< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwikkeling samenleving. Overeenkomst tussen partijen. Natuurlijke verbintenis?

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.248.214/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6611323 / CV EXPL 18-460)

arrest van 10 september 2019

inzake

[appellant] ,woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat,appellant,in eerste aanleg: eiser,verder te noemen: [appellant] ,advocaat mr. H.A. Jeuring te Zuidhorn,

en

[geïntimeerde] ,

woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,verder te noemen: [geïntimeerde] ,advocaat mr. J. Hofman-de Jong te Emmen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Bij tussenarrest van 23 april 2019 is een enkelvoudige comparitie van partijen gelast die op 4 juni 2019 heeft plaatsgevonden.

1.2

Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is gezonden en dat zich in afschrift bij de stukken bevindt.

1.3

Vervolgens is (meervoudig) arrest gevraagd op grondslag van de stukken en het verhandelde ter comparitie en heeft het hof arrest bepaald op heden.

2 2. Vaststaande feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben met elkaar samengewoond in de periode van (november) 2005 tot (februari) 2015. Partijen hadden geen schriftelijke samenlevingsovereenkomst. [appellant] heeft in februari 2015 een herseninfarct gehad. Rond augustus 2015 is de relatie verbroken.

2.2

Nadat de relatie is beëindigd heeft [geïntimeerde] in september 2015 twee maal een contant bedrag van (telkens) € 7.500,- aan [appellant] voldaan. Daarna, in de periode maart-mei 2016, heeft [geïntimeerde] drie maal per bank een bedrag van (telkens) € 2.500,- aan [appellant] voldaan. In totaal betreft dit een bedrag van € 22.500,- dat door [geïntimeerde] aan [appellant] is betaald.

3 3. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft bij dagvaarding van 9 oktober 2017 gevorderd dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:a. [geïntimeerde] veroordeelt om in het kader van de beëindiging van de samenleving aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 7.500,- en € 3.000,-, derhalve in totaal € 10.500,-;b. [geïntimeerde] veroordeelt tot afgifte van de goederen zoals weergegeven in punt 8 van de dagvaarding;

c. althans zodanige beslissingen neemt als de rechtbank juist acht;

d. [geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2

[geïntimeerde] heeft bij incidentele conclusie van eis tot onbevoegdverklaring, tevens houdende conclusie van antwoord van 29 november 2017 geconcludeerd:- dat [appellant] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, althans dat de rechtbank zich relatief onbevoegd verklaart met verwijzing van de hoofdzaak naar de sector kanton van de rechtbank, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident;- tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellant] in zijn vorderingen dan wel afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [appellant] in de kosten in conventie.

3.3

[appellant] heeft bij conclusie van antwoord van 3 januari 2018 in het incident geconcludeerd tot verwijzing van de zaak naar de sector kanton van de rechtbank.

3.4

Bij vonnis van 31 januari 2018 heeft de rechtbank het bevoegdheidsverweer toegewezen en - met beslissing omtrent de proceskosten in het incident - de hoofdzaak verwezen naar de kantonrechter ter verdere behandeling van de zaak in de stand waarin deze zich bevond.

3.5

Ingevolge het tussenvonnis van de kantonrechter van 27 februari 2018 heeft op 12 juni 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Aldaar heeft de kantonrechter, nadat een schikking niet mogelijk bleek, mondeling uitspraak gedaan en daarbij de vorderingen van [appellant] afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

4 4. Het geschil in hoger beroep

4.1

[appellant] is met twee grieven in hoger beroep gekomen en concludeert -na vermindering van zijn eis in de memorie van grieven- tot vernietiging van het bestreden vonnis van 12 juni 2018 en opnieuw rechtdoende:- [geïntimeerde] te veroordelen aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 7.500,-;- [geïntimeerde] te veroordelen tot afgifte van de goederen zoals zijn weergegeven in punt 8 van de dagvaarding in eerste aanleg, met uitzondering van de grasmaaier;- althans zodanige beslissingen te nemen als het hof juist acht;- met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure in beide instanties, waaronder de nakosten ten belope van € 250,-, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en -voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

- een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.2

[geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met afwijzing van de vorderingen van [appellant] en met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

5 De motivering van de beslissing

Grief 1: de geldvordering 5.1 [appellant] grieft tegen het oordeel van de kantonrechter dat tussen partijen maximaal sprake is van een natuurlijke verbintenis die op grond van de wet niet rechtens afdwingbaar is. Volgens [appellant] hebben partijen een mondelinge overeenkomst gesloten die partijen bindt en die door [geïntimeerde] deels ook is nagekomen. Uit niets blijkt dat slechts sprake is van een morele verplichting.

5.2

Een overeenkomst zoals genoemd in artikel 6:213 van het Burgerlijk Wetboek kan worden omschreven als een rechtshandeling die tot stand is gekomen - met inachtneming van eventuele wettelijke vormvoorschriften - door de overeenstemmende en onderling afhankelijke wilsverklaringen van twee of meer partijen, gericht op het teweegbrengen van een rechtsgevolg ten behoeve van een van partijen en ten laste van de andere partij of ten behoeve en ten laste van beide (alle) partijen over en weer. Het onderscheid tussen overeenkomsten en afspraken die geen overeenkomst zijn, wordt aangegeven door het vereiste dat de wilsovereenstemming gericht moet zijn op het teweegbrengen van rechtsgevolg. Het hangt dus van de bedoeling van de partijen af of een bepaalde afspraak een overeenkomst is of een 'gewone' afspraak. Wanneer de wil van de partijen om zich niet te binden wederzijds kenbaar is, vormen toezeggingen tot een prestatie geen obligatoire overeenkomst.

5.3

Uit de stukken is gebleken dat partijen ter afwikkeling van hun samenleving na hun uiteengaan hebben afgesproken dat [geïntimeerde] een bedrag van € 30.000,- aan [appellant] zou voldoen. Ter zitting van het hof is dit door beide partijen nog eens beaamd. [geïntimeerde] heeft over het tot stand komen van deze afspraak opgemerkt dat [appellant] nogal stellig en dwingend was en dat zij daarom instemde, maar ook dat zij niet wilde dat [appellant] ‘met alleen een plastic tas met spullen’ op straat zou komen te staan en dat hij iets nodig had om het leven weer op te bouwen. Voorts is gebleken dat partijen daadwerkelijk uitvoering hebben gegeven aan hun afspraak doordat [geïntimeerde] door middel van contante betaling en bankoverschrijvingen reeds een bedrag van € 22.500,- aan [appellant] heeft betaald. Uit dat alles kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat partijen wilsovereenstemming hadden over betaling van een bedrag van € 30.000,- aan [appellant] . Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] op enig moment kenbaar heeft gemaakt dat zij zich niet wilde binden. De door partijen gemaakte afspraak over de betaling van € 30.000,- dient naar het oordeel van het hof dan ook als een mondelinge overeenkomst te worden aangemerkt. Dat aan deze overeenkomst geen verplichting tot verdeling van een (huwelijks)gemeenschap, dan wel afrekening krachtens huwelijkse voorwaarden of een samenlevingsovereenkomst ten grondslag lag, doet aan het bestaan van die overeenkomst niet af. Partijen zijn immers vrij om overeenkomsten te sluiten en van strijd met enige wettelijke bepaling dan wel met de goede zeden is het hof niet gebleken. Aan de uitlating van [appellant] tijdens de zitting bij de kantonrechter -zo staat in het proces-verbaal van comparitie- dat er afspraken zijn gemaakt maar dat er geen overeenkomst bestaat, kent het hof gezien het vorenstaande geen doorslaggevende betekenis toe.

5.4

Volgens [geïntimeerde] kan [appellant] desalniettemin geen nakoming vorderen omdat aan de zijde van [geïntimeerde] slechts sprake is van een natuurlijke verbintenis. Het hof overweegt echter dat zo er sprake is van een natuurlijke verbintenis -daartoe zijn in het dossier aanknopingspunten te vinden- [geïntimeerde] miskent dat deze door de in overweging 5.3 bedoelde mondelinge overeenkomst tussen partijen is omgezet in een rechtens afdwingbare verbintenis, een en ander als bedoeld in artikel 6:5 lid 1 BW (vergl. Hof Den Bosch 5 februari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4958).

5.5

[geïntimeerde] heeft subsidiair betoogd dat zij niet tot betaling van het resterende bedrag ad € 7.500,- is gehouden omdat zij na het uiteengaan van partijen nog een aantal betalingen voor [appellant] heeft gedaan en omdat zij hem een forse hoeveelheid inboedelgoederen heeft doen toekomen, die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen. [appellant] heeft hier ter zitting in zoverre gehoor aan gegeven dat hij -rekening houdend met nog een aantal contante betalingen (€ 790,- en telefoonkosten van € 495,-) zijn vordering heeft beperkt tot € 6.200,-. Daarnaast kan volgens [appellant] rekening worden gehouden met een aantal andere posten, zoals de voor zijn zoon gemaakte kosten, de waarde van de inboedel die hij heeft gekregen, de extra telefoonkosten en de ziektekosten.

5.6

Het hof constateert dat partijen het erover eens zijn dat [geïntimeerde] na het beëindigen van de relatie vanuit haar middelen een aantal betalingen aan en ten behoeve van [appellant] heeft gedaan en ook dat zij hem een hoeveelheid inboedelgoederen heeft doen toekomen.

[geïntimeerde] heeft daarbij de volgende, door haar met stukken onderbouwde posten genoemd, die door het hof als te verrekenen posten worden aangemerkt nu deze door [appellant] niet, dan wel onvoldoende zijn weersproken:

Contant betaalde bedragen € 790,00

Telefoonkosten € 636,42

Waarde inboedelspullen € 3.247,10

Ziektekostenpremie [appellant] € 936,00

Kosten bijles zoon [appellant] € 419,15

========

Totaal € 6.028,67

Met de posten ‘hulpmiddelen, verzorgingsmiddelen etc.’ ad € 1.719,01 als ook de ‘kilometerkosten’ ad € 3.158,00 zal het hof geen rekening houden nu dit op een enkel klein onderdeel na kosten betreft die vóór het verbreken van de relatie zijn gemaakt en -gelet op de toen nog bestaande wederzijdse verzorging- naar het oordeel van het hof niet door middel van verrekening ten laste van [appellant] kunnen worden gebracht.

5.7

Een ander leidt tot de slotsom dat de eerste grief deels slaagt en dat [geïntimeerde] nog een bedrag van € 7.500,- -/- € 6.028,67 = € 1.471,33 aan [appellant] dient te voldoen.

Grief 2: de afgifte van goederen 5.8 [appellant] heeft ter zitting de tweede grief, betrekking hebbend op de afwijzing van zijn vordering tot afgifte van persoonlijke eigendommen, in zoverre ingetrokken dat hij thans alleen nog aanspraak maakt op vergoeding van (een deel van de waarde van) de boot, nu deze boot niet meer in het bezit is van [geïntimeerde] .

5.9

Tussen partijen is niet in geschil dat de boot tijdens de samenleving door partijen is aangeschaft en evenmin dat deze ongeveer € 1.200,- waard was. Voorts is niet in geschil dat [appellant] voor 10% van het gezinsinkomen zorgde en [geïntimeerde] voor 90%. Onder die omstandigheden acht het hof het redelijk dat aan [appellant] nog een 1/10 deel van de waarde toekomt, te weten € 120,-.

6 6. De slotsom

6.1

Nu deze procedure de afwikkeling betreft van de affectieve relatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] zal het hof -zoals gebruikelijk- in familierechtelijke kwesties de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep compenseren, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

6.2

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.471,33 +€ 120,- = € 1.591,33 aan [appellant] .

7 De beslissing

Het hof, in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 12 juni 2018 en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te voldoen een bedrag van € 1.591,33;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.M. Dölle, J.D.S.L. Bosch en J.G. Knot, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 10 september 2019 in het openbaar uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature