< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Vaststelling hoofdverblijfplaats ex artikel 1:253a lid 2 sub b BW. Belangenafweging.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.261.469/01

Zaaknummer rechtbank: C15/284457/FARK 19-586

Beschikking van de meervoudige kamer van 3 december 2019 inzake

[de vader] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [Z] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.J. Hes te Haarlem,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Verhoog te Alkmaar.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

Raad voor de Kinderbescherming,

locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 17 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 25 juni 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 17 april 2019.

2.2

De moeder heeft op 7 augustus 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een faxbericht van de zijde van de moeder van 4 november 2019 met bijlagen (producties 1 en 2), ingekomen op dezelfde datum.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 11 november 2019 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer M. Tiessen.

3 De feiten

3.1

Partijen hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van:

- [zoon] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [datum] 2015 te gemeente [Z] .

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

In een door hen ondertekend ouderschapsplan van 18 januari 2018 hebben partijen – voor zover thans van belang – afgesproken dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader zal zijn en dat, zodra de moeder een eigen woning heeft en hier minstens drie maanden verblijft, wordt overlegd of wijziging in de woonplaats van het kind wenselijk dan wel noodzakelijk is. Voorts hebben partijen een tweewekelijkse zorgregeling afgesproken, inhoudende dat [de minderjarige] de ene week van zondagavond tot en met woensdag overdag bij de moeder verblijft en van woensdagavond tot zaterdag overdag bij de vader. In de andere week verblijft [de minderjarige] van zaterdagavond tot en met woensdag overdag bij de moeder en van woensdagavond tot en met zondag overdag bij de vader.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de moeder bepaald, met wijziging van het door partijen op 18 januari 2018 ondertekende ouderschapsplan, dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder is. Het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [de minderjarige] op een basisschool is, als te onbepaald, afgewezen.

Bij deze beschikking is voorts afgewezen het primaire verzoek van de vader:

te bepalen dat het op 18 januari 2018 ondertekende ouderschapsplan wordt bekrachtigd, aan de beschikking wordt gehecht en dat de inhoud daarvan deel uit maakt van de beschikking;

hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] in te schrijven op een peuterspeelzaal / basisschool in (de buurt van) de woonplaats van de vader;

Ook is afgewezen het subsidiaire verzoek van de vader te bepalen dat:

de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem zal zijn;

de zorg- en contactregeling, alsmede de vakantie- en feestdagenregeling zoals overeengekomen in het ouderschapsplan wordt bekrachtigd, althans een omgangsregeling vast te stellen waarin de zorg voor [de minderjarige] tussen partijen gelijkelijk wordt gedeeld, evenals de vakanties en dat hierbij de afspraken in het ouderschapsplan gevolgd zullen worden;

hem vervangende toestemming wordt verleend om [de minderjarige] in te schrijven op een peuterspeelzaal / basisschool in (de buurt van) de woonplaats van de vader.

4.2

De vader verzoekt thans, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat [de minderjarige] per ommegaande, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, althans met ingang van een door het hof juist te achten datum, zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben. Daarnaast verzoekt de vader hem vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [de minderjarige] op een peuterspeelzaal / basisschool in de buurt van de woonplaats van de vader, dan wel enige beslissing te nemen omtrent deze onderwerpen welke het hof juist zal achten.

4.3

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vader stelt – samengevat – dat de rechtbank te lichtvaardig de eerder door partijen bewust gemaakte keuze voor het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader heeft gewijzigd. Daarbij komt dat de moeder zonder bespreking en toestemming van de vader is verhuisd naar [plaats B] en dat [de minderjarige] ’ volledige leefomgeving wordt veranderd door de beslissing van de rechtbank. De vader is een procedure gestart omdat de moeder liet doorschemeren dat zij geen co-ouderschap meer wilde. Hij vreest dan ook voor haar volgende stappen. Ze heeft [de minderjarige] zonder toestemming van de vader ingeschreven bij een kinderopvang in [plaats B] . De bestreden beschikking steunt de moeder in haar keuze om zonder overleg beslissingen te nemen die bepalend zijn voor [de minderjarige] . Daardoor wordt het gezag van de vader ondermijnd. Tot slot stelt de vader dat er meer belangen zijn dan de door de rechtbank van doorslaggevend belang geachte reistijd rond de schooldagen. Door de beslissing van de rechtbank wordt de - door file nog langere - reistijd bij hem gelegd, terwijl hij minder flexibel is in zijn werkdagen, -plek en -tijden dan de moeder, aldus de vader.

5.2

De moeder voert - samengevat - aan dat de vader bekend was met haar wens na hun uiteengaan om naar [plaats B] te verhuizen, waar haar familie woont en zij al elf jaar als woningzoekende ingeschreven stond. Sinds 5 april 2018 verblijft zij in haar huidige woning, waardoor [plaats B] een vertrouwde omgeving voor [de minderjarige] is geworden. De rechtbank heeft een duidelijke belangenafweging gemaakt. Gezien de in de bestreden beschikking opgesomde, bij beide partijen gelijke positieve omstandigheden, is doorslaggevende betekenis toegekend aan de plaats waar [de minderjarige] tijdens schooldagen het meest verblijft, en dat is bij de moeder. De rechtbank heeft het belang van [de minderjarige] (terecht) zwaarder laten wegen dan het belang van de vader om zijn gezag te kunnen laten gelden. De vader verzuimt aan te geven welke andere belangen van [de minderjarige] de rechtbank had moeten meewegen. De moeder is bereid [de minderjarige] vaker naar school te brengen zodat de vader maar twee keer per week heen en weer hoeft te rijden, aldus de moeder.

5.3

De raad heeft ter zitting geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De rechtbank heeft een weloverwogen oordeel gegeven op basis van wat de ouders [de minderjarige] kunnen bieden. De ouders dienen afspraken met elkaar te maken over waar zij de ander tegemoet kunnen komen en ervoor te zorgen dat [de minderjarige] zich positief blijft ontwikkelen en het blije kind blijft dat hij nu is, aldus de raad.

5.4

Ingevolge artikel 1:253a lid 2 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, de rechter op verzoek van de ouders of een van hen beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. In artikel 1:253a lid 4, in verbinding met artikel 1:377e BW is voorts bepaald dat de rechter een door partijen getroffen regeling met betrekking tot de zorg- en opvoedingstaken kan wijzigen op grond van nadien gewijzigde omstandigheden.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Blijkens de formulering van het onder rechtsoverweging 3.2 vermelde ouderschapsplan hebben partijen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] slechts een voorlopige keuze voor de vader gemaakt. Zo blijkt uit de bewoordingen dat zij opnieuw zouden overleggen over eventuele wijziging van de hoofdverblijfplaats wanneer de moeder langer dan drie maanden op hetzelfde adres zou wonen, zoals inmiddels het geval is. Partijen zijn voorts overeengekomen de zorg voor [de minderjarige] bij helfte te delen. Aan die regeling wordt inmiddels bijna twee jaar uitvoering gegeven. Blijkens eensluidende verklaring van partijen ter zitting gaat het in zijn algemeenheid goed met [de minderjarige] en merkt hij niet veel van de scheiding .

De vader heeft ter zitting verklaard dat de overgang goed verloopt en [de minderjarige] goed kan aangeven wat hij wil. Hij is wat terughoudend bij leeftijdsgenootjes en speelt liever met oudere kinderen. De vader is geboren en getogen in [plaats A] , waar hij een koopwoning heeft en al zijn familie en vrienden wonen. Hij werkt op Schiphol, heeft een vast arbeidscontract en op donderdag zijn papadag. Wanneer [de minderjarige] naar school gaat, zal hij op donderdag vanuit huis gaan werken zodat hij op vrijdag wat meer speling heeft. [de minderjarige] ging aanvankelijk in [plaats A] naar de peuterspeelzaal en dat verliep goed. De vader heeft een school in [plaats A] uitgezocht, die op loopafstand is van zijn huis. De moeder heeft echter niet meegewerkt aan bezoek c.q. inschrijving van [de minderjarige] op die school, aldus de vader ter zitting.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat [de minderjarige] net zo graag naar de vader als naar haar gaat. Hij was een ‘kat uit de boom kijk’-type, maar is inmiddels actiever en praat meer. Een grote groep kinderen vindt hij nog steeds spannend. De moeder heeft een huurwoning en een tijdelijk arbeidscontract, dat onlangs voor een jaar is verlengd. [de minderjarige] gaat op maandag- en woensdagochtend naar de peuterspeelzaal in [plaats B] en heeft het daar naar zijn zin. De school waarvoor hij door beide ouders is ingeschreven zit in hetzelfde gebouw, aldus de moeder ter zitting.

5.6

Het hof overweegt dat blijkens het voorgaande [de minderjarige] blij en vertrouwd is in de woonomgevingen van elk van zijn ouders, alwaar hij evenveel tijd doorbrengt. Het hof overweegt voorts dat blijkens het verhandelde ter zitting beide ouders tot op zekere hoogte gebonden zijn aan hun woonplaats, alwaar zij beschikken over een netwerk dat hen kan helpen bij de opvang van [de minderjarige] indien nodig. Het hof overweegt voorts dat [de minderjarige] met ingang van mei van dit jaar, dus inmiddels ruim zes maanden, twee ochtenden per week in [plaats B] naar de peuterspeelzaal gaat en hij het daar naar zijn zin heeft. Op [datum] aanstaande wordt hij vier jaar en vanaf die dag zal hij naar verwachting dus naar school gaan. Gezien deze situatie hebben partijen [de minderjarige] inmiddels ingeschreven voor de openbare basisschool ‘ [de school] ’, die zich in hetzelfde gebouw bevindt als de huidige peuterspeelzaal van [de minderjarige] , zij het dat de vader dat kennelijk heeft gedaan onder het voorbehoud dat hij nog steeds meent dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem behoort te zijn. Ongeacht de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader dan wel bij de moeder, zal één van de ouders zich geconfronteerd zien met een reistijd van circa 25 minuten, files nog buiten beschouwing gelaten, om [de minderjarige] van en naar school te brengen in [plaats B] dan wel [plaats A] . Het hof overweegt in dat kader dat, zoals door de moeder ter zitting is erkend, zij meer flexibel is in haar werktijden dan de vader. Echter, uit de hiervoor onder rechtsoverweging 5.5 uiteengezette verklaring van de vader ter zitting maakt het hof op dat eventuele reistijd (ook) voor de vader niet tot onoverkomelijke problemen zou leiden.

5.7

Uit het voorgaande volgt dat beide ouders goede persoonlijke redenen hebben voor de bepaling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij ieder van hen. Doorslaggevend moet echter zijn wat op dit moment in het belang van [de minderjarige] het meest wenselijk is. Naar het oordeel van het hof wordt het belang van [de minderjarige] in de gegeven omstandigheden het meest gediend met continuering van de huidige situatie. Hij zal dan naar school gaan op de plek die hem vanwege de peuterspeelzaal reeds vertrouwd is. Dat betekent dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder zal zijn. De bestreden beschikking wordt daarom, zij het op andere gronden, bekrachtigd en de verzoeken van de vader in hoger beroep worden afgewezen.

5.8

Ter zitting in hoger beroep heeft het hof partijen gecomplimenteerd met het feit dat zij tot op heden goed in staat zijn gebleken hun onderlinge geschillen bij [de minderjarige] weg te houden; zo is de vader in staat gebleken om, in weerwil van zijn visie op de zaak, in het belang van [de minderjarige] mee te werken aan de inschrijving van [de minderjarige] op ‘ [de school] ’. Het hof spreekt de hoop uit dat zij dat kunnen blijven volhouden bij het maken van de nodige, nadere afspraken over onder meer (de locatie van) toekomstige activiteiten van [de minderjarige] . Het is nu eenmaal het meest in het belang van het kind als ouders hun geschillen over de verzorging en opvoeding uiteindelijk in goede harmonie weten op te lossen. Het traject ‘ouderschap blijft’ dat partijen - blijkens hun verklaring ter zitting - willen gaan volgen, zal hen daarbij behulpzaam kunnen zijn.

6 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 17 april 2019, voor zover aan het hoger beroep onderworpen.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. W.F. Groos en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier en is op 3 december 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature