< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afpersing in vereniging. Bevestiging vonnis, behalve ten aanzien van de straf en de kwalificatie. Ook bespreking in hoger beroep gevoerd bewijsverweer. Alternatieve scenario niet aannemelijk, nu elke onderbouwing daarvoor ontbreekt.

Uitspraak



afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002518-19

datum uitspraak: 7 november 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer

13-051415-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

24 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de kwalificatie van het bewezenverklaarde – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof respondeert op het in hoger beroep gevoerde bewijsverweer.

Bespreking van het ter terechtzitting gevoerd verweer

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat niet valt uit te sluiten dat een ander dan de verdachte betrokken is geweest bij de afpersing. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte reeds voorafgaand aan de afpersing naar huis is gegaan.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op basis van de stukken in het dossier stelt het hof het volgende vast. Op vrijdag 14 december 2018 om 14:55 uur worden de verdachte en zijn vriend [medeverdachte] staande gehouden door twee verbalisanten. Ze beantwoorden een aantal vragen en fietsen vervolgens weg. Ongeveer 20 minuten later vindt de afpersing plaats. De aangever verklaart dat sprake is van twee daders. Zij hebben zijn muts en ketting meegenomen. De getuige [getuige 1] ziet het gebeuren en achtervolgt op zijn scooter de twee daders, die er op de fiets vandoor gingen. Uiteindelijk houdt hij [medeverdachte] aan, die de ketting van het slachtoffer in zijn zak heeft. De tweede dader ontkomt. Om 15:45 uur treffen verbalisanten de broer van de verdachte voor het huis van de verdachte aan. Hij verklaart dat de verdachte vijf minuten eerder is thuisgekomen en met [medeverdachte] op pad was. De verdachte is daarop bij de woning aangehouden. De verdachte verklaart na aanhouding dat [medeverdachte] en hij eerder die dag door verbalisanten zijn staande gehouden en dat hij vijf minuten voor de aanhouding is thuisgekomen.

De getuige [getuige 2] verklaart eerst telefonisch en later bij de raadsheer-commissaris dat hij heeft gezien dat twee jongens werden staande gehouden door de politie. Hij verklaart verder dat hij even later diezelfde twee jongens heeft zien vluchten, gevolgd door een man op een scooter. [getuige 2] heeft steeds consistent verklaard dat hij zeker weet dat de twee jongens die werden staande gehouden dezelfde jongens zijn als de jongens die werden achtervolgd door de man op de scooter.

Het hof stelt vast dat steeds sprake is geweest van twee jongens. De stukken in het dossier wijzen niet op betrokkenheid van een derde persoon.

Het hof oordeelt op grond van het voorgaande dat het alternatieve scenario zoals geschetst door de raadsman niet aannemelijk is, nu elke onderbouwing daarvoor ontbreekt. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Oplegging van straf

De kinderrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 20 uren, te weten de gedragsinterventie Tools4U (regulier), bij niet verrichten te vervangen door 10 dagen jeugddetentie, en een werkstraf voor de duur van 40 uren, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, bij niet verrichten te vervangen door 20 dagen jeugddetentie.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen onder aanvulling van de bewijsmiddelen en met wijziging van de kwalificatie.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, met een ander, schuldig gemaakt aan afpersing. Zij hebben het slachtoffer de weg geblokkeerd en zijn fiets bij het stuur vastgepakt, zodat het slachtoffer niet kon ontkomen. De verdachte en de medeverdachte hebben de muts van het slachtoffer van zijn hoofd gepakt en zijn ketting van zijn nek getrokken.

Het slachtoffer heeft door het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte financiële schade geleden. Bovendien heeft het slachtoffer een angstig moment doorgemaakt en kan, naar algemene ervaring, hiervan nog lange tijd psychische gevolgen ondervinden. Daarnaast brengt dit soort feiten een gevoel van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving.

Het hof heeft kennis genomen van het rapport en het daarin opgenomen advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 4 juni 2019. Anders dan het advies en de beslissing van de kinderrechter ziet het hof geen aanleiding de verdachte een leerstraf op te leggen, nu ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte over voldoende vaardigheden beschikt om herhaling van het plegen van strafbare feiten te voorkomen.

Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de kwalificatie van het bewezenverklaarde en doet in zoverre opnieuw recht.

Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door jeugddetentie.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. N.A. Schimmel en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 november 2019.

Mr. M.K. Durdu-Agema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature