< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Hof houdt zaak aan om de man, die in de wsnp zit, de gelegenheid te geven om opnieuw een verzoek in te dienen voor verhoging van het vtlb in verband met te betalen alimentatie.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.274.905/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 167132

beschikking van 13 oktober 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. T.E. Heslinga te Leeuwarden,

en

[verweerster] ,

verder te noemen: de vrouw, en

[verweerder] ,verder te noemen: [verweerder] ,

beiden wonende te [A] ,

verweerders in hoger beroep,

advocaat: mr. P. van Bommel te Franeker.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (verder te noemen: de rechtbank), van 4 december 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 2 maart 2020;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Heslinga van 26 maart 2020 met productie(s);

- een volmacht van [verweerder] van 5 mei 2020, waarin hij de vrouw machtigt om hem in de procedure te vertegenwoordigen;

- een journaalbericht van mr. Van Bommel van 12 augustus 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Heslinga van 17 augustus 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Bommel van 20 augustus 2020 met productie(s).

2.2

De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige1] heeft bij brief aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 2 september 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Van Bommel heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2017 ontbonden door echtscheiding .

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [verweerder] , voornoemd, geboren [in] 2001;

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2003 (verder te noemen: [de minderjarige1] );

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2008 (verder te noemen: [de minderjarige2] );

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2010 (verder te noemen: [de minderjarige3] ),

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en deze kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Ook [verweerder] woont bij de vrouw.

3.3

De man woont samen met een nieuwe partner en haar drie minderjarige kinderen.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank van 25 januari 2017 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Van deze beschikking maakt deel uit en daaraan is gehecht het op 10 oktober 2016 ondertekende ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant van partijen. In het ouderschapsplan is - voor zover hier van belang - opgenomen dat de man met ingang van 1 oktober 2016 € 200,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als kinderalimentatie . Ten aanzien van de partneralimentatie zijn partijen in hun convenant overeengekomen dat de man met ingang van 1 oktober 2016 € 200,- per maand aan de vrouw voldoet.

3.5

De man heeft de rechtbank op 21 mei 2019 verzocht om de beschikking van de rechtbank van 25 januari 2017 en de daaraan gehechte stukken te wijzigen in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen alsmede de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van datum verzoekschrift op nihil worden gesteld. De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd.

3.6

Ten aanzien van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid " [B] B.V." is op 22 oktober 2019 het faillissement uitgesproken.

3.7

Bij vonnis van 5 november 2019 is ten aanzien van de man de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. De heer [C] is tot bewindvoerder benoemd.

3.8

Het verzoek om het vrij te laten bedrag (verder ook: vtlb) te verhogen om de onderhoudsbijdragen voor de kinderen te kunnen blijven voldoen is namens de rechter-commissaris bij brief van 21 november 2019 afgewezen. In die brief is het volgende opgenomen:

" Geachte heer [C] ,

In uw e-mailbericht van 18 november 2019 heeft u mijn aandacht gevraagd voor een vraag over kinderalimentatie betreffende [verzoeker] . Aan u is gevraagd of aan de rechter-commissaris kan worden verzocht het vrij te laten bedrag te verhogen zodat [verzoeker] de verschuldigde kinderalimentatie kan betalen. Naar aanleiding van uw vraag bericht ik u als volgt.

De rechter-commissaris gaat ervan uit dat iedere schuldenaar tijdens de schuldsaneringsregeling slechts kan beschikken over het op de voet van artikel 295, tweede lid, Fw door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag. Dit bedrag zal, gelet op het daarbij van toepassing verklaarde artikel 475 Rv , in het algemeen onvoldoende ruimte bieden voor draagkracht om onderhoudsbijdragen te betalen, tenzij de rechter-commissaris op de voet van artikel 295, derde lid, Fw het vrij te laten bedrag anders heeft bepaald.

Bijzondere omstandigheden die eventueel aanleiding zouden kunnen geven tot een andere beoordeling, zijn in dit dossier niet naar voren gebracht of op wat voor manier ook gebleken. Dat betekent dat er geen aanleiding is om het nominale deel van het VTLB te verhogen."

3.9

Bij de bestreden beschikking van 4 december 2019 zijn de verzoeken van de man afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Die grief heeft betrekking op zijn (gebrek aan) draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat:

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen alsmede de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van datum verzoekschrift op nihil worden gesteld;

- althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.2

De vrouw heeft verweer gevoerd en het hof verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen, althans de grief van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

5 De motivering van de beslissing

De wijziging van omstandigheden 5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek , die een hernieuwde beoordeling van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw rechtvaardigt. De kinderalimentatie* De behoefte

5.2

De behoefte van de kinderen is in het ouderschapsplan in 2016 vastgesteld op

€ 424,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2020 bedraagt de behoefte € 459,- per kind per maand, oftewel totaal € 1.836,-. Die behoefte staat tussen partijen niet ter discussie.

* De draagkracht van de vrouw

5.3

Het fiscaal loon van de vrouw als kassamedewerkster bij supermarkt [D] B.V. bedraagt volgens de door haar overgelegde jaaropgave 2019 € 21.420,- per jaar. Rekening houdend met een kindgebonden budget, inclusief alleenstaande ouderkop, van € 6.354,- per jaar, en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, heeft de vrouw haar netto besteedbaar inkomen berekend op € 2.315,- per maand. De vrouw heeft haar draagkracht vervolgens aan de hand van de van toepassing zijnde formule voor 2020 (70% [NBI – (0,3 x NBI + 975)]) berekend op € 452,- per maand. De man heeft deze berekening, die als bijlage bij het verweerschrift is ingediend, niet betwist.

* De draagkracht van de man

5.4

Vast staat dat de man met ingang van 5 november 2019 is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP).

5.5

De omstandigheid dat de man is toegelaten tot de WSNP brengt met zich dat hij met ingang van 5 november 2019 niet langer meer de vrije beschikking heeft over zijn salaris. Sindsdien kan hij slechts beschikken over het op de voet van artikel 295 lid 2 Fw door de rechter-commissaris vastgestelde vtlb. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag van de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij de rechter-commissaris op de voet van artikel 295 lid 3 Fw aanleiding ziet dat bedrag bij beschikking te verhogen.

5.6

In het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen is, met betrekking tot de WSNP, de volgende aanbeveling opgenomen:

" In geval een onderhoudsplichtige is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (WSNP), bestaat voor de ouder de mogelijkheid om de rechter-commissaris te verzoeken bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag (VTLB) rekening te houden met de zorg- of onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. Onder omstandigheden mag van de onderhoudsplichtige ouder worden verwacht van deze mogelijkheid gebruik te maken, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Houdt de rechter-commissaris geen rekening met de zorg- of onderhoudsverplichting of is een toegekende correctie onvoldoende om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan wordt aanbevolen de te betalen bijdrage op nihil te bepalen, althans te verlagen, in ieder geval voor de duur van de schuldsanering."

5.7

In het rapport van het landelijk overlegorgaan van rechters- commissarissen in faillissementen (Recofa) is in artikel 5.6. 1 het volgende opgenomen, voor zover van belang: " 5.6.1 Door de schuldenaar te betalen kinderalimentatie

Is aan de schuldenaar in een rechterlijk vonnis of in een overeenkomst betreffende levensonderhoud een kinderalimentatieverplichting opgelegd, dan is daarmee de onderhoudsplicht van de schuldenaar gegeven. Deze verplichting loopt door gedurende de schuldsaneringsregeling. De alimentatie moet betaald worden uit het vtlb. Als de schuldenaar niet aan de betalingsverplichting voldoet ontstaat dus een nieuwe schuld.

Uitgangspunt is echter dat er in de schuldsanering geen draagkracht bestaat. Om die reden moet nihilstelling van de alimentatieplicht worden verzocht, met terugwerkende kracht ingaande de datum waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is geworden. De netto-kosten die met dit verzoek zijn gemoeid komen in principe ten laste van de boedel. De schuldenaar kan in verband met de te betalen kinderalimentatie de rechter-commissaris verzoeken bij schriftelijke beschikking het vtlb te verhogen met een in die beschikking vast te stellen nominaal bedrag. Alleen in uitzonderlijke gevallen – bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien - is ruimte voor een dergelijke correctie. (…)

5.8

De rechter-commissaris kan aan zijn beschikking voorwaarden verbinden (met name dat het bedrag van de verhoging ook werkelijk aan de alimentatiegerechtigde ouder wordt betaald) en terugwerkende kracht verlenen. "

5.9

Nu de totale behoefte van de kinderen € 1.836,- per maand bedraagt, en de totale draagkracht van de vrouw € 452,- per maand bedraagt, stelt de vrouw zich op het standpunt dat sprake is van een klemmend tekort in de behoefte van de kinderen. De vrouw is van mening dat van de man verwacht mag worden dat hij, met inachtneming van de bestreden beschikking, (opnieuw) de rechter-commissaris verzoekt om verhoging van het vtlb.

5.10

De vrouw heeft ook naar voren gebracht dat de opbouw van het vtlb vragen oproept. Voor haar is onder meer niet duidelijk waarom bij de berekening van de beslagvrije voet rekening is gehouden met een bedrag van € 228,- per maand betreffende kindgebonden budget en waarom het nominale bedrag is verhoogd met een bedrag van € 130,- per maand als "overige correctie", in verband met een co-ouderschap voor twee kinderen, drie dagen per week. Zij voert daartoe aan dat de jongste twee kinderen de ene week alleen van woensdag 14.00 uur tot 18.00 uur en de andere week van donderdagmiddag tot maandagochtend bij de man verblijven.

5.11

Uit de brief die namens de rechter-commissaris op 21 november 2019 is verstuurd aan de bewindvoerder van de man, komt naar voren dat bij het eerdere verzoek tot verhoging van het vtlb geen bijzondere omstandigheden naar voren zijn gebracht of gebleken die aanleiding zouden kunnen geven tot een verhoging van het vtlb. De advocaat van de man heeft zich ter zitting bereid verklaard opnieuw een verzoek tot verhoging van het vtlb te doen. Het hof is gelet op de stellingen van de vrouw dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien, en mede gelet op wat zij heeft gesteld over de opbouw van het vtlb, van oordeel dat van de man mag worden verwacht dat hij opnieuw een verzoek doet tot verhoging van het vtlb. Het hof zal de man opdragen om de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk opnieuw te verzoeken om bij het vtlb rekening te houden met een door hem te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen. De man dient deze tussenbeschikking bij dat verzoek te voegen.

5.12

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden in afwachting van de beslissing van de rechter-commissaris, welke beslissing het hof met inachtneming van alle omstandigheden van het geval zal nemen. De man dient uiterlijk 17 november 2020 zowel zijn aanvraag als de beslissing daarop van de rechter-commissaris in het geding te brengen, met kopie aan de vrouw, waarna beide partijen in de gelegenheid worden gesteld om tot uiterlijk 1 december 2020 schriftelijk (kort) op deze stukken te reageren. Bij deze reacties mogen geen nieuwe stukken meer in het geding worden gebracht. De zaak zal vervolgens schriftelijk worden afgedaan, tenzij het hof een nadere mondelinge behandeling wenselijk acht.

6 De beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

draagt de man op om de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk opnieuw te verzoeken om bij het vrij te laten bedrag rekening te houden met een door hem te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen;

bepaalt dat de man uiterlijk 17 november 2020 zowel zijn aanvraag als de beslissing daarop van de rechter-commissaris in het geding brengt, met kopie aan de vrouw, waarna beide partijen in de gelegenheid worden gesteld om tot uiterlijk 1 december 2020 schriftelijk (kort) op deze stukken te reageren, bij welke reacties géén nieuwe stukken meer in het geding mogen worden gebracht;

bepaalt dat de zaak vervolgens schriftelijk zal worden afgedaan, tenzij het hof een nadere mondelinge behandeling wenselijk acht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, J.G. Idsardi en B.J. Voerman, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 13 oktober 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature