< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Letsel opgelopen in politiecel. Geen onrechtmatig handelen van de politie. Niet is komen vast te staan dat de politie in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht of een subjectief recht en evenmin dat de politie bij haar beroepsmatige handelen buiten de grenzen is getreden van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.241.852/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/198597)

arrest van 7 juli 2020

in de zaak van

1 [appellant] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante],

hierna: [appellante],

beiden wonende te [A] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. E.J. Bijl, kantoorhoudend te Deventer,

tegen

De Nationale Politie,

zetelende te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Politie,

advocaat: mr. A.T. Bolt, kantoorhoudend te Arnhem.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft in het tussenarrest van 11 juni 2019, waarvan de inhoud hier wordt overgenomen, een comparitie van partijen bepaald op 19 mei 2020. [appellanten] c.s. hebben het hof voorafgaand aan de geplande comparitie (bij H-formulier ingekomen op 4 mei 2020) verzocht, onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van

3 september 2019, toe te staan dat de camerabeelden genoemd in die beslissing zullen worden getoond tijdens een zitting in deze procedure. In verband met de maatregelen ter bestrijding van het Covid-19-virus (de corona-crisis) is die comparitie niet doorgegaan. Partijen hebben het hof daarop laten weten te kunnen instemmen met een schriftelijke afdoening van de zaak. De Politie is nog in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van [appellanten] c.s. om de camerabeelden te tonen. Dit heeft de Politie gedaan bij antwoord-akte van 19 mei 2020 Vervolgens hebben partijen aanvullend gefourneerd en is arrest bepaald door het hof.

2. De vaststaande feiten

2.1

Het hof stelt de volgende feiten vast. Voor zover [appellanten] c.s. in de memorie van grieven met het niet nader toegelichte standpunt dat de feiten in het vonnis van de rechtbank voor het overige onjuist en onvolledig zijn (onder nr. 8), hebben beoogd te grieven tegen de feiten, hebben zij daarbij dan ook geen belang meer.

2.2

Op dinsdag 4 mei 2010 om 18.34 uur heeft [appellante] gebeld met de politiemeldkamer met het verzoek om naar haar woning te komen, omdat een levensbedreigende situatie was ontstaan door de overspannen toestand van haar man [appellant] . [appellant] ging door het lint en zou zijn jongste zoon iets hebben willen aandoen.

2.3

De twee agenten, J [B] en [C] , die ter plaatse arriveerden hoorden van de buurman van [appellant] , [D] , dat [appellant] vanaf 17:00 uur liep te schreeuwen en zijn zoon had aangevallen. De agenten zijn vervolgens de woning van [appellant] binnen gegaan.

2.4

In de woning troffen de agenten [appellante] , [appellant] en zijn (destijds 17-jarige) zoon aan. [appellant] lag liggend op de bank in de woonkamer. [appellant] gedroeg zich agressief en recalcitrant en besloten werd om [appellant] in het kader van artikel 2 Politiewet (hulpverlening) mee naar het bureau te nemen. De agenten hebben [appellant] daartoe geboeid.

2.5

Om 19:14 uur werd [appellant] ingesloten in een zogenaamde Riagg-cel. Via de camera die in de betreffende cel hing, werd [appellant] door de agenten in de gaten gehouden. Van het opgenomen beeldmateriaal is door de Rijksrecherche een proces-verbaal d.d. 15 juni 2010 opgemaakt.

2.6

[appellant] is omstreeks 21:45 uur door GGD-arts [E] (hierna: de GGD-arts) bezocht in zijn cel. Ter beveiliging van de GGD-arts zijn twee arrestantenverzorgers met hem mee de cel ingegaan. De GGD-arts heeft vastgesteld dat [appellant] op dat moment nog geen hoofdwond had. Tijdens het onderzoek schopte [appellant] de GGD-arts in het kruis, waarop de aanwezige agenten [appellant] onder controle probeerden te krijgen. Op het moment dat de GGD-arts de cel uit wilde lopen greep [appellant] hem bij zijn benen, waarop opnieuw een worsteling is ontstaan.

2.7

Na het verlaten van de cel heeft de GGD-arts rond 22:00 uur contact opgenomen met de crisisdienst Dimence te Deventer. De GGD-arts heeft gesproken met sociaal psychiatrisch verpleegkundige [F] (hierna: de verpleegkundige) en haar verzocht om naar het politiebureau te komen om [appellant] te beoordelen.

2.8

Om ongeveer 22:30 uur arriveerde de verpleegkundige op het politiebureau. Na het zien van de camerabeelden en overleg met de GGD-arts, heeft zij de dienstdoende psychiater bij de crisisdienst [G] (hierna: de psychiater) gebeld om te komen zodat zij samen een (IBS-)beoordeling van [appellant] konden doen.

2.9

Blijkens camerabeelden heeft [appellant] zich tussen 22:20 uur en 23:03 uur meerdere keren tegen de celdeur en -wand aangegooid.

2.10

De psychiater arriveerde rond 23:30 uur. De psychiater heeft overlegd met de verpleegkundige en heeft de camerabeelden bekeken, alvorens hij met agenten en arrestantenverzorgers naar de cel van [appellant] ging. Aldaar heeft de psychiater omstreeks 23:33 uur via het geopende observatieluikje meerdere malen geprobeerd om contact met [appellant] te maken, maar dat is niet gelukt. [appellant] heeft met zijn arm een grijpende beweging gemaakt door het observatieluikje waar de psychiater achterstond.

2.11

[appellant] wierp zich vervolgens herhaaldelijk met zijn hoofd en lichaam tegen de celdeur en -wand.

2.12

De psychiater heeft te kennen gegeven dat [appellant] ter bescherming van zich zelf en met het oog op noodzakelijk onderzoek en de toediening van medicatie, gefixeerd moest worden.

2.13

Na overleg over de wijze waarop [appellant] onder controle gebracht kon worden en het treffen van de nodige voorbereidingen, zijn de agenten om 00:13 uur de cel binnen gegaan om [appellant] door middel van de zogenaamde schildprocedure te fixeren.

2.14

Tijdens de fixatie is de GGD-arts erbij gehaald om een forse hoofdwond van [appellant] te onderzoeken. De GGD-arts vond dat de wond niet verzorgd hoefde te worden. Hij maakte zich wel zorgen over eventuele schade aan de hersenen van [appellant] . Toen de GGD-arts de wond beoordeelde, was [appellant] nog steeds heel erg onrustig. Hij werd in bedwang gehouden en geboeid. Nadat de GGD-arts de wond had gezien gingen de agenten verder met het boeien van de armen en benen van [appellant] .

2.15

Vlak voordat de verpleegkundige klaar stond om [appellant] door middel van een injectie Promethazine toe te dienen, werd geconstateerd dat [appellant] het verzet staakte. De GGD-arts heeft [appellant] pijnprikkels gegeven waarop hij niet reageerde. Het schild werd van [appellant] afgehaald zodat de GGD-arts [appellant] nader kon onderzoeken. Vervolgens constateerde de GGD-arts dat [appellant] geen hartslag meer had. Daarop is men met reanimatie begonnen.

2.16

[appellant] is vervolgens met de ambulance afgevoerd richting het Deventer Ziekenhuis. Hij is opgenomen op de Intensive Care en daar in een kunstmatige coma gehouden. Op 12 mei 2010 is acute letale katatonie bij [appellant] vastgesteld. In 2012 zijn bij hem blijvende cognitieve stoornissen vastgesteld. In zijn huidige toestand is [appellant] grotendeels aangewezen op dagopvang of zorg door [appellante] .

2.17

Bij brief van 21 oktober 2014 is de Politie door [appellant] aansprakelijk gesteld voor alle als gevolg van het gebeuren op 4 en 5 mei 2010 door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. De Politie heeft aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg kort samengevat gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de Politie volledig aansprakelijk is voor de schade die [appellant] en [appellante] , deze laatste ex artikel 6:107 BW , hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van het in de dagvaarding omschreven onrechtmatig handelen door de Politie, althans door medewerkers van de Politie, op 4 en 5 mei 2010, en de Politie te veroordelen tot vergoeding van alle door [appellanten] c.s. geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW van af 5 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de Politie te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

De rechtbank heeft bij vonnis van 21 maart 2018 geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de Politie in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht of een subjectief recht, terwijl evenmin is gebleken dat de Politie bij haar beroepsmatige handelen in de omstandigheden van die geval en rekening houdend met de voor haar geldende wet- en regelgeving buiten de grenzen is getreden van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. In het verlengde daarvan heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] c.s. afgewezen en [appellanten] c.s. in de proceskosten veroordeeld.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

Het gaat in deze zaak om een civiele procedure van [appellanten] c.s. tegen de Politie tot het krijgen van schadevergoeding. De vorderingen van [appellanten] c.s. zijn gebaseerd op het handelen van de Politie in de avond van 4 mei 2010 en de daarop volgende nacht. [appellanten] c.s. stellen dat [appellant] door het handelen van de Politie blijvend letsel heeft opgelopen en dat ook [appellante] daarvan de gevolgen ondervindt. In de kern houdt het verwijt aan de Politie in dat, terwijl sprake was van een acute (levens)bedreigende situatie voor [appellant] , zij niet adequaat heeft gehandeld en niet tijdig heeft ingegrepen. [appellanten] c.s. wijzen daarbij verschillende momenten aan waarop de Politie anders had kunnen en moeten handelen, te weten: (1) het vervoer van [appellant] per politieauto naar het politiebureau in Deventer, (2) de insluiting van [appellant] in een politiecel, (3) maatregelen en optreden tegen zelfverwonding en (4) de toepassing van de schildprocedure.

4.2

De rechtbank heeft geconcludeerd dat de Politie op geen van de vier hiervoor genoemde momenten rechtens een verwijt valt te maken. [appellanten] c.s. hebben in hoger beroep zes grieven geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank. Door [appellanten] c.s. zijn geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Politie in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat geen andere mogelijkheid openstond dan [appellant] tegen zijn wil in een politieauto te plaatsen en over te brengen naar het politiebureau, zodat van daaruit zo nodig doorplaatsing naar de juiste voorziening kon worden geregeld. Het handelen van de Politie op dit punt ligt dan ook niet meer ter beoordeling voor in hoger beroep.

4.3

Alvorens de grieven te beoordelen zal het hof eerst het verzoek van [appellanten] c.s. tot het bekijken van de camerabeelden die zijn gemaakt van het verblijf van [appellant] in de politiecel, beoordelen.

Verzoek tonen camerabeelden

4.4

[appellanten] c.s. hebben ter toelichting op dit verzoek aangevoerd, zo begrijpt het hof uit de memorie van grieven onder nr. 19, dat de camerabeelden van belang zijn voor het antwoord op de vraag hoe vaak [appellant] zich precies met zijn hoofd tegen de celdeur en –wand heeft geworpen, op welk moment ingrijpen door de Politie geïndiceerd was en of de Politie al hetgeen heeft gedaan wat van haar kon worden verwacht. Verder is het verzoek door [appellanten] c.s. niet nader onderbouwd.

4.5

Het hof wijst het verzoek van [appellanten] c.s. af en overweegt daartoe als volgt.

4.6

Het gerechtshof Den Haag heeft in zijn arrest van 3 september 2019 geoordeeld dat [appellanten] c.s. een rechtmatig belang hebben bij de camerabeelden in de zin van artikel 843a lid l Rv, omdat [appellanten] c.s. gemotiveerd hebben gesteld dat er op de beelden meer te zien is dan

beschreven in het rapport van de Rijksrecherche. Het oordeel van het gerechtshof Den Haag betrof de vraag of [appellanten] c.s. recht hebben op verstrekking van de camerabeelden. Die vraag heeft het gerechtshof Den Haag bevestigend beantwoord. Het is vervolgens aan dit hof om te bepalen of het voor de beoordeling van de vordering van [appellanten] c.s. daadwerkelijk noodzakelijk is de camerabeelden te bekijken. Dit is ook met zoveel woorden overwogen door het gerechtshof Den Haag in genoemd arrest. De processtukken van de procedure bij de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag, zijn niet ingebracht in deze procedure, zodat het hof daarvan geen kennis heeft genomen

4.7

Het hof acht het bekijken van de camerabeelden niet noodzakelijk voor de beoordeling van de vorderingen van [appellanten] c.s. Door de Rijksrecherche (de heer [H] ) is op

15 juni 2010 een proces-verbaal opgemaakt waarbij de beelden van camera 13 (bevestigd in het plafond van cel 17) en camera 15 (zicht hebbende op het portaal vóór cel 17) zijn omschreven en verwerkt in een schema. Het betreft een gedetailleerd schema waarin nauwkeurig is omschreven wat er in cel 17 gebeurt en hoe [appellant] zich gedraagt. [appellanten] c.s. hebben op geen enkele wijze toegelicht wat er meer is te zien op de camerabeelden dan in het schema staat en waarom dit voor de beoordeling van hun vorderingen van belang is. [appellanten] c.s. hebben zelf al de gelegenheid gehad om de camerabeelden te bekijken en hebben dat ook gedaan. Op basis daarvan hadden zij concreet kunnen aangeven in hoeverre de camerabeelden afwijken van de beschrijving in het proces-verbaal en waarom dit relevant is voor de beoordeling. Dit had ook van [appellanten] c.s. verwacht mogen worden ter onderbouwing van het verzoek, maar [appellanten] c.s. hebben dit nagelaten. Naar het oordeel van het hof voegt het bekijken van de camerabeelden, die volgens de Politie ook nog eens - als gevolg van een overzetting - incompleet en niet chronologisch in tijd zijn, bij deze stand van zaken niets toe aan de (completere) gedetailleerde beschrijving van de beelden. Het horen van de heer [H] als getuigen wordt om dezelfde reden verworpen door het hof.

De grieven

4.8

Het hof komt nu toe aan de beoordeling van de grieven. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de Politie rechtens geen verwijt valt te maken wat betreft de insluiting van [appellant] in een politiecel, wat betreft het aanvankelijk niet-optreden tegen de zelfverwonding toen deze gaande was en wat betreft de schildprocedure. Daarbij richten de grieven zich tegen de volgende overwegingen van de rechtbank: de Politie heeft niet gevaarzettend gehandeld door [appellant] in te sluiten en ingesloten te houden, de Politie heeft niet eerder hoeven ingrijpen (vanwege automutilerend gedrag) dan na het verzoek daartoe van de psychiater, [appellant] is binnen een redelijke termijn gefixeerd, de Politie heeft de schildprocedure juist uitgevoerd en er niet is gebleken dat de Politie meer of anders had kunnen doen dan zijn heeft gedaan. Het hof zal de grieven van [appellanten] c.s. gezamenlijk beoordelen aan de hand van de verschillende tijdsblokken.

- insluiting in politiecel (19:14 uur)

4.9

[appellant] is na aankomst op het politiebureau om 19:14 uur ingesloten in een politiecel.

4.10

[appellanten] c.s. verwijten de Politie dat zij ondanks de rechtmatigheid van de insluiting in een politiecel, daartoe niet kon besluiten in verband met de toestand van [appellant] . De toestand van [appellant] noopte tot het verder ingrijpen dan plaatsing in een Riagg-cel. [appellanten] c.s. voeren daartoe aan dat de Politie, gelet op de mededeling van buurman [D] , bekend was met het psychiatrisch verleden van [appellant] , dat de dochter van [appellant] de Politie had medegedeeld dat [appellant] zich die middag meermaals op zijn achterhoofd had laten vallen en dat [appellant] zichtbaar afwijkend gedrag vertoonde.

4.11

Het gedrag van [appellant] was weliswaar afwijkend en agressief, maar [appellant] vertoonde geen gedrag waaruit kon worden afgeleid dat hij zichzelf zou verwonden. [appellant] had op dat moment ook geen zelf toegebracht letsel. In dit licht zijn de mededelingen van buurman [D] en de dochter van [appellant] niet zodanig dat het de Politie kenbaar had moeten zijn dat [appellant] zich zelf letsel zou gaan toebrengen in een politiecel. Gelet hierop kon de politie tot insluiting van [appellant] in een politiecel overgaan. In verband met de toestand van [appellant] is daarbij gekozen voor een zogenaamde Riagg-cel. Een minimaal ingerichte cel voorzien van camerabewaking, waardoor een dergelijke cel geschikt is voor mensen die afwijkend en agressief gedrag vertonen, zoals bij [appellant] . [appellant] kon daarbij door middel van de camerabewaking in de gaten worden gehouden. Van gevaarzetting door de Politie als gevolg van de insluiting was geen sprake.

4.12

Het bewijsaanbod van [appellanten] c.s. om de agenten [B] en [C] als getuigen ter zake de aanhouding en overbrenging van [appellant] te horen, is gelet hierop onvoldoende specifiek. Niet duidelijk is over welke feiten, die voor de beslissing van de zaak van belang kunnen zijn, zij kunnen verklaren.

- insluiting politiecel en komst GGD-arts (19:14 – 21:45 uur)

4.13

Vanaf het moment van insluiting van [appellant] om 19:14 uur in de Riagg-cel tot vlak voor de komst van de GGD-arts om 21:45 heeft [appellant] zich niet agressief of bijzonder afwijkend gedragen. Dat dit anders zou zijn wordt ook niet door [appellanten] c.s. aangevoerd. Eenmaal, om 21:41 uur, en dus vlak voor de komst van de GGD-arts, heeft [appellant] zich met zijn hoofd langs de celdeur op de grond laten vallen, zo volgt uit de beschrijving van de camerabeelden. Vervolgens heeft de GGD-arts [appellant] om 21:45 uur bezocht in zijn cel en geen verwondingen bij [appellant] geconstateerd/waargenomen, behoudens zijn bebloede handen. Het bezoek van de GGD-arts zelf leidde wel tot agressief gedrag van [appellant] . [appellant] heeft de GGD-arts in zijn kruis geschopt en later bij zijn benen gegrepen, maar nadat de GGD-arts de cel had verlaten werd [appellant] weer rustig.

4.14

Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat in de periode tot de komst van de GGD-arts het gedrag van [appellant] zodanig was dat de Politie had moeten ingrijpen. [appellant] vertoonde immers geen zelfdestructief of automutilerend gedrag en de GGD-arts constateerde dat [appellant] niet gewond was. Het eenmaal laten vallen is niet zodanig dat voor de Politie kenbaar was dat [appellant] ernstig zelfdestructief gedrag zou gaan vertonen en had moeten ingrijpen.

4.15

[appellanten] c.s. voeren verder nog aan dat [appellant] zich tijdens het bezoek door de GGD-arts achterover op zijn hoofd heeft laten vallen. Dit had een aanwijzing moeten zijn voor de Politie dat ingrijpen geboden was, zo begrijpt het hof het standpunt van [appellanten] c.s. [appellanten] c.s. verwijzen daartoe naar de verklaring van hoofdagent [I] . [appellant] c.s. gaan evenwel voorbij aan de overige verklaringen. Brigadier [J] die op dat moment ook in de cel was heeft op dit punt verklaard dat, nadat [appellant] de GGD-arts in zijn kruis had geschopt, “ [K] op [appellant] dook. [appellant] viel daarbij op zijn rug op de grond.” Senior arrestantenverzorger [K] heeft verklaard dat nadat [appellant] de GGD-arts in zijn kruis had geschopt: “We zijn toen direct er tussen gesprongen en daarop pakte die man, als een rugby speler, de arts om zijn benen.” Uit de verschillende verklaringen in onderlinge samenhang beoordeeld kan worden afgeleid dat er een worsteling is ontstaan om de GGD-arts te ontzetten waarbij [appellant] is gevallen, maar of [appellant] zich bewust op zijn hoofd heeft laten vallen of dat dit een gevolg was van de worsteling blijft

onduidelijk. Wat daar ook van zij, het enkele feit dat [appellant] op dat moment op zijn hoofd viel, al dan niet bewust, hoefde voor de Politie geen aanwijzing te zijn dat [appellant] zich zelf zou gaan verwonden en dat ingrijpen geboden was.

4.16

Door [appellanten] c.s. is verder gewezen op het feit dat het als gevolg van miscommunicatie het ruim twee uur heeft geduurd voordat er een arts kwam. Dat er miscommunicatie is geweest over de komst van de GGD-arts is duidelijk, maar tegen de achtergrond van het vorenstaande kan niet worden vastgesteld dat dit nadelige gevolgen heeft gehad voor [appellant] . Tot de komst van de GGD-arts was [appellant] immers rustig.

- GGD-arts – komst psychiater (21:45 uur- 23:30 uur)

4.17

Direct nadat de GGD-arts de cel van [appellant] had verlaten heeft hij contact opgenomen met de crisisdienst Dimence. [appellant] was op dat moment rustig en vertoonde geen destructief gedrag. Om 22:20 uur veranderde de situatie. Vanaf dat moment, zo volgt uit de beschrijving van de camerabeelden in het proces-verbaal, begon [appellant] zich anders te gedragen. Volgens de beschrijving gooide [appellant] zich onder andere meerdere keren (om 22:20 uur, om 22:43 uur, om 22:54 uur en om 23:03 uur) met zijn lichaam tegen de celdeur. Op de beelden is daarbij niet altijd het hoofd van [appellant] te zien zodat daaruit niet afgeleid kan worden dat [appellant] zijn hoofd verwondde. Wel volgt uit de beschrijving van de beelden dat er op dat moment vermoedelijk wondjes op zijn hoofd zijn ontstaan. Dit gedrag van [appellant] duurde tot 23:03 uur. Vanaf 23:03 uur, zo volgt uit de beschrijving van de camerabeelden, houdt [appellant] zich weer rustig. Van 23:19 uur is volgens de beschrijving van de camerabeelden te zien dat [appellant] zich afzet tegen de celmuur waarbij niet goed te zien is of hij tegen de celdeur aanloopt. Om 23:29 uur laat [appellant] zich langs de celdeur naar beneden glijden en valt met zijn gezicht op de grond.

4.18

Toen de situatie om 22:20 uur veranderde was Dimence al ingeschakeld en de verpleegkundige was onderweg. Onder die omstandigheden kon de Politie de komst van de verpleegkundige, ook al gooide [appellant] zich tegen de celdeur, afwachten. Op dat moment was nog geen sprake van ernstig destructief gedrag van [appellant] . De verpleegkundige heeft nadat zij op het politiebureau was gearriveerd de camerabeelden bekeken en, na overleg met de GGD-arts, de dienstdoende psychiater gebeld om te komen, zodat een IBS-aanvraag kon worden gedaan. Terwijl werd gewacht op de komst van de psychiater staakte [appellant] zijn gedrag en hield zich rustig.

4.19

Gelet op de omstandigheden dat [appellant] vanaf 23:03 weer rustig werd, hij zich tot die tijd met tussenpozen tegen de celdeur had aangegooid en geen zichtbare ernstige verwondingen had, de crisisdienst inmiddels was ingeschakeld en de verpleegkundige aanwezig was, kan niet worden geoordeeld dat de Politie anders had moeten handelen dan zij heeft gedaan. Zij kon de komst van de psychiater afwachten.

- psychiater – binnengaan cel [appellant] en schildprocedure (23:30 uur – 00:13 uur)

4.20

De psychiater heeft na zijn aankomst op het politiebureau de camerabeelden bekeken en vervolgens heeft hij via het observatieluikje getracht contact te maken met [appellant] . [appellant] heeft daarbij getracht de psychiater te “grijpen” door zijn hand door het observatieluikje te steken. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat [appellant] vanaf 23:33 uur, dus vanaf de komst van de psychiater, in totaal negen keer in volle vaart en zonder bescherming van handen vol met zijn hoofd tegen de celdeur aanduikt en ontstonden zichtbare en bloedende hoofdwonden. De psychiater geeft aan dat [appellant] gefixeerd dient te worden ter bescherming van zichzelf, dat hij onderzocht kan worden en hem medicatie kan worden toegediend. De Politie is daarop gestart met de voorbereiding om [appellant] onder controle te krijgen met de schildprocedure, door deze procedure eerst te oefenen. Om 23:45 uur werden matrassen in een naastgelegen cel gelegd om daarin [appellant] vervolgens op te vangen.

4.21

Het hof is van oordeel dat de Politie, nadat duidelijk was dat ingegrepen moest worden en de psychiater daar ook om verzocht, direct de noodzakelijke voorbereidingen heeft getroffen. Dat met het treffen van de noodzakelijke voorbereidingen om [appellant] te fixeren is gewacht totdat een wisseling van de wacht, die rond 23:00 uur was, had plaatsgevonden, zoals [appellanten] c.s. stellen, volgt niet uit het feitenrelaas. Rond 23:00 uur was er immers nog geen aanleiding om in te grijpen, die noodzaak ontstond pas rond 23:30 uur met de komst van de psychiater en het ernstige destructieve gedrag van [appellant] . Dat de dienstwisseling anderszins van invloed is geweest op het handelen van de Politie is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat de voorbereidingen voor de schildprocedure niet binnen een redelijk tijdsbestek zijn afgerond en tot uitvoering van de schildprocedure is overgegaan. Gelet op de gegeven situatie kan niet worden gezegd dat de Politie geen juiste afweging heeft gemaakt tussen de noodzaak tot ingrijpen en de eigen veiligheidsbelangen van de Politie. Uit het verloop van de avond volgt dat men te maken had met een grote en agressieve man die mede als gevolg van zijn psychische toestand over ongekende krachten beschikte. Eerder die avond had [appellant] de GGD-arts aangevallen en er waren drie agenten nodig om hem te ontzetten. De GGD-arts verklaart hierover “Ik wist immers uit eigen ervaring hoe moeilijk gevaarlijk die man was en hoe sterk hij was. Hij beschikte over oerkrachten”. Van [J] , [K] en [I] verklaren in soortgelijke zin. Ook had [appellant] getracht de psychiater te grijpen. Ter bescherming van zowel [appellant] als de betrokken politieagenten moest de procedure zorgvuldig worden uitgevoerd. Dat de voorbereidingen daarvoor ongeveer een half uur hebben geduurd is redelijk. In dit kader is ook voor het hof de verklaring van de psychiater en de verpleegkundige Wichers van belang, overlegd in eerste aanleg als productie 10. Zij hebben kort gezegd verklaard dat de Politie de tijd vanaf 23:30 uur zo effectief en adequaat mogelijk heeft benut.

4.22

De door [appellanten] c.s. in eerste aanleg overgelegde verklaring van de heer [L] , verzekeringsarts RGA bij MediThemis, van 6 november 2017 leidt niet tot een ander oordeel. Door [appellanten] c.s. wordt ter onderbouwing verwezen naar de volgende passages in de verklaring: “Voor mij staat vast dat na opname in de cel (expliciet na het begin van het automutilerend gedrag) feitelijk iedere seconde is gaan tellen” en “Als u stelt dat de periode tussen aanvang “zeer ernstige katatone verschijnselen” en het uitvoeren van een schildprocedure (met kans op toegang tot medische zorg) uiteindelijk ruim 2 uur in beslag heeft genomen, dan is de kans tot het optreden van blijvende restverschijnselen daarmede onweerlegbaar zeer aanzienlijk groot.”. In de verklaring wordt aangegeven dat met name het begin van het automutilerend gedrag van belang is. Maar juist toen het gedrag van [appellant] ernstig werd, in die zin dat hij verwondingen aan zijn hoofd kreeg, is direct begonnen met de voorbereidingen om in te grijpen. Het uitvoeren van de schildprocedure heeft anders dan [L] schrijft niet ruim twee uur in beslag genomen maar ruim een half uur. De verklaring van [L] leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

- uitvoeren schildprocedure (00:13 uur)

4.23

Om 00:13 uur is de Politie de cel van [appellant] binnengaan en is de schildprocedure uitgevoerd. De meldkamer is om 00:22 uur verzocht om een ambulance te sturen in verband met de verwondingen van [appellant] . De meldkamer heeft om 00:23 uur de ambulance verzocht met spoed te komen. Rond 00:24 uur heeft de GGD-arts geconstateerd dat [appellant] geen hartslag meer had, waarna is gestart met reanimatie.

4.24

In hoger beroep voeren [appellanten] c.s. aan dat de schildprocedure in dit geval ongeschikt was voor fixatie, gelet op de toestand waarin [appellant] verkeerde. Kennelijk stellen [appellanten] c.s. zich op het standpunt dat [appellant] leed aan een opwindingsdelier.

4.25

Op geen enkele wijze is komen vast te staan dat [appellant] leed aan een opwindingsdelier. Door [appellanten] c.s. is verder ook niet aangevoerd hoe [appellant] dan gefixeerd had moeten worden, terwijl ook [appellanten] c.s. van mening zijn dát [appellant] gefixeerd moest worden. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de Politie in redelijkheid kon kiezen voor toepassing van de schildprocedure. [appellanten] c.s. handhaven in hoger beroep, zo begrijpt het hof uit de verwijzing naar de nrs. 59 tot en met 62 in de conclusie van repliek, hun standpunt dat de schildprocedure niet juist is uitgevoerd, maar voegen daar in hoger beroep niets aan toe. Uit de enkele verwijzing naar de verklaringen van de betrokken agenten valt niet af te leiden, zonder nadere toelichting die ontbreekt, dat de Politie de schildprocedure niet naar behoren heeft uitgevoerd. Dat de schildprocedure niet op juiste wijze en met de nodige zorgvuldigheid is uitgevoerd, is dan ook niet gebleken.

Conclusie

4.26

Uit het vorenstaande volgt dat de Politie niet gevaarzettend heeft gehandeld door [appellant] bij aankomst op het politiebureau op te sluiten in een politiecel maar ook niet door [appellant] in de politiecel te houden tot 00:13 uur. De Politie heeft na insluiting, conform het Protocol Insluiting IJsselland, een GGD-arts ingeschakeld om te beoordelen hoe het verder moest. Die GGD-arts liet weliswaar lang op zich wachten, maar dit heeft geen nadelige gevolgen gehad voor [appellant] omdat [appellant] zich gedurende die periode rustig gedroeg. De GGD-arts heeft vervolgens de crisisdienst ingeschakeld. Toen het gedrag van [appellant] rond 23:30 uur zodanig zelfdestructief werd en de inmiddels aanwezige psychiater om 23:33 uur verzocht om in te grijpen, is de Politie - met achtneming van alle belangen - binnen een redelijk tijdsbestek daartoe overgegaan. Dat de uitvoering van de schildprocedure niet juist is geweest of dat in redelijkheid niet voor deze inventiemethode gekozen had kunnen worden, is niet gebleken. De Politie had gezien de omstandigheden van het geval in redelijkheid ook niet eerder hoeven ingrijpen of tot actie hoeven overgaan dat nadat zij de instructie daartoe van de psychiater kreeg. Daarvoor was geen sprake van een acute (levens)bedreigende situatie die ingrijpen noodzakelijk maakte. Van een handelen door de Politie in strijd met een wettelijke plicht of een subjectief recht is niet gebleken terwijl evenmin is gebleken dat de Politie buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden, in de omstandigheden van dit geval. De grieven falen dan ook.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Politie zullen worden vastgesteld op: griffierecht € 726,- en salaris advocaat € 1.611,- (1,5 punt maal tarief II € 1.074).

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel locatie Zwolle van 21 maart 2018;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Politie vastgesteld op € 726,- voor verschotten en op € 1.611,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt [appellanten] c.s. in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellanten] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening.

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, I. Tubben en I.F. Clement en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

7 juli 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature