< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Geheimhoudingsbepaling in mediationovereenkomst is bewijsovereenkomst (art. 153 Rv). Dat sluit het als getuigen horen van de mediators over hetgeen tijdens de mediation is besproken uit. Beroep op die geheimhoudingsbepaling niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.265.611/01

zaak-/rekestnummer rechtbank Amsterdam: C/13/656634 / HA RK 18-354

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 maart 2020

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel, geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. H.G.A.M. Halfers te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 5 september 2019, onder aanvoering van drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Amsterdam, onder bovengenoemd zaaknummer, op 1 augustus 2019 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en zal oordelen c.q. zal bevelen dat aan de mediators [ mediator A] en [mediator B] geen beroep toekomt om niet te (hoeven) getuigen en dat de mediators [mediator A] en [mediator B] op grond van artikel 165 lid 1 Rv in het onderhavige door de rechtbank Amsterdam bevolen voorlopig getuigenverhoor aan hun getuigplicht dienen te voldoen, meer in het bijzonder dat zij over de bijeenkomst en het daarvan gemaakte gespreksverslag d.d. 31 mei 2017 vragen dienen te beantwoorden c.q. dienen te verklaren.

Op 7 januari 2020 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, met bijlagen, van [geïntimeerde] ingekomen, met als strekking de verzoeken van [appellant] niet ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, en in incidenteel appel, de beschikking van 1 augustus 2019 te vernietigen en te oordelen dat [appellant] onvoldoende belang heeft bij het horen van de mediators [mediator A] en [mediator B] , met veroordeling van [appellant] in de kosten in hoger beroep.

Op 31 januari 2020 is ter griffie van het hof een verweerschrift in incidenteel appel van [appellant] ingekomen, met als strekking [geïntimeerde] niet ontvankelijk te verklaren dan wel [geïntimeerde] het incidenteel appel te ontzeggen en ongegrond te verklaren, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in principaal en incidenteel hoger beroep.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020. Bij die gelegenheid heeft namens [appellant] mr. Kaaks voornoemd en namens [geïntimeerde] mr. H. Halfers, advocaat te Rotterdam het woord gevoerd, mr. Kaaks aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 2.2 en 2.4 enkele feiten in deze zaak als vaststaand aangemerkt. Deze feiten, waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, behelzen het volgende.

2.1

[appellant] en [geïntimeerde] zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum] 1998 tot [datum] 2017.

2.2

[appellant] en [geïntimeerde] hebben, tezamen met de mediators [mediator B] (hierna: [mediator B] ) en [mediator A] (hierna: [mediator A] ), op 11 mei 2017 een overeenkomst getekend, overeenkomstig de Model mediationovereenkomst, versie 2015 (verder: de mediationovereenkomst).

In artikel 1 (Globale omschrijving van de Kwestie ) staat ingevuld: “Afwikkeling echtscheiding”.

Artikel 2.1 van de mediationovereenkomst luidt: “De Partijen ( [appellant] en [geïntimeerde] , toevoeging hof) en de Mediators zullen zich inspannen om de in punt 1 genoemde Kwestie tussen de Partijen op te lossen door mediation conform het MfN-Mediation Reglement (hierna te noemen het “Reglement”) zoals dat luidt op de datum van deze overeenkomst. Het Reglement (waarvan een kopie aan deze overeenkomst is gehecht) maakt integraal deel uit van deze overeenkomst. (…)”

Artikel 4 (Geheimhouding) van de mediationovereenkomst luidt:

“4.1 Mediators en de Partijen verplichten zich zonder enig voorbehoud tot de geheimhouding zoals omschreven in artikel 7 en 10 van het Reglement.

4.2

Deze overeenkomst geldt in samenhang met het reglement als een bewijsovereenkomst in de zin van de wet, zie art. 7:900 BW jo. art. 153 Rv. Mediators en de Partijen hebben de bedoeling om daarmee op onderdelen af te wijken van het wettelijk geldende bewijsrecht om daarmee de gewenste vertrouwelijkheid te waarborgen.”.

2.3

Het NMI-Mediation Reglement 2008 (hierna: het reglement) bevat de volgende bepalingen:

“Artikel 7 - Geheimhouding

7.1

De Partijen doen aan derden - onder wie begrepen rechters of arbiters – geen mededelingen omtrent het verloop van de Mediation, de daar door de bij de Mediation aanwezige personen ingenomen standpunten, gedane voorstellen en de daarbij mondeling of schriftelijk, direct of indirect, verstrekte informatie.

7.2

De Partijen verbinden zich om geen stukken aan derden - onder wie begrepen rechters of arbiters - bekend te maken, te citeren, aan te halen, te parafraseren of zich daarop anderszins te beroepen, indien deze stukken door een bij de Mediation betrokkene tijdens of in verband met de Mediation zijn geopenbaard, getoond, of anderszins bekend gemaakt. Deze verplichting geldt niet voor zover de desbetreffende betrokkene onafhankelijk van de Mediation reeds over deze informatie beschikte of had kunnen beschikken. Onder stukken als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: de Mediationovereenkomst, door de Partijen of door de Mediator in het kader van de Mediation opgestelde aantekeningen, verslagen, de in artikel 10.1 bedoelde overeenkomst voor zover de Partijen conform artikel 10.3 hebben afgesproken dat deze vertrouwelijk blijft, alsmede andere gegevensdragers zoals geluidsbanden, videobanden, foto’s en digitale bestanden in welke vorm dan ook.

7.3

De artikelen 7.1 en 7.2 gelden ook voor de Mediator.

7.4

De Partijen doen hiermee afstand van het recht om, in rechte of anderszins, hetgeen tijdens de Mediation is gebleken als bewijs jegens elkaar aan te voeren en/of het NMI, (ex)bestuursleden van het NMI of bij het NMI werkzame of anderszins bij het NMI betrokken personen, elkaar, de Mediator of andere bij de Mediation betrokkenen, als getuige of anderszins te horen of te doen horen over informatie die is verstrekt en/of is vastgelegd tijdens of in verband met de Mediation, dan wel over de inhoud van de overeenkomst als bedoeld in artikel 10.1, alles in de ruimste zin des

woords. De Partijen worden geacht daartoe een bewijsovereenkomst te hebben gesloten.

7.6

Het bepaalde in de artikelen 7.1 t /m 7.5 geldt niet in het geval van:

a. informatie omtrent strafrechtelijke gedragingen waarvoor een wettelijke meldplicht dan wel een wettelijk meldrecht bestaat.

b. informatie omtrent de dreiging van een misdrijf.

c. (…)

d. (…)

e. (…).”

3 Beoordeling

3.1

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2019 is op verzoek van [appellant] een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Ten behoeve van de zitting van 18 juli 2019 heeft [appellant] onder andere [mediator A] en [mediator B] (hierna tezamen aangeduid als: de mediators) opgeroepen als getuigen. [geïntimeerde] en de mediators hebben zich op het standpunt gesteld dat de mediators geen verklaring hoeven af te leggen. Zij beroepen zich daarbij op artikel 4.2 van de mediationovereenkomst in verbinding met artikel 7 van het reglement. [appellant] heeft betoogd dat dit beroep niet opgaat.

3.2

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking als volgt overwogen:

“2.1 De inzet van [appellant] van het voorlopig getuigenverhoor is bewijs verzamelen dat de

op diverse momenten en aan verschillende personen geuite beschuldiging van [geïntimeerde] van verkrachting niet juist is. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] op 13 mei 2017 tegenover de mediators bevestigd dat de beschuldiging niet waar is. Ter zitting van 18 juli 2019 heeft [appellant] verklaard dat de inzet van het voorlopig getuigenverhoor niet langer is om ook bewijs te verzamelen van een valse beschuldiging van [geïntimeerde] van incest.

(…)

2.6.

De rechtbank stelt voorop dat de mediationovereenkomst is aan te merken als een bewijsovereenkomst in de zin van artikel 153 Rv . Dat staat tussen partijen (en de mediators) ook niet ter discussie.

2.7.

Ingevolge artikel 153 Rv blijven overeenkomsten waarbij van het wettelijke bewijsrecht wordt afgeweken buiten toepassing, wanneer zij betrekking hebben op het bewijs van feiten waaraan het recht gevolgen verbindt die niet ter vrije bepaling van partijen staan, zulks onverminderd de gronden waarop zij krachtens het BW buiten toepassing blijven. Voor buiten toepassing verklaring van de bewijsovereenkomst bestaat in dit geval geen grond. De laatste zinsnede van artikel 153 Rv omvat ook gevallen waarin een beroep op een bewijsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW).

2.8.

[appellant] betoogt dat een redelijke uitleg van de bewijsovereenkomst meebrengt dat deze geen betrekking heeft op de onderhavige kwestie. Partijen hebben volgens [appellant] niet bedoeld hiervoor bewijsuitsluiting te laten gelden. De rechtbank verwerpt dit standpunt. De tekst van de onderhavige bepalingen is helder en over de uitleg van de bewoordingen daarvan bestaat ook geen geschil. Kort gezegd volgt daaruit: de mediator zal niet door partijen als getuige worden gehoord over hetgeen tijdens de mediation is gebleken en uitgewisseld. [appellant] heeft geen stellingen ingenomen waaruit kan worden afgeleid dat de werkelijke bedoeling van de mediators was om een minder vergaande geheimhoudingsclausule en bewijsovereenkomst af te spreken dan in de mediationovereenkomst zijn verwoord.

(…)

2.10.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de mediators op de bewijsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Gelet op het wezenlijke karakter van de vertrouwelijkheid van de mediation is terughoudendheid geboden om de waarheidsvinding te laten prevaleren ingeval partijen er zelf voor hebben gekozen het risico te nemen dat bepaald bewijs niet zal kunnen worden geleverd. Vooropgesteld wordt dat [appellant] niet hoeft te vrezen voor strafrechtelijke vervolging. [geïntimeerde] heeft immers in september 2015 een melding bij de politie gedaan van verkrachting, maar daarna besloten geen aangifte te doen. De in de ogen van [appellant] valse beschuldiging hing al bijna twee jaar ‘in de lucht’ toen de mediationovereenkomst werd ondertekend. [appellant] kon er op dat moment rekening mee houden dat ten tijde van de mediation deze beschuldiging aan de orde zou komen en [geïntimeerde] zich daarover zou uitlaten. [appellant] moet aldus worden geacht de situatie die zich volgens hem heeft voorgedaan - namelijk dat [geïntimeerde] tegenover de mediators zou toegeven dat de beschuldiging vals was - onder ogen te hebben gezien. Desondanks heeft hij door ondertekening van de mediationovereenkomst afstand gedaan van het horen van de mediators als getuigen op dit punt, hetgeen mogelijk consequenties heeft voor de door hem aangekondigde civiele procedure tegen [geïntimeerde] . Dit dient voor zijn risico te komen. De parallel die [appellant] ziet in het vonnis van de rechtbank Zutphen van 9 januari 2007 (ECLI:NL:RBZUT:2007:AZ6524) gaat niet op. In die zaak bepaalde de rechtbank dat de geheimhoudingsplicht van de mediator zich niet uitstrekt tot tijdens het mediationproces begane strafbare feiten of evident wangedrag van een van de partijen of de mediator. Die situatie doet zich hier niet voor. Andere omstandigheden die rechtvaardigen dat in dit geval de waarheidsvinding dient te prevaleren zijn niet gesteld en evenmin gebleken.”

De rechtbank heeft daarop bepaald dat het beroep van de mediators op de bewijsovereenkomst slaagt en dat zij niet verplicht zijn een getuigenverklaring af te leggen.

3.3

[appellant] bestrijdt deze beslissing en voert daartoe drie grieven aan. Met grief I in principaal appel voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte in 2.6 heeft overwogen dat de mediationovereenkomst, althans de afspraak tot geheimhouding in artikel 4 van de mediationovereenkomst, een bewijsovereenkomst is als bedoeld in artikel 153 Rv en dat dit door partijen niet wordt bestreden. Grief II in principaal appel houdt in dat de rechtbank in 2.8 ten onrechte heeft overwogen dat artikel 4 van de mediationovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat partijen hebben beoogd om de mediators niet als getuigen te horen over hetgeen tijdens de mediation is gebleken of uitgewisseld, ongeacht de aard of inhoud daarvan. Met grief III in principaal appel stelt [appellant] dat de rechtbank in 2.10 ten onrechte heeft overwogen dat de redelijkheid en billijkheid zich niet verzetten tegen een beroep op geheimhouding en/of tegen de weigering van de mediators om te verklaren over hetgeen over de beschuldiging van verkrachting en incest is gezegd. Evenzo acht [appellant] middels grief III onterecht het oordeel van de rechtbank dat het belang van vertrouwelijkheid van de mediation prevaleert boven de waarheidsvinding aangaande de beschuldiging van verkrachting en incest.

3.4

[geïntimeerde] verweert zich tegen de grieven in principaal appel en heeft in incidenteel appel aangevoerd dat [appellant] geen dan wel onvoldoende belang heeft bij het horen van de mediators als getuigen en dat de rechtbank in de beschikking van 11 april 2019 ten onrechte anders heeft beslist. Ter zitting heeft [geïntimeerde] te kennen gegeven dat het incidentele appel is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale appel zou slagen. Aan die voorwaarde wordt niet voldaan, zoals hierna zal blijken, om welke reden het incidentele appel verder als niet ingesteld wordt beschouwd. Aangaande het principaal appel overweegt het hof als volgt.

3.5.1

Door [appellant] , [geïntimeerde] , [mediator B] en [mediator A] is op 11 mei 2017 een mediationovereenkomst gesloten. In artikel 2 van de ze overeenkomst is bepaald dat het reglement integraal onderdeel uitmaakt van de mediationovereenkomst, en dat een kopie van het reglement aan deze overeenkomst was gehecht. Artikel 4 van de mediationovereenkomst behelst een uit drie artikelleden bestaande geheimhoudingsbepaling. Artikel 7 van het reglement behelst een uit zes artikelleden bestaande geheimhoudingsbepaling. [appellant] heeft erkend dat tussen hem, [geïntimeerde] en de mediators artikel 4 van de mediationovereenkomst van toepassing is. Hij bestrijdt echter de consequenties die [geïntimeerde] en de mediators daaraan verbinden. [appellant] betwist dat artikel 7 van het reglement (althans op hem) van toepassing is, althans dat dat artikel onderdeel uitmaakt van de geheimhoudingsovereenkomst, omdat dit reglement hem niet tijdig ter hand is gesteld. [geïntimeerde] heeft dit laatste betwist.

3.5.2

[appellant] heeft niet gemotiveerd bestreden dat, zoals artikel 2 van de mediationovereenkomst vermeldt, aan die overeenkomst het reglement was gehecht, althans hij heeft niet expliciet gesteld dat in afwijking van die bepaling de aanhechting van het reglement niet had plaatsgevonden. [appellant] heeft slechts gesteld dat het reglement hem niet ‘ter hand (was) gesteld’. Nadat [geïntimeerde] erop had gewezen dat door de mediationfunctionaris van het gerechtshof op 24 april 2017 een e-mail is gestuurd met als onderwerp “1e afspraak bij de mediator: Mediation inzake 200.212.047/01 + 200.212.042/01 [appellant] / [geïntimeerde] ( mr. L. Laus) – [appellant] ( mr. E.J.M. van nieuwenhuizen)” en dat als bijlagen aan die e-mail waren gevoegd: NMI mediationreglement.pdf; Model mediationovereenkomst versie 2014.doc; NMI gedragsreglement.pdf; R021-Mediation-naast-familiezaken.pdf; aanvraagformulier toevoegingen.pdf; Routebeschrijvingen Paleis IJdok 20.pdf, heeft [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep herhaald dat het reglement hem niet ter hand is gesteld. Wellicht dat zijn familierechtadvocaat mr. Van Nieuwenhuijzen dat reglement kende, maar het is niet persoonlijk met hem, [appellant] , doorgenomen. Mr. Van Nieuwenhuijzen was niet bij de mediation betrokken en nam daar dus niet aan deel, aldus [appellant] . Naar het oordeel van het hof is met de betreffende e-mail voldoende komen vast te staan dat het reglement aan de advocaat van [appellant] is opgestuurd en aldus ter beschikking is gesteld. Deze terbeschikkingstelling is gelijk te stellen met een terbeschikkingstelling aan [appellant] . Of deze advocaat de betreffende e-mail (met daarbij het reglement als bijlage) aan [appellant] heeft doorgestuurd, dan wel of juist is wat [geïntimeerde] stelt, dat op de tweede mediationbijeenkomst het reglement expliciet is doorgenomen, kan daarmee in het midden blijven. Het hof wijst er daarbij op dat indien het reglement in het geheel niet bij [appellant] terecht zou zijn gekomen, van [appellant] verwacht had mogen worden dat hij daarvan melding maakte, nu artikel 2 van de mediationovereenkomst – en welke overeenkomst [appellant] heeft ondertekend – inhoudt dat het reglement daaraan is gehecht. Concluderend is het hof van oordeel dat ook artikel 7 van het reglement op de mediationovereenkomst tussen [appellant] , [geïntimeerde] en de twee mediators van toepassing was.

3.5.3

[appellant] heeft genoemd artikel 7 van het reglement vernietigd omdat dit onredelijk bezwarend zou zijn. [appellant] heeft echter niet onderbouwd waarom dit laatste het geval zou zijn, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Overigens vermag het hof niet in te zien wat er onredelijk bezwarend aan zou zijn, indien partijen een geheimhoudingsverklaring zouden tekenen, zoals in artikel 7 van het reglement is gebeurd.

3.5.4

[appellant] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep op grond van artikel 6:228 BW vernietiging van ‘de bewijsovereenkomst’ wegens dwaling verzocht. Dit beroep op dwaling is tardief, immers in strijd met de twee-conclusie-regel, gedaan, zodat het hof ook daaraan voorbij gaat.

3.5.5

Het hof is daarmee van oordeel dat op de tussen [appellant] , [geïntimeerde] en de mediators gesloten mediationovereenkomst zowel artikel 4 van die overeenkomst als ook artikel 7 van het reglement van toepassing is.

3.6.1

Artikel 4 van de mediationovereenkomst bepaalt in lid 1 dat de mediators, [geïntimeerde] en [appellant] zich zonder enig voorbehoud verplichten tot geheimhouding zoals omschreven in artikel 7 en 10 van het reglement, en in lid 2 dat “(d)eze overeenkomst (…), in samenhang met het Reglement, (geldt) als een bewijsovereenkomst in de zin van de wet, zie art. 7:900 BW jo. art. 153 Rv.” Reeds hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de mediators, [geïntimeerde] en [appellant] hebben beoogd een bewijsovereenkomst in de zin van artikel 153 Rv te sluiten. Daar komt bij dat artikel 7 van het reglement beschrijft wat hiermee door de mediators, [geïntimeerde] en [appellant] is beoogd: er zullen aan derden, waaronder rechters, geen mededelingen worden gedaan omtrent het verloop van de mediation, de daarbij ingenomen standpunten en de daarbij mondeling of schriftelijk verstrekte informatie. De mediators, [geïntimeerde] en [appellant] zullen geen stukken aan derden, waaronder rechters, bekend maken indien die stukken tijdens of in verband met de mediation bekend zijn gemaakt. [geïntimeerde] en [appellant] doen afstand van het recht om, in rechte of anderszins, hetgeen tijdens de mediation is gebleken als bewijs jegens elkaar aan te voeren of elkaar of de mediator of andere bij de mediation betrokkenen als getuige te horen over informatie die is verstrekt tijdens of in verband met de mediation. [geïntimeerde] en [appellant] worden geacht daartoe een bewijsovereenkomst te hebben gesloten, aldus de laatste zinsnede van artikel 7.4 van het reglement.

3.6.2

Naar het oordeel van het hof is daarmee geen andere conclusie mogelijk dan dat [geïntimeerde] en [appellant] zijn overeengekomen dat de tijdens de mediation door hen ingenomen standpunten niet naar buiten (waaronder: de rechter) zouden mogen worden gebracht en dat beoogd werd een bewijsovereenkomst te sluiten die inhield dat de mediators niet als getuige(n) zouden kunnen worden opgeroepen. De onderhavige situatie is daarmee fundamenteel anders dan die welke werd beslist door de Hoge Raad op 10 april 2009 (LJN BG9470), omdat aldaar niet een uitdrukkelijke bepaling tot het aangaan van een bewijsovereenkomst aanwezig was. In de onderhavige situatie zijn partijen nadrukkelijk een bewijsovereenkomst aangegaan, en de rechtsgeldigheid daarvan staat verder ook niet ter discussie. Grief I faalt.

3.6.3

In artikel 7 van het reglement staat expliciet dat [geïntimeerde] en [appellant] , bij wijze van bewijsovereenkomst, afspreken afstand te doen van het recht om de mediators als getuige(n) op te roepen om hen te laten verklaren over informatie die is verstrekt tijdens of in verband met de mediation. Grief II, inhoudend dat de rechtbank artikel 4 van de mediationovereenkomst ten onrechte zo heeft uitgelegd dat partijen hebben beoogd om de mediators niet als getuigen te horen over hetgeen tijdens de mediation is gebleken of uitgewisseld, faalt daarom. Voor zover met grief II wordt betoogd dat de mediators niet als getuigen kunnen worden gehoord over hetgeen tijdens ‘de mediation’ is gebleken of uitgewisseld, doch dat de (vermeende, immers door [appellant] gestelde maar door [geïntimeerde] betwiste) uitlatingen van [geïntimeerde] aangaande de door haar jegens [appellant] geuite onterechte aantijgingen daartoe niet behoren, omdat die uitlatingen niet onder ‘de mediation’ en de daarbij te betrachten geheimhouding zouden vallen, overweegt het hof als volgt. In de mediationovereenkomst is als ‘globale omschrijving van de Kwestie’ vermeld: ‘afwikkeling echtscheiding’. [appellant] stelt dat het onderwerp waarover hij de mediators als getuigen wenst te horen, betrekking heeft op de (naar zijn zeggen) valse aantijgingen die [geïntimeerde] heeft gedaan aangaande door [appellant] gepleegde verkrachting en incest en de erkenning van [geïntimeerde] ten overstaan van de mediators dat die aantijgingen nergens op gebaseerd waren, en deze gebeurtenissen geen onderdeel uitmaakten van het onderwerp waarop de mediation betrekking had. [geïntimeerde] heeft zulks weersproken en aangevoerd dat de vertrouwelijkheid betrekking had op alles wat tijdens de mediation aan de orde is geweest.

3.6.4

Door te stellen dat [geïntimeerde] ten overstaan van de mediators heeft verklaard dat de door haar jegens [appellant] gedane beschuldigingen inzake verkrachting en incest, onterecht waren gedaan, beroept [appellant] zich op een uitlating die [geïntimeerde] tegenover de mediators zou hebben gedaan. Artikel 7.1 van het reglement houdt in dat geen informatie zal worden verstrekt omtrent het verloop van de mediation, de aldaar ingenomen standpunten en de daarbij verstrekte informatie. De artikelen 7.2, 7.3 en 7.4 bouwen daarop voort. De tekst van genoemde artikelen geven daarmee geen grond voor het door [appellant] ingenomen standpunt dat de geheimhouding beperkt zou zijn tot datgene wat het (hoofd)onderwerp uitmaakt van de mediation, en geen betrekking zou hebben op zaken die buiten dat (hoofd)onderwerp, maar wel ten overstaan van de mediator(s) zou zijn verklaard. [geïntimeerde] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard [appellant] nooit van incest te hebben beschuldigd. Zij heeft wel bevestigd dat zij, onder meer tegenover de politie, heeft verklaard dat [appellant] haar heeft verkracht. Zij stelt echter dat die verklaring juist was omdat die verkrachting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Ook indien [geïntimeerde] zich tegenover de mediator(s) zou hebben uitgelaten over de juistheid of onjuistheid van die verklaring, dan kan niet gezegd worden dat die uitlating helemaal los stond van het onderwerp van de mediation, de afwikkeling van de echtscheiding . In zoverre faalt het betoog van [appellant] . Gelet op het bovenstaande volgt het hof [appellant] evenmin in diens opvatting dat hij er, ondanks de afgesloten geheimhoudingsverklaring(en), op heeft mogen vertrouwen dat door [geïntimeerde] gedane mededelingen buiten het onderwerp van de mediation, niet tot die geheimhouding zouden behoren. [appellant] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep een beroep gedaan op de in artikel 7.6 sub a en b van het reglement opgenomen uitzonderingen op de geheimhouding. Dit beroep is tardief, immers in strijd met de twee-conclusie-regel, gedaan, zodat het hof ook daaraan voorbij gaat. Ten overvloede merkt het hof op dat het beroep ook inhoudelijk niet opgaat, omdat smaad/laster niet een delict is als bedoeld in artikel 7.6 sub a en van dreiging van een strafbaar feit als bedoeld sub b niet is gebleken. Grief II faalt.

3.7.1

Met grief III betoogt [appellant] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien de mediator(s) niet zouden hoeven te getuigen over de, naar zeggen van [appellant] , erkenning door [geïntimeerde] dat zij [appellant] valselijk beschuldigd zou hebben van zoiets zeer ernstigs als verkrachting of incest. Die zeer ernstige beschuldigingen maken een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] in de zin van artikel 8 EVRM , en zijn ook te beschouwen als een aantasting van de geestelijke integriteit van [appellant] (zoals genoemd in artikel 5 van de Wet implementatie richtlijn nr. 2008 /52/EG), hetgeen in geval van internationale mediation grond zou zijn voor doorkruising van het verschoningsrecht van mediators, aldus [appellant] . [appellant] voert verder aan dat in het onderhavige geval de waarheidsvinding hiertoe aanleiding moet geven. Bovendien loopt hij het risico dat [geïntimeerde] , anders dan zij nu zegt van plan te zijn, op enig moment strafrechtelijke aangifte tegen hem zal doen. Naar zijn zeggen kan de getuigenverklaring van de mediators ‘een einde maken aan de voortgaande aantasting van zijn geestelijke integriteit’.

3.7.2

Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog. De formulering ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ brengt tot uitdrukking dat de toetsing hieraan met terughoudend dient plaats te vinden. Tegenover het door [appellant] genoemde belang van waarheidsvinding – waarover hierna meer – staat het belang dat partijen in mediation vertrouwelijk moeten kunnen spreken en, wanneer een geheimhoudingsverklaring wordt gesloten zoals hier is gebeurd, zij er ook op moeten kunnen vertrouwen dat wat tijdens de mediation wordt verklaard, op geen enkele manier naar buiten kan komen, ook niet tijdens een verhoor als getuige van de mediator(s). Wanneer, ondanks een dergelijke gesloten geheimhoudingsverklaring, een mediator wel gehouden zou zijn als getuige te verklaren over hetgeen hij tijdens de mediation heeft vernomen, dan doet dat ernstige afbreuk aan de door partijen te verwachten vertrouwelijkheid. Een urgente noodsituatie die het doorbreken van de vertrouwelijkheid door de mediator zou kunnen rechtvaardigen, doet zich naar het oordeel van het hof hier niet voor. Hoewel het hof onderkent dat de beschuldiging van verkrachting een zeer ernstige is, valt niet te verwachten dat een getuigenverklaring door de mediator(s) aan die kwestie zonder meer een eind zal maken. De mediator(s) zal/zullen immers niet anders kunnen verklaren dan over dat wat zij van [geïntimeerde] hebben vernomen, hetgeen echter niet betekent dat dat wat zij van haar vernomen hebben, ook de waarheid is. Wat betreft het door [appellant] genoemde belang, dat hij zich in de toekomst tegen een mogelijke aangifte door [geïntimeerde] moet kunnen verdedigen, overweegt het hof dat de betreffende getuigenverklaring van de mediator(s) daarvoor niet noodzakelijk is. De verwijzing naar de Wet implementatie richtlijn nr. 2008/52/EG is niet relevant, nu het hier niet om een beroep op het verschoningsrecht gaat, maar om de gevolgen van een bewijsovereenkomst. Grief III faalt.

3.8

De conclusie is dat de grieven in principaal appel falen. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. Als de in principaal appel in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in die proceskosten worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 332,- aan verschotten en € 2.148,- aan salaris;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Haanappel-van der Burg, J.C.W. Rang en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature