< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verzoek op grond van artikel 4:194a BW om de zuivere aanvaarding van de nalatenschap alsnog om te zetten in een beneficiaire aanvaarding. Alle belanghebbenden moeten worden opgeroepen in de procedure. Verzoek toegewezen, want verzoekers behoefden niet op de hoogte te zijn van de schuld die na de zuivere aanvaarding van de nalatenschap alsnog is opgekomen.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.273.397

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7957636)

beschikking van 13 oktober 2020

inzake het hoger beroep in de procedure van

1 [verzoekster1] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: [verzoekster1],

2. [verzoeker2] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: [verzoeker2],

3. [verzoeker3] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: [verzoeker3],

4. [verzoekster4] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: [verzoekster4],

5. [verzoeker5] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: [verzoeker5],

6. [verzoeker6] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: [verzoeker6],

verzoekers in hoger beroep,

advocaat mr. M.J.J.M. van Roosmalen, advocaat te Emmen

tegen

1 [verweerder1] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: [verweerder1],

2. [verweerster2],

wonende te [B] ,

verder te noemen: [verweerster2],

verweerders in hoger beroep,

advocaat mr. V.S.A.W. Wegter, advocaat te Groningen.

1. Het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 3 februari 2020, met producties;

- het verweerschrift, ingekomen op 16 maart 2020, met producties;

- de brief van mr. Van Roosmalen van 12 augustus 2020 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum.

1.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 augustus 2020 plaatsgevonden. [verzoekster1] , [verzoeker2] , [verzoeker3] en [verzoeker5] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. [verweerster2] is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

2. De vaststaande feiten

2.1

Uit het huwelijk van [erflater] (verder te noemen: [erflater] ), overleden [in] 2010, en [erflaatster] (verder te noemen [erflaatster] ), overleden [in] 2018, zijn drie kinderen geboren, te weten [D] (verder te noemen [D] ), overleden [in] 2007, [verweerder1] en [verweerster2] .

2.2

[D] was gehuwd met [verzoekster1] . Uit hun huwelijk zijn zeven kinderen geboren, te weten de meerderjarigen [verzoeker2] , [verzoeker3] , [verzoekster4] , [verzoeker5] , [verzoeker6] en de minderjarigen [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ) en [de minderjarige2] (verder te noemen [de minderjarige2] ).

2.3

[erflater] , zijn broer [E] (verder te noemen: [E] ) en [D] hebben tot 24 juli 1997 gezamenlijk een landbouwbedrijf uitgeoefend in de vorm van een maatschap. Met ingang van die datum is de maatschap ontbonden en zijn alle onroerende en roerende zaken geleverd aan [D] , die het landbouwbedrijf heeft voortgezet. Daarbij is een overnamesom overeengekomen van f. 882.745,-, na verrekening in de maatschap voor f. 464.632,65 verschuldigd aan [erflater] en voor f. 472.644,65 aan [E] . De koopsom is omgezet in leningen. Op de leningen is in de loop van de jaren afgelost. In 2011 stond van de door [erflater] aan [D] verstrekte lening nog een bedrag open van € 145.094,-.

2.4

Op vordering van [erflaatster] heeft de toenmalige rechtbank Assen bij verstekvonnis van 3 augustus 2011 [verzoekster1] veroordeeld tot betaling aan [erflaatster] van het nog openstaande bedrag van de lening van € 145.094,-, te vermeerderen met wettelijke rente.

2.5

Ter uitvoering van dit vonnis heeft [verzoekster1] op 17 oktober 2011 € 145.094,- overgeboekt naar de bankrekening van [erflaatster] onder vermelding van ‘aflossing schuld overname boerderij’.

2.6

Op 2 november 2011 heeft [erflaatster] door middel van overboeking vanaf haar bankrekening [verweerder1] en [verweerster2] ieder een bedrag van € 72.547,- geschonken.

2.7

[erflater] en [erflaatster] hebben op 8 juli 1987 ieder een testament doen opmaken. De testamenten zijn inhoudelijk gelijkluidend en behelzen een ouderlijke boedelverdeling.

2.8

Op 24 juli 1997 hebben [erflater] en [erflaatster] ieder in aanvulling op het testament van 8 juli 1987 een gelijkluidend testament doen opmaken met de volgende inhoud:

"Onder in standhouding van de bepalingen van mijn testament op acht juli negentienhonderd zevenentachtig verleden voor O. Tammens, destijds notaris te Oosterhesselen, beschik ik nog als volgt:

A. Ik legateer, boven en naast hetgeen hij als erfgenaam uit mijn nalatenschap zal verkrijgen, aan mijn zoon [D] , geboren [in] negentienhonderd drieënzestig, mijn vordering wegens geldlening te zijnen laste, dan wel mijn aandeel in zodanige vordering, thans pro resto groot vierhonderdachttien duizend éénhonderdnegenenzestig gulden (f 418.169,00), dan wel het restant daarvan.

Voor het geval mijn genoemde zoon voor of tegelijk met mij mocht overlijden of geacht wordt tegelijk met mij te zijn overleden met achterlating van afstammelingen, maak ik voormeld legaat aan deze afstammelingen, staaksgewijs met toepassing van de wettelijke regels omtrent plaatsvervulling.

Ik stel mijn afstammelingen vrij van de verplichting tot inbreng van schenkingen in mijn nalatenschap, tenzij en voor zover bij enige schenking anders is bepaald."

2.9

Na het overlijden van [erflaatster] [in] 2018 hebben [verweerder1] en [verweerster2] haar nalatenschap zuiver aanvaard.

2.10

Bij brief van 29 april 2019 heeft mr. Van Roosmalen namens [verzoekster1] het volgende aan [verweerder1] en [verweerster2] medegedeeld:

"Mevrouw [verzoekster1] verzocht mij haar te adviseren over een betaling die zij in het verleden heeft gedaan. Naar aanleiding van het bestuderen van stukken ben ik van mening dat deze betaling onverschuldigd door haar is voldaan. Cliënte beroept zich dan ook op deze onverschuldigdheid van betaling en wenst de gelden terug te ontvangen.

Het gaat om het navolgende:

Cliënte heeft een betaling gedaan op 17-10-2011 aan haar schoonmoeder mevrouw [erflaatster] omdat deze verplichting was opgenomen in een geldleningsakte. Het gaat om een bedrag van € 145.094,- . Het betrof een schuld voor de overname van de boerderij door de op 3 augustus 2007 overleden echtgenoot van cliënte.

Gebleken is dat dit geld door schoonmoeder een paar dagen later op 2-11-2011 is geschonken aan ieder van u. U ontving een bedrag van € 50.000,- en € 22.547,-, in totaal ontving u dus ieder een bedrag van € 72.547,- .

Wat echter niet door schoonmoeder werd verteld is, dat in het testament van schoonvader - die in 2010 was overleden zoals u bekend is - een legaat was opgenomen. Althans hij heeft het testament dat hij eerder had opgesteld in stand gelaten maar aangevuld met een legaat. Zie bijlage .

Dit legaat hield in dat de vordering van schoonvader op zoon (de overleden echtgenoot van cliënte) aan hem werd verstrekt. Dit zou dan tot gevolg hebben dat de vordering kon worden verrekend en er niets was verschuldigd.

Op moment van betalen door cliënte was haar echtgenoot overleden maar er is uitdrukkelijk opgenomen in het testament dat het legaat overgaat naar de afstammelingen van vader, zijn kinderen. Deze kinderen kunnen zich dus op het legaat beroepen. Er was dientengevolge na het overlijden van de echtgenoot van cliënte geen schuld meer door verrekening en dientengevolge heeft cliënte een schuld voldaan die op moment van betaling niet meer bestond.

Dit betekent dat zij onverschuldigd heeft betaald en dat deze betaling moet worden teruggedraaid.

Schoonmoeder was executeur van haar echtgenoot en was dus degene die het testament op juiste wijze had moeten afwikkelen. Dit heeft zij niet gedaan. Zij heeft het legaat niet afgewikkeld en heeft ten onrechte cliënte aangesproken op betaling van een schuld die niet meer bestond.

Zij heeft de ontvangst van de gelden direct doorgegeven aan haar twee andere nog levende kinderen, aan u beiden. Zij was waarschijnlijk niet in staat deze schenkingen te doen als cliënte niet de betaling had verricht zoals verzocht.

Nu schoonmoeder inmiddels op 18 januari 2018 is overleden dient haar nalatenschap te worden afgewikkeld. U bent erfgenaam.

Ieder van u is dan ook aan te spreken op de terugbetaling van de gelden omdat de erfenis door ieder van u zuiver is aanvaard en cliënte dan ook ieder van u hoofdelijk kan aanspreken voor het gehele bedrag dat zij ten onrechte heeft voldaan. Ik verzoek cq sommeer u dan ook het bedrag van € 145.094,- te voldoen binnen één maand na heden op mijn derdenrekening (…).

Indien u niet betaalt dan bent u na verstrijken van deze maand in gebreke en staat het cliënte vrij om nadere maatregelen te nemen."

3. Het verzoek en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[verweerder1] en [verweerster2] hebben de kantonrechter verzocht hen machtiging te verlenen om de nalatenschap van [erflaatster] alsnog beneficiair te aanvaarden.

3.2

Bij beschikking van 4 november 2019 heeft de kantonrechter de gevraagde machtiging verleend. De kantonrechter heeft de vraag of [verweerder1] en [verweerster2] het bestaan van de vordering uit onverschuldigde betaling op de nalatenschap van [erflaatster] die [verzoekster1] stelt te hebben behoorden te kennen ontkennend beantwoord. Samengevat hadden [verweerder1] en [verweerster2] naar het oordeel van de kantonrechter kunnen weten dat [erflater] een geldlening had verstrekt aan [D] en dat de vordering uit geldlening was gelegateerd aan [D] en zijn afstammelingen. Voor werkelijke bekendheid met de schuld uit onverschuldigde betaling is echter ook vereist dat [verweerder1] en [verweerster2] ermee bekend waren dat de lening (onverplicht) door [verzoekster1] was afgelost. [verzoekster1] , [verzoeker2] , [verzoeker3] , [verzoekster4] , [verzoeker5] en [verzoeker6] hebben naar het oordeel van de kantonrechter geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [verweerder1] en [verweerster2] daarvan op de hoogte waren.

4. De beoordeling van het hoger beroep

Belanghebbenden

4.1

In eerste aanleg is naar aanleiding van het verzoek van [verweerder1] en [verweerster2] verweer gevoerd door [verzoekster1] , [verzoeker2] , [verzoeker3] , [verzoekster4] , [verzoeker5] en [verzoeker6] . Zij zijn ook van de beschikking van de kantonrechter in hoger beroep gekomen. De minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn in beide procedures -via hun wettelijke vertegenwoordiger- niet opgeroepen en verschenen. Dit had wel gemoeten, nu zij beiden ook schuldeisers zijn van de nalatenschap en dus als belanghebbenden dienen te worden aangemerkt.

Het hof heeft verder vastgesteld dat [verzoekster1] in deze procedure uitsluitend voor zichzelf is opgetreden en niet als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Ter zitting heeft [verzoekster1] echter aangegeven voor deze procedure eveneens als wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te kunnen worden aangemerkt. Omdat, zoals uit de verdere uitspraak zal blijken, de belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet worden geschaad, zal het hof om proceseconomische redenen afzien van het aanhouden van de procedure om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] alsnog te laten oproepen.

De grief

4.2

De grief van verzoekers richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat onvoldoende feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit blijkt dat [verweerder1] en [verweerster2] ervan op de hoogte waren, dan wel behoorden te zijn, dat de lening onverplicht door [verzoekster1] is afgelost. Volgens [verzoekster1] hadden [verweerder1] en [verweerster2] al bij het overlijden van [erflater] in 2010 onderzoek moeten doen en toen kunnen constateren dat er vanwege het legaat geen vordering meer was op haar. Verder was het bij [verweerder1] en [verweerster2] bekend dat er door [verzoekster1] betaald moest worden, omdat dat in familiekring was besproken en zij geld wilden zien. Dat kon alleen via de lening. Volgens [verzoekster1] heeft [erflaatster] destijds aan diverse mensen aangegeven dat zij niet zelf het geld wilde opeisen, maar dat zij zich gedwongen voelde door haar dochter.

4.3

Hoewel er vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de gegrondheid van de vordering van [verzoekster1] uit onverschuldigde betaling -zij heeft immers betaald op grond van een in rechte onaantastbaar geworden rechterlijke uitspraak-, heeft het hof er in het kader van de onderhavige procedure vanuit te gaan dat de erfgenamen van [erflaatster] met een dergelijke vordering kunnen worden geconfronteerd en dat zij door de zuivere aanvaarding van de nalatenschap van [erflaatster] het risico lopen met hun privévermogen aansprakelijk te zijn voor de betaling van die schuld.

4.4

De stelling dat [verweerder1] en [verweerster2] ten tijde van de zuivere aanvaarding van de nalatenschap op de hoogte hadden kunnen zijn van de vordering van [verzoekster1] , omdat zij in 2010 al hadden kunnen weten van het legaat, laat het hof in het midden. Het draait namelijk om de vraag of [verweerder1] en [verweerster2] hadden behoren te weten dat [verzoekster1] een bedrag onverschuldigd aan [erflaatster] heeft betaald, en dat zij dit bedrag uit dien hoofde van [erflaatster] , dan wel haar erfgenamen, zou kunnen terugvorderen.

4.5

Het hof beantwoord die vraag ontkennend. [verweerder1] en [verweerster2] hebben in hun verweerschrift ontkend dat zij op de hoogte waren van de invordering van de schuld door [erflaatster] en de procedure die daarover heeft gelopen. Zij hebben niet geweten dat, in weerwil van het in de testamenten genoemde legaat, de schuld is ingevorderd en dat [verzoekster1] tot betaling daarvan is overgegaan. Evenmin hebben zij geweten dat de daarop volgende schenkingen van [erflaatster] uit deze gelden afkomstig waren.

[verweerster2] heeft ter zitting bij het hof aanvullend verklaard dat zij door vader [erflater] en moeder [erflaatster] nooit bij financiële kwesties werden betrokken. Over de overdracht van de boerderij aan [D] en de voorwaarden waaronder dat is gebeurd, zijn zij niet geïnformeerd.

Verder heeft [verweerster2] verklaard dat [erflaatster] tot kort voor haar overlijden altijd zelf haar financiën heeft beheerd. Pas toen zij ziek werd heeft [verweerster2] de financiële zaken van haar overgenomen en de beschikking gekregen over de bankpas.

[verweerster2] heeft bevestigd dat, zoals [verweerder1] ter zitting van de kantonrechter op 7 oktober 2019 heeft verklaard, zij regelmatig schenkingen kregen van [erflaatster] . Zij wisten niet waar die schenkingen vandaan kwamen, dat regelde [erflaatster] allemaal zelf. Pas na het overlijden van [E] in 2019 heeft [verweerster2] het vonnis van de rechtbank Assen van 3 augustus 2011 in zijn nagelaten administratie aangetroffen. Eerder was zij hiervan niet op de hoogte.

Het hof heeft geen redenen om aan de verklaringen van [verweerster2] , die ter zitting een oprechte en geloofwaardige indruk maakte, te twijfelen.

[verweerder1] heeft ter zitting bij de kantonrechter verklaard te hebben geweten over een procedure die liep met betrekking tot achterstallig onderhoud. Uit zijn verklaring wordt niet duidelijk wanneer hij op de hoogte is geraakt van het feit dat in die procedure ook de terugbetaling van (een deel van) de lening aan de orde is geweest.

Tegen de achtergrond van een en ander heeft [verzoekster1] haar stellingen, ter zake waarvan zij geen bewijs heeft aangeboden, onvoldoende onderbouwd om doorslaggevende betekenis aan te kunnen toekennen.

4.6

De conclusie moet daarom zijn dat de grief niet slaagt. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter bekrachtigen.

4.7

Aangezien het een geschil betreft in de familiesfeer zal het hof de kosten van de procedure compenseren in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter van 4 november 2019;

compenseert de kosten in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, mr. O.E. Mulder en mr. C. Koopman, bijgestaan door de griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

13 oktober 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature