< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Onderzoek Dorado. Beleggingsfraude. Veroordeling van de natuurlijke persoon voor oplichting en verduistering, witwassen en valsheid in geschrifte. De vordering van 70 benadeelde partijen wordt toegewezen.

Uitspraak



Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000523-19

Datum uitspraak: 13 januari 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-845211-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,

adres: [adres] (verblijf),

adres: [adres 2] (BRP-adres)

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

23 februari 2021, 13, 16 en 30 december 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 deels onbegrijpelijk en als gevolg daarvan nietig is. Hij heeft daartoe gewezen op de term ‘verzwijgen’ zoals vermeld in de laatste twee oplichtingsmiddelen en op innerlijke tegenstrijdigheid in het vierde oplichtingsmiddel in de tenlastelegging.

verzwijgen

Het hof is van oordeel dat het bewust verzwijgen van voor de beslissing tot inleg relevante informatie kan worden aangemerkt als een misleidende feitelijke handeling die een valse voorstelling van zaken kan bewerkstelligen en dus als een oplichtingsmiddel kan worden tenlastegelegd, dat deze term moet worden gelezen in samenhang met de overige tekst van de tenlastelegging en dat het, tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier en zijn eigen verklaringen, voor de verdachte duidelijk moet zijn waarvan hij wordt beschuldigd.

voorgewend dat het project 100% haalbaar is en/of geld retour bij niet slagen

Het vierde oplichtingsmiddel zoals dat is omschreven in de tenlastelegging bevat in feite twee verschillende oplichtingsmiddelen, die als cumulatief/alternatief zijn opgenomen. Tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, de verklaringen van de inleggers en zijn eigen verklaringen, is het hof van oordeel dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn dat hij - cumulatief/alternatief –

wordt beschuldigd van het doen van twee verschillende beloftes aan de beleggers.

Het hof is ook overigens van oordeel dat de tenlastelegging voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel

261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de dagvaarding geldig is.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg op 11 december 2018 door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.hij op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1juli 2016 tot en met 31 augustus 2017 te Zaandam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels (meerdere) natuurlijk(e) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en) inleggers en/of investeerders - zie voor een overzicht van inleggers

en/of investeerders DOC-034 ( [BV1] - € 632.500), DOC-035 ( [BV2] -€ 482.500) en AMB-053 (nagekomen inleg [BV2] - € 40.000)), heeft/hebben bewogen en/of doen bewegen tot de afgifte van één of meerdere geldbedrag(en), in totaal circa Euro 1.155.00,- (AMB-033 en/of AMB-053) althans enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, te weten, onder andere:

- [benadeelde partij 7] (G10-001) tot afgifte van circa Euro 200.000,-

(DOC-034), althans enig geldbedrag, en/of

- [benadeelde partij 67] (G11-001) tot afgifte van circa Euro 2.500,- (DOC-034), althans enig geldbedrag, en/of

- [benadeelde partij 34] (G13-001) tot afgifte van circa Euro 5.000,- (DOC-034), althans enig geldbedrag en/of

- [benadeelde partij 50] (G015-0l) tot afgifte van circa Euro 10.000,- (DOC-034) en/of Euro 15.000,- (DOC-035), althans enig(e) geldbedrag(en), en/of

- [benadeelde partij 65] (G16-001) tot afgifte van circa Euro 25.000,- (DOC-034), althans enig geldbedrag, en/of

- [benadeelde partij 62] (G17-001) tot afgifte van circa Euro 7.500,- (DOC-034), althans enig geldbedrag, en/of

- [benadeelde partij 40] (G18-001) tot afgifte van circa Euro 7.500,- (DOC-034) en/of Euro 5.000,- (DOC-035), althans enig(e) geldbedrag(en),

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) - zakelijk weergegeven - (telkens) opzettelijk

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan (onder andere)

bovengenoemde natuurlijk(e) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en):

- voorgewend dat hij, verdachte, en/of [BV1] en/of [BV2] (een) bonafide investeerder(s) en/of belegger(s) en/of beheerder(s) en/of crediteur(en) van aan hem/haar/hen toevertrouwde en/of ter leen ontvangen/ingelegde gelden is/zijn, en/of

- voorgewend dat [BV1] en/of [BV2] en/of [BV3] en/of [stichting] (een) bestaand(e) onderneming(en)//bedrij(f)(ven)/obligatiefonds(en)/stichting(en) is/zijn dat/die de ter leen ontvangen en/of ingelegde en/of aangetrokken gelden zal/zullen investeren in grond en/of (een) zonnepark(en), en/of die gelden c.q. aanspraken daarop veilig stellen/stelt

- voorgewend dat alles gereed en geregeld is voor de aankoop van de grond en/of de vergunningen er al waren

- voorgewend dat het project 100% haalbaar is en/of dat bij het niet verkrijgen van de omgevingsvergunning de inleg/het geïnvesteerde geld terugbetaald zal worden, en/of

- voorgewend dat bij participatie en/of inleg en/of investering in [BV1]

en/of [BV2] sprake is van een hoog rendement van 6,5% per jaar en/of een bonus in de zin van een einduitkering van 6% van de ingelegde hoofdsom, en/of

- voorgewend dat de rentevergoeding voor rekening van hem, verdachte, en/of

(een) aan hem gelieerde onderneming(en) zal zijn, en/of

- voorgewend dat met betrekking tot de inleg/deelname in [BV1] en/of [BV2] (de) potentiele inlegger(s)/investeerder(s) snel moet(en) beslissen en/of op tijd moet(en) investeren en/of dat het de laatste kans is om in te schrijven (omdat het fonds bijna vol is/er anders niet meer

ingelegd/deelgenomen kan worden), en/of

- aangegeven dat bij een snelle en/of minimale inleg (van Euro 25.000,-) geen emissiekosten verschuldigd zijn, en/of

- voorgewend dat er met NUON , althans (een) energiebedrij(f)(en), wordt samen gewerkt, en/of

- verzwegen dat de ingelegde gelden (deels) aangewend zullen/zouden worden voor privé-bestedingen door hem, verdachte, en/of (on)middellijk via (een) aan hem, verdachte, gelieerde onderneming(en)) zullen/zouden worden uitgeleend aan hem, verdachte, en/of (een) aan hem, verdachte, gelieerde onderneming(en),

- verzwegen dat de [gemeente1] op 19 januari 2017 heeft laten weten dat er geen zonnepanelen geplaatst kunnen worden op de grond “ [A] ” (zie DOC 131, pagina 16) en/of verzwegen dat de [gemeente1] op 28 maart 2017 het verzoek om zonnepanelen op de grond “ [A] ” te realiseren, heeft afgewezen (zie DOC-131)

waardoor onder andere bovengenoemde natuurlijk(e) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en) is/zijn bewogen tot bovenomschreven afgifte(n)

en/of

hij op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2017 te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, (een) (grote) geldbedrag(en) van (in totaal) circa Euro 716.039,47 (AMB-033 en/ov AMB-053), althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en) (inleggers in [BV1] en/of [BV2] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) telkens uit hoofde van zijn beroep als directeur en/of

beheerder en/of bestuurder van (een) vennootschap(pen) en aldus anders dan door misdrijf

onder zich had(en), zich (telkens) wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend;

(Het bedrag van Euro 716.039,47 is op basis van AMB-033 en/of AMB-053 als volgt

samengesteld: Euro 1.155.000 (totale inleg in [BV1] en [BV2] ) minus

Euro 15.794,95 (besteed t.b.v. grond/vergunning [BV1] ten bedrage van Euro

294,95 + Euro 7.500,- en besteed t.b.v. grond [BV2] ten bedrage van Euro

8.000,- (bedragen betaald vanuit [BV3] )) minus Euro 400.640,50 (zijnde geld

wat is overgebleven op de bankrekening van [BV2] ) minus Euro 86,12 (zijnde

geld was is overgebleven op de bankrekening van [BV1] ) minus Euro 21.729,30

aan couponrente betaald vanuit [BV1] en Euro 709,66 aan couponrente betaald

vanuit [BV2] = Euro 716.039,47)

2.

hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 augustus 2017 tot en met 1 september 2017 te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

twee (2), althans één of meer rekening-courantovereenkomst(en) (DOC-092 en/of DOC 094) en/of twee (2), althans één of meer addend(um)(a) (DOC-091 en/of DOC-095),

zijnde (telkens) (een)geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven -

die rekening-courantovereenkomst(en) en/of addend(um)(a) gedateerd en/of ondertekend op een andere datum dan waarop die rekening-courantovereenkomst(en) en/of addend(um)(a) in werkelijkheid is/zijn opgemaakt en/of ondertekend,

zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

en/of

hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2017 tot en met 18 oktober 2017 te Zaandam,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voorhanden heeft gehad

twee (2), althans één of meer rekening-courantovereenkomst(en) (DOC-092 en/of DOC 094) en/of twee (2), althans één of meer addend(um)(a) (DOC-091 en/of DOC-095),

zijnde (telkens) (een)geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren tot gebruik als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, en, bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin

dat die rekening-courantovereenkomst(en) en/of addend(um)(a) gedateerd en/of ondertekend is/zijn op een andere datum dan waarop die rekening-overeenkomst(en) en/of addend(um)(a) in werkelijkheid is/zijn opgemaakt en/of ondertekend;

3

hij op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met heden te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en),

te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal circa Euro 754.273,38 althans circa Euro 716.039,47 (AMB-033 en/of AMV-053), in elk geval enig(e) geldbedrag(en)/voorwerp(en),

voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben omgezet en/of heeft/hebben overgedragen en/of van dat/die geldbedrag(en) en/of dat/die voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt

en/of

van dat/die geldbedrag(en)/voorwerp(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of

verhuld en/of heeft/hebben verborgen/verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) was/waren en/of wie dat/die geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) voorhanden had(den)

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat dat/die geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Het standpunt van de advocaat-generaal

Bij requisitoir heeft de advocaat-generaal zich, kort en zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, waarbij zij van mening is dat onder feit 1 de oplichting kan worden bewezenverklaard met betrekking tot alle 90 inleggers en de oplichtingsmiddelen 1, 2, 3, 4, 5, 10 en 11 (volgens de nummering in het vonnis waarvan beroep).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aan de hand van zijn pleitnota - kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de inleggers van meet af aan heeft opgelicht, dan wel dat hij opzettelijk hun geld heeft verduisterd, omdat de verdachte daadwerkelijk kosten noch moeite heeft gespaard om de projecten tot een goed einde te brengen en hij de ingelegde gelden mocht ‘doorlenen’ op grond van de (voor de inleggers kenbare) statuten van de projectvennootschappen. Het voor beleggers verzwijgen dat het eerste project niet doorging, is wellicht ‘niet netjes’ geweest, maar kan niet worden aangemerkt als een oplichtingsmiddel.

Het vervalsen van de stukken zoals tenlastegelegd onder feit 2 kan evenmin worden bewezen verklaard aangezien voorafgaand aan het opstellen daarvan reeds sprake was van een bestaande rekeningcourantverhouding, alleen de dagtekening onjuist is en de opdracht van de verdachte niet zag op het antedateren, maar op het bevestigen van eerder gemaakte afspraken.

Nu geen sprake is van oplichting dan wel verduistering, kan niet worden bewezen dat de ingelegde gelden zijn witgewassen. Het geld is niet van misdrijf afkomstig en omdat steeds transparant en binnen de bestaande rekeningcourantverhouding is gehandeld, is geen sprake van het verhullen van de herkomst ervan. De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van alle feiten zoals tenlastegelegd.

Bewijsoverwegingen

Redengevende feiten en omstandigheden algemeen

De verdachte heeft twee besloten vennootschappen opgericht, [BV1] en [BV2] (hierna: [BV1] en [BV2] of, gezamenlijk: de SI-vennootschappen), met als doel het aantrekken van vreemd vermogen ter financiering van de aankoop (en exploitatie) van grond. Op deze grond zouden grootschalige zonneparken worden gerealiseerd door [BV4] waarvan [getuige 1] eigenaar en bestuurder is (hierna: [BV4] , respectievelijk [getuige 1] ).

[BV3] (hierna: [BV3] ), waarvan de verdachte via zijn persoonlijke holding [Holding] bestuurder is, is enig aandeelhouder van de SI-vennootschappen. Verdachte is daarvan dus (indirect) enig bestuurder en enig aandeelhouder.

[BV1] is op 29 juni 2016 opgericht. Op 15 juli 2016 heeft deze BV een informatiememorandum uitgegeven, waarin de uitgifte van een obligatielening wordt aangekondigd. De lening heeft een looptijd van 3 jaar, een vaste couponrente van 6,5% (jaarlijks) en op de einddatum een aflossing van 106%.

De lening is bestemd voor de financiering van de aankoop en exploitatie van een grondpositie in [A] ( [gemeente1] ), ten behoeve van de bouw van een zonnepark.

Door investeerders is een bedrag van in totaal € 632.500,- in [BV1] ingelegd. De eerste inleg van investeerders vond plaats op 9 september 2016, de laatste op 2 maart 2017. De laatste transactie op de rekening van [BV1] vond plaats op 1 augustus 2017.

[BV2] is opgericht op 16 november 2016. Op 15 april 2017 heeft [BV2] een

informatiememorandum uitgegeven, waarin de uitgifte van een obligatielening wordt aangekondigd. Ook dit betreft een obligatielening met een looptijd van 3 jaar, een vaste couponrente van 6,5% per jaar en een aflossing van 106% op de einddatum. Met de lening zal de aankoop en exploitatie van een grondpositie voor de aanleg van een zonnepark in [W] ( [gemeente2] ) worden gefinancierd.

Door de investeerders in [BV2] is een bedrag van in totaal € 522.500,- ingelegd. De eerste inleg van investeerders vond plaats op 11 mei 2017, de laatste op 29 augustus 2017. De laatste transactie op de rekening van [BV2] heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2017.

In totaal is door de investeerders in de SI-vennootschappen ongeveer € 1.155.000,- ingelegd.

Door de AFM zijn overzichten van bankmutaties van de SI-vennootschappen overgelegd aan de FIOD. Het onderzoek naar de geldstromen laat zien dat een deel van de ingelegde bedragen is besteed aan diverse kosten, zoals salarissen voor de verdachte en anderen, beheerkosten, diverse facturen en betalingen aan de belastingdienst, tot in totaal circa € 90.000,-. Daarnaast heeft vanaf en op de rekening van [BV1] een groot aantal contante opnamen en contante stortingen plaatsgevonden bij betaal- en geldautomaten. Ook is een bedrag van totaal € 521.900,- overgeschreven naar de rekening van [BV3] .

Van de rekening van [BV3] is ruim € 14.000,- in contanten opgenomen, is € 439.299,- overgemaakt naar de privérekening van de verdachte en is € 9.245 overgemaakt aan [Holding] . [BV3] had leningen ontvangen van [BV5] (€ 20.000,-) en [betrokkene 1]

(€ 31.013,-). Deze bedragen zijn op 14 november 2016 respectievelijk 23 december 2016 afgelost, terwijl op die dagen grote geldbedragen vanuit [BV1] naar [BV3] zijn overgeboekt. Uit het financieel onderzoek is voorts gebleken dat in totaal € 41.732,95 door [BV3] is betaald aan optievergoedingen en aanbetalingen voor grond. Dit betreft: € 7.500,- optievergoeding grond [A] ,

€ 8.000,- optievergoeding grond [W] / [gemeente2] , € 25.938,- deelbetaling aankoop grond [gemeente2] van T. [betrokkene 1] en € 294,95 aan de [gemeente1] .

De groep waarvan de SI-vennootschappen deel uitmaken, had in 2015 en 2016 weinig tot geen omzet dan wel een negatief eigen vermogen. In 2016 en 2017 zijn geen ontvangsten zichtbaar van derden anders dan de ingelegde obligatieleningen. Uit de financiële analyse van de FIOD blijkt dat de verdachte in 2016 en 2017 met de obligatie-inleg in [BV1] en [BV2] , [BV3] en [Holding] heeft gevoed en, onderling via de vennootschappen en zichzelf, in privé betalingen heeft verricht.

Op 16 augustus 2017 is strafvorderlijk beslag gelegd op alle vorderingen/tegoeden van de bankrekeningen van [BV1] en [BV2] bij de Knab bank. Van de totale inleg van

€ 1.155.000,- resteerde op die datum op de rekeningen van [BV1] en [BV2] nog een bedrag van € 86,12, respectievelijk ongeveer € 400.640,50. Met aftrek van de som van € 41.732,95 aan betaalde optiepremies, een bedrag van € 26.729,30 dat tot en met 31 augustus 2017 aan couponrente is betaald aan de participanten van [BV1] en € 709,65 aan de participanten van [BV2] en de totaal resterende € 400.726,62, is in de betreffende periode door de verdachte ruim € 680.000,- uitgegeven aan andere zaken dan aan de aankoop van grond of daarmee gemoeide kosten. In de periode juni 2016 tot en met augustus 2017 heeft de verdachte, die beschikte over de pinpassen van de bankrekeningen van [BV1] , [BV2] en [BV3] , veelvuldig contante geldbedragen gepind bij diverse casino’s en de ING bank.

Tegenover alle uitgaven staan geen door de verdachte of de betrokken (rechts)personen ten behoeve van de beoogde zonneparken aangekochte gronden.

Tussenconclusies

Uit de genoemde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat het grootste deel van het ingelegde geld niet is uitgegeven aan de aankoop van grond en dat dit geld (kort) na de inleg daarvan uit de projectvennootschappen is gehaald en is gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor de geïnvesteerde bedragen waren bestemd.

Anders dan de rechtbank en anders dan de advocaat-generaal is het hof, op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, van oordeel dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de verdachte nimmer van plan is geweest de beoogde grond aan te kopen, en evenmin dat hij van meet af aan en met betrekking tot álle beleggers enkel een façade heeft geconstrueerd om hen te bewegen geld in te leggen.

Met betrekking tot de late inleggers [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 67] (hierna: [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 67] ) in [BV1] , trekt het hof die conclusie echter wèl.

Feit 1, [BV1] , oplichting

Op 5 september 2016 heeft de verdachte namens [BV3] een koopovereenkomst gesloten met de eigenaar van een kavel grond van ca 17 hectare gelegen in [A] ( [gemeente1] ), onder de ontbindende voorwaarde (zakelijk weergegeven) dat de koper uiterlijk 25 januari 2017 duidelijkheid moet hebben verkregen met betrekking tot de mogelijkheden en vergunningen tot het vestigen van een zonnepark op de beoogde percelen. Een schriftelijke afwijzing door de gemeente is noodzakelijk om zonder kosten van de overeenkomst te worden bevrijd.

[makelaar] heeft naar eigen zeggen een wethouder van [gemeente1] gevraagd welke mogelijkheden er binnen de gemeente waren voor een zonnepark. Volgens [makelaar] reageerde de wethouder niet enthousiast. Uit een e-mailbericht van [makelaar] aan de verdachte van 29 augustus 2016 volgt dat de wethouder heeft gewezen op de structuurvisie 2010-2030 uit 2011 en heeft verwezen naar gemeenteambtenaar [getuige 2] voor verdere informatie.

Op 21 november 2016 heeft [getuige 2] , beleidsmedewerker van [gemeente1] , aan [BV4] in een e-mailbericht geschreven dat, gelet op de beleidsnotitie Alternatieve Energiebronnen van de [gemeente1] van 29 september 2016, de gemeenteraad geen medewerking verleent aan grootschalige zonnevelden. Op dezelfde dag heeft [getuige 1] van [BV4] dit bericht doorgestuurd aan [BV3] . Op 25 november 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de verdachte, [getuige 1] en de ambtenaren [getuige 3] en [getuige 4] . In dit gesprek, waarbij [getuige 2] niet aanwezig was, is de verdachte – volgens [getuige 3] en [getuige 4] – uitgelegd waarom zijn plan niet paste in het beleid van de gemeente en dat een aanvraag voor (vergunning voor) een zonnepark geweigerd moest worden. De beide gemeenteambtenaren hebben op 18 oktober 2018 bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte (en [getuige 1] ) hun tijdens dit gesprek vertelde dat hij de grond al had aangekocht en dat hij alleen onder die overeenkomst uit kon komen met een schriftelijke afwijzing van de gemeente op de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Volgens de ambtenaren heeft de verdachte toen gevraagd hoe hij zo snel mogelijk een schriftelijke afwijzing van de gemeente kon verkrijgen en heeft daarbij gewezen op de dead line van 25 januari 2017.

[getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard de verdachte toen geadviseerd te hebben een zogenaamde ‘conceptaanvraag’ bij de gemeente in te dienen, aangezien een formele aanvraag in verband met leges duurder zou zijn en dat zou zonde zijn van het geld, omdat het toch tot een afwijzing zou komen.

De betrokken ambtenaren hebben bij de FIOD noch bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte of [getuige 1] op 25 november 2016 hebben gevraagd om een ander (voorlopig) standpunt, om een heroverweging of om een gesprek met [getuige 2] en/of de (betrokken) wethouder.

De verdachte heeft nog op diezelfde dag, 25 november 2016, een conceptaanvraag omgevingsvergunning (‘principeverzoek bouw ruimtelijke ordening’) ingediend bij de [gemeente1] .

Op 19 januari 2017 heeft [getuige 2] de verdachte een e-mailbericht geschreven waarin zij namens de [gemeente1] aangeeft dat het plaatsen van zonnepanelen op de locatie in [A] niet mogelijk is. Op 23 januari 2017 heeft verdachte namens [BV3] aan [makelaar] schriftelijk laten weten dat hij/ [BV3] afziet van de aankoop van de gronden te [A] . Daarbij is een afschrift van de e-mail van 19 januari 2017 van [getuige 2] gevoegd.

Op 28 maart 2017 heeft de verdachte een schriftelijke bevestiging van de [gemeente1] ontvangen: er wordt geen medewerking verleend aan zijn verzoek om een commercieel zonnepark te realiseren in [A] .

[benadeelde partij 7] heeft op 27 januari 2017 een bedrag van € 200.000,- geïnvesteerd in [BV1] . [benadeelde partij 67] heeft op

8 februari 2017 een geldbedrag van € 2.500,- geïnvesteerd in [BV1] .

[benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 67] hebben ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat zij niet wisten dat er geen vergunning was verleend of dat het project niet was doorgegaan en/of dat zij dachten dat het project in [A] nog steeds actief was. [benadeelde partij 67] heeft verklaard dat hij niet was ingestapt als hij had geweten dat er problemen waren met de verstrekking van de vergunning. [benadeelde partij 7] verklaarde (p. 3) dat als hij tevoren had geweten dat het inleggeld was gebruikt voor privédoeleinden en voor aflossing van zakelijke schulden, dat hij dan niet had geïnvesteerd.

De omstandigheid dat de verdachte, ter vermijding van hoge (leges)kosten, op 25 november 2016 zonder meer een conceptaanvraag omgevingsvergunning heeft ingediend bij de [gemeente1] in plaats van een definitieve aanvraag en dat hij de makelaar op 23 januari 2017 heeft laten weten dat hij afzag van de koop van de grond, brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte in ieder geval vanaf

19 januari 2017, na de e-mail van [getuige 2] , zeker heeft geweten dat de koop van de grond en daarmee het project [BV1] , niet door zou gaan. Door deze cruciale informatie te verzwijgen voor de beleggers die nog na die datum hebben ingelegd heeft de verdachte hen bewogen tot de inleg van geld in een project waarvan hij wist dat het niet gerealiseerd zou worden. Hij heeft hen bewust, door een onjuiste voorstelling van zaken te geven, laten instappen in het fonds. De verdachte heeft zich aldus ten opzichte van deze twee beleggers voorgedaan als een betrouwbare en integere en dus bonafide beheerder van aan hem toevertrouwde of nog toe te vertrouwen ingelegde gelden, door niet overeenkomstig de beloftes in het informatiememorandum te handelen en door genoemde informatie jegens [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 67] te verzwijgen.

Feit 1, [BV1] en [BV2] , verduistering

Zoals overwogen in de tussenconclusie kan uit de genoemde redengevende feiten en omstandigheden worden afgeleid dat het grootste deel van het ingelegde geld niet is uitgegeven aan de aankoop van grond. De gelden zijn kort na de inleg daarvan uit de projectvennootschappen gehaald en gebruikt voor diverse (privé)kosten, (fiscale) schulden en overboekingen naar onder meer de privé rekening van de verdachte en die van [BV3] .

De verdachte heeft ten overstaan van de FIOD verklaard dat het de vennootschappen vrij stond om leningen te verstrekken/het ingelegde geld over te boeken en hij heeft ook verklaard dat hij een deel van het ingelegde geld voor privé doeleinden heeft gebruikt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep over de geldstromen vanaf de bankrekening van de SI vennootschappen verklaard dat hij op grond van artikel 2 van de statuten van de ze BV ‘s - zoals opgenomen in de informatiememoranda van [BV1] en [BV2] - geld mocht ‘doorlenen’. De inleggers, die immers moesten tekenen voor kennisname van het informatiememorandum, hadden dit kunnen weten. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij open en transparant heeft gehandeld op basis van rekeningcourant overeenkomsten met zijn BV ‘s; tegenover een overboeking of opname stond steeds een (oplopende) rekeningcourantschuld die hij later zou moeten aflossen. Ten slotte heeft de verdachte verklaard dat hij beschikte over een ‘financieel vangnet’ in de vorm van een vriend die in geval van nood een woning in Spanje kon verkopen. De beleggers zouden dus altijd hun geld terug kunnen krijgen.

De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat geen sprake is geweest van opzettelijke wederrechtelijke toe-eigening en dat, voor zover al van verduistering kan worden gesproken, dit zich beperkt tot het deel van de ingelegde gelden dat niet is aangewend voor de projecten van [BV1] en [BV2] ; alle gemaakte kosten, ook die van [BV3] , zijn voor die projecten aangewende gelden.

In de informatiememoranda van de SI vennootschappen staat vermeld dat de opbrengst van de ingelegde gelden is bestemd voor de aankoop van grond. De beleggers hebben met dat doel voor ogen geld ingelegd op de genoemde projecten. Getuige de verklaringen van de beleggers die gehoord zijn hebben zij niet geweten dat het geld voor andere doeleinden is gebruikt en hadden zij daar - als dit wel was gevraagd - geen toestemming voor gegeven.

De verdachte heeft als beheerder de ingelegde gelden onder zich gekregen en deze waren, uitgezonderd de gelden afkomstig van [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 67] , anders dan door misdrijf verkregen. Als enig (middellijk) bestuurder van de vennootschappen kon de verdachte beschikken over de bankrekeningen van [BV1] en [BV2] . Hij heeft gelden, in strijd met de afspraak en zonder toestemming van de inleggers, naar eigen inzicht beheerd en gebruikt voor andere doeleinden dan de aankoop van grond. Hij heeft gelden onttrokken en heeft er feitelijk als heer en meester over beschikt. Teruggave van dat geld is door deze handelwijze onmogelijk gemaakt of aanzienlijk bemoeilijkt; van de totale inleg van

€ 1.155.000,- resteerde op de rekeningen van [BV1] en [BV2] op 16 augustus 2017 nog een bedrag van ongeveer € 400.726,62 waarbij de rekening van [BV1] nagenoeg leeg was.

Met aftrek van de som van € 41.732,95 aan betaalde optiepremies, een bedrag van € 26.729,30 dat tot en met 31 augustus 2017 aan couponrente is betaald aan de participanten van [BV1] en € 709,65 aan de participanten van [BV2] en de resterende € 400.726,62, is in de betreffende periode door de verdachte ruim € 680.000,- uitgegeven aan andere zaken dan aan de aankoop van grond of daarmee verband houdende kosten.

Nu het hof heeft geoordeeld dat [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 67] zijn opgelicht, zodat de verdachte het door deze beleggers ingelegde geld (van totaal € 202.500,-) wel door misdrijf onder zich heeft gekregen, komt het hof tot de conclusie dat een bedrag van in totaal ongeveer € 477.500,- is verduisterd.

De verdachte heeft zelf de afspraak met de beleggers gemaakt en heeft zich, gezien de beschreven feiten en omstandigheden en zijn eigen verklaringen, bewust en daarmee opzettelijk, geld dat door derden aan hem was toevertrouwd toegeëigend zonder dat hij daartoe was gerechtigd.

Met de rechtbank overweegt het hof dat de statuten van de vennootschappen enkel interne werking hebben en reeds daarom geen afbreuk kunnen doen aan de afspraak die met de beleggers is gemaakt. Geld uitlenen omdat de statuten daartoe de mogelijkheid bieden kan, maar niet met deze geoormerkte gelden. Voorts doet de omstandigheid dat de verdachte een rekeningcourant verhouding had of heeft geconstrueerd met zijn vennootschappen en/of dat sprake zou zijn geweest van het (tijdelijk) ‘doorlenen’ van geld, niet af aan het voorgaande. De doelbinding van het geld staat immers ook in de weg aan het tijdelijk daarover beschikken als heer en meester. Voor zover het onttrokken geld een voorschot zou betreffen op het geld dat de verdachte via zijn vennootschap [BV3] aan een geslaagd project zou verdienen of dat uitgaven zijn gedaan om medewerkers van het project te betalen, blijkt uit niets dat de verdachte of enige medewerker van het project ten opzichte van de projectvennootschap (reeds) tot dergelijke betalingen gerechtigd was, noch dat de investeerders over de besteding van hun inleg zijn geïnformeerd.

Dat de verdachte zou beschikken over een ‘financieel vangnet’ is louter genoemd als een mogelijkheid die nader noch concreet is onderbouwd. Daarbij komt dat een eventuele terugbetaling het strafbare karakter van de handelingen van de verdachte niet wegneemt.

De stelling van de raadsman, dat alle kosten die gemaakt zouden zijn voor de projecten afgetrokken moeten worden van het geld dat is ‘verdwenen’, volgt het hof evenmin. Gezien de

informatiememoranda zijn de initiële kosten overzichtelijk en beperkt tot maximaal € 70.000 per fonds. De bedragen die de raadsman in zijn pleitnota heeft genoemd zijn noch gespecificeerd noch met stukken onderbouwd en zijn bovendien afkomstig van achteraf opgemaakte jaarstukken. Tenslotte zijn de ingelegde gelden steeds vrijwel direct weggesluisd en zijn de projecten nooit daadwerkelijk van de grond gekomen, zodat er geen reden is rekening te houden met (initiële) kosten, anders dan hierboven vermeld (optiepremies en couponrente).

Het hof verwerpt de verweren in alle onderdelen.

Feit 2

Ten laste is gelegd het medeplegen van vervalsing van twee rekening-courantovereenkomsten (doc-092 en doc-094) en twee addenda (doc-091 en doc-095) en het voorhanden hebben van deze documenten.

Bij de doorzoeking van het kantoor van [BV1] en [BV3] op 7 september 2017 is een groot aantal documenten in beslag genomen, waaronder:

-een rekening-courantovereenkomst tussen [BV1] en [BV3] . Dit document is gedateerd op

1 januari 2017 en ondertekend door de verdachte;

-een rekening-courantovereenkomst tussen de verdachte en [BV3] . Dit document is gedateerd op

1 januari 2017 en ondertekend door de verdachte;

-een addendum op een rekening-courantovereenkomst tussen [BV1] en [BV3] , waarbij het rekening-courantbedrag wordt opgehoogd naar € 200.000,-. Dit document is gedateerd op

1 november 2016 en ondertekend door de verdachte;

-een addendum op een rekening-courantovereenkomst tussen verdachte en [BV3] , waarbij het rekening-courantbedrag wordt opgehoogd naar € 150.000,-. Dit document is gedateerd op

30 september 2016 en ondertekend door de verdachte.

Op 7 september 2017 zijn bij het [administratiekantoor] de dossiers van [BV1] en [BV3] inbeslaggenomen, evenals digitale gegevens met betrekking tot de verdachte en zijn ondernemingen. In de digitale gegevensbestanden van [administratiekantoor] zijn dezelfde documenten aangetroffen:

-een rekening-courantovereenkomst tussen [BV1] en [BV3] . Dit document is

gedateerd op 1 januari 2017 en ondertekend door de verdachte;

-een rekening-courantovereenkomst tussen [verdachte] en [BV3] . Dit document is gedateerd op

1 januari 2017 en ondertekend door de verdachte;

-een addendum op een rekening-courantovereenkomst tussen [BV1] en [BV3] , waarbij het rekening-courantbedrag wordt opgehoogd naar € 200.000,-. Dit document is gedateerd op

1 november 2016 en ondertekend door de verdachte;

-een addendum op een rekening-courantovereenkomst tussen [verdachte] en [BV3] , waarbij het rekening-courantbedrag wordt opgehoogd naar € 150.000,-. Dit document is gedateerd op

30 september 2016 en ondertekend door de verdachte.

In de gegevensbestanden van [administratiekantoor] is te zien dat het bestand van het addendum van

1 november 2016 is gewijzigd op 21 augustus 2017 om 13.31 uur. Het bestand van de

rekening-courantovereenkomst tussen [BV1] en [BV3] van 1 januari 2017 is gewijzigd op 18 augustus 2017 om 15.10 uur. Het bestand van het addendum van 30 september 2016 is gewijzigd op 21 augustus 2017 om 11.31 uur en het bestand van de rekening-courantovereenkomst tussen de verdachte en [BV3] van 1 januari 2017 is gewijzigd op 18 augustus 2017 om 15.09 uur.

Het hof is van oordeel dat de verdachte deze documenten heeft laten vervalsen en dat hij dit deed mede namens - en in nauwe en bewuste samenwerking met - de door hem vertegenwoordigde vennootschappen [BV1] en [BV3] . Dit oordeel is gebaseerd op het volgende.

Rekening-courantovereenkomsten

Op 17 augustus 2017 om 11.24 uur heeft de verdachte een e-mailbericht van de Knab bank doorgestuurd aan de FIOD, betreffende het beslag op zijn zakelijke rekeningen.

Daarop volgen e-mailberichten tussen de verdachte en medewerkers van [administratiekantoor] .

Op 17 augustus 2017 om 14.56 uur heeft de verdachte een e-mailbericht doorgestuurd aan [getuige 5] van [administratiekantoor] . Dit betreft een mail van 19 december 2014, met als bijlage een getekende rekening-courantovereenkomst tussen de verdachte en [BV3] van 18 december 2014. Om 16.22 uur reageert [getuige 5] en geeft aan dat er aanpassingen aan de rente zijn gedaan. Als bijlage zendt zij rekening-courantovereenkomsten tussen [BV1] en [BV3] en tussen de verdachte en [BV3] . Beide zijn gedagtekend op 17 augustus 2017. Om 16.51 uur mailt [getuige 5] aan de verdachte dat de rekening-courantovereenkomsten zijn aangepast. Als bijlage zijn de rekening-courantovereenkomst tussen [BV1] en [BV3] en tussen de verdachte en [BV3] opnieuw bijgevoegd, met dien verstande dat de dagtekening daarin is aangepast naar 1 januari 2017.

Op 18 augustus 2017 om 14.29 uur mailt [getuige 5] aan de verdachte. Dit betreft de verbetering van een fout. In eerdere mails (van 9.38 uur en 10.49 uur, die onder de mail van 14.29 uur staan) wordt gevraagd om de verhuisdata die nodig zijn om de juiste adressen in de overeenkomsten te kunnen opnemen. In de bijlage is opnieuw de rekening-courantovereenkomst tussen de verdachte en [BV3] met datum 1 januari 2017 opgenomen.

Op 18 augustus 2017 om 15.07 uur reageert de verdachte en stuurt hij [getuige 5] de getekende documenten toe. In de bijlage zijn de getekende exemplaren gevoegd van de rekening-courantovereenkomsten tussen de verdachte en [BV3] (deze bijlage komt overeen met doc-094) en tussen [BV1] en [BV3] (deze bijlage komt overeen met doc-092). Beide zijn gedagtekend 1 januari 2017.

Het hof concludeert uit bovenstaande e-mailwisselingen in combinatie met de wijzigingsdata van de pdf-bestanden in het digitale archief van [administratiekantoor] , dat de rekening-courantovereenkomsten in opdracht van verdachte, mede namens [BV1] en [BV3] , zijn vervalst.

Het hof neemt bij deze conclusie mede in aanmerking de verklaring die [getuige 5] heeft afgelegd bij de rechter-commissaris, waarin zij bevestigt dat ze, na expliciete telefonische opdracht van de verdachte, de datum van de betreffende overeenkomst heeft gewijzigd in 1 januari 2017.

Addenda

Op 20 augustus 2017 om 15.41 uur mailt de verdachte aan [getuige 6] dat hij wil praten over zijn salaris over boekjaar 2016. Hij vraagt of 2l augustus schikt en of [getuige 6] dan de overeenkomsten die nog moeten worden gemaakt in tweevoud wil opstellen, zodat hij die meteen kan ondertekenen.

Op 21 augustus 2017 om 10.38 uur antwoordt [getuige 6] . Hij stuurt de aanvullingen op. Als bijlage bij deze mail zijn opgenomen addenda op de rekening-courantovereenkomsten tussen de verdachte en [BV3] (gedateerd 30 september 2016) en tussen [BV1] en [BV3] (gedateerd 1 november 2016).

Op 23 augustus 2017 om 12.31 uur stuurt de verdachte een mail aan [getuige 6] met de mededeling dat [BV6] er nog bij moet. Hij vraagt of dat vandaag nog kan, zodat hij straks tot ondertekening kan overgaan.

Het hof concludeert uit bovenstaande e-mailwisselingen in combinatie met de wijzigingsdata van de pdf-bestanden in het digitale archief van [administratiekantoor] , dat de addenda op de rekening-courantovereenkomsten in opdracht van de verdachte, mede namens [BV1] en [BV3] , zijn vervalst.

Medeplegen en voorhanden hebben

De verdachte is bestuurder en enig aandeelhouder van [BV3] en [BV1] . De genoemde overeenkomsten zijn afgesloten tussen de verdachte en [BV3] en tussen [BV1] en [BV3] . De verdachte is de overeenkomsten aangegaan mede namens de beide BV ‘s en heeft de stukken, mede namens zijn vennootschappen, ondertekend.

Op 7 september 2017 zijn de ondertekende rekening-courantovereenkomsten en addenda bij de verdachte, in het kantoor van [BV1] en [BV3] aangetroffen. De documenten zijn in de periode van 17 augustus 2017 tot en met 23 augustus 2017 aangemaakt, zoals hierboven is beschreven. Het hof is van oordeel dat hiermee is komen vast te staan dat de verdachte mede namens en in nauwe en bewuste samenwerking met de aan hem gelieerde vennootschappen, de documenten in de periode van

17 augustus 2017 tot en met 1 september 2017 heeft vervalst/doen vervalsen en in de periode van

17 augustus 2017 tot en met 7 september 2017 voorhanden heeft gehad. Deze geschriften waren bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen en de verdachte wist dat.

De verweren van de raadsman worden weerlegd door de in de beschreven feiten en omstandigheden gebezigde bewijsmiddelen.

Feit 3

Het hof acht bewezen dat de verdachte samen met zijn ondernemingen [BV1] , [BV2] en [BV3] in de periode van 1 september 2016 tot en met 17 augustus 2017 een geldbedrag van ongeveer € 680.000,- heeft witgewassen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Negentig investeerders hebben in totaal € 1.155.000,- geïnvesteerd in de obligatiefondsen [BV1] en [BV2], welke als doel hadden te investeren in grondprojecten ten behoeve van de aanleg van zonne-energieparken. Uit financieel onderzoek is onder meer gebleken dat van de bankrekeningen van [BV1] en [BV2] ongeveer € 531.400,- is overgemaakt aan [BV3] en dat grote geldbedragen contant van de rekeningen van de beide projectvennootschappen zijn opgenomen. [BV3] heeft van de ingelegde gelden € 41.732,95 besteed aan betaling van optiepremies voor grond en aan de aanvraag omgevingsvergunning [gemeente1]. Van de rekening van [BV3] is een bedrag van € 439.299,- overgemaakt naar de privérekening van de verdachte en zijn geldbedragen overgemaakt naar de bankrekening van [Holding] .

Van de privérekening van de verdachte zijn geldbedragen overgemaakt naar de bankrekening van [BV1] , echter deze rekening van verdachte is voornamelijk gevoed met gelden van [BV3] - afkomstig van [BV1] en [BV2] - en met € 71.825,71 aan contante stortingen. Ook zijn vanuit de privé rekening van verdachte grote geldbedragen overgemaakt naar de bankrekeningen van [Holding] en [BV6] BV, beide aan [verdachte] gelieerde vennootschappen. Een deel van de bij de [BV1 en BV2] ingelegde bedragen is besteed aan diverse kosten, zoals salarissen voor verdachte en anderen, beheerskosten, diverse facturen en (fiscale) schulden. Het geld dat de verdachte contant heeft opgenomen heeft hij onder meer gebruikt voor privé-uitgaven.

Van het totaal in [BV1] en [BV2] geïnvesteerde bedrag van € 1.155.000,- is in augustus 2017 nog ongeveer € 400.726,62 op diverse rekeningen van de verdachte en zijn ondernemingen aangetroffen. Met aftrek van de som van € 41.732,95 aan betaalde optiepremies, een bedrag van

€ 26.729,30 dat tot en met 31 augustus 2017 aan couponrente is betaald aan de participanten van [BV1] en € 709,65 aan de participanten van [BV2] en de resterende € 400.726,62, is in de betreffende periode door de verdachte ruim € 680.000,- weggesluisd.

De enkele omstandigheid dat sommige overboekingen en sommige contante opnames zijn gedaan in een rekening-courantverhouding met de vennootschappen, maakt niet dat de verplaatsing van deze geldstromen transparant is geweest. Nu uit het financiële onderzoek van de FIOD is gebleken dat de groep waar genoemde ondernemingen deel van uitmaken in 2015 en 2016 weinig tot geen omzet had, dan wel een negatief eigen vermogen, dat in 2016 en 2017 geen ontvangsten zichtbaar zijn van derden anders dan de ingelegde geldbedragen en dat met de inleg uit [BV1] en [BV2] de bankrekeningen van [BV3] (en [Holding] ) en de verdachte in privé zijn gevoed, moet geconcludeerd worden dat iedere eventuele aflossing door de verdachte op de schuld aan [BV1] en [BV2] enkel afkomstig zou zijn van de door de beleggers ingelegde gelden. Naar het oordeel van het hof is op deze manier geen transparantie beoogd, maar een doelbewuste versluiering van de schuldpositie. Dat de rekening-courantverhouding is opgenomen in - achteraf opgemaakte – jaarstukken van de vennootschappen, maakt dat niet anders.

Uit de beschreven feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de door de investeerders in [BV1] en [BV2] ingelegde bedragen door de verdachte, via de rekening van [BV3] , zijn overgeboekt naar bankrekeningen van andere vennootschappen en de verdachte zelf, cash zijn opgenomen en zijn besteed. Door het rondpompen van geldbedragen tussen zijn vennootschappen en de contante opnames van en stortingen op diverse rekeningen heeft de verdachte tevens de herkomst van de bedragen verhuld, dan wel heeft hij verhuld wie de rechthebbenden op die bedragen waren en dat deze gelden geoormerkt waren voor de aanleg van zonneparken. Bij deze stand van zaken zijn de bestanddelen zoals tenlastegelegd feitelijk vervuld. De verdachte wist dat het geld van de beleggers van misdrijf afkomstig was, namelijk van oplichting dan wel van verduistering.

Medeplegen

De verdachte is bestuurder en enig aandeelhouder van [BV3] , [BV1] en [BV2] .

De gelden zijn ingelegd op de bankrekeningen van [BV1] en [BV2] , zijn daaraan onttrokken door de verdachte en grotendeels grotendeels overgeboekt naar de bankrekening van [BV3] . Vanuit de rekening van [BV3] is het geld door de verdachte doorgeboekt naar andere rekeningen, dan wel opgenomen en/of gebruikt. De verdachte heeft hierbij steeds namens en in nauwe en bewuste samenwerking met zijn vennootschappen gehandeld.

In het licht van het voorgaande is het hof is van oordeel dat de verdachte zich samen met [BV3] ,

[BV1] en [BV2] schuldig heeft gemaakt aan witwassen zoals tenlastegelegd. Dat de verdachten daar een gewoonte van hebben gemaakt blijkt, behalve uit de lange periode waarin de geldstromen zijn verplaatst en de frequentie van de met het geld gepleegde handelingen, ook uit de intentie van de verdachte, die steeds opnieuw de ingelegde geldbedragen heeft omgezet, overgedragen en daarvan gebruik heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij in de periode van 19 januari 2017 tot en met 8 februari 2017 te Zaandam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon (inlegger en/of investeerder), heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, te weten:

- [benadeelde partij 7] en/of E.J. [benadeelde partij 7] (G10-001) tot afgifte van € 200.000,- (DOC-034), en

- [benadeelde partij 67] (G11-001) tot afgifte van € 2.500,- (DOC-034),

hebbende verdachte - zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid aan bovengenoemde natuurlijke persoon en rechtspersoon:

- voorgewend dat hij, verdachte, een bonafide beheerder van aan hem toevertrouwde ingelegde gelden is en

- verzwegen dat de [gemeente1] op 19 januari 2017 schriftelijk heeft laten weten dat er geen zonnepanelen geplaatst kunnen worden op de grond “ [A] ”,

waardoor bovengenoemde natuurlijke persoon en rechtspersoon zijn bewogen tot bovenomschreven afgiften;

en

hij in de periode van 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2017 te Zaandam, in elk geval in Nederland, opzettelijk, geldbedragen van in totaal circa € 477.500,-,

toebehorende aan natuurlijke personen en rechtspersonen (inleggers in [BV1] en [BV2] ), welke geldbedragen verdachte uit hoofde van zijn beroep als beheerder en/of bestuurder van vennootschappen en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

2.

hij in de periode van 17 augustus 2017 tot en met 1 september 2017 te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

twee rekening-courantovereenkomsten (DOC-092 en DOC 094) en

twee addenda (DOC-091 en DOC-095),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven -

die rekening-courantovereenkomsten en addenda doen dateren en ondertekend op een andere datum dan waarop die rekening-courantovereenkomsten en addenda in werkelijkheid zijn opgemaakt en ondertekend, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken en

hij in de periode van 17 augustus 2017 tot en met 7 september 2017 te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk voorhanden heeft gehad

twee rekening-courantovereenkomsten (DOC-092 en DOC 094) en

twee addenda (DOC-091 en DOC-095),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte wist dat die geschriften bestemd waren tot gebruik als ware die geschriften echt en onvervalst, en

bestaande die valsheid hierin dat die rekening-courantovereenkomsten en addenda gedateerd en ondertekend zijn op een andere datum dan waarop die rekening-overeenkomsten en addenda in werkelijkheid zijn opgemaakt en ondertekend;

3

hij in de periode van 1 september 2016 tot en met 17 augustus 2017 te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen van in totaal circa € € 680.000

voorhanden heeft gehad en heeft omgezet en heeft overgedragen en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt en

van die geldbedragen de herkomst heeft verhuld en/of heeft verhuld wie de rechthebbenden op die geldbedragen waren,

terwijl hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat die geldbedragen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders daarvan een gewoonte hebben gemaakt.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat zoals deze zijn opgenomen onder het kopje ‘Redengevende feiten en omstandigheden’ in samenhang met de (nadere) bewijsoverwegingen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

oplichting, meermalen gepleegd en

verduistering, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en

medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest en heeft de verdachte ontzet van de uitoefening van het beroep van aanbieder van beleggingsproducten voor de duur van vijf jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Zij heeft voorts gevorderd dat de verdachte een beroepsverbod zal worden opgelegd met betrekking tot het opzetten van een beleggingsvehikel voor de duur van vijf jaar.

De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht de verdachte een lagere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan, dan wel een geheel voorwaardelijke straf. De raadsman heeft daartoe gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft in het kader van de straf(maat) voorts aangevoerd dat het benadelingsbedrag lager is dan waar de rechtbank vanuit is gegaan, dat de redelijke termijn is overschreden, dat door het persbericht van het openbaar ministerie inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en dat de verdachte tijdens de voorlopige hechtenis zonder noodzaak beperkingen zijn opgelegd. De raadsman heeft ten slotte betoogd dat een ontzetting van de verdachte uit zijn beroep beperkt dient te blijven tot het verstrekken van obligatieleningen. In geval de verdachte zich op geen enkele manier meer mag bezighouden met aan grond verwante zaken, kan hij niet meer in zijn onderhoud voorzien.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft twee vennootschappen opgericht waarmee het voor beleggers mogelijk werd gemaakt deel te nemen in de aankoop van grond waarop grootschalige zonneparken zouden worden gerealiseerd. In beide fondsen is een totaalbedrag van ruim € 1,1 miljoen ingelegd. Tot de aankoop van grond is het niet gekomen, terwijl bij beslaglegging op 16 augustus 2017 de bankrekening van één vennootschap vrijwel leeg was en op de andere rekening nog € 400.000 resteerde. De inleggers hebben tot op de dag van vandaag hun inleg niet terug gekregen; een bedrag van € 680.000 is verdampt. Het hof acht bewezen dat de verdachte een deel van de beleggers heeft opgelicht, dat de rest van het geld is verduisterd en dat hij geld heeft witgewassen, door het in de periode van een jaar steeds van de betreffende bankrekeningen af te halen, over te boeken, op te nemen en (in privé) voor andere doeleinden dan de aankoop van grond te gebruiken. Het hof acht voorts bewezen dat de verdachte rekening-courant overeenkomsten en addenda heeft vervalst.

De verdachte heeft met zijn handelen niet alleen het in hem persoonlijk als aanbieder van beleggingsproducten gestelde vertrouwen geschonden, maar heeft ook schade toegebracht aan het vertrouwen dat beleggers in zijn algemeenheid mogen en moeten hebben in de integriteit van het financiële en economische verkeer. De verdachte heeft zichzelf en zijn andere vennootschappen ten koste van de beleggers financieel bevoordeeld, hij heeft zijn handelen niet uit eigen beweging beëindigd en heeft, getuige ook zijn verklaringen in hoger beroep, geen enkel inzicht in het kwalijke van zijn handelen.

Uitgaande van een nadeelbedrag van ongeveer € 680.000,- en gezien de oriëntatiepunten inzake fraudedelicten is in dit geval een straf van 20 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is het hof van oordeel dat een dergelijke vrijheidsbenemende straf in beginsel gerechtvaardigd is. Dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zowel zakelijk als financieel grote gevolgen zal hebben, is een omstandigheid waarmee het hof geen rekening houdt. Dit zijn immers te verwachten consequenties van het handelen van de verdachte. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 november 2021 is hij bovendien eerder ter zake van (fiscale) fraude onherroepelijk veroordeeld.

Persbericht

De raadsman heeft gesteld dat door het doen uitgaan van een persbericht door het openbaar ministerie bij de verdachte reputatieschade is ontstaan. De identiteit van de verdachte is makkelijk te achterhalen geweest en dat levert een schending van de persoonlijke levenssfeer op in de zin van art. 8 EVRM.

Het uitgeven van een persbericht naar aanleiding van een verdenking, een aanhouding of het in voorlopige hechtenis nemen van een persoon, waarin de verdenking wordt beschreven is niet ongebruikelijk. In het geval de verdenking (nog gaande zijnde) beleggingsfraude betreft, kan van een dergelijk bericht mede een waarschuwende werking aan het publiek uitgaan. Overigens voldoet het persbericht qua inhoud van de informatie en toonzetting aan de kaders van terughoudendheid en zakelijkheid. Eventuele reputatieschade voor de verdachte is niet zozeer het gevolg van het persbericht als wel van de misdrijven waarvan de verdachte destijds werd verdacht en waarvoor hij thans heden wordt veroordeeld. Schending van art. 8 EVRM is dan ook niet aan de orde.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat ook de Autoriteit Financiële Markten – zij het een maand later – een persbericht heeft uitgebracht, mede ter waarschuwing van het beleggerspubliek. Ook als het persbericht van het openbaar miniserie achterwege zou zijn gebleven, had de AFM-melding vergelijkbare gevolgen gehad.

Voorlopige hechtenis met beperkingen

Voorts is aangevoerd dat er sprake is van een vormverzuim in de zin van art 359a Sv, dan wel dat de straf gematigd moet worden vanwege de schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde omdat de verdachte onnodig leed is toegebracht door de toepassing van beperkingen tijdens de voorlopige hechtenis, waartoe de noodzaak nimmer is gebleken.

De raadsman miskent dat mogelijke verzuimen bij de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen niet onder de werking van art. 359a Sv vallen en miskent ook het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken. Voor strafmatiging, zoals subsidiair voorgesteld door de raadsman, ziet het hof daarom evenmin aanleiding.

Het hof weegt in strafmatigende zin de volgende factoren mee.

Het hof komt tot een andere en minder vergaande bewezenverklaring dan de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal.

Het hof heeft ten slotte acht geslagen op de omstandigheid dat in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De verdachte is op 20 september 2017 aangehouden en verhoord, de rechtbank heeft vonnis gewezen op 29 januari 2019 en het hof doet uitspraak op

13 januari 2022. De redelijke termijn is zodoende in hoger beroep overschreden met een jaar.

Gezien het voorgaande acht het hof het, alles afwegende, passend en geboden de verdachte een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk op te leggen. Aangezien de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij zich als ondernemer nog steeds bezig houdt met de handel in grond, acht het hof het raadzaam aan de straf een proeftijd te verbinden van drie jaren, om zodoende gedurende langere tijd te voorkomen dat de verdachte opnieuw overgaat tot het plegen van feiten als de onderliggende. Om die zelfde reden zal het hof de verdachte ook voor een periode van 5 jaar ontzetten van het recht het beroep van aanbieder van beleggingsproducten uit te oefenen.

Beslag

Het onder 1 en 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven schriftelijke stukken. Deze worden door het hof beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen; de administratie van de verdachte ten behoeve van de beide projecten. Deze stukken zullen aan het verkeer worden onttrokken, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 28, 36b, 36c, 47, 57, 225, 321, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Van alle (vertegenwoordigers van de) (rechts)personen die geldbedragen hebben ingelegd in de beide fondsen zoals beschreven, hebben zich in eerste aanleg 79 (rechts)personen in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding aan (voornamelijk) materiële schade. De vorderingen van de benadeelde partijen die op de tenlastelegging van feit 1 staan vermeld zijn toegewezen door de rechtbank, alle overige benadeelde partijen zijn in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.

Alle benadeelde partijen, met uitzondering van [niet in hoger beroep gevoegde benadeelde partijen], hebben zich in hoger beroep gevoegd voor het bedrag van hun oorspronkelijke vordering.

Het hof heeft te oordelen over de vorderingen zoals die in hoger beroep zijn gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vorderingen van alle benadeelde partijen worden toegewezen tot het bedrag van hun inleg minus de uitbetaalde couponrente. Voor zover meer wordt gevorderd aan immateriële dan wel materiële schade dient de vordering te worden afgewezen.

De advocaat-generaal heeft voor wat betreft de hoogte van haar vordering verwezen naar een digitaal overzicht dat zij per e-mail van 15 december 2021 aan de verdediging en het hof heeft verzonden en dat in het dossier is gevoegd .

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen waarvan niet de natuurlijke persoon maar de vennootschap heeft ingelegd, niet ontvankelijk moeten worden verklaard.

De raadsman heeft overigens de vorderingen tot schadevergoeding niet betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Vertegenwoordiging

De natuurlijke personen die zich, als vertegenwoordiger van de rechtspersoon die heeft ingelegd, in het strafproces hebben gevoegd, moeten volgens de wet of de statuten bevoegd zijn tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon.

In het geval van de rechtspersonen [benadeelde partijen nummer 4, 7, 29, 70, 23, 27, 41, 51, 59, 53, 63, 65, 66 en 70] is een uittreksel uit het Handelsregister van de KvK gevoegd bij het schadeformulier waaruit blijkt dat sprake is van de (enige) bestuurder/ aandeelhouder van de rechtspersoon die bevoegd is deze te vertegenwoordigen.

Het hof acht de genoemde benadeelde partijen daarom ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Ambtshalve overweegt het hof als volgt.

-[benadeelde partij 14]: ter terechtzitting in hoger beroep was aanwezig de broer van deze benadeelde, [bewindvoerder] . [bewindvoerder] is, gezien een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 maart 2021, de bewindvoerder van zijn broer [benadeelde partij 14].

- [betrokkene 2] is als weduwe de rechthebbende nabestaande van [benadeelde partij 19].

- [betrokkene 3] is de rechthebbende nabestaande van [benadeelde partij 28] (gezien de machtiging in het schadevergoedingsformulier).

-[benadeelde partij 31] is de ouder/wettelijk vertegenwoordiger van [benadeelde partij 30] en [benadeelde partij 32] (gezien de beide schadevergoedingsformulieren).

-[benadeelde partij 53]: gezien het schadevergoedingsformulier is de BV geliquideerd en verricht de [eenmanszaak] zelf de afdoening van de liquidatie.

Het hof acht ook deze benadeelde partijen ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partijen zoals hieronder genoemd als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade hebben geleden tot na te melden geldbedragen. Het hof heeft het bedrag aan schade bepaald door van het ingelegde geldbedrag de uitbetaalde couponrente af te trekken (inleg minus rente is schade). Voor zover uit de inhoud van het dossier niet duidelijk is geworden of en hoeveel couponrente de betreffende benadeelde partij heeft ontvangen, heeft het hof ervoor gekozen om ten aanzien van deze benadeelde partijen – in het voordeel van de verdachte - een percentage van 6,5% als geschat rentebedrag in mindering te brengen op de inleg (dit betreft de benadeelde partijen 45, 68 en 70).

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vorderingen tot die bedragen zullen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hieronder vermeld.

Voor zover meer of anders is gevorderd dan het ingelegde geldbedrag is het hof van oordeel dat behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kunnen de benadeelde partijen daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kunnen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Bij het berekenen van de duur van de gijzeling is het hof uitgegaan van 360 dagen gedeeld door het aantal benadeelden, zodat het hof per toegekend schadebedrag 5 dagen gijzeling zal toepassen bij het niet (volledig) voldoen van die betalingsverplichting. Het hof heeft hierbij niet gedifferentieerd tussen de respectieve hoogten van de toegekende schadevergoedingen.

Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente eenvoudigweg bepalen op 16 augustus 2017, de datum waarop beslag is gelegd op de bankrekeningen van de verdachte, [BV1] en [BV2] .

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van aanbieder van beleggingsproducten voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: administratie; diverse schriftelijke stukken zoals vermeld op de bijgevoegde beslaglijst.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de volgende benadeelde partijen ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot de volgende geldbedragen ter zake van materiële schade:

1.[benadeelde partij 1] (€ 5.000 minus € 260,89 is) € 4.739,112.[benadeelde partij 2] (€ 15.000 minus € 798,69 is) € 14.201,313.[benadeelde partij 3] (€ 40.000 minus € 997,26 is) € 39.002,744.[benadeelde partij 4] (€ 5.000 minus € 266,23 is) € 4.733,775.[benadeelde partij 5] (€ 10.000 minus € 241,30 is) € 9.758,70

6.[benadeelde partij 6] (€ 20.000 minus € 732,80 is) € 19.267,207.[benadeelde partij 7] (€ 200.000 minus € 5.449,31 is) € 194.550,698.[benadeelde partij 8] (€ 5.000 minus € 251,98 is) € 4748,02

9.[benadeelde partij 9] (€ 15.000 minus € 568,97 is) € 14.431,0310.[benadeelde partij 10] (€ 50.000 minus € 2.304,37 is) € 47.695,63

11.[benadeelde partij 11] (€ 5.000 minus € 325,00 is) € 4.675,0012.[benadeelde partij 12] (€ 15.000 minus €398,01 is) € 14.601,9913.[benadeelde partij 13] (€ 5.000 minus € 134,45 is) € 4.865,5514.[benadeelde partij 14] (€ 40.000 minus € 1.075,61 is) € 38.924,3915.[benadeelde partij 15] (€ 2.500 minus € 135,78 is) € 2.364,2216.[benadeelde partij 16] (€ 5.000 minus € 271,57 is) € 4.728,4317.[benadeelde partij 17] (€ 15.000 minus € 645,45 is) € 14.354,5518.[benadeelde partij 18] (€ 2.500 minus € 77,46 is) € 2.422,5419.[benadeelde partij 19] (€ 30.000 minus € 1.387,25 is) € 28.612,7520.[benadeelde partij 20] (€ 5.000 minus € 251,09 is) € 4.748,91

21.[benadeelde partij 21] (€ 10.000 minus € 458,55 is) € 9.541,4522.[benadeelde partij 22] (€ 15.000 minus € 739,93 is) € 14.260,0723.[benadeelde partij 23] (€ 60.000 minus € 3.864,38 is) € 56.135,6224.[benadeelde partij 24] (€ 5.000 minus € 251,09 is) € 4.748,9125.[benadeelde partij 25] (€ 7.500 minus € 251,09 is) € 7.248,9126.[benadeelde partij 26] (€ 2.500 minus € 135,78 is) € 2.364,22

27.[benadeelde partij 27] (€ 10.000 minus € 302,73 is) € 9.697,2728.[benadeelde partij 28] (€ 5.000 minus € 245,75 is) € 4.754,2529.[benadeelde partij 29] (€ 20.000 minus € 1.300 is) € 18.70030.[benadeelde partij 30] (€ 2.500 minus € 142,46 is) € 2.357,54

31.[benadeelde partij 31] (€ 10.000 minus € 284,93 is) € 9.715,0732.[benadeelde partij 32] (€ 2.500 minus € 142,46 is) € 2.357,5433.[benadeelde partij 33] (€ 2.500 minus € 130,44 is) € 2.369,5634.[benadeelde partij 34] (€ 5.000 minus € 577,87 is) € 4.422,1335.[benadeelde partij 35] (€ 5.000 minus € 164,71 is) € 4.835,29

36.[benadeelde partij 36](€ 25.000 minus € 2.586,64 is) € 22.413,3637.[benadeelde partij 37] (€ 10.000 minus € 429,17 is) € 9.570,8338.[benadeelde partij 38] (€ 5.000 minus € 258,21 is) € 4.741,7939.[benadeelde partij 39] (€ 5.000 minus € 257,32 is) € 4.742,6840.[benadeelde partij 40] (€ 12.500 minus € 414,04 is) € 11.585,96

41.[benadeelde partij 41] (€ 7.500 minus € 697,50 is) € 6.802,5042.[benadeelde partij 42] (€ 5.000 minus € 259,99 is) € 4.740,01

43.[benadeelde partij 43] (€ 10.000 minus € 530,60 is) € 9.469,4044.[benadeelde partij 44] (€ 5.000 minus € 267,12 is) € 4.732,8845.[benadeelde partij 45] (€ 5.000 minus € 325 als geschat rentebedrag is) € 4.67546.[benadeelde partij 46](€ 5.000 minus € 228,83 is) € 4.771,1747.[benadeelde partij 47] (€ 10.000 minus € 536,02 is) € 9.463,9848.[benadeelde partij 48] (€ 5.000 minus € 248,42 is) € 4.751,5849.[benadeelde partij 49] (€ 10.000 minus € 495,06 is) € 9.504,9450.[benadeelde partij 50] (€ 25.000 minus € 1.130,81 is) € 23.869,29

51.[benadeelde partij 51]

( € 10.000 minus € 393,56 is) € 9.606,4452.[benadeelde partij 52] (€ 5.000 minus € 233,28 is) € 4.766,72

53.[benadeelde partij 53]

(€ 10.000 minus € 223,49 is) € 9.776,5154.[benadeelde partij 54] (€ 5.000 minus € 121,09 is) € 4.878,9155.[benadeelde partij 55] (€ 5.000 minus € 121,09 is) € 4.878,9156.[benadeelde partij 56] (€ 2.500 minus € 80,58 is) € 2.419,4257.[benadeelde partij 57] (€ 10.000 minus € 428,28 is) € 9.571,7258.[benadeelde partij 58] (€ 2.500 minus € 98,39 is) € 2.401,6159.[benadeelde partij 59] (€ 5.000 minus € 217,26 is) € 4.782,7460.[benadeelde partij 60] (€ 27.500 minus € 2.024,34 is) € 25.475,66

61.[benadeelde partij 61] (€ 5.000 minus € 146,02 is) € 4.853,98

62.[benadeelde partij 62] (€ 7.500 minus € 279,14 is) € 7.220,8663.[benadeelde partij 63] (€ 10.000 minus € 908,66 is) € 9.091,3464.[benadeelde partij 64] (€ 2.500 minus € 93,93 is) € 2.406,0765.[benadeelde partij 65] (€ 25.000 minus € 1.099,65 is) € 23.900,3566.[benadeelde partij 66] (€ 5.000 minus € 277,80 is) € 4.722,2067.[benadeelde partij 67] (€ 2.500 minus € 70,34 is) € 2.429,6668.[benadeelde partij 68] (€ 5.000 minus € 325 als geschat rentebedrag is) € 4.67569.[benadeelde partij 69] € 5.000 minus € 205,68 is) € 4.794,3270.[benadeelde partij 70] € 25.000 minus € 1.625 als geschat rentebedrag is) € 23.375,

waarvoor de verdachte telkens voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verklaart de benadeelde partijen - voor zover meer is gevorderd dan de hiervoor genoemde bedragen - voor het overige niet ontvankelijk in hun vordering en bepaalt dat de benadeelde partijen in zoverre hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Verwijst de verdachte telkens in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van de uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van elk van de hierboven genoemde slachtoffers, ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen ter hoogte van het hierboven per slachtoffer genoemde eindbedrag als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van voldoening.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 augustus 2017.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 360 (driehonderdzestig) dagen, waarbij per toegekend schadebedrag ten hoogste 5 dagen gijzeling wordt toegepast. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. R.D. van Heffen en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van

mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 januari 2022.

Mr. N.J.M. de Munnik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Bij de verwijzing naar bewijsmiddelen uit het FIOD dossier gaat het om processen-verbaal, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (AMB), dan wel om geschriften (Doc). Alle overige bewijsmiddelen zijn - voor zover niet anders vermeld - geschriften, gebezigd in samenhang met de overige bewijsmiddelen.

voorwoord informatiememorandum [BV1] en [BV2] , doc-015 en doc-016.

Uittreksel Kamer van Koophandel, doc-007, doc-008, doc-009 en doc-1, voetnoot 1.

voorwoord informatiememorandum [BV1] , doc-015, pagina 2.

Overzicht beleggers [BV1] , doc-034.

AMB-033, pagina 9.

Voorwoord informatiememorandum [BV2] , doc-016, pagina 2.

Doc-035 (€482.500) en AMB-053 (€ 41.000).

Doc-035.

AMB-053, pagina 2.

AMB-053, pagina 2.

Doc-034, doc-035 en AMB-053.

AMB-033, pagina 9 en 10.

AMB-033, pagina 11.

AMB-034.

Doc-053 overzicht banktransacties [BV3] en AMB-033, pagina 11.

AMB-033, pagina 18.

Brief van Aegon Bank NV van 17 augustus 2017, IBN-001-02.

Dorado Overzicht per datum van alle rekeningen, zijnde het excel-bestand dat op 10 december 2018 digitaal door de officier van justitie aan de rechtbank en de verdediging is verzonden. Dit bestand is niet in fysieke vorm in het dossier gevoegd.

AMB-027, -028 en -050.

AMB-004, pagina 5 en proces-verbaal van verhoor verdachte, V5-002 pagina 7.

AMB-039 p. 3 en Doc-012, p. 4.

Processen-verbaal van verhoor getuige [makelaar] door FIOD op 14 november 2017 (G-019) en door rechter-commissaris op 18 oktober 2018.

E-mail als bijlage A gevoegd bij e-mail van de raadsman aan het gerechtshof van 9 december 2021

Bijlage met e-mailberichten, aanvullende verklaring van [getuige 1] van 17 oktober 2018.

Proces-verbaal van verhoor J.A. [getuige 3] van 18 oktober 2018 bij de rechter-commissaris, p. 3.

Proces-verbaal van verhoor J.A. [getuige 3] van 18 oktober 2018 bij de rechter-commissaris, p. 3 en proces-verbaal van verhoor N. [getuige 4] van 18 oktober 2018 bij de rechter-commissaris, p. 2.

Doc-013, p. 2.

Doc-131, p. 16.

Doc-131, p. 15.

Doc-013, p. 1.

Deelnamebewijs Obligatielening [BV1] / [benadeelde partij 7] , Doc-135, p. 4.

Overzicht deelnemers [BV1] , Doc-034.

Proces-verbaal van verhoor van [benadeelde partij 67] bij de rechter-commissaris op 15 mei 2018, p. 3 en proces-verbaal van verhoor van E.J. [benadeelde partij 7] bij de rechter-commissaris op 15 mei 2018, p. 2.

Proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 september 2017, V05-003, p. 6 en 7.

Proces-verbaal van verhoor verdachte van 26 oktober 2017, V05-004, p. 3.

Dorado Overzicht per datum van alle rekeningen, zijnde het excel-bestand dat op 10 december 2018 digitaal door de officier van justitie aan de rechtbank en de verdediging is verzonden. Dit bestand is niet in fysieke vorm in het dossier gevoegd.

informatiememorandum [BV1] en [BV2] , doc-015 p. 21-23 en doc-016, p. 22 en 23.

Doc-092.

Doc-094.

Doc-091.

Doc-095.

Doc-116.

Doc-113.

Doc-118.

Doc-114.

AMB-037, pagina 2 en 3.

Doc-111.

Doc-099.

Doc-100.

Doc-101.

Doc-102.

Doc-103

Doc-112.

Proces-verbaal verhoor getuige S. [getuige 5] bij de rechter-commissaris van 25 mei 2018, p. 2 en 3.

Doc-105.

Doc-106.

Doc-107.

Doc-112.

Doc-034, doc-035 en AMB-053.

AMB-033, pagina 9, 10 en 11.

AMB-033, pagina 11.

AMB-033, pagina 11.

AMB-033, pagina 14.

AMB-033, pagina 15.

Proces-verbaal van verhoor verdachte, V05-004, pagina 3.

Doc-048.

Dorado Overzicht per datum van alle rekeningen, zijnde het excel-bestand dat op 10 december 2018 digitaal door de officier van justitie aan de rechtbank en de verdediging is verzonden. Dit bestand is niet in fysieke vorm in het dossier gevoegd.

Doc-034 [BV1] ), Doc-035 en AMB-053 ( [BV2] ), deelnameformulieren in Doc-050 tot en met

Doc-051 en Doc-077 tot en met Doc-088.

Map per benadeelde partij, los in het dossier en bijgevoegde lijst met de oorspronkelijke vordering per benadeelde partij.

Doc-064 overzicht en Doc-050 tot en met Doc-051, Doc-077 tot en met Doc-088.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature