< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontneming. De vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen.

Uitspraak



Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004021-19

Uitspraak d.d.: 6 november 2020

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 16 juli 2019 met parketnummer 18-059475-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en oplegging aan betrokkene van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van

€ 30.000,- . Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsvrouw,

mr. M.R.M. Schaap, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 16 juli 2019 (parketnummer 18-059475-19) veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en/of verbreking.

Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de misdrijven ter zake waarvan betrokkene bij voornoemd vonnis is veroordeeld of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. F. van der Maden en mr. F.A. Hartsuiker, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 6 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. F.A. Hartsuiker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature