< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De verdachte heeft zich in een periode van iets meer dan een jaar schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen, lokaalvredebreuk, heling van een fiets, twee diefstallen met geweld, waarbij de verdachte geld afhandig heeft gemaakt van kwetsbare slachtoffers

Uitspraak



afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004440-18

datum uitspraak: 21 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 december 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 15-157931-18 (zaak A), 15-146234-18 (zaak B), 15-118777-18 (zaak C), 15-196094-17 (zaak D), 15-229745-17 (zaak E) en 15-228070-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De feiten zoals bewezen verklaard door de rechtbank zijn door de verdachte niet betwist.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebrachte. Daartoe heeft de raadsman – kort samengevat – aangevoerd dat, blijkens het in zaak D en E opgemaakte Pro Justitia rapport, wordt geadviseerd die feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Gelet op de aard van de feiten en het tijdsbestek waarbinnen zij zijn gepleegd heeft dit advies ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten te gelden, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat behandeling van (het antisociaal-, delictgedrag en middelengebruik van) de verdachte, zoals ook blijkt uit het reclasseringsadvies van GGZ Fivoor, zowel mogelijk als noodzakelijk is.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in een periode van iets meer dan een jaar schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen, lokaalvredebreuk, heling van een fiets, twee diefstallen met geweld, waarbij de verdachte geld afhandig heeft gemaakt van kwetsbare slachtoffers die net geld hadden gepind en een poging daartoe.

Met het plegen van de winkeldiefstallen heeft de verdachte er blijk van gegeven zich niets aan te trekken van het eigendomsrecht van de betreffende winkel. Dit zijn ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder en overlast veroorzaken voor de gedupeerde winkel. Bovendien heeft de verdachte het reeds om deze reden afgegeven winkelverbod overtreden, waarmee hij de wens van de rechthebbende heeft genegeerd en het aanwezig winkelpersoneel overlast heeft bezorgd.

Door zich schuldig te maken aan de heling van een fiets heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het slachtoffer en de pleger van de diefstal gefaciliteerd. Ook dit acht het hof kwalijk.

Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen met geweld en een poging daartoe. Slechts rekening houdende met zijn eigen financiële gewin, onder meer om in zijn eigen verslaving te kunnen voorzien, heeft de verdachte er bewust voor gekozen om kwetsbare slachtoffers, te weten oudere vrouwen, op brutale en gewelddadige wijze geld afhandig te maken dat zij net hadden gepind. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor het eigendom van zijn slachtoffers, hun lichamelijk integriteit en hun kwetsbare positie als oudere.

Dat de verdachte zijn handelen bagatelliseert en probeert te vergoelijken met de enkele omstandigheid dat hij gebukt ging onder liefdesverdriet, acht het hof des te kwalijker.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 april 2019 is hij eerder meerdere malen ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld en liep hij in een proeftijd. Dit heeft de verdachte er niet van kunnen weerhouden zich wederom aan de onderhavige feiten schuldig te maken.

In het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 5 november 2018 van GGZ Fivoor wordt, hoewel de kans van slagen wordt ingeschat als zeer laag, toch geadviseerd de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.

In het Pro Justitia rapport –psychiatrisch onderzoek- van 24 januari 2018 is onder meer het volgende opgenomen:

Gesteld kan worden dat betrokkene een antisociale levenshouding heeft en antisociaal gedrag vertoont, passend hij de middelenproblematiek en psychische en maatschappelijke verloedering en marginalisering, die altijd aanwezig is: hij heeft weinig empathie met anderen als het gaat om eigen behoefte bevrediging: hij valt zijn op leeftijd zijnde ouders lastig, bagatelliseert de gevolgen voor zijn slachtoffers en voorziet in inkomsten middels criminele activiteiten. Deze houding en dit gedrag lijken voort te zijn gekomen vanuit jarenlang drugs en alcohol gebruik en deze zijn sterk met elkaar vervlochten. De drang om drugs te gebruiken enerzijds om zich beter te voelen en anderzijds omdat zijn lichaam en geest dit nodig hebben, is zo groot dat hij alles doet om hier aan te komen. Sinds betrokkene onder bewind staat kan hij niet meer aan extra geld komen door bijvoorbeeld telefoonabonnementen op zijn naam te zetten. Het patroon dat sindsdien gezien wordt is dat hij met regelmaat winkeldiefstallen pleegt (middels criminele activiteiten aan geld komt dan wel primaire levensgoederen omdat hij zijn geld heeft besteed aan drugs).

Gesteld kan worden dat in het dagelijks leven van betrokkene de verslaving zijn levensvoering in sterke mate bepaalt, zowel waar het gaat om de maatschappelijke marginalisering als om het antisociale, criminele gedrag. Hij onderneemt weinig andere activiteiten dan om in zijn drugsgebruik te voorzien of te gebruiken. Hij heeft weinig controle op zijn handelen en gedachten als hij moet gebruiken om zich beter te voelen, zowel fysiek, geestelijk als emotioneel. Op sommige van deze momenten is hij minder goed in staat om overzicht te houden op andere mogelijkheden om aan geld en/of drugs te komen en de gevolgen van zijn daden te overzien. Deze momenten treden op als betrokkene meer spanning en stress ervaart dan normaal, zoals in de periode rondom de ten laste leggingen, dat zijn verliefdheid onbeantwoord werd. Hij is dan impulsiever en minder goed in staat om zijn behoefte uit te stellen of geheel te negeren. Hij lijkt primair te hebben gehandeld vanuit zijn verslaving. Zoals hij zelf aangeeft heeft hij gewacht totdat iemand bij de pinautomaat kwam, die niet te groot of sterk leek. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht wordt met betrekking tot beide feiten geadviseerd dit betrokkene enigszins verminderd toe te rekenen. Het recidiverisico wordt hoog ingeschat mits geen behandeling gericht op de beschreven aandoeningen ingezet worden. Om het recidive gevaar te beperken wordt het noodzakelijk geacht dat betrokkene stopt met drugs en alcohol gebruik, hetgeen lastig zal zijn. Geadviseerd wordt om behandeling in te zetten die zich richt op de lang bestaande verslavingsproblematiek. Naast de verslaving dient de behandeling ook gericht te zijn op vermindering van het recidive risico middels bijvoorbeeld delict analyse en indien nodig wordt geacht verheldering van de diagnostiek. Een team die zowel gespecialiseerd is in verslavingsbehandeling als forensische kennis heeft en outreachend kan werken, lijkt het meest geïndiceerd om de behandeling vorm te geven. Het lijkt van belang om intensievere behandeling in te zetten, waarbij de autonomie van betrokkene gerespecteerd wordt. Een geheel vrijwillig kader lijkt ontoereikend te zijn.

Het hof is met de raadsman van oordeel dat de in het Pro Justitia rapport neergelegde conclusie, te weten dat die feiten waarop het rapport betrekking had in verminderde mate aan de verdachte moeten worden toegerekend, heeft te gelden ten aanzien van alle aan de orde zijnde feiten. Desalniettemin acht het hof de (optelsom van) feiten zodanig ernstig dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is. Matiging van de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de raadsman bepleit, acht het hof dan ook niet aangewezen.

Evenals de advocaat-generaal en de raadsman ziet het hof in dat de bij de verdachte heersende problematiek en het daarmee samenhangende recidiverisico met oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf onbehandeld en onverminderd hoog zal blijven. Dit acht het hof onwenselijk. Het hof zal daarom overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal een langere gevangenisstraf opleggen dan de rechtbank met de bepaling dat een gedeelte daarvan voorwaardelijk wordt opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Daaraan zal het hof overeenkomstig het advies van GGZ Fivoor, zoals neergelegd in het rapport van 5 november 2018, de in dat rapport genoemde bijzondere voorwaarden verbinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 138, 310, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4(vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op afspraken te melden bij GGZ reclassering Fivoor op het adres [adres], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Het meewerken aan huisbezoeken is onderdeel van de meldplicht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, zal laten behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener en, indien noodzakelijk, meewerkt aan een kortdurende klinische opname van maximaal zeven weken.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal meewerken aan het verkrijgen en behouden van structurele dagbesteding.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. F.A. Hartsuiker en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. J.G.W.M. Lut, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 mei 2019.

=========================================================================

[…]


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature