< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Aanslagen IB/PVV en Zvw 2017. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de inspecteur bij gebrek aan enig inzicht in de omvang van de ondernemersactiviteiten van belanghebbende in het jaar 2017 voor het vaststellen van de belastbare winst heeft mogen aansluiten bij de omzet van belanghebbende in 2017 zoals die is aangegeven voor de omzetbelasting, zonder rekening te houden met ondernemerskosten en de MKB-vrijstelling.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 21/00007 en 21/00008

18 januari 2022

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. F.R. van Geenen

tegen de uitspraak van 18 november 2020 in de zaken met kenmerk HAA 20/1290 en 20/1291 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 14 augustus 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.000, en bij daarbij afgegeven beschikkingen een verzuimboete opgelegd van € 5.278 en € 573 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 14 augustus 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.518 (€ 53.701 verminderd met het loon uit dienstbetrekking van € 46.183), en bij daarbij afgegeven beschikking € 20 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daartegen gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 16 december 2019 het bezwaar ongegrond verklaard. De inspecteur heeft dientengevolge de aanslag IB/PVV 2017, de aanslag Zvw 2017, de beschikking verzuimboete en de beschikkingen belastingrente zoals vermeld onder 1.1.1. en 1.1.2. gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank in haar uitspraak van 18 november 2020 dit beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 6 januari 2021. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Per brief van 28 februari 2018 is [belanghebbende] uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2017. De aangifte diende vόόr 1 mei 2018 te zijn ingediend. Op verzoek van [belanghebbende] heeft [de inspecteur] haar per brief van 15 mei 2018 uitstel tot het doen van aangifte verleend tot 1 september 2018. Per brief van 26 september 2018 is het uitstel verlengd tot 1 november 2018. Per brief van 21 november 2018 heeft [de inspecteur] [belanghebbende] herinnerd aan haar verplichting tot het indienen van de aangifte en per brief van 29 november 2018 deelde hij haar mee dat verder uitstel niet werd verleend. Per brief van 25 januari 2019 heeft [de inspecteur] [belanghebbende] tot het doen van aangifte aangemaand en daarbij onder meer vermeld dat als de aangifte niet zou worden ontvangen het inkomen zou worden geschat en aan [belanghebbende] een boete kon worden opgelegd.

2. Per brief van 13 juni 2019 heeft [de inspecteur] [belanghebbende] meegedeeld dat hij had besloten haar een aanslag op te leggen op basis van een schatting en dat hij voornemens was haar een verzuimboete op te leggen van € 5.278.

3. Met dagtekening 14 augustus 2019 heeft [de inspecteur] [belanghebbende] de onderhavige aanslagen opgelegd en de boetebeschikking en de rentebeschikkingen gegeven. De aanslag IB/PVV is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.000, bestaande uit een geschatte belastbare winst uit onderneming van € 43.817 en loon uit tegenwoordige arbeid van € 46.183 waarop € 24.016 loonheffing is ingehouden. Bij deze aanslag is een verzuimboete opgelegd van € 5.278 en is € 573 belastingrente in rekening gebracht. De aanslag Zvw is berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.518, te weten het maximum bijdrage-inkomen van € 53.701 verminderd met het loon uit dienstbetrekking van € 43.817. Bij deze aanslag is € 20 belastingrente in rekening gebracht.

4. [ Belanghebbende] heeft tegen de aanslagen en de beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij de bestreden, in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, heeft [de inspecteur] de aanslagen en de beschikkingen gehandhaafd.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hier nog de volgende feiten aan toe.

2.3.

Het door belanghebbende in 2017 verdiende belastbare loon uit tegenwoordige arbeid ad € 46.183 betreft een uitkering van [levensverzekering] (hierna: [levensverzekering x] ).

2.4.

Belanghebbende heeft bij haar hogerberoepschrift (bijlage 5) een overzicht gevoegd van openstaande belastingschulden die zijn aangeduid met de afkortingen IH, OB, ZVW, ZFW, en WAZ. Uit dit overzicht volgt een openstaand bedrag aan belastingschulden van in totaal € 86.281 en een openstaand bedrag aan bijkomende kosten van in totaal € 4.606.

2.5.

Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur – onder meer – het volgende verklaard:

“Belanghebbende heeft in eerste aanleg aangevoerd dat de geschatte winst zou moeten worden verminderd met kosten die kunnen worden geschat aan de hand van de in de aangiften omzetbelasting in aftrek gebrachte voorbelasting. De rechtbank heeft daarover terecht geoordeeld dat belanghebbende geen enkel inzicht in en onderbouwing van de aard van deze kosten heeft gegeven en niet heeft onderbouwd waarom deze kosten voor de inkomstenbelasting aftrekbaar zijn. De omzetbelasting en de inkomstenbelasting sluiten op dat punt niet één-op-één aan. Het vervelende aan deze situatie is dat belanghebbende tot 2017 nooit aangifte voor de inkomstenbelasting heeft gedaan. Wij hebben alleen voor de jaren 2018 en 2019 aangiften mogen ontvangen. Desgevraagd bevestig ik dat deze aangiften door belanghebbende zelf zijn ingestuurd. (…)

In haar aangifte 2018 heeft belanghebbende een winst aangegeven van € 39.523. Bij het opleggen van de aanslag is die winst gecorrigeerd naar € 56.580 omdat er een significant verschil bestond tussen de aangifte inkomstenbelasting en de aangifte omzetbelasting.

De aanslagregelaar heeft daar vragen over gesteld, maar belanghebbende heeft daarop niet gereageerd. Desgevraagd bevestig ik dat de bedragen voor de omzetbelasting en de inkomstenbelasting min of meer behoren aan te sluiten.

Voor het jaar 2019 is € 91.419 bruto winst aangegeven. Dit bedrag sluit aan op de aangifte omzetbelasting, dus de aanslag 2019 zal op dat punt conform aangifte worden opgelegd.

Uit de aangiften omzetbelasting blijkt dat belanghebbende ook aanzienlijke bruto omzetten had voor het jaar 2020 en de eerste drie kwartalen van 2021. In 2020 was dat € 74.705 en in de eerste drie kwartalen van 2021 was dat € 76.514. In de aangiften omzetbelasting viel mij op dat er meestal maar rond de € 2.000 aan voorbelasting wordt geclaimd. Dat laat zich verklaren door het vak van belanghebbende; het ontwerpen van kleding. De meeste arbeid waarmee winst wordt gegenereerd betreft het creatieve proces. (…)

De voorzitter wijst mij op het overzicht dat belanghebbende bij haar hogerberoepschrift (bijlage 5) heeft gevoegd. Ik antwoord dat dat overzicht door mij tijdens de rechtbankfase is opgesteld. Uit het overzicht volgt dat nog een bedrag van € 90.000 aan belastingen openstaat. (…)

Op de vraag van de voorzitter of alle belastingschulden nog openstaan, antwoord ik dat de stand van zaken vanochtend als volgt was. Voor de omzetbelasting, inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet staat een bedrag van € 87.524 open en ongeveer € 3.500 aan kosten. Dit is exclusief rente.”

3 Geschil voor het Hof

In geschil is of de aanslagen IB/PVV en Zvw en de belastingrentebeschikkingen niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld en of de boete terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

4 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist:

“6. Op grond van artikel 25, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), wordt een bezwaar dat is gericht tegen een aanslag of een beschikking met betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan, afgewezen, tenzij blijkt dat en in hoeverre de aanslag of de beschikking onjuist is en wordt, op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr , een daartegen gericht beroep ongegrond verklaard tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering van de bewijslast).

7. Vaststaat dat [belanghebbende] geen aangifte heeft gedaan, ook niet na daaraan te zijn herinnerd en daartoe te zijn aangemaand. Met inachtneming van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen heeft dit omkering van de bewijslast tot gevolg. Met hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd heeft zij niet doen blijken en ook uit andere bron is niet gebleken dat en in hoeverre de aanslagen, de beschikkingen en de uitspraak op bezwaar onjuist zijn.

8. In weerwil van het vorenstaande dienen de aanslagen en de beschikkingen, omdat die ambtshalve zijn vastgesteld, te zijn gebaseerd op een redelijke schatting. Naar [de inspecteur] onweersproken heeft gesteld is de belastbare winst gebaseerd op de door [belanghebbende] aangegeven omzet voor de omzetbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank is [de inspecteur] bij het vaststellen van het biww en het bijdrage-inkomen door van die omzet uit te gaan, uitgegaan van een redelijke schatting. [Belanghebbende] heeft aangevoerd dat de geschatte winst zou moeten worden verminderd met kosten die kunnen worden geschat aan de hand van de in de aangiften omzetbelasting in aftrek gebrachte voorbelasting. Dit brengt de rechtbank echter niet tot een ander oordeel omdat [belanghebbende] geen enkel inzicht in en onderbouwing heeft gegeven van de aard van deze kosten en dat deze kosten voor de inkomstenbelasting aftrekbaar zijn. Omdat [belanghebbende] geen aangifte heeft gedaan en, naar [de inspecteur] ter zitting onweersproken heeft verklaard, nauwelijks iets bekend is over de aard en omvang van de gestelde ondernemersactiviteiten van [belanghebbende], heeft [de inspecteur] de geschatte winst terecht niet verminderd met de ondernemersaftrek.

9. Naar [de inspecteur] onweersproken heeft gesteld is [belanghebbende] voor wat betreft de aangifte IB/PVV over 2017 voor het tiende achtereenvolgende jaar in verzuim met het doen van aangifte. Met inachtneming van het in aanmerking genomen biww is de rechtbank van oordeel dat [de inspecteur] haar terecht een verzuimboete naar het wettelijke maximum van € 5.278 heeft opgelegd. Feiten en omstandigheden die aanleiding zouden geven tot verval van de boete wegens afwezigheid van alle schuld of tot matiging van de boete wegens wegens wanverhouding tussen de boete en het beboete feit, zijn gesteld noch gebleken.

10. Tegen de belastingrente heeft [belanghebbende] geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat die op onjuiste wijze, dan wel in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

11. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.”

5 Beoordeling van het geschil

Standpunten partijen

5.1.

Belanghebbende is van mening dat de Belastingdienst geen ambtshalve aanslag IB/PVV 2017 mag opleggen op basis van uit de omzetbelastingaangifte bekende omzetgegevens. Bij die gelijkstelling wordt namelijk geen rekening gehouden met de belastingaftrekfaciliteiten waarop iedere ondernemer recht heeft en met de kosten van belanghebbende als ondernemer. Verder meent belanghebbende recht te hebben op een matiging van de verzuimboete in verband met slechte financiële omstandigheden. Ter onderbouwing verwijst zij naar een in hoger beroep overgelegd overzicht aan openstaande belastingschulden en kosten (zie 2.4).

5.2.

De inspecteur is van mening dat de uitspraak van de rechtbank juist is. De inspecteur heeft in aanvulling daarop ter zitting van het Hof nog verwezen naar de winsten die na 2017 door belanghebbende zijn aangegeven (zie 2.5), waaruit zijns inziens volgt dat de aanslag IB/PVV 2017 die is gebaseerd op een geschatte winst van € 43.000 redelijk en niet willekeurig is. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 90.000 en daarbij heeft hij de winst als sluitstuk gebruikt om vervolgens op dit afgeronde bedrag uit te komen. De som van de geschatte winst en belanghebbendes uitkering van [levensverzekering x] komt aldus uit op € 90.000.

5.3.

De inspecteur heeft verder betoogd dat bij de volgens hem als redelijk te beschouwen schatting geen rekening is gehouden met de MKB-vrijstelling of met de gestelde ondernemerskosten. Dit acht de inspecteur terecht nu belanghebbende geen aangifte heeft gedaan en hij geen enkel inzicht heeft in belanghebbendes fiscale positie. De inspecteur acht het gelet op de in 2017 aangegeven omzet niet aannemelijk dat er aan het urencriterium voor de MKB-vrijstelling is voldaan. Er kan, aldus de inspecteur, ondanks die winst toch sprake zijn van minder dan 1225 gemaakte uren, bijvoorbeeld als het uurtarief hoog is. Over dat tarief is niets bekend.

5.4.

Ter zake van de opgelegde verzuimboete stelt de inspecteur zich primair op het standpunt dat er geen rekening moet worden gehouden met belanghebbendes financiële situatie nu zij het aan zichzelf te wijten heeft dat zij de door haar vermelde belastingschulden heeft. Subsidiair meent de inspecteur dat gelet op belanghebbendes totale inkomen er geen reden is voor een matiging van de boete. Ter zake van dit subsidiaire standpunt heeft de inspecteur aangevoerd dat belanghebbende geen bewijzen heeft overgelegd of onderbouwing heeft gegeven waaruit blijkt dat zij, zoals zij heeft gesteld, in de schuldhulpverlening zit.

De inspecteur heeft de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) geraadpleegd en hij heeft daarin geen melding van bewindvoering gevonden. Ook dat duidt er zijns inziens op dat geen sprake is van schuldhulpverlening. Voor wat betreft de hoogte van de verzuimboete heeft de inspecteur betoogd dat voor 2014 tot en met 2016 de boete is gematigd. Dit is uit coulance gebeurd. De inspecteur hoopte dat belanghebbende verbetering in haar aangiftegedrag zou laten zien. Dit was echter niet het geval en vandaar dat in 2017 niet opnieuw de boete uit coulance is gematigd maar daarentegen geheel in stand is gelaten.

Oordeel Hof

Redelijke schatting

5.5.

Het Hof stelt voorop dat niet in geschil is dat belanghebbende kan worden aangemerkt als een ondernemer. Ter toetsing ligt enkel voor de hoogte van de geschatte belastbare winst.

5.6.

De rechtbank heeft het juiste wettelijke toetsingskader gehanteerd zoals opgenomen onder overweging 6 van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft de bewijslast in overweging 7 voorts op een juiste wijze verdeeld en op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet in haar (verzwaarde) bewijslast is geslaagd. Het Hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne. Het Hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank in overweging 8 dat de inspecteur bij het vaststellen van het belastbare inkomen uit werk en woning en het bijdrage-inkomen is uitgegaan van een redelijke schatting. Het Hof overweegt hierover als volgt.

5.7.

Bij de beoordeling of de berekening of schatting van de aanslag redelijk en derhalve niet willekeurig is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van die aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324, r.o. 4.4.3). Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van de aanslag niet onredelijk en dus niet willekeurig is (zie Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR: 2018:1311, r.o. 2.4).

5.8.

Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de inspecteur bij gebrek aan enig inzicht in de omvang van de ondernemersactiviteiten van belanghebbende in het jaar 2017 voor het vaststellen van de belastbare winst heeft mogen aansluiten bij de omzet van belanghebbende in 2017 zoals die is aangegeven voor de omzetbelasting, zonder rekening te houden met ondernemerskosten en de MKB-vrijstelling. Het Hof acht hiertoe van doorslaggevend belang dat belanghebbende nimmer, ook niet na ontvangst van de herinnering en de aanmaning daartoe, een aangifte IB/PVV heeft ingediend en dat zij ook later geen enkele onderbouwing heeft gegeven van de door haar gestelde ondernemerskosten en/of de door haar gemaakte ondernemersuren in het kader van de gewenste MKB-vrijstelling. Belanghebbende heeft bewust geen opening van zaken gegeven, niet aan de inspecteur, noch aan de rechtbank en het Hof. Gesteld noch aannemelijk geworden is dat belanghebbende hiertoe niet in staat zou zijn geweest. Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat de inspecteur in het kader van zijn redelijke schatting heeft meegewogen de winsten zoals die door belanghebbende zijn aangegeven en vastgesteld voor de IB/PVV voor de jaren 2018 tot en met 2020. Deze winsten zijn zonder uitzondering allemaal hoger dan de voor het jaar 2017 geschatte winst (zie 2.5).

5.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de conclusie dat de aanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Met betrekking tot de belastingrente heeft belanghebbende verder geen zelfstandige grieven aangevoerd. Omdat de belastbare bedragen in stand blijven, bestaat in zoverre dus geen grond de in rekening gebrachte belastingrente te verminderen. Ook overigens is niet gebleken dat de belastingrente ten onrechte in rekening is gebracht.

5.10.

Voor zover belanghebbende nog heeft bedoeld te stellen dat de Belastingdienst jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld oordeelt het Hof dat deze stelling in de gedingstukken geen feitelijke grondslag vindt. De enkele vergelijking met de toeslagenaffaire en de vraag van belanghebbende of zij op een zwarte lijst voorkomt acht het Hof onvoldoende om naar de selectie van belanghebbende voor de door de inspecteur verrichte controlehandelingen nader onderzoek te doen, te meer nu reeds het gedurende jaren niet doen van aangifte voldoende reden vormt voor de aandacht die belanghebbende van de inspecteur heeft gekregen.

Verzuimboete

5.11.

Het Hof onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder punt 9 van haar uitspraak en maakt die overweging tot de zijne. Ook naar het oordeel van het Hof zijn er geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die aanleiding zouden geven tot verval dan wel matiging van de verzuimboete. Hiertoe overweegt het Hof nog als volgt.

5.12.

In hoger beroep stelt belanghebbende recht te hebben op matiging van de verzuimboete in verband met haar slechte financiële omstandigheden. Het is aan belanghebbende om feiten en omstandigheden aan te voeren die de gestelde slechte financiële situatie onderbouwen. Ter onderbouwing verwijst belanghebbende naar het door haar in hoger beroep overgelegde overzicht aan openstaande belastingschulden en kosten (zie 2.4). Op grond hiervan acht het Hof echter niet aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van de oplegging van de boete en/of ten tijde van deze procedure in dermate slecht weer verkeerde dan wel verkeert dat dit aanleiding geeft tot een matiging van de boete. Weliswaar betreffen de uit dit overzicht volgende schulden hoge bedragen; echter, belanghebbende geniet in dit jaar en in de jaren daarna (in ieder geval in de jaren 2018 tot en met 2020 gelet op de voor de IB/PVV aangegeven winsten, zoals door de inspecteur ter zitting is verklaard (zie 2.5) en welke verklaring het Hof geloofwaardig acht) een dermate hoog inkomen uit werk en woning dat niet kan worden uitgesloten dat zij de bedoelde bedragen en zo ook de voor dit jaar opgelegde boete zal kunnen afbetalen. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de inspecteur ter zitting voorts heeft verklaard dat belanghebbende geen schuldhulpverlening ontvangt. Hiertoe heeft belanghebbende geen bewijs overgelegd en uit de GBA volgt, aldus de inspecteur, ook geen melding van bewindvoering. Het Hof heeft geen reden om aan die verklaring te twijfelen en acht die dan ook aannemelijk.

5.13.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de conclusie dat de opgelegde verzuimboete in het onderhavige geval passend en geboden is. Ook deze hogerberoepsgrond faalt derhalve.

Slotsom

5.14.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.F.J.S. Molleman als griffier. De beslissing is op 18 januari 2022 in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is bij verhindering van de voorzitter ondertekend door mr. H.E. Kostense en de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature