is dan de wettelijke ontslagregeling voor werknemers. Dat er, zoals [verzoeker] heeft aangevoerd, in sommige gevallen nog royalere ontslagregelingen zijn waarbij de werknemer daarnaast nog een aanspraak op de transitievergoeding toekomt, is gelet op het vorenstaande echter niet relevant en maakt niet dat de transitievergoeding aangemerkt moet worden als een zwaarwegend dwingendrechtelijke bepaling.

9.12

Grief II in principaal appel treft geen doel.

Geen schending van het eigendomsrecht

9.13

[verzoeker] heeft verder nog aangevoerd dat hij een aanspraak op de transitievergoeding kan ontlenen aan artikel 1 protocol 1 bij het EVRM, omdat hij een legitieme verwachting had op toekenning daarvan, waarbij anders dan de kantonrechter heeft overwogen, niet van belang is of de transitievergoeding al dan niet gelijkgesteld kan worden met een sociale uitkering.

Ook dit betoog gaat niet op. Omdat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst heeft [verzoeker] nooit aanspraak gehad op een transitievergoeding. Van schending van een eigendomsrecht op die vergoeding is daarom geen sprake. Het EHRM heeft bij sociale uitkeringen het eigendomsrecht in een reeks van uitspraken ook uitgerekt tot legitieme verwachtingen op toekenning van een dergelijke uitkering, maar ook daarvan is geen sprake. Enerzijds omdat de transitievergoeding geen sociale uitkering is maar een contractuele aanspraak van de gewezen werknemer jegens zijn werkgever en anderzijds omdat [verzoeker] nooit een legitieme verwachting kon koesteren dat hij na losmaking recht zou hebben op een transitievergoeding jegens PG Goutum. Dit was hem ook voor de losmaking per 1 augustus 2020 al meegedeeld.

9.14

[verzoeker] heeft zich ook nog beroepen op Verdrag nr. 111 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende discriminatie in beroep en beroepsuitoefening, maar hij heeft onvoldoende toegelicht dat uit deze ILO-conventie een recht op de transitievergoeding zou voortvloeien.

Grief III in principaal appel treft evenmin doel.

Geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

9.15

Het hof ziet, met PG Goutum, geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. Het daartoe in appel herhaalde verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen.

De slotsom

9.16

De door [verzoeker] voorgedragen grieven tegen de beschikking van de kantonrechter falen. Dat geldt ook voor de zijn laatste grief, die ziet op de proceskostenveroordeling. [verzoeker] heeft geen recht op een transitievergoeding. Aangezien ook het incidenteel beroep geen doel treft, zal het hof de beschikking van de kantonrechter bekrachtigen. [verzoeker] zal in de kosten van het principaal appel worden veroordeeld, te begroten op het van PG Goutum geheven griffierecht en op 2 punten naar tarief II van het liquidatietarief voor salaris advocaat. Ook de door PG Goutum gevorderde nasalaris zal het hof toewijzen.

Het hof zal PG Goutum veroordelen in de kosten van het incidenteel appel, te begroten op 1 punt naar tarief II voor salaris advocaat.

10 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter te Leeuwarden van 25 november 2020;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van PG Goutum vastgesteld op € 772,-voor verschotten en op € 2.228,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [verzoeker] in het nasalaris, begroot op € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

veroordeelt PG Goutum in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 1.114,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, W.P.M. ter Berg en R.S de Vries en is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2021.

ECLI:NL:RBNNE:2020:4524

Hoge Raad van 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531 (NGK Hattem – Gort).

HR 6 november 2020 ECLI:NL:HR:2020:1746

Zie onder meer EHRM 14 september 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0914JUD005666509, Károly Nagy - Hongarije

Zie onder meer EHRM 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD005308013, Bélané Nagy – Hongarije.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature