< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aansprakelijkheid notaris.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.248.653/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 6686343)

arrest van 19 mei 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.R. Vlieger, kantoorhoudend te Hilversum,

tegen

N.V. Notariskantoor Van Ligten & Van Ligten,

gevestigd te Hilversum,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: het notariskantoor of de notaris,

advocaat: mr. A.A.M. Zeeman, kantoorhoudend te Voorburg.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 mei 2019 hier over. In dat arrest is een comparitie van partijen bepaald. De comparitie heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Na afloop van de comparitie hebben partijen arrest gevraagd. Het hof heeft arrest bepaald op het door [appellant] overgelegde procesdossier aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie en aangevuld met de door [appellant] op verzoek van het hof toegestuurde stukken. Het betreft hier de pagina’s 9 en 14 van de memorie van grieven. Na de comparitie heeft mr. Vlieger namens [appellant] in haar brief van

16 maart 2020 één enkele opmerking gemaakt over het proces-verbaal van de zitting. Voor zover van belang voor de beslissing zal het hof die opmerkingen bij de beoordeling betrekken en daaraan aandacht besteden.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.2

[appellant] heeft met zijn toenmalige partner, [B] , op 5 juli 2016 een schriftelijke koopovereenkomst gesloten voor de koop van het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitende gebruik van de woning aan de [a-straat] 313 in [C] . Verkoper was de heer [D] (hierna: [D] ). De koopovereenkomst is door (een medewerker) van Van Ligten & Van Ligten (hierna: het notariskantoor of de notaris) opgesteld.

De koopovereenkomst is op het notariskantoor ondertekend.

2.3

Bij de aankoop hebben [appellant] en [B] zich laten bijstaan door een financieel adviseur, de heer [E] van H & G Advies (hierna: [E] ). H & G Advies heeft het notariskantoor, na ontvangst van een offerte van 1 juni 2016, ingeschakeld en het notariskantoor heeft H & G Advies om de noodzakelijke informatie voor het opstellen van de koopovereenkomst verzocht ( e-mail 1 juni 2016), waaronder “datum ontbindende voorwaarde bij niet verkrijging financiering”.

2.4

Artikel 7 van de koopovereenkomst luidt – voor zover van belang – als volgt:

“De Koop geschiedt onder de ontbindende voorwaarde(n), dat:

a. Koper niet uiterlijk op 2 augustus 2016 een toezegging waaraan geen voorwaarden zijn verbonden waaraan nog niet is voldaan heeft verkregen van een kredietinstelling of een verzekeringsbedrijf (…), na te melden hoofdsom niet te boven gaande – tot een hoofdsom gelijk aan de koopsom te vermeerderen met de gebruikelijke bijkomende kosten koper (102%) , onder de voorwaarden en bepalingen die bij de hiervoor bedoelde erkende en geldverstrekkende instellingen gebruikelijk zijn en Koper tevens uiterlijk op de eerste werkdag na laatstgemelde datum schriftelijk en gedocumenteerd met tenminste twee afwijzingen van twee hiervoor bedoelde erkende en geldverstrekkende instellingen, aan Verkoper en aan de Notaris heeft verklaard, dat hij wegens het niet of niet tijdig verkrijgen van voormelde toezegging(en), de Koop wil ontbinden; en/of”

2.5

[D] heeft op verzoek van [appellant] (e-mail 8 augustus 2016) de termijn waarbinnen de ontbindende voorwaarde kan worden ingeroepen verlengd (e-mail 9 augustus 2016).

2.6

Bij e-mail van 18 augustus 2016 heeft [appellant] het notariskantoor en [D] laten weten de ontbindende voorwaarde in te roepen. Bij deze e-mail was één afwijzing van een erkende en geldverstrekkende instelling gevoegd ( Hypotrust ). De tekst van de e-mail was opgesteld door H & G Advies.

2.7

Hierop heeft [D] bij e-mail van 22 augustus 2016 het navolgende aan [appellant] en het notariskantoor geschreven:

“Hierbij kunnen wij geen akkoord geven om te ontbindende voorwaarden omtrent de verkoop van de [a-straat] 313 in te trekken. Aangezien er te weinig aantoonbaar bewijs is dat er twee aanvragen zijn afgekeurd evenals de officiële afkeuring van de verzekeringsmaatschappij tav de medische keuring, daardoor kunnen wij de koop nog niet afwijzen. Het is wettelijk verplicht tenminste twee officiële afwijzingen aan te kunnen tonen voordat de ontbindende voorwaarden kunnen worden ingetrokken. Wij nemen geen genoegen met een mail van alleen de potentiële koper en diens financiële vertegenwoordiger met daarbij 1 afkeuring als bijlage. Daarnaast komt de datum van de hypotheekafwijzing niet overeen met de datum van de medische keuring.

Als er niet voldoende aantoonbare gegevens beschikbaar zijn zullen wij deze casus laten beoordelen door een derde om te kijken wat onze rechten zijn ivm in gebreke blijven omtrent de financiering.”

2.8

Bij e-mail van 9 september 2016 heeft [D] het navolgende aan [appellant] geschreven:

“Naar aanleiding van de vorige mail hebben wij tot op heden nog geen enkele reactie gekregen. Omdat u zoals in het voorlopig koopcontract kunt lezen hebt u de verplichting tenminste twee afkeuringen te tonen aan de kopende partij. (…)”

2.9

[D] heeft [appellant] en [B] gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere. [D] heeft in verband met het niet nakomen door [appellant] en [B] van de verplichtingen uit de koopovereenkomst aanspraak gemaakt op de contractuele boete en schadevergoeding. Bij vonnis van

10 januari 2018 heeft de kantonrechter de koopovereenkomst ontbonden en zijn [appellant] en [B] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 10.600,- aan [D] en tot betaling van de kosten van de procedure.

2.10

[appellant] heeft de notaris bij brief van 11 januari 2018 aansprakelijk gesteld.

2.11

[appellant] heeft op 13 juli 2018 een klacht ingediend tegen de notaris bij de Kamer voor het Notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de Kamer). De klacht is door de voorzitter van de Kamer bij beslissing van 28 november 2018 kennelijk ongegrond verklaard (zogenaamde voorzittersbeslissing) waarbij – voor zover van belang – het navolgende is overwogen:

“4.4 Op grond van artikel 5 Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 dient een notaris alle partijen bij de rechtshandeling waarvoor zijn tussenkomst is ingeroepen voor te lichten over de gevolgen van de handeling. In onderhavige zaak staat de vraag centraal of de notaris klager voldoende heeft voorgelicht.

4.5

De notaris heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat voorafgaand aan de ondertekening de koopovereenkomst uitvoerig is besproken met de betrokken partijen. Klager is onder meer gewezen op het financieringsvoorbehoud en de vereisten voor een succesvol beroep daarop. Klager wist, althans behoorde te weten, dat hij voor een succesvol beroep op het financieringsvoorbehoud twee afwijzingen diende over te leggen. De woorden ‘tenminste twee afwijzingen’ waren zelfs vetgedrukt. In de e-mails van 22 augustus 2016 en

9 september 2016 heeft de verkoper klager daar ook nogmaals op gewezen. In de e-mails van de verkoper stonden geen onjuistheden, zodat er voor de notaris ook geen reden was op deze e-mails te reageren. De notaris had klager ook niets anders kunnen melden dan de verkoper reeds had gedaan. De notaris benadrukt dat hij door klager en/of zijn adviseur nimmer is gevraagd of het standpunt van de verkoper juist is.

4.6

De voorzitter volgt het standpunt van de notaris. Op basis van de koopovereenkomst wist klager, of behoorde hij althans te weten, welke voorwaarden er waren afgesproken voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud. Bovendien blijkt dit ook nadrukkelijk uit de e-mails die de verkoper aan klager heeft gezonden. Niet valt in te zien wat de notaris had moeten doen, om klager meer te informeren dan hij al wist. Het enkele feit dat klager jong en onervaren was, doet hieraan niets af te meer nu klager werd bijgestaan door een financieel adviseur.”

2.12

[appellant] heeft geen verzet ingesteld naar aanleiding van de beslissing van de Kamer.

2.13

[D] heeft in een e-mail van 11 oktober 2018 het volgende – voor zover van belang – aan de advocaat van [appellant] geschreven:

“(…) Het klopt wat [appellant] aangeeft. Het beding over financieringsvoorbehoud en de hoeveel afwijzingen is niet voorgelezen door de notaris. Wat wel is voorgelezen, is de bedenk tijd dat [appellant] & [B] toen hadden om van de koop af te zien, dat de bankgarantie gestort moet zijn voor een bepaalde datum dat de koop geschiedt onder voorbehoud financiering en ook werd er voorgelezen dat het om een appartement ging met een erfpacht clausule. Dhr. [E] was tijdens het voorlezen van het voorlopig koopcontract aanwezig. (…)”

2.14

De heer [F] , werkzaam als gediplomeerd notarisklerk bij het notariskantoor, heeft in zijn verklaring van 10 maart 2019 aan de advocaat van het notariskantoor – voor zover van belang – het navolgende verklaard:

“Als reactie op uw verzoek, mail ik u onderstaand het verloop van een/het door mij gevoerde gesprek ten tijde van een bespreking van een koopovereenkomst, en aldus ook in geval met de heer [appellant] , als volgt:

- Na kennismaking met partijen, wordt door mij de vraag gesteld of iedereen het concept van de koopovereenkomst heeft ontvangen en na bevestiging van éénieder wordt door mij voorgesteld niet de gehele koopovereenkomst voor te lezen, maar globaal en zeker de belangrijkste punten aan de halen, hetgeen na bevestiging (meestal met een zucht van verlichting van partijen) geschiedt;

(…)

Art. 7: uitleg en nadrukkelijk vermelding; dat het voor alle partijen, maar zeker voor Koper, een belangrijk artikel betref t;

(verloop) uiterlijke datum financiering ook zelf in e gaten houden, want ook met adviseur, zelf verantwoordelijk/aansprakelijk.

Derhalve tijdig in overleg treden met Verkoper en/of zijn makelaar met opties: de termijn verlengen of ontbinden.

Ontbinding wegens niet kunnen financieren dient te geschiedden middels twee afwijzingen van twee verschillende financiële instellingen.

De aanvraag hypotheek dient conform koopovereenkomst, dus niet hoger dan van koopsom (destijds max. 102%).

(…)”

3 Het geschil en de beslissing in de procedure bij de rechtbank

3.1.

[appellant] heeft in de procedure bij de rechtbank samengevat gevorderd het notariskantoor te veroordelen tot betaling aan [appellant] van alles wat [appellant] aan [D] moet betalen uit hoofde van het vonnis van 10 januari 2018 (rov. 2.9) te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met veroordeling van het notariskantoor in de kosten van het geding waaronder de nakosten.

3.2.

De kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere (hierna: de kantonrechter) heeft bij vonnis van 8 augustus 2018 geoordeeld dat de notaris zijn informatieplicht bij het aangaan van de koopovereenkomst niet heeft geschonden. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat de notaris bij het inroepen van de ontbindende voorwaarde door [appellant] geen waarschuwingsplicht had. In het verlengde daarvan heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

[appellant] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter en vordert vernietiging van dat vonnis en alsnog toewijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van het notariskantoor in de kosten van beide instanties.

4.2

[appellant] komt met vijf grieven op tegen het oordeel van de kantonrechter. De grieven komen er op neer dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van aansprakelijkheid van de notaris wegens schending van de informatie- en waarschuwingsplicht van de notaris. [appellant] legt daarmee de zaak in volle omvang aan het hof voor. De grieven kunnen gezamenlijk worden beoordeeld. Indien de grieven slagen zal het hof, in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep ook de in eerste aanleg door het notariskantoor aangevoerde verweren, zoals het beroep op artikel 6:89 BW , beoordelen. Het hof heeft zelf de feiten vastgesteld zodat voor zover [appellant] (verholen) grieven heeft gericht tegen de feitenvaststelling, hij bij de beoordeling van die grieven geen belang meer heeft.

Waar gaat het hoger beroep over?

4.3

Aan de orde is de vraag of de notaris zijn informatie- en waarschuwingsplicht jegens [appellant] heeft geschonden, zoals door [appellant] is gesteld en door de notaris is betwist.

4.4

[appellant] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [appellant] heeft met de notaris een overeenkomst van opdracht gesloten. Op basis van die overeenkomst rustte op de notaris een zorgplicht. In het bijzonder was de notaris gehouden [appellant] bij het aangaan van de koopovereenkomst te informeren over de inhoud van de koopovereenkomst waaronder het financieringsvoorbehoud. De notaris was ook gehouden [appellant] bij het inroepen van het financieringsvoorbehoud te waarschuwen dat hij niet met één afwijzing kon volstaan en dat het standpunt van de verkoper, [D] , in zijn e-mail van 22 augustus 2016 (rov. 2.7) juist was. Dit heeft de notaris nagelaten. Daarmee heeft de notaris zijn zorgplicht geschonden, waarmee de notaris tegenover [appellant] zowel tekort is geschoten in de nakoming van zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting als onrechtmatig heeft gehandeld.

Juridisch kader

4.5

Geen grieven zijn gericht tegen het door de kantonrechter geschetste juridisch kader betreffende de op een notaris rustende zorgplicht en bijzondere waarschuwingsplicht (zie rechtsoverwegingen 4.3, 4.4, 4.5 en 4.8 van het vonnis van de kantonrechter). Het hof zal daarom van hetzelfde kader uitgaan.

Beoordeling

4.6

Het hof is op grond van de omstandigheden van het geval net als de kantonrechter van oordeel dat de notaris heeft voldaan aan zijn informatieplicht en dat in dit geval geen (bijzondere) waarschuwingsplicht op de notaris rustte. Het hof verwijst naar de overwegingen van de rechtbank op dit punt. Het hof zal in het hiernavolgende kort weergeven welke feiten en omstandigheden maken dat het hof zich aansluit bij het oordeel van de kantonrechter. Hierbij zal het hof ook de voor het eerst in hoger beroep overgelegde verklaringen van [D] en [F] betrekken.

Inlichtingenplicht

4.7

[appellant] heeft aangevoerd dat de notaris de passage betreffende het financieringsvoorbehoud niet heeft voorgelezen of mededeling heeft gedaan van de zakelijke inhoud daarvan, zodat [appellant] niet wist dat hij twee afwijzingen moest overleggen bij een beroep op het financieringsvoorbehoud. De notaris heeft hiermee zijn informatieplicht geschonden. Ter zitting in eerste aanleg heeft [appellant] verklaard: “Bepaalde dingen uit de overeenkomst zijn aan mij voorgelezen, maar lang niet alles. Niet alle pagina’s zijn voorgelezen. Ik kan mij niet herinneren of de notaris de zinsneden die relevant zijn in deze zaak heeft voorgelezen.” [appellant] heeft dit ter zitting in hoger beroep herhaald. In hoger beroep is door [appellant] een verklaring van de verkoper, [D] , overgelegd van

11 oktober 2018 (rov. 2.13). [D] heeft voor zover van belang daarin verklaard: “Het klopt wat [appellant] aangeeft. Het beding over financieringsvoorbehoud en de hoeveel afwijzingen is niet voorgelezen door de notaris. Wat wel is voorgelezen, is de bedenk tijd dat [appellant] & [B] toen hadden om van de koop af te zien, dat de bankgarantie gestort moet zijn voor een bepaalde datum, dat de koop geschiedt onder voorbehoud financiering en ook werd er voorgelezen dat het om een appartement ging met een erfpacht clausule.” De verklaring van [D] is innerlijke tegenstrijdig. [D] verklaart enerzijds dat het beding over het financieringsvoorbehoud niet is voorgelezen en anderzijds dat de koop geschiedt onder voorbehoud financiering wel is voorgelezen, terwijl het hier om dezelfde bepaling gaat (artikel 7). Artikel 7 lid 1 betreft het voorbehoud van financiering waarin ook de regeling over het aantal afwijzingen (vet gedrukt) staat. Of nu wel of niet is gewezen op de twee afwijzingen is gelet hierop niet af te leiden uit de verklaring van [D] .

4.8

Hiertegenover heeft het notariskantoor uitgebreid toegelicht dat is gewezen op het financieringsvoorbehoud, de wijze waarop dat moest worden ingeroepen en de consequenties van het niet op juiste wijze een beroep doen op dit voorbehoud. Ter onderbouwing is door de notaris een verklaring overgelegd van [F] , als gediplomeerd notaris-klerk verbonden aan het notariskantoor (rov. 2.13). De heer [F] heeft van de zijde van het notariskantoor de koopovereenkomst met partijen besproken en toegelicht en was bij de ondertekening van de koopovereenkomst aanwezig. [F] geeft in zijn verklaring aan dat tijdens de bespreking / ondertekening verschillende onderdelen van de koopovereenkomst zijn besproken, waaronder het financieringsvoorbehoud en de noodzaak van twee afwijzingen.

4.9

Het hof is van oordeel dat [appellant] in het licht van de gedetailleerde en gemotiveerde betwisting van de notaris – de heldere verklaring van [F] – zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd met enkel de overlegging van een tegenstrijdige verklaring van [D] . Anders dan [appellant] meent is de verklaring van [D] niet “glashelder” maar juist zeer onduidelijk. Daar komt bij dat [appellant] in eerste aanleg maar ook ter zitting bij het hof heeft verklaard dat hij niet meer weet wat bij het ondertekenen van de koopovereenkomst door de notaris is medegedeeld over de inhoud van de koopovereenkomst.

Een verklaring van [E] die ook bij de ondertekening aanwezig was, is door [appellant] niet overgelegd. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen, omdat [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat de betreffende bepaling niet is voorgelezen of dat van de inhoud geen zakelijke mededeling is gedaan en de notaris zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.

4.10

Overigens is door de notaris terecht gewezen op het ontbreken van causaal verband tussen de gestelde schending van de inlichtingenplicht en de schade. [appellant] is nadien namelijk bij het inroepen van de ontbindende voorwaarde door [D] niet alleen gewezen op de eis van twee afwijzingen, maar ook in de gelegenheid gesteld om aan die eis te voldoen waarop door [appellant] niet is gereageerd. Verder heeft [appellant] niet onderbouwd gesteld dat hij het financieringsvoorbehoud rechtsgeldig had kunnen inroepen door nog een tweede afwijzing over te leggen en dat [D] daarmee zou hebben ingestemd en zo niet, dat de vorderingen van [D] dan zouden zijn afgewezen.

Waarschuwingsplicht

4.11

[appellant] stelt zich verder op het standpunt dat de notaris hem had moeten waarschuwen dat de ontbindende voorwaarde niet juist werd ingeroepen met het overleggen van slechts één afwijzing van een financieringsaanvraag en hem had moeten waarschuwen, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, dat de verkoper, [D] , op dat punt gelijk had in zijn e-mail van 22 augustus 2016.

4.12

Daargelaten of in het algemeen bij het inroepen van een financieringsvoorbehoud zoals die in kwestie door een koper van een woning, een waarschuwingsplicht rust op de notaris in geval inroeping niet op de juiste wijze geschiedt, een dergelijke waarschuwingsplicht bestond in dit geval niet.

4.13

Van bijzondere omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de notaris in dit geval wel een waarschuwingsplicht heeft (in verband met specifieke aan de (recht-)handeling verbonden risico’s), is niet, althans onvoldoende gebleken. Het feit dat het notariskantoor de koopovereenkomst heeft opgesteld kan in ieder geval niet tot dat oordeel leiden. Ook het feit dat de NVM sinds 2014 gebruik maakt van een model waarbij één afwijzing volstaat en dat in dit geval gebruik werd gemaakt van het in Amsterdam gebruikelijke “ring-model”, waarin twee afwijzingen zijn vereist terwijl sprake was van een buiten Amsterdam gelegen appartement, kan niet tot dat oordeel leiden. Dat daaraan specifiek risico’s kleven is naar het oordeel van het hof, bij gebrek aan onderbouwing van de zijde van [appellant] , geen sprake.

4.14

Wat er verder ook zij van de stelling van [appellant] dat het ring-model buiten Amsterdam niet gebruikelijk is, uit de koopovereenkomst blijkt duidelijk dat twee afwijzingen overgelegd moeten worden. Dit is ook nog eens vetgedrukt in de tekst weergegeven, zodat ook [appellant] als leek had kunnen en behoren te begrijpen bij lezing van de koopovereenkomst dat er twee afwijzingen noodzakelijk waren. Daarover kon, ook bij [appellant] , geen enkel misverstand bestaan. Indien hij de koopovereenkomst niet goed heeft gelezen komt dat voor zijn risico. Uit hetgeen het hof over de schending van de inlichtingenplicht heeft overwogen volgt verder dat [appellant] van de eis van twee afwijzing op de hoogte was, althans had kunnen zijn toen hij de koopovereenkomst tekende. Bovendien is [appellant] daarna twee keer uitdrukkelijk per e-mail op de eis van twee afwijzingen gewezen door [D] . [appellant] heeft er zelf voor gekozen naar aanleiding van deze e-mails niets te doen. Daarbij mocht de notaris, gezien de bijlage bij de e-mail van 18 augustus 2016 van [appellant] , er op goede gronden vanuit gaan dat [appellant] ook toen nog steeds werd bijgestaan door adviseur [E] . Dat sprake was van een financieel adviseur en niet van een makelaar doet daar niet aan af. Uit het feit dat deze adviseur de notaris heeft ingeschakeld en de notaris heeft geïnformeerd over de ontbindende voorwaarde en [appellant] de inhoud van de brief waarmee de ontbinding werd ingeroepen heeft voorgeschreven, volgt dat de adviseur ook het verkooptraject heeft begeleid. De notaris hoefde in deze omstandigheden [appellant] er niet op te wijzen dat hij de ontbindende voorwaarde niet juist had ingeroepen en dat het standpunt van de verkoper, [D] , juist was.

4.15

Maar ook als de notaris [appellant] had moeten waarschuwen en hij dit heeft nagelaten, heeft [appellant] onvoldoende gesteld om zonder meer causaal verband aan te kunnen nemen tussen de verweten schending van de waarschuwingsplicht en de schade. Zo heeft [appellant] niet onderbouwd gesteld dat hij in geval de notaris hem had gewaarschuwd, wel rechtsgeldig het financieringsvoorbehoud had kunnen inroepen door nog een tweede afwijzing over te leggen (zie ook rov. 4.10).

4.16

De laatste grief van [appellant] (grief V) berust op een onjuist lezing van het vonnis. De kantonrechter heeft met de zinsnede “(hetgeen overigens pas is bepaald in het vonnis van

10 januari 2018)” niet bedoeld te suggereren dat de notaris niet eerder had kunnen waarschuwen, maar enkel dat pas met het vonnis van 10 januari 2018 is komen vast te staan dat de ontbindende voorwaarde niet rechtsgeldig is ingeroepen.

4.17

Nu is vastgesteld dat de notaris zijn inlichtingen- en waarschuwingsplicht niet heeft geschonden, zijn de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar, niet op de contractuele grondslag en, op dezelfde gronden, ook niet op grond van onrechtmatige daad. Gelet daarop kunnen de overige verweren van de notaris, zoals het beroep op artikel 6:89 BW, het verweer over de omvan g van de door [appellant] gestelde schade en het beroep op eigen schuld van [appellant] , onbesproken blijven.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de notaris zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 726,-

- salaris advocaat € 2.148,- (2 punten x tarief II € 1.074,-)

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 8 augustus 2018;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de notaris vastgesteld op € 726,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,--, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.F. Clement, J. Smit en P. Roorda en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature