< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

kinderalimentatie .

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.281.990/ 01

zaaknummer rechtbank: C/13/666004 / FA RK 19-2757 (CO/RW)

beschikking van de meervoudige kamer van 15 juni 2021 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.J.C.M. Karskens te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S. Jurkovich te Amsterdam (voorheen mr. A. Yandere te Den Haag).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 16 juni 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 11 augustus 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 16 juni 2020.

2.2

De vrouw heeft op 28 september 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 24 januari 2021 met bijlage, ingekomen op dezelfde dag;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 2 februari 2021 met bijlagen, ingekomen op dezelfde dag.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw.

De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het (op [datum] 2006 gesloten) huwelijk van partijen is op [datum] 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 januari 2014.

Uit hun huwelijk is geboren [kind] op [geboortedatum] 2009. [kind] woont bij de vrouw.

3.2

In het aan de echtscheidingsbeschikking gehechte ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat zij, zolang zij samenwonen en de opvoeding van [kind] gezamenlijk op zich nemen, in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] naar rato van hun inkomen bijdragen en dat zij jaarlijks zullen nagaan of zich een wijziging in hun situatie of in die van [kind] heeft voorgedaan op grond waarvan een bijdrage voor [kind] zal moeten worden vastgesteld.

Sinds 17 december 2014 staan de vrouw en [kind] op een ander adres dan de man ingeschreven.

3.3

Bij beschikking van 7 maart 2018 van de rechtbank is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] bepaald van € 243,- per maand met ingang van 3 mei 2017. Na indexering bedroeg de bijdrage in 2018 € 247,- per maand, in 2019 € 252,- per maand en in 2020 € 258,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is afgewezen het verzoek van de man om - naar het hof begrijpt -, met wijziging van de beschikking van 7 maart 2018 van de rechtbank in zoverre,

- primair de bijdrage voor [kind] te wijzigen met ingang van 7 maart 2018;

- subsidiair de bijdrage voor [kind] te wijzigen met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift;

- meer subsidiair de bijdrage voor [kind] te wijzigen met ingang van de datum van verlies van verdiencapaciteit door de man;

- meest subsidiair een zodanige bijdrage voor [kind] te bepalen als de rechtbank juist zou achten.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking en met wijziging van de beschikking van 7 maart 2018 in zoverre, de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] met ingang van 1 januari 2018 primair op nihil te stellen en subsidiair op € 25,- per maand, althans een zodanige bijdrage te bepalen als het hof juist zal achten.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij thans verzoekt de bijdrage met ingang van 3 mei 2017 op € 239,- per maand te bepalen, met ingang van 1 januari 2018 op € 243,- per maand en de bijdrage op nihil te stellen met ingang van 1 januari 2019.

4.3

De vrouw verzoekt om de verzoeken van de man af te wijzen, althans de bijdrage met ingang van 1 januari 2019 op € 25,- per maand te bepalen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Zoals hiervoor onder 4.2 is weergegeven, heeft de man zijn verzoek ter zitting in hoger beroep gewijzigd, welke wijziging hij als volgt heeft toegelicht.

In de beschikking van 7 maart 2018 heeft de rechtbank de behoefte van [kind] bepaald op € 253,- in 2014, dit bedrag geïndexeerd naar 2018 (uitkomend op € 268,- per maand) en daarvan de draagkracht van de vrouw van € 25,- per maand afgetrokken (uitkomend op € 243,- per maand). De man wijst erop dat de ingangsdatum is bepaald op 3 mei 2017 zodat de behoefte van [kind] naar 2017 had moeten worden geïndexeerd (resulterend in een bedrag van € 264,- per maand) en dat daarvan de draagkracht van de vrouw van € 25,- per maand had moeten worden afgetrokken, resulterend in een bijdrage van € 239,-. De man wenst dit thans recht te zetten.

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep ermee ingestemd dat de bijdrage voor [kind] met ingang van 3 mei 2017 € 239,- per maand zal bedragen. Nu voorts uit de beschikking van 7 maart 2018 blijkt dat de draagkracht van de man is gebaseerd op de gemiddelde winst van zijn eenmanszaak in 2016 en 2017, zal het hof het verzoek van de man toewijzen.

5.2

Ook overigens wenst de man wijziging van de beschikking van 7 maart 2018 nu hij op 15 december 2018 zijn eenmanszaak heeft gestaakt en hij dus minder draagkracht heeft. Het resultaat van zijn onderneming bedroeg in de jaren 2016, 2017 en 2018 achtereenvolgens € 41.071,-, € 32.485,- en € 19.104,-.

De man heeft ter zitting in hoger beroep erkend dat hij, gezien het resultaat over 2018, in dat jaar nog voldoende draagkracht had om een bijdrage van € 243,- per maand (na indexering) te betalen voor [kind] . Derhalve zal het hof deze bijdrage vaststellen.

5.3

De man was sinds 1 september 2018 in deeltijd (parttime factor 65,789) werkzaam in loondienst bij restaurant [naam restaurant] . Gezien de aangifte IB 2019 bedroeg zijn loon dat jaar € 15.282,-. Blijkens loonstroken van januari tot en met april 2020 bedroeg zijn loon € 1.243,- bruto per maand. Door de uitbraak van Covid-19 en de daarop volgende sluiting van het restaurant is hij die baan verloren. De man heeft geen WW-uitkering aangevraagd en leefde van zijn spaargeld. Daarvan heeft hij bovendien bijgedragen in de kosten van [kind] en de vrouw nadat hun woning op 29 september 2020 door een brand werd verwoest, waarbij de gehele inboedel verloren is gegaan; zij hebben toen enkele weken bij de man verbleven. Sindsdien verblijft [kind] (ten minste) een weekend per veertien dagen bij de man, aldus de man.

5.4

Op grond van het fiscaal loon van de man in 2019 en rekening houdend met zijn forfaitair rendement uit sparen heeft de man zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) op € 1.146,- per maand becijferd, welke berekening het hof overneemt en tot de zijne maakt.

De draagkracht van de man wordt met ingang van 1 januari 2019 vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachttabel, nu het een NBI betreft dat lager is dan € 1.625,- per maand. Uitgaande van die tabel leidt het inkomen van de man tot een beschikbare draagkracht van € 25,- per maand.

De vrouw heeft niet gemotiveerd betwist dat de man zijn baan bij het restaurant in april 2020 is verloren. Het hof gaat ervan uit dat de man ook toen nog voldoende draagkracht had om de minimale bijdrage van € 25,- per maand voor [kind] te voldoen, reeds gelet op het feit dat de man (in 2019 nog) over een zodanig box-3 vermogen beschikte dat de rendementsgrondslag daarvan € 60.846,- bedroeg.

Voor zover de man bedoeld heeft te stellen dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting, komt het hof daaraan niet meer toe nu de man slechts de minimumbijdrage voldoet.

5.5

Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalings-verplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Dat geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde bijdrage.

Door de man is onweersproken gesteld dat hij nimmer een bijdrage aan de vrouw heeft voldaan en dat zij geen executiemaatregelen heeft getroffen. Voor haar bestaat derhalve geen terugbetalingsverplichting.

5.6

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] met ingang van 3 mei 2017 op € 239,- (TWEEHONDERD NEGENENDERTIG EURO) per maand, met ingang van 1 januari 2018 op € 243,- (TWEEHONDERD DRIEËNVEERTIG EURO) per maand en met ingang van 1 januari 2019 op € 25,- (VIJFENTWINTIG EURO) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. A.N. van de Beek en mr. J.A. van Keulen, bijgestaan door de griffier, en is op 15 juni 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature