< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ernstig plichtsverzuim, voorgenomen strafontslag en rechtsbijstandverlening.

Bij een andere advisering waarbij zou zijn aangestuurd op het aanvechten van het (voorgenomen) strafontslag, zou de werknemer niet beter, maar juist slechter af geweest zijn. In de hypothetische situatie dat geen minnelijke regeling tussen werkgever en werknemer tot stand zou zijn gekomen, zou het ernstig plichtsverzuim tot een niet als onevenredig te kwalificeren onvoorwaardelijk strafontslag hebben geleid dat ook in (hoger) beroep in stand zou zijn gebleven. Of sprake is van een beroepsfout van de rechtsbijstandverlener behoeft geen nadere bespreking, omdat de vorderingen reeds stranden op het ontbreken van causaal verband tussen enige (veronderstelde) fout van FNV en de gestelde schade.

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.240.887/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/619667 / HA ZA 16-1215

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat mr. J.W. Janssens te Houten,

tegen

de vereniging

FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,

gevestigd te Utrecht, kantoorhoudende te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat mr. E.M. van Orsouw te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en FNV genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 28 februari 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2017, onder het hierboven genoemde zaak/rolnummer gewezen tussen hem als eiser en FNV als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 18 november 2019 doen bepleiten, [appellant] door mr. Janssens voornoemd en FNV door mr. E.C. van Fenema, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Namens [appellant] is nog een productie overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.

FNV heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.21 feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, zal van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.1.

[appellant] is op 1 september 1979 aangesteld als ambtenaar bij de rechtsvoorgangster van de gemeente [gemeente] (hierna: de gemeente) in de functie van medewerker sport en welzijn. Per 1 april 1997 werd [appellant] aangesteld als leerplichtambtenaar.

2.2.

Bij besluit van 10 november 2005 heeft [appellant] een disciplinaire maatregel opgelegd gekregen omdat hij zich schuldig had gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim bestond erin dat hij een verklaring had afgelegd die kennelijk en uitdrukkelijk in strijd was met de waarheid. [appellant] is erop gewezen dat als hij zich opnieuw schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim of ander plichtsverzuim, het opleggen van een strafontslag “in beginsel aangenomen zal zijn”.

2.3.

Vanaf 1 januari 2007 werd [appellant] bij de gemeente aangesteld als medewerker post en archief. [appellant] was verantwoordelijk voor het ordenen en archiveren van de binnenkomende en de uitgaande post.

2.4.

In 2007 werd het college van B&W van de gemeente (hierna: het college) geconfronteerd met het lekken van informatie naar de regionale pers. Daarop heeft het college BING (Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten) ingeschakeld om een onderzoek in te stellen. In april 2008 heeft op verzoek van het college nog een onderzoek plaatsgevonden door CAPRA Advocaten en adviseurs.

2.5.

In een brief van 26 september 2008 heeft het college [appellant] bericht dat hij verdacht wordt van het lekken van informatie en dat hij hiermee rekening moet houden en al zijn handelingen binnen de gemeente goed moet overzien. Voorts staat in de brief vermeld dat in het licht van zijn functioneren de organisatie zijn handelen nauwlettend zal volgen.

2.6.

Op 22 maart 2011 besluit het college dat [appellant] niet langer alle werkzaamheden als medewerker post en archief mag uitoefenen. Hij mag zich dan alleen nog bezighouden met archiefwerkzaamheden met betrekking tot bouwdossiers, abonnementenbeheer en de uitgaande post.

2.7.

Begin 2012 wordt opnieuw informatie gelekt naar de regionale pers. Daarop vindt in opdracht van de gemeente een onderzoek plaats door [X] Bedrijfsrecherche (hierna: [X] ). Vooruitlopend op de uitkomsten van dit onderzoek heeft het college [appellant] bij brief van 21 februari 2012 bericht dat er sterke aanwijzingen zijn dat [appellant] vertrouwelijke informatie heeft gelekt aan de pers. Aan [appellant] is de keuze geboden om de eer aan zichzelf te houden en de volgende dag zelf ontslag te nemen.

2.8.

[appellant] heeft geen ontslag genomen. Bij besluit van 22 februari 2012 is [appellant] met onmiddellijke ingang geschorst.

2.9.

Ten tijde van het besluit van de gemeente van 22 februari 2012 was [appellant] lid van de Abvakabo, een rechtsvoorgangster van FNV (Abvakabo zal hierna ook FNV worden genoemd). Op grond van dit lidmaatschap maakte [appellant] aanspraak op kosteloze rechtsbijstand.

2.10.

FNV heeft op 27 februari 2012 aan [appellant] medegedeeld dat zijn zaak zou worden behandeld door haar medewerker [A] (hierna: [A] ). [A] heeft van 27 februari 2012 tot en met 22 augustus 2012 een logboek bijgehouden van zijn contacten met [appellant] .

2.11.

In een brief van 13 maart 2012 heeft [A] namens [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit van de gemeente van 22 februari 2012.

2.12.

In het rapport van [X] van 27 maart 2012 is voor zover van belang het volgende opgenomen:

“ 2 Samenvatting en conclusies (…)

Op donderdag 19 januari 2012 werd bij de heer [B] bekend dat een vertrouwelijke brief van de Gemeente [gemeente] , met het kenmerk ‘ [kenmerk] ’, gelekt was naar [Y] . Deze brief was door een medewerker van de Gemeente [gemeente] op maandag 16 januari 2012 opgemaakt en vastgelegd in het Corsa-systeem.

Uit het onderzoek werd bekend dat de betreffende brief, op maandag 16 januari 2012 drie keer en op dinsdag 17 januari 2012 één keer, vanuit het Corsa-systeem werd opgevraagd op de werkplekcomputer van de heer [appellant] .

Voorts werd bekend dat de betreffende brief op die maandag, omstreeks 16.28 uur, vanaf diezelfde werkplekcomputer werd afgedrukt.

Op die momenten werd het computersysteem gebruikt door gebruiker ‘ [gebruiker] ’ die was ingelogd op het Corsa-systeem. Het account ‘ [gebruiker] ’ behoort toe aan de heer [appellant] .

Op die dagen werd op de betreffende computer ook ingelogd op de website [website] , waarbij het account werd gebruikt met de naam ‘ [naam] ’. Dit betreft een website waar de abonnementen van de Gemeente [gemeente] worden beheerd. Dat is de taak van de heer [appellant] .

Tevens werd bekend dat op die dagen ook regelmatig werd ingelogd op de webmail pagina van Ziggo .nl. Daarbij werd de accountnaam ‘ [accountnaam] gebruikt. Dit is zeer waarschijnlijk een privé e-mailaccount van de heer [appellant] .

Het is zeer aannemelijk dat één persoon verantwoordelijk is voor alle vastgelegde computerhandelingen in de periode maandag 16 januari 2012 tot en met donderdag 19 januari 2012. Het is zeer waarschijnlijk dat dit de heer [appellant] betreft.

(…)

Van vijf van zeven eerdere incidenten, waarbij vertrouwelijke informatie is gelekt naar derden, is vastgesteld dat poststukken die betrekking hebben op die casussen, vanuit het Corsa-systeem werden afgedrukt door gebruiker ‘ [gebruiker] ’. Dit account is in gebruik bij de heer [appellant] en het is zeer aannemelijk dat die documenten door hem werden geprint.

(…)

Uit de analyses van de printer logbestanden blijkt tevens dat de gebruiker van het account ‘ [gebruiker] ’, in ieder geval zeventien andere vertrouwelijke documenten heeft geprint vanuit Corsa. Dit betreft veelal privégerelateerde correspondentie tussen de Gemeente [gemeente] en ambtenaren.

Het betreffen in alle gevallen documenten die de heer [appellant] , volgens de heer [B] , niet hoeft te openen, in te zien en/of te printen voor de uitoefening van zijn functie.

(…)

Niet is vast te stellen wie daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verstrekken van informatie aangaande de brief met het kenmerk ‘ [kenmerk] ’ aan [Y] , dan wel aan derden.

(…)

Gebruiker ‘ [gebruiker] ’ heeft vanuit Corsa zeventien vertrouwelijke documenten geprint, die betrekking hebben op correspondentie tussen de Gemeente [gemeente] en ambtenaren. Die documenten hadden, vanuit de functie van de heer [appellant] bezien, niet beroepsmatig door hem ingekeken dan wel geprint dienen te worden. (…)”.

2.13.

In een brief van 3 april 2012 heeft de gemeente aan [appellant] , voor zover van belang, het volgende geschreven:

“Gelet op de inhoud van het rapport is naar ons oordeel voldoende komen vast te staan dat u zich schuldig hebt gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim door zonder functionele noodzaak bij herhaling informatie die naar zijn aard vertrouwelijk was in te zien, af te drukken en/of ter beschikking te stellen aan de regionale pers, in het bijzondere BN de Stem. (…)

Wij vinden de hiervoor bedoelde gedragingen zo ernstig, dat het noodzakelijkerwijs in u te stellen vertrouwen daardoor volledig is komen te ontbreken. Wij beschouwen zowel het bij herhaling zonder functionele noodzaak raadplegen en afdrukken van vertrouwelijke informatie als elk incidenteel geval van lekken van dergelijke informatie naar de pers als strafontslagwaardig, hetgeen temeer geldt wanneer deze gedragingen in onderlinge samenhang worden bezien. Voor wat betreft de vertrouwelijke informatie over collega-ambtenaren geldt dat hun privacy op ontoelaatbare wijze is geschonden, terwijl door de publicatie van gevoelige informatie niet alleen individuele belangen zijn geschaad, maar ook schade is toegebracht aan de geloofwaardigheid van en het vertrouwen in de lokale overheid. (…)

Wij nemen bij de beoogde straftoemeting in aanmerking dat u eerder disciplinair bent gestraft in verband met het vertonen van niet integer gedrag. In het bijzonder betrekken wij in onze overwegingen dat u bij besluit van 10 november 2005 bent gewaarschuwd voor het feit dat een eventueel hernieuwd ernstig plichtsverzuim in uw geval zou leiden tot ontslag. Ook vinden wij het van wezenlijk belang dat u in verband met eerdere vermoedens inzake mogelijk door u gepleegd plichtsverzuim en daarmee samenhangende twijfels ten aanzien van uw integriteit uit uw functie bent ontheven. U bent nadrukkelijk in beeld geweest als mogelijke bron van eerdere publicaties van vertrouwelijke gegevens en weet uit dien hoofde als geen ander hoe gevoelig dat ligt, wat u vooral niet moet doen om de verdenking op u te laden en welke problemen u veroorzaakt wanneer u dat nalaat. U bent daardoor namelijk een terdege gewaarschuwd man en had u verre moeten houden van alles wat maar de minste schijn van onbetrouwbaarheid zou kunnen opleveren. Dat u dat overduidelijk niet hebt gedaan is u daardoor des te zwaarder aan te rekenen. (…)

Tegen die achtergrond leidt voor ons geen enkele twijfel dat in dit geval maar één straf passend en geboden is en dat is de zwaarste. Wij zijn dan ook voornemens u die straf op te leggen.

Alvorens een definitieve beslissing te nemen stellen wij u in de gelegenheid u ter zake van het ten laste gelegde plichtsverzuim mondeling of schriftelijk te verantwoorden. (…)”

2.14.

In een brief van 20 april 2012 heeft [appellant] zienswijzen bekend gemaakt tegen het voornemen tot strafontslag van 3 april 2012. In de brief staat dat [appellant] goede gronden meent te hebben om de beschuldigingen aan zijn adres alsmede de bevindingen en onderzoeksmethode van [X] in twijfel te kunnen trekken en dat hij dan ook bezwaar zal maken tegen een besluit tot onvoorwaardelijk strafontslag. [appellant] heeft het college in de brief voorts gevraagd of de bereidheid bestaat om te bezien of er op andere gronden dan een strafontslag gekomen zou kunnen worden tot een beëindiging van zijn dienstverband.

2.15.

[A] heeft met de advocaat van de gemeente overleg gevoerd over de mogelijkheden om tot een minnelijke beëindiging van het dienstverband met [appellant] te komen. In een e-mail van 16 mei 2012 heeft [A] vervolgens aan [appellant] gemeld dat de gemeente niet bereid is om tot een beëindiging van het dienstverband te komen op zodanige wijze dat daaraan WW-rechten verbonden zouden zijn. De gemeente zou, op de voorwaarde dat [appellant] zelf een verzoek tot beëindiging van zijn dienstverband indient, wel bereid zijn hem nog enkele maandsalarissen extra te betalen, maar in dat geval heeft [appellant] geen WW-rechten.

2.16.

Op 25 mei 2012 heeft [A] aan de gemeente een tegenvoorstel gedaan. Dit voorstel heeft [appellant] niet vooraf gezien.

2.17.

Op 1 juni 2012 heeft de gemeente een tegenvoorstel gedaan en hiermee is [appellant] op 6 juni 2012 akkoord gegaan.

2.18.

Op 7 juni 2012 hebben [appellant] en de gemeente een vaststellingsovereenkomst getekend, waarmee aan [appellant] met ingang van 1 juni 2012 op eigen verzoek ontslag is verleend. Dit ontslag is bij ontslagbesluit van 11 juni 2012 bevestigd.

2.19.

Op 18 juni 2012 heeft [appellant] een uitkering op grond van de Werkloosheidwet aangevraagd. Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft het UWV beslist dat [appellant] met ingang van 1 juni 2012 weliswaar recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet tot uitbetaling komt, omdat [appellant] verwijtbaar werkloos is. Nadat een eerdere beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 23 augustus 2012 bij uitspraak van de rechtbank van 25 juni 2013 was vernietigd wegens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, heeft het UWV het bezwaar bij besluit van 17 maart 2014 wederom ongegrond verklaard. Het UWV is tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een dwingende reden om tot beëindiging van de dienstbetrekking te komen via een strafontslag.

2.20.

Het tegen dit besluit van 17 maart 2014 ingestelde beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant is bij uitspraak van 14 oktober 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak in hoger beroep van 20 januari 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd. Daartoe heeft de CRvB geoordeeld dat [appellant] met het herhaaldelijk inzien en/of printen van vertrouwelijke documenten zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen die voor het college een objectief dringende reden opleverde om een einde te maken aan zijn dienstbetrekking.

2.21.

In brieven van 28 december 2012 en 30 maart 2016 heeft [appellant] FNV aansprakelijk gesteld. FNV heeft aansprakelijkheid steeds van de hand gewezen.

3 Beoordeling

3.1.

Samengevat weergegeven vordert [appellant] in deze procedure een verklaring voor recht dat FNV aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade als gevolg van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, alsook een veroordeling van FNV tot vergoeding van de schade die [appellant] als gevolg van deze wanprestatie lijdt, op te maken bij staat, en veroordeling van FNV in de proceskosten, met rente en nakosten.

3.2.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht onvoldoende is om met voldoende mate van zekerheid te oordelen dat een door [appellant] ingesteld beroep tegen een door de gemeente genomen ontslagbesluit zou zijn geslaagd. Het causaal verband tussen enige (veronderstelde) fout van FNV en de door [appellant] gestelde schade kan daarom niet worden vastgesteld. De rechtbank heeft daarom de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met vijf grieven op.

3.3.

Tussen partijen is in geschil of [A] , die als behandelaar namens FNV [appellant] in zijn arbeidsconflict met de gemeente heeft geadviseerd, al dan niet de zaak van [appellant] heeft behandeld als een redelijk bekwaam en een redelijk handelend rechtshulpverlener. Tevens twisten partijen over de vraag of [appellant] als gevolg van de door hem gestelde beroepsfout schade heeft geleden waarvoor FNV aansprakelijk is.

3.4.

Met de eerste grief richt [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat beslissend is of een eventuele aanvechting van het besluit tot strafontslag tot het terugdraaien daarvan zou hebben geleid, terwijl bij een ontkennende beantwoording van die vraag niet onderzocht hoeft te worden of [A] bij de advisering daadwerkelijk een fout heeft gemaakt.

3.5.

Deze grief faalt op grond van het volgende. De beroepsfout die [A] wordt verweten houdt in dat hij [appellant] niet juist heeft geadviseerd over de kansen en risico’s van het aanvechten van het besluit tot strafontslag afgezet tegen de voor- en nadelen van een minnelijke regeling. [A] heeft aangestuurd op een minnelijke regeling in plaats van het voorgenomen ontslagbesluit namens [appellant] te bestrijden. Daarvan uitgaande, moet voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in welke mate, [appellant] als gevolg van die gestelde beroepsfout schade heeft geleden, in beginsel worden beoordeeld of [appellant] ervoor had gekozen het besluit tot strafontslag aan te vechten als hij goed was geadviseerd en hoe hierop door de bevoegde instantie had behoren te worden beslist. Bij een eventuele onzekerheid hierover, bestaat voor het vaststellen van de schade aan de hand van een schatting van de goede en kwade kansen die [appellant] zou hebben gehad wanneer die kans hem niet was ontnomen, slechts ruimte indien het gaat om een reële (dat wil zeggen niet zeer kleine) kans op succes (vergelijk HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2467; HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:272). Beslissend is derhalve, zoals ook de rechtbank heeft aangenomen, of [appellant] het besluit tot strafontslag met succes had kunnen aanvechten. De stelplicht dienaangaande rust op [appellant] en hij dient de gegevens te verschaffen die, indien het ontslagbesluit op juiste wijze was aangevochten, in die procedure(s) aan de orde zou zijn gekomen. Het hof volgt [appellant] niet in zijn stelling dat ook indien niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat in de hypothetische situatie dat de gestelde tekortkoming van FNV achterwege zou zijn gebleven de kans op succes zich in werkelijkheid zou hebben gerealiseerd, hem toch in ieder geval enige schadevergoeding toekomt, omdat in ieder geval een (eventuele kleine) kans op een betere situatie dan de actuele verloren is gegaan. Uit de overwegingen in het Baijings-arrest (HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997: ZC2467) kan worden afgeleid dat de Hoge Raad als uitgangspunt een wijze van schadebegroting voorstaat waarbij zo concreet mogelijk wordt vastgesteld hoe de procedure zou zijn verlopen als de beroepsfout achterwege was gebleven en de betrokken instantie had beslist zoals zij dan had behoren te doen. Daartoe worden partijen geacht alle gegevens te verschaffen die in de procedure die zonder beroepsfout ingeleid zou zijn, aan de orde zouden zijn gekomen. De methode van het schatten van de schade aan de hand van de goede en kwade kansen is eerst aangewezen als een concrete vaststelling niet tot de mogelijkheden behoort. De vaststelling hoe op het rechtsmiddel had behoren te worden beslist indien [appellant] het voorgenomen strafontslag had aangevochten, betreft een juridische beoordeling die de rechter zelf kan en moet verrichten en komt hierna bij de bespreking van de grieven twee tot en met vier aan de orde.

3.6.

De tweede, derde en vierde grief willen ingang doen vinden dat hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht wel voldoende is – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – om aan te nemen dat hij het besluit tot strafontslag met succes had kunnen aanvechten. Daartoe klaagt de tweede grief over het oordeel van de rechtbank dat de gemeente op grond van de rapportage van [X] terecht tot het oordeel heeft kunnen komen dat er sprake was van ernstig plichtverzuim. Met de derde grief bestrijdt [appellant] dat hij de inhoud van het rapport van [X] niet gemotiveerd heeft betwist. Vervolgens richt de vierde grief zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het ernstig plichtsverzuim van [appellant] had geleid tot een evenredig onvoorwaardelijk strafontslag.

3.7.

De stelling van [appellant] dat hij zonder de gestelde beroepsfout niet akkoord zou zijn gegaan met de aangeboden minnelijke regeling, maar het ontslag zou hebben aangevochten omdat dit een reële kans had, heeft FNV gemotiveerd betwist. Volgens FNV zou het strafontslag hoe dan ook hebben standgehouden. [appellant] zou bij een andere advisering niet beter, maar juister slechter af geweest zijn.

3.8.

Het hof overweegt het volgende. In het voorgaande ligt besloten dat beoordeeld dient te worden of [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het aanvechten van het besluit tot strafontslag succes zou hebben gehad. Daarbij neemt het hof in ogenschouw dat [appellant] in de rechtsgang naar aanleiding van de afwijzing van zijn aanvraag van een WW-uitkering de gelegenheid heeft gehad en benut om zijn standpunt te motiveren en toe te lichten. Onbetwist is dat het hierbij gaat om hetzelfde feitencomplex op basis waarvan in de procedure tegen het besluit tot strafontslag zou zijn geoordeeld. Vast staat dat zowel de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij uitspraak van 14 oktober 2014 als de CRvB bij uitspraak van 20 januari 2016 desondanks hebben geoordeeld dat [appellant] met het herhaaldelijk inzien en/of printen van vertrouwelijke documenten zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen die voor zijn werkgever een objectief dringende reden opleverde om een einde te maken aan zijn dienstbetrekking. Zonder nadere motivering die ontbreekt, valt niet goed in te zien dat die toetsing die volgens [appellant] had moeten volgen als hij was opgekomen tegen een besluit tot strafontslag, anders uit zou vallen dan de toetsing die feitelijk heeft plaatsgehad (namelijk of sprake is van een dringende reden voor ontslag). De bestuursrechter zou het besluit tot strafontslag ex tunc hebben getoetst en daarbij in het bijzonder hebben beoordeeld of de nadelige gevolgen voor [appellant] van een strafbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

Het had op de weg van [appellant] gelegen om aan de hand van de gezichtspunten die aan de jurisprudentie van de CRvB kunnen worden ontleend met concrete gegevens te onderbouwen dat en waarom het besluit tot strafontslag zou zijn teruggedraaid. Dat heeft [appellant] niet overtuigend gedaan. Het merendeel van de argumenten die [appellant] in de onderhavige procedure in het kader van zijn stelplicht aandraagt, is reeds door de CRvB in zijn voornoemde beoordeling betrokken en te licht bevonden, naar het oordeel van dit hof op goede gronden. [appellant] heeft wel aangevoerd dat bij de beoordeling van het strafontslag een evenredigheidstoets plaatsvindt en dat dit er niet zelden toe leidt dat strafontslagen in de bezwaarfase of in beroep worden omgezet in ontslag op andere gronden, maar dat en waarom dat in dit geval ook zou gebeuren, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt.

3.9.

Dat zowel uit het onderzoek van [X] als uit het door [appellant] overgelegde rapport van ICTRecht blijkt dat niet kan worden vastgesteld dat [appellant] gelekt heeft naar de media of andere derden, kan [appellant] niet baten. Hierbij acht het hof van belang dat de beschuldiging van dringend plichtsverzuim niet enkel is gebaseerd op het lekken, maar los daarvan ook op het bij herhaling inzien en printen van de vertrouwelijke stukken. Dat hij dit bevoegdelijk heeft gedaan – omdat hij daartoe opdracht had gekregen of omdat hij de kwaliteit van een scan diende te controleren of om een andere reden – heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Anders dan [appellant] betoogt, mocht hij niet erop vertrouwen dat bestanden niet als vertrouwelijk aan te merken waren indien hij daartoe toegang had en deze kon inzien. [appellant] had immers geen functionele noodzaak om deze stukken in te zien, terwijl hij onvoldoende heeft bestreden dat het ging om evident vertrouwelijk documenten. Evenmin heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat een andere persoon op zijn computeraccount de verweten handelingen heeft verricht. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat daartoe onvoldoende is de stelling van [appellant] dat anderen dan hijzelf werkzaam zijn geweest op de computer van [appellant] . [appellant] had geen eigen computer. De gemeente had een aantal flexplekken waarop door de medewerkers ingelogd kon worden met een eigen account. [appellant] heeft niet concreet toegelicht hoe het mogelijk is dat een ander dan hijzelf van zijn gebruikersnaam gebruik heeft kunnen maken. Ook is het hof met de rechtbank van oordeel dat de stelling van [appellant] , dat een collega heeft verklaard dat hij in overleg was met [appellant] op het moment dat het document dat naar de pers is gelekt werd geprint, onvoldoende gewicht in de schaal legt. Zoals ook de CRvB heeft overwogen, bestaat er geen duidelijkheid over het exacte tijdstip van dit overleg en is dus onvoldoende aannemelijk dat [appellant] het desbetreffende document niet heeft geprint. Bovendien is de verklaring van de collega alleen relevant voor het inzien en printen van dit gelekte document en niet voor het inzien en printen van de andere documenten. Het hof neemt onder meer in aanmerking dat voldoende is komen vast te staan dat vertrouwelijke stukken meermaals vanaf het account van [appellant] zijn geopend, dat zijn account naar zijn eigen zeggen beveiligd was met een wachtwoord en hij gezien zijn toelichting ter zitting voor het uitvoeren van een printopdracht een persoonlijke pas moest aanbieden. Reeds vanwege het feit dat [appellant] herhaaldelijk zonder functionele noodzaak vertrouwelijke documenten heeft ingezien en/of geprint, had de gemeente goede grond om te constateren dat [appellant] zijn plicht ernstig had verzuimd. In de hypothetische situatie waarin [appellant] niet met de minnelijke regeling akkoord zou zijn gegaan, zou dit ernstig plichtsverzuim tot een niet als onevenredig te kwalificeren onvoorwaardelijk strafontslag hebben geleid dat ook in (hoger) beroep in stand zou zijn gebleven, zo is het hof met de rechtbank van oordeel.

Ook in dit hoger beroep missen de stellingen van [appellant] voldoende substantiële onderbouwing om – indien bewezen – de gevolgtrekking te kunnen dragen dat hij baat zou hebben gehad bij afwijzing van de minnelijke regeling en het aanvechten van het besluit tot strafontslag. In lijn met het betoog van FNV is het hof van oordeel dat [appellant] bij een andere advisering waarbij zou zijn aangestuurd op het aanvechten van het voorgenomen besluit, niet beter, maar juist slechter af geweest zou zijn. Dit betekent dat de grieven twee tot en met vier tevergeefs zijn voorgesteld.

3.10.

De laatste grief van [appellant] ziet op de proceskostenveroordeling en stuit eveneens op het voorgaande af.

3.11.

Dat [appellant] naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die indien bewezen de conclusie kunnen dragen dat [A] de zaak van [appellant] anders heeft behandeld dan een redelijk bekwaam en een redelijk handelend rechtshulpverlener betaamt, behoeft geen nadere bespreking, omdat de vorderingen van [appellant] reeds stranden op het ontbreken van causaal verband tussen enige (veronderstelde) fout van FNV en de door [appellant] gestelde schade.

3.12.

De bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere beslissing in deze zaak dienen te leiden. Het bewijsaanbod zal daarom als niet ter zake dienend worden gepasseerd.

3.13.

De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van FNV begroot op € 726,00 aan verschotten en € 3.222,00 voor salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. de Jongh, J.W. Hoekzema en A.L.M. Keirse en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature