< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

eendaadse samenloop mishandeling, bedreiging leerkracht

Uitspraak



afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003633-18

datum uitspraak: 27 februari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-706044-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 primairzij op of omstreeks 3 september 2015 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een (blijvende) kale plek op het hoofd) heeft toegebracht door opzettelijk voornoemde [benadeelde] aan de haren te trekken en/of een pluk haar uit het hoofd van voornoemde [benadeelde] te trekken;

1 subsidiairzij op of omstreeks 3 september 2015 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] aan de haren te trekken en/of door een pluk haar uit het hoofd van voornoemde [benadeelde] te trekken, ten gevolge waarvan voornoemde [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel (te weten een (blijvende) kale plek op het hoofd), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen;

2 zij op of omstreeks 3 september 2015 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik ga je pakken" en/of "Als ik haar tegenkom dan maak ik haar dood" en/of "Hou haar uit mijn buurt want ik maak haar af", althans (telkens) een of meer woord(en) van gelijke dreigende aard of strekking;

3 zij op of omstreeks 3 september 2015 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] te duwen en/of in het gezicht en/of de hals te krabben en/of bij de keel te grijpen en/of de keel van voornoemde [benadeelde] dicht te knijpen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen ten aanzien van de kwalificatie van het bewezen verklaarde, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij komt dan de rechtbank.

Vrijspraak onder 1 primair ten laste gelegde

Met de rechtbank, de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft zich op de terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hij heeft in dat verband, kort gezegd, aangevoerd dat (i) de onder 2 ten laste gelegde woorden de aangeefster [benadeelde] niet hebben bereikt en (ii) de verdachte met betrekking tot het onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde een beroep op noodweer toekomt.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

ad (i)

Dit verweer wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de tegenover de politie afgelegde verklaring van de aangeefster, onder meer inhoudende dat zij de verdachte hoorde roepen dat zij haar wilde afmaken, toen de verdachte haar aanviel. De strekking van de verklaring van de aangeefster komt in voldoende mate overeen met de dreigende woorden die de verdachte naar eigen zeggen heeft gebruikt, te weten: “Haal haar weg, anders maak ik haar dood”.

ad (ii)

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaringen van de aangeefster en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], leidt het hof af dat de verdachte degene is die de confrontatie met de aangeefster heeft gezocht en haar vervolgens heeft aangevallen. Het hof ziet geen aanleiding aan deze verklaringen te twijfelen. Bij die stand van zaken acht het hof het niet aannemelijk dat de verdachte zich in een situatie bevond waarin zij door de aangeefster ogenblikkelijk en wederrechtelijk werd aangerand en waartegen noodzakelijke verdediging geboden was, zodat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiairzij op 3 september 2015 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] aan de haren te trekken en door een pluk haar uit het hoofd van voornoemde [benadeelde] te trekken, ten gevolge waarvan voornoemde [benadeelde] lichamelijk letsel, te weten een kale plek op het hoofd, heeft bekomen;

2 zij op 3 september 2015 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde] dreigend de woorden toegevoegd: "Hou haar uit mijn buurt want ik maak haar af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3 zij op 3 september 2015 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, [benadeelde] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] te duwen en in het gezicht en de hals te krabben en bij de keel te grijpen.

Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de na te noemen bewijsmiddelen zijn vervat. Die bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of feiten, waarop zij blijkens hun inhoud of de bewijsoverwegingen betrekking hebben.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2015198580-1 van 3 september 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [benadeelde], zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte tegen [verdachte] ter zake bedreiging en mishandeling. Ik ben werkzaam als leerkracht aan een school gelegen aan de [adres 2], in de gemeente Ouder-Amstel. Ik geef les aan [groep]. In deze groep zit een jongen genaamd [naam], de zoon van [verdachte]. Op 3 oktober 2015 gingen de twee [groep] op schoolreisje. Gedurende de dag heeft [naam] ongemanierd en onacceptabel gedrag vertoond. Ik besloot om zijn moeder [verdachte] te bellen om te vertellen dat hij zich erg misdroeg. Daarbij hoorde ik [verdachte] schreeuwen en schelden. Hierop verbrak ik de verbinding. Omstreeks 16.30 uur arriveerden wij met de bus met twee klassen terug op school. Vanuit de bus zag ik [verdachte] op een scooter zitten. Kort hierop liep ik in de richting van de school. Ik zag dat [verdachte] op mij af kwam lopen. Ik wilde doorlopen tot een kind mij riep. Ik zei het kind gedag en op dat moment zag ik dat [verdachte] voor mij stond. Ik voelde dat zij met haar borsten tegen mij aanstond, op een zeer provocerende wijze. Ik zag dat zij razend was. Ik zag dat zij haar lichaam groot maakte. Ik hoorde haar schreeuwen: “Ik ga je pakken!” Ik was verbijsterd en voelde op dat moment angst en zeer veel stress. Ik zag dat zij opzettelijk met twee snelle bewegingen met haar beide handen naar mijn gezicht toe bewoog. Ik voelde dat zij met een hand mijn hoofdhaar vastpakte. Ik voelde direct zeer veel pijn. Ik voelde dat zij met veel kracht haar uit mijn hoofd trok. Ik voelde tegelijkertijd dat ik werd gekrabd in mijn hals en gezicht. Dat deed ook pijn en ik voelde een erg branderig gevoel. Ik hoorde gedurende het gevecht toen [verdachte] mij aanviel dat zij mij wilde afmaken. Ik hoorde haar dat roepen.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015198580-3 van 3 september 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk

weergegeven:

Op 3 september 2015 zijn wij gestuurd naar de [adres 2]. Ter plaatse hoorden wij [verdachte], geboren op [geboortedag] 1971, het volgende verklaren: “Ik heb een zoon [naam]. Ik zag juffrouw [benadeelde]. Ik greep haar bij haar keel. Ik trok aan haar haren.” Wij, verbalisanten, spraken vervolgens met de juffrouw die is genaamd [benadeelde]. Wij hoorden haar het volgende verklaren: “Ik werd door de moeder van [naam] aangesproken. Ze kwam direct al schreeuwend heel erg dicht bij mijn gezicht. Ik voelde dat zij mij bij mijn haren pakte en een bos haar uit mijn hoofd trok. Dit deed heel erg veel pijn. Het was mijn eigen haar.” Wij, verbalisanten, zagen dat [benadeelde] een volle hand met haar toonde. Wij zagen op haar hoofd een grote kale plek. Wij zagen onder haar linkeroog een dikke rode bult met huidschade gelijkend op een kras.

3. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015198580-8 van 4 september 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in de op 4 september 2015 afgelegde verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Ik zal u vertellen wat er gisteren is gebeurd. Ik was als begeleider bij een schoolreisje van de klas van mijn dochter. Wij kregen kinderen om te begeleiden. Bij deze kinderen zat [naam]. Gedurende deze dag zijn er een aantal vrij serieuze incidenten geweest met [naam]. Na de terugreis kwamen wij aan bij de school. Ik hoorde de juf zeggen: “Is dat de moeder van [naam]”. Ik zag dat er een vrouw op een scooter stond te wachten. Ik ben uitgestapt. Ineens zag ik dat juf [benadeelde] werd aangevallen door dezelfde vrouw die ik eerder op de scooter had zien zitten. Ik zag dat de vrouw haar duimen in de nek van de juf zette. Ik zag dat de vrouw aan de haren van de juf trok en haar begon te slaan en krabben. Ik hoorde veel geschreeuw.

4. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2015198580-13 van 4 september 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in de op 4 september 2015 afgelegde verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Op 3 september 2015 stond ik op de hoek van de [adres 2], omdat ik mijn dochtertje had opgehaald van een schoolreisje. Ik zag mevrouw [verdachte] daar staan. Mijn dochtertje wilde juf [benadeelde] bedanken voor het schoolreisje. Ik hoorde mijn dochtertje wel drie keer haar naam roepen. Ik zag dat de juf zich omdraaide, in onze richting liep, naar ons glimlachte en zei: “Ja, lieverdje”. Op dat moment zag ik ineens mevrouw [verdachte] met versnelde looppas voorbij komen lopen. Ik zag dat mevrouw [verdachte] juf [benadeelde] een duw gaf met beide handen net boven haar borst. Ik zag daarna dat mevrouw [verdachte] met beide handen naar haar keel greep en haar duimen ver in de keel van juf [benadeelde] duwde. Ik zag dat juf [benadeelde] mevrouw [verdachte] van haar af probeerde te duwen. Ik zag dat mevrouw [verdachte] juf [benadeelde] ongeveer tien seconden vasthield met beide handen om haar keel. Op een gegeven moment zag ik een grote pluk lang blond haar op de stoep liggen.

5. De verklaring die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2020 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb tegen [benadeelde] iets in de trant gezegd van ‘Haal haar weg, anders maak ik haar dood’. Dat moet zij wel gehoord hebben. Zij stond een paar meter van mij vandaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair, en 3 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

mishandeling

en

mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van de leerkracht van haar zoon. Na afloop van een schoolreisje heeft de verdachte haar, in aanwezigheid van onder meer klasgenoten van haar zoon en andere kinderen, en hun ouders, geduwd, gekrabd, bij haar keel gegrepen en aan haar haren getrokken. Vervolgens is de leerkracht met de dood bedreigd. Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de leerkracht ernstig geschonden en haar stress en pijn bezorgd. Eén van de gevolgen van de mishandeling, een kale plek op het hoofd van de leerkracht, is langdurig zichtbaar geweest, maar ook overigens heeft het incident danig op haar leven ingegrepen. De verdachte heeft met haar handelwijze kinderen op hun eigen schoolplein geconfronteerd met geweld tegen een leerkracht van hun school. Dit zal bij deze kinderen, en ook bij hun ouders en bij de leerkrachten, gevoelens van angst en onveiligheid hebben veroorzaakt. Bovendien heeft het incident, getuige de berichtgeving in de media, ook in bredere kring tot ongeloof en ontzetting geleid. De verdachte heeft tot op heden geen inzicht gegeven in de laakbaarheid van haar handelen en lijkt vooral oog te hebben voor de gevolgen die het incident voor haarzelf heeft gehad.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 januari 2020 is zij eerder onherroepelijk tot een voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld en zijn de onderhavige vergrijpen in de proeftijd van die voorwaardelijke veroordeling gepleegd. Kennelijk heeft deze proeftijd de verdachte niet weerhouden om opnieuw in de fout te gaan. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.

Het hof is, op grond van het voorgaande en mede in het licht van de straffen die naar aanleiding van soortgelijke incidenten plegen te worden opgelegd, van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten en zal daarom een forsere taakstraf opleggen. Hierin ligt tevens besloten dat het hof niet zal volstaan met een geheel voorwaardelijke straf, als verzocht door de raadsman. Hetgeen is aangevoerd ten aanzien van hetgeen de verdachte ten gevolge van haar handelen zelf heeft ondervonden, leidt het hof niet tot een andere uitkomst.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 100 uren duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.678,50, te vermeerderen met de wettelijke rente, en bestaande uit de volgende schadeposten:

cosmetica € 96,64

niet-vergoede medicatie € 7,66

eigen risico van 2015 € 199,20

eigen risico van 2016 € 375,00

immateriële schade € 3.000,00

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.053,50, bestaande uit € 303,50 ter compensatie van materiële schade en € 750,00 als vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, thans voor een bedrag van € 3.303,50, waarvan € 303,50 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat de vordering, voor zover deze ziet op materiële schade, dient te worden toegewezen op de wijze zoals de rechtbank dat heeft gedaan. De vergoeding van de immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van € 1.000,00 en ter zake van een en ander dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Namens de verdachte heeft de raadsman verzocht met betrekking tot de materiële schade te beslissen zoals de rechtbank dat heeft gedaan en de immateriële schadevergoeding vast te stellen op € 500,00.

Het hof overweegt als volgt.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair, 2, 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade in de vorm van medische kosten van in totaal

€ 303,50 heeft geleden. Gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij omtrent het optreden en de omvang van de onder a) tot en met c) genoemde schade, die van de zijde van de verdachte niet zijn betwist, ligt dit deel van de vordering (groot € 303,50) voor toewijzing gereed.

Verder heeft de benadeelde partij voldoende bewijs bijgebracht dat zij ten gevolge van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde immateriële schade heeft geleden, mede omdat de onderbouwde stellingen met betrekking tot het optreden van dergelijke schade en de causale relatie daarvan met de bewezen verklaarde feiten niet gemotiveerd zijn betwist. Bij de begroting van immateriële schade is de rechter niet gebonden aan de regels aangaande stelplicht en bewijslast. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 1.000,00 en heeft daarbij gelet op:

de ingrijpende aard van de inbreuk op de lichamelijke integriteit en de gevoelens van onveiligheid van de benadeelde partij;

het gegeven dat de bewezen verklaarde feiten diep hebben ingegrepen in het (privé- en zakelijke) leven van de benadeelde partij;

de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

Voor het overige is het hof van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding de grenzen van de billijkheid te buiten gaat. Dat deel van de vordering zal worden afgewezen.

Resumerend is de verdachte tot een bedrag van € 1.303,50 vergoeding van schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ingetreden.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 55, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht .

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.303,50 (duizend driehonderddrie euro en vijftig cent) bestaande uit € 303,50 (driehonderddrie euro en vijftig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.303,50 (duizend driehonderddrie euro en vijftig cent) bestaande uit € 303,50 (driehonderddrie euro en vijftig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente voor de materiële schade voor een bedrag van € 96,64 op 10 oktober 2015, voor een bedrag van € 7,66 op 10 november 2015, voor een bedrag van € 199,20 op 31 december 2015.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 september 2015.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. J.J.I. de Jong en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van

mr. S. Bor, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2020.

Mr. K.J. Veenstra is buiten staat dit arrest te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature