< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

In zaken die behandeld worden door een advocatenkantoor, geeft een medisch adviseur advies. De medisch adviseur overlijdt. Er ontstaat een geschil tussen de erfgenamen van de medisch adviseur en advocaten van het advocatenkantoor. Wie is contractspartij aan de zijde van het advocatenkantoor? Rekening en verantwoording. Voldoet de exhibitievordering aan de eisen? Verschoningsrecht advocaat.

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.255.983/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/636780 / HA ZA 17-1049

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 juni 2021

inzake

1 [appellante sub 1] ,

2. [X jr.],

ieder voor zichzelf en in hun hoedanigheid van erfgenamen van

[X] ,

beiden wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellanten,

tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat: mr. R.A.I. Thuys te Diemen,

tegen

1 [advocaat A] ,

kantoorhoudende te [plaats 1] ,

2. [advocaat B],

kantoorhoudende te [plaats 1] ,

3. [advocaat C],

kantoorhoudende te [plaats 1] ,

geïntimeerden,

tevens incidenteel appellanten,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellante sub 1] , [X jr.] , [advocaat A] , [advocaat B] en [advocaat C] genoemd. [appellante sub 1] en [X jr.] worden gezamenlijk [appellanten] . genoemd. [advocaat A] , [advocaat B] en [advocaat C] worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellanten] is bij dagvaarding van 27 februari 2019 in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2018, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie, verweerders in voorwaardelijke reconventie en (onder meer) [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eisers in voorwaardelijke reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens akte houdende wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord, tevens incidenteel appel, tevens antwoordakte houdende wijziging van eis, met producties;

- akte overlegging productie zijdens [geïntimeerden] , met een productie;

- memorie van antwoord in het incidentele appel;

- akte zijdens [geïntimeerden] ;

- antwoordakte in het incidentele appel zijdens [appellanten]

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 april 2021. [appellanten] hebben daar hun standpunt doen toelichten door mr. Thuys voornoemd. [geïntimeerden] hebben hun standpunt doen toelichten door [advocaat B] voornoemd die via een beeldverbinding heeft deelgenomen aan de zitting. Beiden hebben zich bediend van schriftelijke aantekeningen waarvan exemplaren zijn overgelegd of toegezonden. [appellanten] hebben bij deze gelegenheid nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

In principaal hoger beroep hebben [appellanten] geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en hun in hoger beroep gewijzigde eis zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in principaal hoger beroep.

[geïntimeerden] hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met hoofdelijke veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellanten] in de volledige kosten van het geding in principaal hoger beroep.

In incidenteel hoger beroep hebben [geïntimeerden] geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, voor zover daarbij de proceskosten van het geding in eerste aanleg niet op de volledige kosten zijn begroot, en [appellanten] alsnog zal veroordelen in de volledige kosten van het geding in eerste aanleg.

[appellanten] hebben in incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat het hof dat zal afwijzen, met hoofdelijke veroordeling in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover deze feiten in hoger beroep niet in geschil zijn, dienen zij ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat en aangevuld met andere vaststaande feiten komen de feiten op het volgende neer.

2.1

Op [datum] 2013 is dr. [X] overleden (hierna: [X] ). Zijn erfgenamen zijn [appellante sub 1] (zijn weduwe) en [X jr.] (zijn zoon). [X] was arts en werkzaam als medisch adviseur. Hij gaf medisch advies in zaken over letsel- en personenschade. Hij heeft ook medisch advies gegeven in zaken die behandeld werden door [naam advocatenkantoor] .

2.2

[naam advocatenkantoor] is een advocatenkantoor dat gespecialiseerd is in rechtsbijstand aan slachtoffers bij letsel- en overlijdensschade. Verschillende vennootschappen treden naar buiten onder de naam [naam advocatenkantoor] . Deze vennootschappen maken deel uit van een juridische structuur. [advocaat A] is de enig aandeelhouder (ubo) en bestuurder van de hoogste vennootschap in die structuur. [advocaat A] , [advocaat B] en [advocaat C] zijn alle drie in loondienst werkzaam bij één van de vennootschappen die naar buiten treden onder de naam [naam advocatenkantoor] .

2.3

De door [naam advocatenkantoor] behandelde zaken waarin [X] advies heeft gegeven, kunnen worden onderverdeeld in ‘reguliere’ zaken en ‘no cure no pay’-zaken. In een brief van 24 januari 2005, gesteld op briefpapier van [naam advocatenkantoor] , zijn voor sommige zaken afspraken vastgelegd tussen [X] en een stichting die onder de naam Nederlandse Letselstichting handelde en in die zaken optrad als procesfinancier. In andere zaken trad (in elk geval) een vennootschap genaamd Löwenstein Litigation B.V. op als procesfinancier.

2.4

Na het overlijden van [X] hebben [appellanten] herhaalde verzoeken aan [naam advocatenkantoor] gedaan om duidelijkheid te verkrijgen over zaken waarbij [naam advocatenkantoor] en [X] betrokken zijn geweest.

2.5

Bij brief van 5 mei 2014 heeft mr. [notaris] , notaris te [plaats 2] , (hierna: de notaris) vragen aan [advocaat A] gesteld naar aanleiding van stukken die hij had aangetroffen in de nalatenschap van [X] .

2.6

Bij brief van 21 augustus 2014 heeft [advocaat A] een overzicht aan de notaris gestuurd, dat samengevat weergegeven het volgende vermeldt:

a. in de periode 31 januari 2012-20 mei 2014 heeft [naam advocatenkantoor] notabedragen voor [X] ontvangen van in totaal:

€ 26.042,- + € 29.532,65 = € 55.574,65;

b. in 2012 heeft [naam advocatenkantoor] leningen aan [X] verstrekt van in totaal € 47.600,-;

c. per 20 mei 2014 resulteert een saldo dat aan de nalatenschap toekomt van:

€ 55.574,65 - € 47.600,- = € 7.974,65.

Bij brief van 29 april 2016 heeft [advocaat A] een soortgelijk overzicht aan de notaris gestuurd, dat vermeldt dat het saldo dat aan de nalatenschap toekomt, per 2 februari 2016 € 20.613,90 bedraagt. Dat bedrag heeft [naam advocatenkantoor] overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de toenmalige advocaat van [appellanten] Soortgelijke door [naam advocatenkantoor] opgestelde overzichten vermelden de volgende saldi:

per 3 oktober 2017 € 3.072,-

per 23 april 2018 € 714,-

per 12 juni 2019 € 297,50

Ook die bedragen heeft [naam advocatenkantoor] overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de toenmalige advocaat van [appellanten]

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg hebben [appellanten] , kort samengevat, in conventie gevorderd dat de rechtbank aan [geïntimeerden] (en andere gedaagden) beveelt dat zij aan [appellanten] of aan een derde afschrift verstrekken van of inzage verschaffen in:

- primair een aantal nader aangeduide patiëntendossiers;

- subsidiair een overzicht van zaken waarbij [X] betrokken was, met vermelding van nader aangeduide informatie.

Meer subsidiair hebben zij gevorderd dat de rechtbank beveelt dat afschrift van de patiëntendossiers wordt verstrekt of inzage in de patiëntendossiers wordt verschaft aan een derde die verplicht is tot geheimhouding.

In voorwaardelijke reconventie hebben [geïntimeerden] vorderingen ingesteld voor het geval de vordering in conventie zou worden toegewezen.

De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen (en is daarom niet toegekomen aan de beoordeling van de vorderingen in voorwaardelijke reconventie).

3.2

In hoger beroep hebben [appellanten] hun eis gewijzigd. Hun eis in hoger beroep bevat de vorderingen I, II (onder A, B en C) en III, zoals hierna zal worden weergegeven.

3.3

[appellanten] hebben in principaal hoger beroep drie grieven aangevoerd.

3.4

De eerste grief is gericht tegen de vaststelling van de rechtbank dat de hiervoor in rov. 2.3 bedoelde brief van 24 januari 2015 afspraken behelst voor “de NCNP-dossiers”. Hiermee heeft het hof reeds rekening gehouden in zijn eigen feitenvaststelling.

3.5

Het hof zal de zaak per vordering behandelen. De tweede en de derde grief komen daarbij aan de orde waar zij van belang zijn voor de beoordeling van het desbetreffende geschilpunt.

3.6

Vordering I strekt, samengevat weergegeven, tot hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van € 86.717,-, met rente.

3.7

[geïntimeerden] hebben onder meer aangevoerd dat [X] nooit met een of meer van hen is overeengekomen dat een of meer van hen zelf in privé zouden dienen te betalen voor de werkzaamheden van [X] . Het hof ziet aanleiding dit betoog eerst te beoordelen.

3.8

[appellanten] dragen de stelplicht (en bewijslast) van de stelling dat [X] met [advocaat A] , [advocaat B] en/of [advocaat C] is overeengekomen dat [advocaat A] , [advocaat B] en/of [advocaat C] zouden betalen voor de werkzaamheden van [X] ten behoeve van de zaken die zij bij [naam advocatenkantoor] in behandeling hadden. Hun vordering I tot betaling is immers op die stelling gebaseerd. [appellanten] hebben in elk geval geen andere stelling ingenomen waarop die vordering kan worden gebaseerd.

3.9

De beantwoording van de vraag of iemand bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam en dus als contractspartij heeft opgetreden of als vertegenwoordiger van een ander, waarbij die ander dus als contractspartij moet worden aangemerkt, hangt af van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877 (Kribbebijter); HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034).

3.10

Bij de stukken bevinden zich diverse brieven met als briefhoofd:

[advocaat A]

gezondheidsrecht en letselschade

‒ ADVOCATEN ‒

Op brieven van [advocaat B] uit 2007 en oudere brieven van advocaten van [naam advocatenkantoor] aan [X] staat onderaan:

“De praktijkvennootschappen van [naam advocatenkantoor] zijn verzekerd (…)”.

Op brieven uit 2012 op briefpapier van [naam advocatenkantoor] aan [X] staat onderaan:

“Werkzaamheden worden door ons uitsluitend verricht door op grond van een overeenkomst van opdracht met de besloten vennootschap die in het briefhoofd staat vermeld.”

In het algemeen ligt het niet voor de hand dat advocaten op eigen naam met derden contracteren bij het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van cliënten. Dit ligt nog minder voor de hand als het briefpapier waarvan zij zich bedienen, melding maakt van het bestaan van vennootschappen. In het licht van die vermeldingen en tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerden] hebben [appellanten] onvoldoende hun stelling toegelicht dat [X] bij de aanvaarding van enige opdracht aannam en mocht aannemen dat hij contracteerde met enige advocaat van [naam advocatenkantoor] in privé als contractspartij (in plaats van met het samenwerkingsverband [naam advocatenkantoor] en/of een of meer van de praktijkvennootschappen van [naam advocatenkantoor] ). In het midden kan blijven of [X] ook contracteerde met een procesfinancier en zo ja in welke gevallen (al dan niet in aanvulling op een overeenkomst die hij sloot met [naam advocatenkantoor] en/of een of meer van de praktijkvennootschappen van [naam advocatenkantoor] ). Daarom hebben [appellanten] onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat zij enige vordering tot betaling hebben op [advocaat A] , [advocaat B] en/of [advocaat C] in privé. [appellanten] hebben zich voor wat betreft hun vordering op [advocaat A] ook nog beroepen op brieven van [advocaat A] van 29 november 2013 en 21 augustus 2014, maar die brieven zijn niet aan [X] gericht en zij zijn geschreven nadat [X] was overleden. Die brieven zijn dus niet van belang voor de vraag wat [X] uit de verklaringen en gedragingen van [advocaat A] heeft afgeleid en heeft mogen afleiden. Hierop stuit vordering I tot betaling, die niet is gericht tegen het samenwerkingsverband [naam advocatenkantoor] of tegen een of meer van de praktijkvennootschappen, in haar geheel af.

3.11

Vordering II onder A strekt ertoe dat [geïntimeerden] wordt bevolen van elf nader aangeduide zaken de volgende bescheiden te verstrekken, of inzage erin te verschaffen:

- administratieve documenten;

- overeenkomsten tussen [X] , [geïntimeerden] en/of de procesfinancier (door [appellanten] aangeduid als de NCNP-organisatie);

- correspondentie tussen [X] en [geïntimeerden] ;

- overige stukken;

alles voor zover zij antwoord geven op de volgende vragen:

1. Ten aanzien van de status van het dossier:

a. is het dossier afgewikkeld, en zo ja onder welke condities?

b. als het dossier niet afgewikkeld is: is het dossier nog in behandeling, of is het dossier overgedragen c.q. heeft de betrokken adviseur zich teruggetrokken?

2. met welke (rechts)personen zijn afspraken gemaakt omtrent de vergoeding van de kosten voor medisch advieswerk door [X] in ieder dossier en wat behelzen die afspraken?

3. welke betalingen zijn aan [X] verricht in ieder dossier? Heeft verrekening plaatsgevonden van de aan [X] toekomende vergoeding met vorderingen van de betrokken advocaat of rechtspersoon op [X] ?

3.12

[geïntimeerden] hebben zich onder meer op hun verschoningsrecht beroepen. Zij hebben aangevoerd dat de gevraagde bescheiden aan hen zijn toevertrouwd in hun hoedanigheid van advocaat.

3.13

[appellanten] hebben hiertegen aangevoerd dat de bescheiden niet uitsluitend uit hoofde van hun beroep aan [geïntimeerden] ter beschikking staan en dat de bescheiden noodzakelijk zijn voor de nakoming van de aan [X] verstrekte opdracht. Verder hebben [appellanten] aangevoerd dat indien een advocaat bij de behandeling van een zaak diensten van derden inroept, de advocaat ingevolge de gedragsregels voor advocaten moet instaan voor de aan die derden toekomende vergoedingen en honoraria. Deze regel zou volgens [appellanten] een dode letter zijn, indien advocaten zich ten aanzien van de financiële afwikkeling van een NCNP-dossier op een verschoningsrecht zouden kunnen beroepen.

3.14

Het beroep van [geïntimeerden] op hun verschoningsrecht slaagt. [appellanten] hebben niet voldoende gemotiveerd betwist dat de door hen bedoelde bescheiden (mede) gegevens (kunnen) bevatten die aan [geïntimeerden] zijn toevertrouwd in hun hoedanigheid van advocaat. [geïntimeerden] hebben zich op het standpunt gesteld dat de bedoelde bescheiden gegevens bevatten waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim. Het hof dient dat standpunt te eerbiedigen. De uitzondering dat redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is, doet zich niet voor. Anders dan [appellanten] hebben aangevoerd, kan nakoming van de verplichting van advocaten om in te staan voor de vergoedingen en honoraria van derden die de advocaat inroept bij de behandeling van een zaak, in beginsel ook afgedwongen worden zonder dat bescheiden aan die derden worden verstrekt en ter inzage worden verschaft die onder het verschoningsrecht van de advocaat vallen.

3.15

Vordering II onder A stuit af op het voorgaande.

3.16

Vordering II onder B strekt ertoe dat [geïntimeerden] wordt bevolen van elf nader aangeduide zaken de volgende bescheiden op te stellen en afschrift ervan te verstrekken of inzage erin te verschaffen aan [appellanten] of een derde:

1. vermelding van de status van ieder dossier, waarbij de volgende vragen beantwoord worden:

a. is het dossier afgewikkeld, en zo ja onder welke condities?

b. als het dossier niet afgewikkeld is: is het dossier nog in behandeling, of is het dossier overgedragen c.q. heeft de betrokken adviseur zich teruggetrokken?

2. met welke (rechts)personen zijn afspraken gemaakt omtrent de vergoeding van de kosten voor medisch advieswerk door [X] in ieder dossier en wat behelzen die afspraken?

3. welke betalingen zijn aan [X] verricht per dossier? Heeft verrekening plaatsgevonden van de aan [X] toekomende vergoeding met vorderingen van de betrokken advocaat of rechtspersoon op [X] ?

3.17

Bij de beoordeling van deze vordering stelt het hof het volgende voorop (3.18-3.22).

3.18

[geïntimeerden] hebben omschreven welke vormen van samenwerking er volgens hen hebben bestaan tussen [naam advocatenkantoor] en [X] . Ten eerste verstrekte [X] medisch advies aan cliënten van [naam advocatenkantoor] . Wanneer een aansprakelijke verzekeraar of iemand anders in verband daarmee een nota ten behoeve van [X] betaalde op een van de kantoorrekeningen van [naam advocatenkantoor] , ontstond voor [naam advocatenkantoor] de verplichting om het ontvangen bedrag door te betalen aan [X] . Ten tweede gold tussen [X] en bepaalde procesfinanciers de afspraak dat [X] in bepaalde zaken onder bepaalde omstandigheden een bonus zou ontvangen. In die zaken had [naam advocatenkantoor] de taak om schadevergoedingen die binnenkwamen op de derdengeldenrekening van [naam advocatenkantoor] , overeenkomstig die afspraken door te betalen, onder meer aan [X] . Verder hebben de boekhouders van [naam advocatenkantoor] geregeld bij leven van [X] uitgezocht hoe het precies zat en daarvan overzichtjes en vastleggingen gemaakt, aldus [geïntimeerden]

3.19

Verder staat tussen partijen vast dat verschillende praktijkvennootschappen naar buiten treden onder de naam [naam advocatenkantoor] . Deze vennootschappen maken deel uit van een juridische structuur. [advocaat A] is de enig aandeelhouder en bestuurder van de hoogste vennootschap in die structuur (zie rov. 2.2 hiervoor).

3.20

Ook staat tussen partijen vast dat [advocaat A] brieven met overzichten naar de notaris en naar de toenmalige advocaat van [appellanten] heeft gestuurd en heeft bewerkstelligd dat de financiële administratie van [naam advocatenkantoor] betalingen heeft verricht op de derdengeldenrekening van de toenmalige advocaat van [appellanten] (zie rov. 2.6 hiervoor). Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [advocaat A] verklaard dat er nog altijd af en toe gelden op de derdengeldenrekening van [naam advocatenkantoor] binnenkomen die (gedeeltelijk) dienen te worden doorbetaald aan [appellanten]

3.21

Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089).

3.22

Uit het voorgaande leidt het hof een verplichting van [advocaat A] af om (binnen nader te onderzoeken grenzen) rekening en verantwoording af te leggen, aanvankelijk aan [X] en sinds diens overlijden aan [appellanten] Voor dit oordeel is niet van belang (a) met welke van de vennootschappen die onder de naam [naam advocatenkantoor] naar buiten treden, (b) met welke procesfinanciers en/of (c) met welke cliënten van [naam advocatenkantoor] [X] heeft gecontracteerd.

3.23

Tegen de achtergrond van voorgaande vooropstelling gaat het hof over tot beoordeling van vordering II onder B. Hiertoe loopt het hof de verschillende vereisten langs die in art. 843a Rv worden genoemd.

3.24

Voor toewijzing van een vordering op de voet van art. 843a Rv is ingevolge lid 1 vereist dat eiser een rechtmatig belang daarbij heeft. [appellanten] hebben aangevoerd dat zij de verzochte informatie nodig hebben om te kunnen beoordelen of zij als rechtsopvolgers van [X] nog vorderingen hebben uit hoofde van zaken die behandeld werden door [naam advocatenkantoor] en waarin [X] medisch advies heeft gegeven, en zo ja, of [geïntimeerden] schuldenaren van die vorderingen zijn.

3.25

De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellanten] een rechtmatig belang erbij hebben te kunnen nagaan of alles is betaald over de periode nadat [X] ziek werd en na enige tijd overleed, dan wel of nog een vordering resteert (rov. 4.5, eerste volzin). De rechtbank heeft in het vervolg van die rechtsoverweging echter ook geoordeeld dat er geen enkel aanknopingspunt te vinden is voor een mogelijke vordering van [appellanten] , gelet op de overzichten die [advocaat A] heeft verstrekt en de betalingen die [naam advocatenkantoor] heeft gedaan. Daarom ontbreekt het rechtmatig belang, aldus de rechtbank.

3.26

Tegen dat laatste oordeel komen [appellanten] in hoger beroep terecht op met hun derde grief. In hoger beroep hebben [appellanten] de namen genoemd van elf cliënten, van wie de namen voorkomen op conceptdeclaraties of brieven die zij hebben aangetroffen in de nalatenschap van [X] . Uit de door [advocaat A] verstrekte overzichten kan niet worden afgeleid of er nog vorderingen resteren met betrekking tot deze elf cliënten. [appellanten] hebben er een rechtmatig belang bij dat zij in staat worden gesteld dat na te gaan. Niet is vereist dat [appellanten] thans kunnen concretiseren hoe groot hun mogelijke vorderingen met betrekking tot deze elf cliënten zijn en op welke schuldenaren zij die vorderingen hebben. Dat willen zij juist onderzoeken.

3.27

Voor toewijzing van een vordering op de voet van art. 843a Rv is verder vereist dat de vordering ziet op ‘bepaalde’ bescheiden, dus dat de bescheiden waarop de vordering ziet, met voldoende bepaaldheid zijn aangeduid. De rechtbank heeft overwogen dat de vordering betrekking heeft op patiëntendossiers/zaken zoals vermeld in de 71 pagina’s tellende productie 6 van [appellanten]

3.28

Ook tegen dat oordeel komen [appellanten] in hoger beroep terecht op met hun derde grief (te beoordelen naar de stand van zaken zoals die is ten tijde van de beoordeling door het hof). In hoger beroep ziet hun vordering nog slechts op elf cliënten. Ook overigens is vordering II sub B thans voldoende gespecificeerd voor het oordeel dat zij ziet op ‘bepaalde’ bescheiden.

3.29

Voor toewijzing van een vordering op de voet van art. 843a Rv is verder vereist dat de vordering ziet op bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Niet is betwist dat [X] als rechtsvoorganger van [appellanten] partij was bij de rechtsbetrekking waarover de gevraagde bescheiden gaan. Aan dit vereiste is dus voldaan. Een vordering op de voet van art. 843a Rv kan niet alleen worden ingesteld tegen wederpartijen bij die rechtsbetrekking, maar ook tegen derden die geen partij zijn bij die rechtsbetrekking (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834).

3.30

Voor toewijzing van een vordering op de voet van art. 843a Rv is vereist dat degene tegen wie de vordering is ingesteld, de bescheiden tot zijn beschikking heeft of onder zijn berusting heeft. Hieraan kan ook voldaan zijn indien de bescheiden zich bij een derde bevinden en degene tegen wie de vordering is ingesteld met een redelijkerwijs van hem te verwachten inspanning de bescheiden ter beschikking kan krijgen, al dan niet met een beroep op een machtiging van degene die de eis heeft ingesteld. Indien de bescheiden onder [naam advocatenkantoor] of een of meer van de praktijkvennootschappen van [naam advocatenkantoor] berusten, is aan die eis voldaan. Anders dan [geïntimeerden] hebben aangevoerd, is daarvoor niet nodig dat [geïntimeerden] een eigen recht jegens [naam advocatenkantoor] hebben in verband met de bescheiden. Geen rechtsregel uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming of uit andere bron verzet zich ertegen dat een vennootschap zich bedient van natuurlijke personen bij het verstrekken van afschrift of bij het verschaffen van inzage.

Nu [advocaat A] de enig aandeelhouder en bestuurder van de hoogste vennootschap in vennootschappenstructuur van [naam advocatenkantoor] is en hij ook degene is die kennelijk in staat is de overzichten te doen opstellen die via hem aan de notaris en aan de toenmalige advocaat van [appellanten] zijn verstrekt, moet worden aangenomen dat [advocaat A] de bescheiden tot zijn beschikking heeft of onder zijn berusting heeft in de zin van art. 843a Rv. Dat geldt niet voor [advocaat B] en [advocaat C] . Zij zijn in loondienst van een van de vennootschappen in vennootschappenstructuur van [naam advocatenkantoor] . Dat is onvoldoende om te kunnen oordelen dat zij de bescheiden tot hun beschikking of onder hun berusting hebben. Vordering II sub B is daarom niet toewijsbaar voor zover die tegen [advocaat B] en [advocaat C] is gericht.

3.31

Op grond van het voorgaande moet geoordeeld worden dat wat de vordering tegen [advocaat A] betreft, is voldaan aan de vereisten van art. 843a lid 1 Rv. De vordering kan op grond van het voorgaande ook niet worden aangemerkt als een ‘fishing expedition’. Het andersluidende oordeel van de rechtbank wordt met succes bestreden in de derde grief.

3.32

[geïntimeerden] hebben zich ook in hun verweer tegen vordering II sub B op hun verschoningsrecht beroepen (zie art. 843a lid 3 Rv).

3.33

Bij vordering II sub B gaat het echter om “op te stellen” bescheiden. De op te stellen bescheiden dienen vragen te beantwoorden als in de vordering geformuleerd. Al die vragen zien uitsluitend op de financiële afwikkeling van de zaken van de cliënten, voor zover van belang voor de vraag of [appellanten] nog vorderingen in verband met die zaken hebben en zo ja, tot welke bedragen, onder welke voorwaarden (als het voorwaardelijke vorderingen zijn) en op welke schuldenaar of schuldenaren. Het is mogelijk die vragen te beantwoorden zonder dat daardoor gegevens verstrekt worden die vallen onder het verschoningsrecht van [geïntimeerden] Daarvoor zijn geen medische gegevens nodig en geen gegevens met betrekking tot de processtrategie van [naam advocatenkantoor] in de zaken van die cliënten. Bij het slot van de eerste vraag onder a (“welke condities”) zal het hof in het dictum verduidelijken dat betalingscondities zijn bedoeld. Over het slot van de tweede vraag (“wat behelzen die afspraken”) merkt het hof op dat die klaarblijkelijk slechts ziet op afspraken omtrent de vergoeding van de kosten voor medisch advieswerk door [X] . Het beroep op het verschoningsrecht faalt dus. Er kan redelijkerwijze geen twijfel over bestaan dat de bij vordering II onder B gevraagde bescheiden geen gegevens zullen bevatten waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim.

3.34

De aangesprokene is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn (art. 843a lid 4 Rv). [geïntimeerden] hebben echter geen andere gewichtige redenen genoemd dan hun beroep op het verschoningsrecht en hun belang om zich te houden aan hun geheimhoudingsplicht jegens de cliënten. Nu aangenomen moet worden dat [advocaat A] de gevraagde gegevens aan [appellanten] kan verstrekken zonder een geheimhoudingsplicht te schenden, faalt zijn beroep op gewichtige redenen als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv.

3.35

De aangesprokene is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd (art. 843a lid 4 Rv).

In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat in de NCNP-zaken de desbetreffende procesfinancier de meest aangewezen en voor de hand liggende partij is om zo nodig (inzage in) bescheiden over de uitvoering van de afgesproken regeling te verschaffen.

3.36

Hiertegen komen [appellanten] terecht op in hun tweede grief. [advocaat A] is enig aandeelhouder en bestuurder van de hoogste vennootschap in de vennootschappenstructuur van [naam advocatenkantoor] . Vast staat dat [naam advocatenkantoor] de verplichting heeft schadevergoedingen die in NCNP-zaken binnenkomen op de derdengeldenrekening van [naam advocatenkantoor] , door te betalen aan onder meer [appellanten] , overeenkomstig afspraken die [X] met procesfinanciers heeft gemaakt. Om dat te kunnen doen, moet [advocaat A] op de hoogte zijn van die afspraken. Verder staat vast dat de boekhouders van [naam advocatenkantoor] geregeld bij leven van [X] hebben uitgezocht hoe het precies zat en daarvan overzichtjes en vastleggingen hebben gemaakt. [advocaat A] heeft ook overzichten aan de notaris en aan de toenmalige advocaat van [appellanten] verstrekt. Gelet op dit alles is [advocaat A] de meest aangewezen en voor de hand liggende persoon om de bij vordering II sub B gevraagde informatie te verschaffen. Hij moet in staat worden geacht met een redelijkerwijs van hem te verwachten inspanning ook de informatie te verschaffen met betrekking tot de relatie van [X] met de procesfinanciers. Het is ook efficiënt dat alle verzochte informatie door een en dezelfde persoon wordt verschaft. Dat het voor [appellanten] bezwaarlijk is de verschillende procesfinanciers te benaderen is onvoldoende gemotiveerd betwist, reeds omdat zij niet precies weten met welke procesfinanciers afspraken zijn gemaakt.

3.37

In voorwaardelijke reconventie heeft [advocaat A] een aantal voorwaarden genoemd die volgens hem verbonden zouden moeten worden aan een toewijzende beslissing. Op de voet van art. 843a lid 2 Rv bepaalt het hof het volgende: [advocaat A] dient afschrift te verstrekken van de bescheiden; hij kan dus niet volstaan met het verschaffen van inzage. Hij dient afschrift te verstrekken aan de advocaat van [appellanten] , dus niet aan een te benoemen registeraccountant. Het hof heeft aangenomen dat [advocaat A] een plicht heeft om rekening en verantwoording af te leggen (zie rov. 3.22 hiervoor). Het hof is van oordeel dat [advocaat A] geen kosten in rekening mag brengen voor de werkzaamheden die [advocaat A] of degenen die bij [naam advocatenkantoor] werkzaam zijn in dit verband dienen te verrichten. [advocaat A] heeft onvoldoende gesteld over andere kosten om in dit verband enige kostenvergoeding te kunnen toewijzen. Ook heeft [advocaat A] onvoldoende gesteld om [appellanten] een geheimhoudingsplicht op te leggen met betrekking tot de inhoud van de bescheiden die zij van [advocaat A] dienen te verkrijgen.

3.38

Op grond van het voorgaande moet vordering II sub B alsnog worden toegewezen voor zover die tegen [advocaat A] is gericht. De tweede en derde grief slagen in zoverre.

3.39

Vordering II sub C is ingesteld voor het geval vordering II sub B wordt afgewezen. Dat geval doet zich niet voor, zodat die vordering onbesproken kan blijven, ook voor zover die gericht is tegen [advocaat B] en [advocaat C] .

3.40

Vordering III ziet op de proceskosten. Ook de grief van [geïntimeerden] in het incidenteel hoger beroep ziet op de proceskosten. Nu in het geding tegen [advocaat A] partijen over en weer op enige punten in het ongelijk worden gesteld, zal het hof de proceskosten aldus compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt. De vorderingen tegen [advocaat B] en [advocaat C] zijn terecht afgewezen. [appellanten] dienen daarom te worden veroordeeld in hun proceskosten. Nu zij gezamenlijk met [advocaat A] hebben geprocedeerd, zullen die proceskosten op nihil worden gesteld. Bij deze uitkomst is geen plaats voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten. [appellanten] hebben ook geen misbruik van procesrecht gemaakt en niet onrechtmatig geprocedeerd.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis, voor zover gewezen tussen [appellanten] enerzijds en [advocaat A] , [advocaat B] en [advocaat C] anderzijds;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [advocaat A] om:

binnen veertien dagen na betekening van dit arrest

met betrekking tot de zaken van de cliënten:

(1) [A] , (2) [B] , (3) [C] , (4) [D] , (5) [E] ,

(6) [F] , (7) [G] , (8) [H] , (9) [I] , (10) [J] en

(11) [K]

bescheiden op te stellen en afschrift ervan te verstrekken aan de advocaat van [appellanten]

waarin per zaak de volgende vragen worden beantwoord:

1a. is het dossier afgewikkeld, en zo ja onder welke betalingscondities?

b. als het dossier niet afgewikkeld is: is het dossier nog in behandeling, of is het dossier overgedragen c.q. heeft de betrokken adviseur zich teruggetrokken?

2. met welke (rechts)personen zijn afspraken gemaakt omtrent de vergoeding van de kosten voor medisch advieswerk door [X] in ieder dossier en wat behelzen die afspraken?

3. welke betalingen zijn aan [X] verricht per dossier? Heeft verrekening plaatsgevonden van de aan [X] toekomende vergoeding met vorderingen van de betrokken advocaat of rechtspersoon op [X] ?

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert in het geding tussen [appellanten] en [advocaat A] de proceskosten in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt in het geding tussen [appellanten] enerzijds en [advocaat B] en [advocaat C] anderzijds [appellanten] in de kosten van het geding in beide instanties, in beide instanties begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, G.C.C. Lewin en A.C.M. Kuypers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature