< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden voor diverse (pogingen tot) woninginbraken en diefstallen in de buurt van Bergen.

Uitspraak



afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000825-19

datum uitspraak: 7 november 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-130069-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

thans gedetineerd in P.I. Heerhugowaard, afdeling Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 oktober 2019 en 7 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 11 mei 2018 te Bergen (NH) in/uit een woning aan de [adres 1] een geldbedrag van ongeveer 900 euro en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.hij op of omstreeks 11 mei 2018 te Bergen (NH) een geldbedrag van 250 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door dat geldbedrag te pinnen met een weggenomen pinpas;

3.hij op of omstreeks 18 mei 2018 te Bergen (NH) in/uit een woning aan de [adres 2] een of meerdere sieraden en/of een portemonnee met een geldbedrag van ongeveer 800 euro en/of een creditcard (VISA), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.hij op of omstreeks 18 mei 2018 te Bergen (NH) een geldbedrag van 2.000 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 5], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door dat geldbedrag te pinnen met een weggenomen credit-card;

5.hij op of omstreeks 30 mei 2018 te Koedijk, gemeente Alkmaar, in/uit een woning aan de [adres 3] een kluis en/of een of meerdere testamenten en/of aankooppapieren van de woning en/of een of meerdere diploma('s) en/of een trouwboekje en/of een of meerdere sieraden en/of een of meerdere creditcard(s) en/of een of meerdere paspoort(en) en/of een autosleutel(s) en/of huissleutel(s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

6.hij op of omstreeks 30 mei 2018 te Koedijk, gemeente Alkmaar en/of gemeente Heiloo, een personenauto (merk Merdeces, type C320 CDI, kenteken [kenteken]) en/of een geldbedrag van ongeveer 2.000 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door de auto weg te nemen met een weggenomen sleutel en/of door dat geldbedrag te pinnen met een weggenomen creditcard;

7.hij op of omstreeks 30 mei 2018 te Koedijk in/uit een woning aan de [adres 4] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde 8], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een keukenraam heeft opengebroken en/of de woning heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

8.hij op of omstreeks 18 juni 2018 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk in/uit een woning aan de [adres 5] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde 9], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen een raam heeft opengebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

9.hij op of omstreeks 3 juli 2018 te Alkmaar een of meer wapens van categorie I, onder 7, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag van het onder 7 ten laste gelegde tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Verweer met betrekking tot stelselmatige observatie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat gedurende het opsporingsonderzoek naar de verdachte sprake is geweest van een stelselmatige observatie door de politie, terwijl daartoe het vereiste bevel van de officier van justitie ontbrak. Door dit onherstelbare vormverzuim in het voorbereidend onderzoek is een dusdanig ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, dat als gevolg hiervan de resultaten van deze observaties van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Het hof kan zich met betrekking tot dit verweer grotendeels vinden in de overwegingen van de rechtbank, zodat het deze (met enige aanpassingen) overneemt in dit arrest en wel als volgt.

Van stelselmatige observatie in de zin van artikel 126g Sv is sprake als de observaties in verband met de plaats waar zij zijn uitgevoerd, de duur, het doel, de intensiteit en frequentie daarvan, alsmede het gebruik van technische hulpmiddelen, geschikt zijn om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van een verdachte. Als dat niet het geval is, dan kan de met het observeren samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als zo beperkt worden beschouwd, dat de algemene taakomschrijving van de politie, neergelegd in artikel 3 van de Politiewet en de artikelen 141 en 142 Sv, daarvoor voldoende legitimatie biedt (ECLI:NL:HR:2018:2050 en ECLI:NL:HR:2012:BW9338).

Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat de verdachte op 13 juni 2018, 19 juni 2018 en 20 juni 2018 op grond van de algemene politietaak is geobserveerd, met als doel het verblijfadres van de verdachte vast te stellen, alsmede vast te stellen op welke wijze de verdachte zich verplaatste en - volgens het proces-verbaal van 19 juni 2018 - om waar te nemen of hij strafbare feiten pleegde. Daarbij is een niet-registrerend peilbaken ingezet. Dat peilbaken is op 13 juni 2018 geplaatst onder een fiets waarvan werd vermoed dat deze bij de verdachte in gebruik was.

Het hof is van oordeel dat de observaties op 13 juni 2018, 19 juni 2018 en 20 juni 2018, gelet op de beperkte duur, intensiteit en frequentie daarvan, niet geschikt zijn geweest om van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van de verdachte een min of meer compleet beeld te verkrijgen. Weliswaar is een peilbaken ingezet, maar het betreft hier een niet-registrerend peilbaken, dat slechts enkele dagen onder de fiets geplaatst is geweest en alleen is gevolgd bij reisbewegingen van die fiets. Het hof is dan ook van oordeel dat er onder deze omstandigheden geen sprake is geweest van stelselmatige observatie van de verdachte. De met de observaties samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte kan in dit geval als zo beperkt worden beschouwd, dat daarvoor nog geen bevel van de officier van justitie nodig was en dat de algemene politietaak daarvoor toereikende grondslag bood. Het verweer dat sprake was van een stelselmatige observatie, terwijl het vereiste bevel daartoe van de officier van justitie ontbrak, wordt dan ook verworpen.

Bewijsoverwegingen

Verweren van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft hij – kort weergegeven – het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van het onder 3 en 4 tenlastegelegde

( a) De herkenning van verbalisant [verbalisant 1] kan niet aan een bewezenverklaring ten grondslag worden gelegd, omdat deze niet voldoende betrouwbaar is. (b) De verdachte zou herkend zijn bij een poging om met een ontvreemde bankpas te pinnen een dag na de inbraak waarop die pinpas is ontvreemd. Dat is onvoldoende om te kunnen oordelen dat hij de inbraak moet hebben gepleegd, laat staan het voltooide delict dat onder 4 ten laste is gelegd. Er zit namelijk te veel tijd tussen.

Ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde

( a) De verdachte is niet herkend. (b) Op het broek en het jasje is een DNA-mengprofiel aangetroffen. Hoe dat DNA daar is gekomen is niet duidelijk. Dat het DNA van de verdachte in het mengprofiel is aangetroffen, bewijst niet dat hij de bewuste nacht op de fiets zat.

Ten aanzien van het onder 1, 2, 5 en 6 tenlastegelegde

Het gebruik van schakelbewijs is niet mogelijk, omdat er onvoldoende sprake is van kenmerkende gedragspatronen. Per zaak is er evenmin voldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.

Meer specifiek ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

( a) Op basis van de stills is een herkenning niet mogelijk. Politieambtenaar [naam 1] heeft een vermoeden geuit, maar kon de verdachte niet herkennen. (b) In het proces-verbaal uitslag sporenonderzoek (p. 162 e.v.) staat niet het SIN-nummer van het onderzochte schoenspoor vermeld, zodat niet vaststaat dat het bij de woninginbraak veilig gestelde spoor (p. 180) is onderzocht. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij de schoenen heeft geleend van een bekende en later ook dergelijke schoenen heeft gekocht.

Meer specifiek ten aanzien van het onder 5 en 6 tenlastegelegde

( a) De verdachte is niet herkend: een pet en een broek zijn onvoldoende om hem als dader te identificeren. (b) Op het bed van de aangevers is een haar aangetroffen dat hoogstwaarschijnlijk een daderspoor is. De haar is niet van de verdachte of de aangevers afkomstig, zodat het waarschijnlijk is dat een ander de dader is. (c) Het DNA van de verdachte dat in de auto van de aangevers is aangetroffen is overtuigend bewijs, maar het is absoluut onduidelijk of dit een daderspoor is.

Ten aanzien van het onder 9 tenlastegelegde

Niet bewezen kan worden dat de verdachte het wapen voorhanden heeft gehad. Weliswaar is het DNA van de verdachte op het wapen aangetroffen, maar dit betrof een mengprofiel. Dit past bij verdachtes verklaring dat ook anderen het wapen hebben vastgehouden.

Overwegingen van het hof

Het hof kan zich ook ten aanzien van deze verweren grotendeels vinden in de overwegingen van de rechtbank, zodat het deze (met enige aanpassingen) overneemt in dit arrest en wel als volgt.

Ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde

Op 13 juni 2018 is de verdachte door de politie geobserveerd vanwege het vermoeden dat hij zich schuldig had gemaakt aan verschillende (pogingen tot) woninginbraken en insluipingen. Er is tijdens die observaties gebruik gemaakt van een peilbaken dat geplaatst was onder de fiets van het merk [merk] met een ossenkopstuur (ook wel als vlinderstuur aangeduid), waarvan werd vermoed dat de verdachte de gebruiker was. Een soortgelijke fiets was meermalen was waargenomen op camerabeelden tijdens pintransacties met gestolen bankpassen. Op 13 juni 2018 is waargenomen dat de verdachte gebruik maakte van de fiets met het peilbaken.

Enkele dagen later, op 18 juni 2018, ontving verbalisant [verbalisant 2] ’s nachts een sms-bericht vanwege (reis)bewegingen van het peilbaken. De verbalisant heeft de reisbewegingen gevolgd naar de Dorpsstraat in Zuid-Scharwoude. Daar zag hij dat omstreeks 02.30 uur twee mannen rennend de tuin van de woning aan de [adres 5] verlieten. Het bleek dat was geprobeerd om bij deze woning in te breken. Eén van de vluchtende mannen pakte een fiets en reed daarmee weg. De verbalisant heeft deze fiets herkend als de fiets waaronder eerder het peilbaken was geplaatst en moest bij het zien van de bestuurder van de fiets meteen denken aan de hem ambtshalve bekende verdachte. Verschillende politie-eenheden hebben daarna de reisbewegingen van het peilbaken gevolgd naar een woning aan de [adres 6] in Oudkarspel. Nabij deze woning werden twee fietsen aangetroffen, waaronder de fiets met het peilbaken, van het merk [merk]. In een sloot naast de tuin van de woning konden eenheden vervolgens één vluchtende man aanhouden, namelijk [medeverdachte]. De tweede man kon ontkomen. Achterop de bagagedrager van de [merk] fiets zaten drie plastic tassen. In twee tassen bleken diverse (inbrekers)gereedschappen te zitten. In de derde tas zaten een grijze jas en een zwarte Adidas broek met drie gele strepen over de beenlengte. Op de binnenzijde van deze jas en van die broek zijn DNA-mengprofielen aangetroffen, waarvan het DNA-hoofdprofiel in beide gevallen afkomstig kan zijn van de verdachte, met de zeer sterke matchkans van kleiner dan één op één miljard. Het hof neemt als vaststaand aan dat de verdachte de donor van die sporen is geweest.

Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden, namelijk het peilbaken op de fiets, de waarneming van de verbalisant [verbalisant 2] en het DNA-materiaal van de verdachte op de aangetroffen kledingstukken, in onderling verband en samenhang bezien, het wettig en overtuigend bewijs opleveren dat het de verdachte is geweest die zich op 18 juni 2018 in vereniging heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met braak. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt in alle onderdelen verworpen.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 tenlastegelegde

In de ochtend van 18 mei 2018 zijn de bewoners van de woning aan de [adres 2] in Bergen tussen 9.00 uur en 13.00 uur het slachtoffer geworden van een insluiping. De dader heeft zich via de keukendeur toegang verschaft tot de woning en vervolgens sieraden, een portemonnee met geld en een creditcard weggenomen. Met de gestolen creditcard is diezelfde dag omstreeks 12.20 uur een bedrag van € 2.000,00 contant opgenomen bij de pinautomaat aan het Plein in Bergen. Op 19 mei 2018 omstreeks 00.20 uur is geprobeerd om met dezelfde creditcard bij de pinautomaat aan de Vondelstaat in Alkmaar wederom geld op te nemen, maar dat is niet gelukt.

Op beelden van de beveiligingscamera van de buurman van de aangevers is te zien dat op 18 mei 2018 omstreeks 11.55 uur een man voorbij fietste, die wat betreft signalement overeenkomt met de pinner in Bergen. Het gaat in beide gevallen om een man die onder andere een rode baseballpet droeg en een donkere broek met aan de zijkant gele strepen over de beenlengte en die reed op een herenfiets met een ossenkopstuur en met op de bagagedrager een plastic tas van de Albert Heijn. Zoals al bleek, is een maand later een soortgelijke broek in beslag genomen waarop zich DNA-materiaal van de verdachte bevond en maakte de verdachte in die periode gebruik van een herenfiets met ossenkopstuur.

Het hof is van oordeel dat de man die op het Plein in Bergen heeft gepind, gelet op het overeenkomst in signalement tussen hem en de man op de beelden van de buurman en het korte tijdsbestek tussen de insluiping en de geldopname, de dader van de kort daarvoor gepleegde insluiping is geweest. Uit de camerabeelden van de pinautomaten op het plein in Bergen en de Vondelstraat in Alkmaar volgt naar het oordeel van het hof dat de pinner in beide gevallen dezelfde persoon is geweest. Verbalisant [verbalisant 1] – die al jaren ambtshalve bekend is met de verdachte – heeft op een print van de camerabeelden van de pinautomaat aan de Vondelstraat in Alkmaar de pinner, die een rode baseballpet droeg, onmiddellijk herkend als de verdachte. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze herkenning.

Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, het wettig en overtuigend bewijs opleveren dat de verdachte zich op 18 mei 2018 heeft schuldig gemaakt aan de onder 3 ten laste gelegde insluiping en onder 4 ten laste gelegde diefstal door middel van een valse sleutel. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt in alle onderdelen verworpen.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Op 11 mei 2018 is tussen 11.30 uur en 12.00 uur ingebroken in de woning aan de [adres 1] in Bergen. De dader heeft zich via een opengebroken raam toegang tot de woning verschaft en heeft vervolgens een contant geldbedrag en een bankpas weggenomen. Met de gestolen bankpas is diezelfde dag om 12.13 uur een bedrag van € 250,00 opgenomen bij de pinautomaat aan het Plein in Bergen. Uit de analyse van de camerabeelden van de pinautomaat volgt, dat de pinner de onderkant van zijn gezicht bedekte en reed op een fiets met ossenkopstuur met onder de bagagedrager een AH boodschappentas. Volgens verbalisant [verbalisant 3] gaat het meer dan vermoedelijk om de verdachte.

Uit het proces-verbaal sporenonderzoek van opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] (p. 179-180) blijkt dat onder het inklimraam van de woning een schoenspoor met een wolkje in de zool veiliggesteld (SIN-nummer: AABZ8070NL). Op 3 juli 2018 is bij de doorzoeking van het verblijfadres van de verdachte, in de woning aan het [adres 8] in Alkmaar, in zijn slaapkamer een paar zwarte schoenen in beslag genomen met een gelijkend wolkje in de zool. In de bemonstering van deze schoenen is het DNA-profiel van één man aangetroffen. Dat DNA-profiel kan afkomstig zijn van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Het hof neemt als vaststaand aan dat de verdachte de donor van dat spoor is. Op grond van vergelijkend onderzoek (p. 162 e.v.) is geconcludeerd dat het veiliggestelde schoenspoor is veroorzaakt met schoenen die soortgelijk zijn aan deze in beslag genomen schoenen. Hoewel het SIN-nummer in dit vergelijkend onderzoek ontbreekt, heeft het hof geen twijfel dat het spoor met nummer AABZ8070NL is onderzocht, aangezien voor de herkomst van het onderzochte spoor wordt verwezen naar het proces-verbaal van opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar].

Ten aanzien van het onder 5 en 6 tenlastegelegde

Op 30 mei 2018 is tussen 12.30 uur en 13.30 uur ingebroken in de woning aan de [adres 3] in Koedijk. De dader heeft zich toegang tot de woning verschaft door de woning binnen te klimmen via een open raam op de eerste verdieping. Vervolgens heeft de dader onder andere sieraden, creditcards en een autosleutel van de Mercedes personenauto van de bewoners weggenomen. Ook is de Mercedes, die geparkeerd stond naast de woning, weggenomen. Met de gestolen creditcards is diezelfde dag omstreeks 13.45 uur een totaalbedrag van € 2.000,00 opgenomen bij de pinautomaat aan de Heerenweg in Heiloo. Uit een beschrijving van de camerabeelden van de pinautomaat volgt dat de pinner een blanke man betrof, die een rode baseballpet, zwarte schoenen en een zwarte broek met aan de zijkant gele strepen over de beenlengte droeg. Op 10 juli 2018 is de Mercedes personenauto teruggevonden en vervolgens onderzocht in de loods van een sleepbedrijf in Haarlem. Onder de bestuurdersstoel van de auto is een geopend blikje Bacardi aangetroffen. Op dit blikje is het DNA-profiel van één man aangetroffen. Dat DNA-profiel kan afkomstig zijn van de verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Het hof neemt als vaststaand aan dat de verdachte de donor is van dit spoor.

Nader ten aanzien van het onder 1, 2, 5 en 6 tenlastegelegde

Gelet op het korte tijdsbestek tussen de onder 1 respectievelijk onder 5 ten laste gelegde woninginbraak en de onder 2 respectievelijk onder 6 ten laste gelegde geldopname, staat voor het hof vast dat de pinner ook de dader van de kort daarvoor gepleegde woningbraken is geweest; voor een andere conclusie bevindt zich in het dossier geen solide aanknopingspunt. Verder neemt het hof als vaststaand aan dat de dader van de woninginbraak aan de [adres 3] in Koedijk met de uit die woning weggenomen autosleutels de Mercedes personenauto van de bewoners heeft weggenomen, zoals onder 6 is ten laste gelegd. Ook hier geldt dat in het dossier voor een ander scenario geen concrete aanwijzing kan worden gevonden.

Het hof stelt vast dat de onder 1 tot en met 6 en onder 8 ten laste gelegde feiten telkens gekwalificeerde diefstallen betreffen, dan wel een poging daartoe, die wat betreft het signalement van de dader een aanzienlijke mate van overeenkomst met elkaar vertonen. Het hof stelt voorts vast dat uit de stukken die mede het bewijs vormen voor het begaan van de onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde feiten blijkt van een overeenkomst in het signalement van de dader dat op essentiële punten overeenkomt en dat past bij de feitelijke gang van zaken bij de onder 3, 4 en 8 ten laste gelegde en hierboven als bewezen geoordeelde feiten. Het hof zal daarom de bewijsmiddelen, die zijn gebezigd met betrekking tot het onder 3, 4 en 8 bewezenverklaarde, ook gebruiken bij de bewijsconstructie die ten grondslag ligt aan de bewezenverklaring van het onder 1, 2, 5 en 6 tenlastegelegde.

Het hof acht van belang dat het signalement van de pinners op 11 mei 2018 en 30 mei 2018 een aantal overeenkomsten vertoont met het signalement van de pinner op 18 mei 2018, waarvan het hof onder 3, 4 en 8 bewezen heeft geacht dat dit de verdachte is geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de pinner op 11 mei 2018 een pet droeg en zich verplaatste met een fiets met ossenkopstuur met op de bagagedrager een plastic tas van Albert Heijn. Op 18 mei 2018 draagt de pinner een broek met gele strepen aan de zijkant maakt gebruik van een fiets met ossenkopstuur met op de bagagedrager een plastic tas van Albert Heijn. Ook is vastgesteld dat verdachte zich in de periode daarna heeft voortbewogen op een fiets met ossenkopstuur. Verder blijkt uit het signalement van de pinner op 30 mei 2018 dat hij een rode baseballpet en zwarte broek droeg met aan de zijkant gele strepen over de beenlengte, wat overeenkomt met de kleding die verdachte op 18 mei 2018 droeg.

Het hof komt, gelet op wat het hiervoor heeft overwogen, tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die ook de onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Naast de redengevende feiten en omstandigheden, berust dit oordeel, zoals boven overwogen, mede op de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring van de onder 3, 4 en 8 ten laste gelegde feiten.

Met betrekking tot het onder 5 en 6 tenlastegelegde overweegt het hof nog dat het DNA-materiaal van de verdachte dat in de personenauto (Mercedes) is aangetroffen, gezien de samenhang met de overige bewijsmiddelen, een daderspoor is. Dat op het bed van de aangevers een haar is aangetroffen dat mogelijk niet van hen of de verdachte is, rechtvaardigt in het licht van het voorgaande niet de conclusie dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde inbraak.

Gelet op het bovenstaande worden de tot vrijspraak van het onder 1, 2, 5 en 6 tenlastegelegde strekkende verweren in alle onderdelen verworpen.

Ten aanzien van het onder 9 tenlastegelegde

Bij de doorzoeking van de woning waar de verdachte verbleef is een modelpistool is aangetroffen. Dat modelpistool zat in een kussensloop, dat in een tas hing aan de kapstok tegenover de slaapkamer van de verdachte. De hoofdbewoner van de woning, [naam 2], heeft verklaard dat het modelpistool niet van hem is. Volgens hem kan het wapen alleen van de verdachte zijn; hij had de plastic tas een paar dagen eerder aan de kapstok zien hangen en dacht dat de tas van de verdachte was. Op het modelpistool is een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarvan het DNA-hoofdprofiel afkomstig kan zijn van de verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Het hof neemt als vaststaand aan dat de verdachte de donor is van dat spoor. Er is geen aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van DNA van [naam 2] in het mengprofiel. Gelet op het voorgaande schuift het hof verdachtes verklaring dat het wapen aan een ander toebehoorde als ongeloofwaardig terzijde en is het van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen is dat hij het modelpistool voorhanden heeft gehad. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Vrijspraak van het onder 7 tenlastegelegde

Op 30 mei 2018 is ingebroken in een woning aan de [adres 4] in Koedijk. Onder het inklimraam van deze woning is een schoenspoor aangetroffen dat is veroorzaakt met schoenen soortgelijk aan de op naam van de verdachte in beslag genomen schoenen. Zoals overwogen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het onder 5 ten laste gelegde, hetgeen betekent dat hij op 30 mei 2018 op de Kanaaldijk te Koedijk aanwezig is geweest. Hoewel het voorgaande een sterke aanwijzing vormt dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan de onder 7 ten laste gelegde inbraak, is het hof met de raadsman van oordeel dat dit niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld. Daarom zal hij van dat feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op 11 mei 2018 te Bergen (NH) uit een woning aan de [adres 1] een geldbedrag van ongeveer 900 euro en een bankpas toebehoorde aan [benadeelde 1] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2.hij op 11 mei 2018 te Bergen (NH) een geldbedrag van 250 euro toebehoorde aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

3.hij op 18 mei 2018 te Bergen (NH) uit een woning aan de [adres 2] een portemonnee met een geldbedrag van ongeveer 800 euro, sieraden en een creditcard (VISA) toebehorende aan [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.hij op 18 mei 2018 te Bergen (NH) een geldbedrag van 2.000 euro toebehorende aan [benadeelde 5] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door dat geldbedrag te pinnen met een weggenomen creditcard;

5.hij op 30 mei 2018 te Koedijk, gemeente Alkmaar, uit een woning aan de [adres 3] een kluis, testamenten, aankooppapieren van de woning, diploma’s, een trouwboekje, sieraden, creditcards, paspoorten, een autosleutel en een huissleutel toebehorende aan [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

6.hij op 30 mei 2018 te Koedijk, gemeente Alkmaar, een personenauto (merk Mercedes, type C320 CDI, kenteken [kenteken]) en een geldbedrag van 2.000 euro toebehorende aan [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door de auto weg te nemen met een weggenomen sleutel en door dat geldbedrag te pinnen met een weggenomen creditcard;

8.hij op 18 juni 2018 te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk, uit een woning aan de [adres 5], tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om enig goed toebehorende aan [benadeelde 9] weg te nemen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen een raam heeft opengebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

9.hij op of omstreeks 3 juli 2018 te Alkmaar een wapen van categorie I, onder 7, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 2, 4 en 6 bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutel.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het onder 9 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 tot en met 9 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tot en met 9 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.

De raadsman heeft het hof verzocht, gelet op de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), de verdachte bij een bewezenverklaring een gevangenisstraf voor maximaal 29 maanden op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van ongeveer een maand schuldig gemaakt aan een strooptocht in de omgeving van Bergen, waarbij hij meerdere woninginbraken, diefstallen, een insluiping en een poging tot diefstal in vereniging heeft gepleegd. Daarbij heeft hij meerdere goederen, waaronder geld, sieraden, bankpassen en autosleutels weggenomen. Met de gestolen bankpassen heeft de verdachte geldbedragen gepind en met de autosleutel heeft hij een personenauto weggenomen. Met zijn handelen heeft de verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de beschermde leefomgeving van de slachtoffers, hun eigendomsrecht geschonden en hun gevoel van veiligheid aangetast. Hij heeft daarbij alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een modelpistool. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijke pistool brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee, omdat het geschikt is voor bedreiging en afdreiging.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 oktober 2019 is hij in eerder veelvuldig onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten (waaronder woningbraken). Bovendien is hij eerder onherroepelijk voor wapenbezit veroordeeld. Dat de verdachte geen enkele lering heeft getrokken uit eerdere veroordelingen, weegt zwaar in zijn nadeel.

Gelet op de ernst van de feiten en het hardleerse karakter van het handelen van de verdachte kan – ter vergelding en ter bescherming van de samenleving – niet worden volstaan met een andere sanctie dan een vrijheidsbenemende straf van langere duur. Het hof acht de door de rechtbank opgelegde straf passend en ziet in de omstandigheid dat de verdachte thans wordt vrijgesproken van het onder 7 ten laste gelegde geen aanleiding hiervan in het voordeel van de verdachte af te wijken. De door de raadsman verzochte straf doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten en het recidiverende karakter van verdachtes handelen. Tegelijkertijd ziet het hof, anders dan de advocaat-generaal, onvoldoende aanleiding om de verdachte een nog hogere straf op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden.

Beslissing ten aanzien van het beslag

Het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van de onder de verdachte beslag genomen schoenen (goednummer 905555). Deze zullen daarom verbeurd worden verklaard.

Vordering van de benadeelde partij wijlen [benadeelde 4]

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 2.550,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit € 2.500,00 als vergoeding voor weggenomen en niet vergoede sieraden en € 50,00 ter vergoeding van het eigen risico, aangezien de verzekering van de benadeelde partij een deel van de schade van de weggenomen sieraden had vergoed. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich bij schrijven van 23 maart 2019 in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 4] op 14 mei 2019 is overleden. Hij blijft formeel echter procespartij; aan zijn ontvankelijkheid in de vordering staat dat niet in de weg.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De raadsman heeft het hof verzocht de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren en heeft daartoe aangevoerd dat de opgevoerde schade is niet onderbouwd en bij gebreke daarvan wordt betwist. De schade zou door een expert zijn geschat, maar daarvan is geen bewijs.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Zijdens de verdachte is het eigen risico ter hoogte van € 50,00 niet betwist, zodat de verdachte in ieder geval tot vergoeding van die schade is gehouden.

Wat betreft de vergoeding van de weggenomen sieraden geldt het volgende. De raadsman heeft niet betwist dat de benadeelde partij als gevolg van het wegnemen van de sieraden schade heeft geleden, zodat het ontstaan van de opgevoerde schade en het causale verband met het handelen van de verdachte niet gemotiveerd is weersproken en aldus is vast komen te staan. De raadsman heeft alleen iets naar voren gebracht over de omvang van de schade. Onbetwist is echter dat de benadeelde partij verzekerd was, dat (slechts) een deel van de geleden schade door de verzekeraar is vergoed en dat daarbij de verzekeraar het eigen risico van € 50,00 in rekening heeft gebracht. Gelet hierop kan hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht niet als een genoegzame betwisting van de omvang van de schade worden gezien. Bovendien ziet het hof gelet op de zich in het dossier bevindende foto’s van een aantal van de door de verdachte weggenomen sieraden geen enkele aanleiding te twijfelen aan de omvang van de gestelde schade. De verdachte is dan ook tot de vergoeding van die schade gehouden.

De vordering zal integraal worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.040,00. De gestelde schade bestaat uit vergoeding van het gepinde geldbedrag van € 2.000,00 en de transactiekosten van € 40,00 die in rekening zijn gebracht in verband met de contante opnames met de weggenomen creditcard, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen en is van rechtswege in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De raadsman heeft zich met betrekking tot deze vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, mede nu deze schade zijdens de verdachte niet is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2 schoenen (goednummer 905555).

Vordering van de benadeelde partij wijlen [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wijlen [benadeelde 4] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.550,00 (tweeduizend vijfhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4], ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.550,00 (tweeduizend vijfhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 18 mei 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het onder 6 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.040,00 (tweeduizend veertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6], ter zake van het onder 6 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.040,00 (tweeduizend veertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 mei 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. A.R.O Mooy en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint en mr. L. Pothast, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 november 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature