< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Het hof geeft uitleg over de onverwijlde meldingsplicht in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (artikel 4 7 ) en de registratieplicht in de ADR (onderdeel 1.8.5.1) bij een ongeval bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. De onverwijlde meldingsplicht dient een ander doel dan de registratieplicht. Het zijn twee zelfstandige verplichtingen. Een vrijstelling voor de registratieplicht geldt daarom niet voor de onverwijlde meldingsplicht.

Uitspraak



Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002317-19

Uitspraak d.d.: 25 maart 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Gelderland van 16 april 2019 met parketnummer 84-087376-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter heeft verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 23 augustus 2017 te Arnhem,

al dan niet opzettelijk,

als degene die een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht,

niet heeft voldaan aan de verplichting om Onze Minister onverwijld in kennis te stellen indien zich daarbij ongevallen voordoen of voorvallen, waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is of kan ontstaan,

immers is er tijdens het transport een lekkage ontstaan ten gevolge waarvan een of meer jerrycans bol zijn gaan staan en/of opengebarsten waardoor de inhoud is vrijgekomen waarvan geen melding is gedaan.

Verbeterde lezing van de tenlastelegging

In de tenlastelegging staat vermeld: ‘een handeling als bedoeld in artikel 2, eerst lid ’. Het hof leest dit verbeterd als: ‘een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen’. Gelet op de inhoud van het dossier is het naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk dat de tenlastelegging hier op ziet. Verder heeft het hof in de tenlastelegging enkele taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is door het voorgaande niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er op 23 augustus 2017 tijdens een transport dat door verdachte is verricht een voorval heeft plaatsgevonden waarvan gevaar voor de openbare veiligheid te duchten was doordat, kort gezegd, een of meer van de jerrycans waarin een gevaarlijke stof werd vervoerd is opengebarsten waardoor de inhoud is vrijgekomen. Van dit voorval heeft verdachte niet onverwijld melding gedaan bij de bevoegde instantie: de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Een en ander is door verdachte niet betwist.

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 23 augustus 2017 te Arnhem,

al dan niet opzettelijk,

als degene die een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht,

niet heeft voldaan aan de verplichting om Onze Minister onverwijld in kennis te stellen indien zich daarbij ongevallen voordoen of voorvallen, waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is of kan ontstaan,

immers is er tijdens het transport een lekkage ontstaan ten gevolge waarvan een of meer jerrycans bol zijn gaan staan en/of opengebarsten waardoor de inhoud is vrijgekomen waarvan geen melding is gedaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De economische politierechter heeft verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat, – kort gezegd – het ging om een transport van minder dan 1.000 kg aan gevaarlijke stoffen en verdachte daarom het voorval niet hoefde te melden.

De officier van justitie heeft tegen deze vrijspraak hoger beroep ingesteld.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich evenals de officier van justitie in eerste aanleg – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de onverwijlde meldingsplicht zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen een zelfstandige verplichting betreft die niet afhankelijk is van de bepalingen in de ADR. De uitzonderingen die zijn omschreven in onderdeel 1.1.3.6 van de ADR zijn in deze zaak daarom niet van toepassing. Volgens de advocaat-generaal staat de meldplicht op grond van artikel 47 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen los van de registratieplicht zoals bedoeld in artikel 1.8.5.1 van de ADR .

Standpunt van de verdachte

De verdachte heeft aangevoerd dat zij geen melding hoefde te maken van het in de tenlastelegging omschreven voorval omdat zij een beroep kan doen op de vrijstelling zoals is omschreven in onderdeel 1.1.3.6 van de ADR. Volgens verdachte geldt deze vrijstelling omdat er tijdens het transport zoals bedoeld in de tenlastelegging minder dan 1.000 kg aan gevaarlijke stoffen werd vervoerd. De registratieplicht zoals bedoeld in onderdeel 1.8.5 van de ADR is daarom niet van toepassing. Verder heeft verdachte naar voren gebracht dat het in de tenlastelegging bedoelde transport niet valt onder de reikwijdte van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen omdat de lading van dit transport onder de hiervoor genoemde vrijstellingsgrens van 1.000 kg ligt.

Oordeel van het hof

Het hof zal hierna eerst de relevante wet- en regelgeving weergeven.

Artikel 2, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen luidt – voor zover relevant – als volgt:

‘Deze wet is van toepassing op:

a. Het vervoeren van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel over land, per spoor en over de binnenwateren’.

Artikel 47, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen luidt – voor zover relevant – als volgt:

‘Degene die een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, verricht, is verplicht Onze Minister daarvan onverwijld in kennis te stellen indien zich daarbij ongevallen voordoen of voorvallen, waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is of kan ontstaan’.

Artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (Richtlijn 2008/68/EG) luidt – voor zover relevant – als volgt:

‘1. Deze richtlijn is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, het spoor en de binnenwateren binnen of tussen lidstaten, met inbegrip van de activiteiten met betrekking tot het laden en lossen, de overbrenging van of naar een andere vervoersmodaliteit en het noodzakelijke oponthoud tijdens het vervoer’ .

Artikel 5 van de Richtlijn betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (Richtlijn 2008/68/EG) luidt – voor zover relevant – als volgt:

‘Beperkingen vanwege de veiligheid van het vervoer

1. Met het oog op de veiligheid van het vervoer kunnen lidstaten, behalve wat constructievoorschriften betreft, strengere bepalingen vaststellen voor binnenlands vervoer van gevaarlijke goederen uitgevoerd met voertuigen, wagens en binnenvaartschepen die op hun grondgebied zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht’.

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2010/11, 32 862, nr. 3) die betrekking heeft op – onder meer – de wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen staat, voor zover relevant, het volgende vermeld:

(pagina 28)

‘5.3. Het Europees en internationaal recht

Europese en internationale regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen

Het vervoer van gevaarlijke stoffen is grotendeels internationaal georiënteerd en ook gereguleerd. In de Europese richtlijn voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over land is bepaald dat het vervoer van gevaarlijke stoffen niet mag plaatsvinden tenzij voldaan is aan de in de bijlagen bij de richtlijn opgenomen voorschriften. Die bijlagen bevatten vervolgens voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over land (ADR), over spoor (RID) en over binnenwateren (ADN), die bij pan-Europese verdragen zijn vastgesteld. Nederland is ook partij bij die verdragen, zodat Nederland zowel op grond van de richtlijn als op grond van die drie verdragen zich aan die internationale voorschriften dient te houden.

Uit de overwegingen, behorend bij de richtlijn, volgt dat met die richtlijn volledige harmonisatie is beoogd ten aanzien van de wijze waarop gevaarlijke stoffen binnen het grondgebied van de Europese Unie worden vervoerd. In dat kader bevat de richtlijn met name regels om een zo veilig mogelijke wijze van vervoer te bevorderen. Het gaat dan om eisen voor het vervoermiddel, het verpakkingsmateriaal en opleidingseisen voor actoren in het vervoerstraject. De richtlijn staat voorts uitdrukkelijk toe dat lidstaten specifieke veiligheidsvoorschriften instellen met betrekking tot het gebruik van voorgeschreven routes, met inbegrip van het gebruik van voorgeschreven wijzen van vervoer. Het Europese recht biedt voor dergelijke voorschriften ruimte, mits de algemene regels van het vrij verkeer van goederen in acht worden genomen.’

(pagina 51)

‘In de huidige Wvgs is reeds de plicht opgenomen voor vervoerders om bepaalde voorvallen terstond te melden. In de praktijk bleek dat niet in alle gevallen aan deze plicht werd voldaan. Een van de redenen hiervoor houdt verband met de omstandigheid dat in de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, die in internationaal verband worden opgesteld en worden opgenomen in de onder de Wvgs geldende ministeriële regelingen, een registratieplicht voor bepaalde ongevallen met gevaarlijke stoffen is opgenomen. Deze registratieplicht werd verward met de onverwijlde meldingsplicht in artikel 4 7.

Met deze wijziging wordt verduidelijkt dat de onverwijlde melding een wezenlijk ander doel dient dan de registratieplicht in de internationale voorschriften. Van belang is dat kennis kan worden genomen van en inzicht kan worden verkregen in de situatie van het ongeval of voorval. Dit is met name van belang om de situatie te beoordelen en te bepalen of de vervoershandeling voortgezet kan worden zonder de openbare veiligheid in het geding te brengen. Een ongeval of voorval kan er immers toe leiden dat het betrokken voertuig niet meer aan de vervoerseisen voldoet. Er kan dan bepaald worden of niettemin het voortzetten van de vervoershandeling, onder voorwaarden, mogelijk wordt geacht, of dat het beter is de zaak ter plekke te herstellen of anderszins op te lossen.

Hoewel de aldus opgedane kennis van deze onverwijlde meldingsplicht uiteraard ook kan worden gebruikt om evt. verbeteringen in de internationale voorschriften aan te brengen, is dit – in tegenstelling tot de registratieplicht uit de (internationale) voorschriften – niet primair hiervoor bedoeld. Een beoordeling van de situatie van het ongeval of voorval en een inschatting van de veiligheid in geval van voortzetting van de vervoershandeling staat voorop.’

Het hof overweegt het volgende.

Vast staat dat verdachte op 23 augustus 2017 met een vervoermiddel gevaarlijke stoffen over land heeft vervoerd, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen . Gelet daarop was verdachte op grond van artikel 47, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen verplicht om onverwijld melding te doen van het in de tenlastelegging beschreven ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze melding had zij moeten doen bij de ILT. Vast staat dat verdachte dit niet heeft gedaan. Uit de hiervoor geciteerde onderdelen uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de onverwijlde meldingsplicht zoals bedoeld in artikel 47 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen soms wordt verward met de registratieplicht zoals bedoeld in de internationale voorschriften. Met deze registratieplicht wordt bedoeld de plicht zoals is omschreven in artikel 1.8.5.1 van de ADR , zoals deze ook is aangehaald door de advocaat-generaal. In de Memorie van Toelichting wordt benadrukt dat de onverwijlde meldingsplicht een wezenlijk ander doel dient dan deze registratieplicht. Met andere woorden: het betreft twee zelfstandige verplichtingen. De door verdachte bedoelde vrijstelling zoals is omschreven in onderdeel 1.1.3.6 van de ADR geldt uitsluitend voor de registratieplicht van artikel 1.8.5.1 van de ADR en niet voor de onverwijlde meldingsplicht van artikel 47, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen .

Het hof overweegt verder dat uit artikel 5 van de Richtlijn 2008 /68/EG blijkt dat de nationale wetgever met het oog op de veiligheid van het vervoer strengere bepalingen mag vaststellen voor binnenlands vervoer van gevaarlijke goederen dan de geldende Europese en internationale regels. De onverwijlde meldingsplicht van artikel 47, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is door de nationale wetgever in het leven geroepen met het oog op de veiligheid van het vervoer.

Gelet op al het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – concludeert het hof dat verdachte gehouden was onverwijld melding te doen bij de ILT op grond van het bepaalde in artikel 47, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen nadat het in de tenlastelegging beschreven ongeluk met gevaarlijke stoffen had plaatsgevonden. Uit het voorgaande volgt ook dat verdachte zich niet kan beroepen op een vrijstelling uit de ADR. Anders dan door verdachte is aangevoerd, leidt het hof uit de hiervoor weergegeven regelgeving bovendien af dat het in de tenlastelegging bedoelde transport valt onder de reikwijdte van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, ongeacht of er een in de ADR beschreven vrijstelling op van toepassing is. Toepasselijkheid van een dergelijke vrijstelling zou er wel toe leiden dat de registratieplicht van artikel 1.8.5.1 van de ADR niet geldt maar, zoals hiervoor overwogen, staat deze registratieplicht los van de onverwijlde meldingsplicht van artikel 47 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen .

Het bewezenverklaarde feit is daarom strafbaar.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 47, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen , begaan door een rechtspersoon .

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 4.000,- waarvan € 2.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft niet voldaan aan de verplichting om onverwijld melding te doen van een voorval met gevaarlijke stoffen. De wetgever heeft de meldingsplicht in het leven geroepen met het oog op de openbare veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het niet voldoen aan de meldingsplicht levert onder de Wet op de economische delicten een overtreding op.

In het voordeel van verdachte houdt het hof rekening met het feit dat door de bestuurder van het voertuig waarmee het in de tenlastelegging bedoelde transport is verricht dadelijk na het voorval 112 is gebeld. De bestuurder heeft daarmee gehandeld conform de instructies die door verdachte aan hem zijn gegeven en daarbij de openbare veiligheid voor ogen gehad.

Het hof gaat er verder van uit dat verdachte in de veronderstelling heeft verkeerd dat zij op de juiste wijze heeft gehandeld. Weliswaar is verdachte een professionele vervoerder en wordt zij geacht de toepasselijke regelgeving te kennen maar uit de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de betreffende regelgeving ook in de ogen van de wetgever kennelijk niet eenvoudig was te doorgronden. Ook hiermee zal het hof in het voordeel van verdachte rekening houden.

In het voordeel van verdachte houdt het hof in de strafoplegging verder rekening met de omstandigheid dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 februari 2020 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

In de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat volstaan kan worden met de oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 4.000,- , met een proeftijd van twee jaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht , de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 47 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen .

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 4.000,00 (vierduizend euro).

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,

mr. A.H. Garos en mr. A. van Waarden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Jansen, griffier,

en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.H. Garos en mr. A. van Waarden zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 25 maart 2020.

Tegenwoordig:

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. M. Zwartjes, advocaat-generaal,

mr. T. Faber, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De vertegenwoordiger van de verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature