< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Handelen thuiszorginstelling in conflict tussen kinderen van cliënt niet onrechtmatig.

Uitlatingen van die kinderen over thuiszorginstelling op internetfora deels onrechtmatig.

Hof bekrachtigt vonnis rechtbank in deze kwesties.

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.230.645/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/15/246844 / HA ZA 16-507

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 november 2019

inzake

1 [appellante sub 1] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

2. [appellant sub 2],

wonend te [woonplaats] ,

3. [appellant sub 3],

wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam,

tegen

[X ] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. A.C. de Die te Amsterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante sub 1] , [appellant sub 2] , [appellant sub 3] en [X ] genoemd. Appellanten gezamenlijk worden ook wel aangeduid als [appellanten]

zijn bij dagvaarding van 19 december 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 oktober 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [X ] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie, en [appellanten] als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, alsmede akte overlegging producties, met producties

- memorie van antwoord in incidenteel appel tevens akte uitlating productie, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 20 februari 2019 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, beide aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Van de zijde van [appellanten] zijn ter gelegenheid van het pleidooi nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [X ] voor zover toegewezen alsnog zal afwijzen en hun voreringen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [X ] in de kosten van het geding in beide instanties.

[X ] heeft geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot afwijzing van het principale hoger beroep en, naar het hof begrijpt, toewijzing van haar vordering.

[appellanten] hebben in incidenteel appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [X ] in de proceskosten van het appel.

[appellanten] hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief I in incidenteel appel is gericht tegen de vaststelling van de feiten in het bestreden vonnis onder 2.14. Het hof zal bij de feitenvaststelling rekening houden met deze grief. De feiten zijn voor het overige in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[X ] is een thuiszorginstelling die zorg verleent als bedoeld in de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning. [X ] heeft vanaf 2013 tot hun overlijden zorg verleend aan [Y] en [Z] (verder ook: vader respectievelijk moeder) in hun woning te [plaats] . Vader had de ziekte van Alzheimer. Moeder onderhield het contact met [X ] , tot haar overlijden op [overlijdensdatum] . Vader is overleden op [overlijdensdatum] .

2.2

Vier dochters van vader en moeder, geen van hen partij in dit geschil, traden na het overlijden van moeder op als mantelzorgers van vader (verder ook: de vier zussen). [appellante sub 1] is eveneens een dochter van vader en moeder. [appellant sub 2] is de enige zoon van vader en moeder, [appellant sub 3] is zijn echtgenote. Tussen de vier zussen en [appellanten] is sprake van een conflict.

2.3

Vader en moeder hebben op 1 september 2011 een verklaring ondertekend die voor zover van belang inhoudt:

‘ [Y] (…) geeft de wens te kennen dat zijn vrouw [Z] , wettelijk vertegenwoordiger, beslist samen met dochters (…) [hof: de vier zussen] over verzorging-opname-bezoek (…)

[Y] geeft de wens te kennen enkel bezoek te willen ontvangen in bijzijn van

- zijn vrouw [Z] samen met (1 van) de 4 boven vernoemde dochters of

- (1 van) de 4 boven vernoemde dochter.’

2.4

[appellant sub 2] heeft zijn vader bezocht op 19 oktober 2013. [appellante sub 1] heeft vervolgens haar vader bezocht op 12 november 2013. Op 15 januari 2014 hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] samen getracht een bezoek te brengen aan hun vader. De deur werd niet opengedaan, waarna een conflict is ontstaan waarop de vier zussen en/of de twee medewerkers van [X ] , die allen bij vader in de woning aanwezig waren, de politie hebben ingeschakeld.

2.5

Eén van de vier zussen heeft vervolgens een bezoekregeling opgesteld en voorgelegd aan [X ] . [X ] heeft de bezoekregeling beoordeeld en passend geacht, en deze in maart 2014 voorgelegd aan [appellanten]

2.6

[appellant sub 2] en [appellante sub 1] hebben de vier zussen in kort geding betrokken en gevorderd, kort gezegd, een contactregeling tussen hen en vader te bepalen. De vier zussen hebben in dat geding van hun zijde een contactverbod tussen [appellant sub 2] en [appellante sub 1] enerzijds en vader anderzijds gevorderd. Bij vonnis van 8 mei 2014 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam de vorderingen van beide zijden afgewezen.

2.7

[appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben op 22 juni 2014 een kort bezoek aan vader gebracht.

2.8

De burgemeester van [plaats] heeft bij brief van 4 augustus 2014, kort voor het overlijden van vader, aan betrokkenen een nieuwe bezoekregeling voorgesteld.

2.9

[appellanten] hebben na het overlijden van vader op diverse internetfora uitlatingen gedaan over [X ] . [X ] heeft [appellanten] vervolgens in kort geding gedagvaard en gevorderd, kort gezegd, dat [appellanten] zich zullen onthouden van het doen van onrechtmatige uitlatingen, alle onrechtmatige uitlatingen zullen verwijderen en rectificaties zullen verspreiden. De voorzieningenrechter te Rotterdam heeft bij vonnis van 16 oktober 2015 de gevorderde voorzieningen geweigerd.

3 Beoordeling

3.1

[X ] heeft thans in eerste aanleg gevorderd, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, (i) te bepalen dat [appellanten] zich onrechtmatig hebben uitgelaten over [X ] en daardoor de eer en goede naam van [X ] hebben geschonden, (ii) [appellanten] te veroordelen tot het staken en gestaakt houden van beschuldigingen en andere uitlatingen over [X ] op internet, (iii) [appellanten] te veroordelen tot het verwijderen van alle uitlatingen over [X ] geplaatst op het internet, (iv) [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan [X ] van € 15.000,- met rente, en (v) [appellanten] te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand van [X ] , begroot op € 10.000,-, met rente, de vorderingen onder (ii) en (iii) te versterken met een dwangsom, en een en ander met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

3.2

[appellanten] hebben verweer gevoerd en van hun zijde gevorderd [X ] te veroordelen aan ieder van hen te betalen een bedrag van € 15.000,- aan schadevergoeding en, kennelijk aan hen gezamenlijk, een bedrag van € 10.000,- aan kosten van rechtsbijstand, een en ander met veroordeling van [X ] in de proceskosten.

3.3

De rechtbank heeft overwogen dat de uitlating van 1 november 2015, de aanvulling daarop van 11 december 2015, en de uitlatingen van 2 april 2016, 24 april 2016 en 2 juni 2016 onrechtmatig zijn jegens [X ] . Een aantal andere uitlatingen wordt als niet onrechtmatig beoordeeld. De rechtbank heeft op grond van het oordeel dat een deel van de uitlatingen onrechtmatig is het onder (i) gevorderde toegewezen. Het onder (ii) gevorderde stakingsgebod is eveneens toegewezen voor zover het om onrechtmatige uitlatingen gaat, zij het dat de gevorderde dwangsom is gematigd. Omdat slechts twee uitlatingen van [appellanten] over [X ] nog zichtbaar zijn op het internet, en niet is gesteld of gebleken dat deze twee uitlatingen onrechtmatig zijn, is de vordering tot verwijdering, vordering (iii), afgewezen. Nu onvoldoende concreet is gesteld dat [X ] schade heeft geleden, is de vorderingen onder (iv) en (v) eveneens afgewezen. Omdat niet is gebleken van onrechtmatig handelen van de zijde van [X ] , zijn de vorderingen van [appellanten] afgewezen. De rechtbank heeft [appellanten] in de kosten van zowel de conventie als de reconventie veroordeeld.

Het handelen van [X ]

3.4

Het hof ziet aanleiding eerst grief 8 in principaal appel te behandelen. Deze grief betreft de afwijzing van de vorderingen van [appellanten] en de gronden waarop deze afwijzing berust. [appellanten] voeren bij deze grief aan dat [X ] het hen onmogelijk heeft gemaakt om contact met hun vader te krijgen en te behouden. [X ] heeft hiermee onrechtmatig jegens hen gehandeld, van welk handelen zij nog steeds nadelige (psychische) gevolgen ondervinden, zo stellen [appellanten] [X ] betwist deze beschuldiging. Zij heeft met het oog op het belang van vader, haar cliënt, gewezen op de noodzaak van een bezoekregeling, waarna deze door één van de vier zussen, met instemming van de andere drie, is opgesteld. De kinderen zijn er, ondanks haar bemoeienis en de bemoeienis van andere externe partijen, niet in geslaagd tot een vergelijk te komen, aldus nog steeds [X ] . Dat is niet aan haar te wijten, zo stelt zij.

3.5

Het hof overweegt naar aanleiding van de stellingen over en weer omtrent het handelen van [X ] het volgende. [appellanten] hebben niet (gemotiveerd) betwist dat de verklaring van 1 september 2011 door vader is ondertekend. [X ] heeft gelet daarop kunnen en mogen aannemen dat de inhoud van die verklaring de wil van vader weergaf. [appellanten] hebben niets aangevoerd dat dit anders maakt. [appellanten] hebben evenmin betwist dat zij, voordat moeder overleed, geen contact met vader en moeder hadden. Ook hebben zij niet betwist dat de vier zussen mantelzorgers waren voor hun vader. [X ] heeft onder deze omstandigheden niet hoeven twijfelen over de inhoud van de verklaring. [appellanten] hebben geen omstandigheden aangevoerd die [X ] aanleiding hadden moeten geven te onderzoeken of de inhoud van de verklaring nog steeds overeenstemde met de wil van vader. Dat vader door zijn houding en gedrag aangaf hen graag te zien, is in dit verband van onvoldoende belang. Dat is immers niet strijdig met de inhoud van de verklaring. Ook het overlijden van moeder maakt niet dat de verklaring zijn betekenis heeft verloren. Een en ander betekent dat [X ] ervan uit heeft kunnen gaan dat vader wilde dat de vier zussen, samen met hem, beslisten over bezoek én dat vader geen bezoek wilde ontvangen buiten aanwezigheid van één van de vier zussen. Een en ander betekent echter niet dat [X ] in haar handelen voorbij kon gaan aan de gerechtvaardigde belangen van [appellanten] in verband met hun wens om vader te bezoeken. Het hof zal de verdere gang van zaken beoordelen in het licht van het bovenstaande.

3.6

[appellanten] hebben in hun conclusie van antwoord [X ] een aantal concrete verwijten gemaakt. Zij klagen erover dat de medewerker van [X ] die aanwezig was tijdens het bezoek van [appellant sub 2] aan zijn vader op 19 oktober 2013, het niet ertoe heeft geleid dat [appellant sub 2] even alleen kon zijn met zijn vader maar de aanwezige zus in haar wensen heeft gevolgd. Het hof is van oordeel dat mede gelet op de inhoud van de verklaring niet van de medewerker van [X ] kon worden verlangd [appellant sub 2] met zijn vader alleen te laten. [appellanten] hebben niet aangevoerd dat vader, wiens belangen de medewerker van [X ] in de eerste plaats had te dienen, op dat moment duidelijk de wens te kennen heeft gegeven alleen met zijn zoon te willen zijn. Het is bij het ontbreken van een duidelijke wil daartoe bij vader, gelet op de inhoud van de door hem getekende verklaring, immers aan de vier zussen om de regie over het bezoek te voeren. Daar is de medewerker van [X ] kennelijk, en terecht, van uitgegaan. Dat [X ] de belangen van [appellant sub 2] daarbij geheel uit het oog heeft verloren, is niet gebleken. [appellant sub 2] heeft immers zijn vader kunnen bezoeken. Er is dan ook geen sprake van dat [X ] door dit handelen van haar medewerker vader, tegen zijn wil in, van [appellant sub 2] heeft geïsoleerd, zoals [appellanten] in dit verband aanvoeren.

3.7

[appellanten] voeren voorts aan dat vader op zijn verjaardag, [geboortedag] 2013, telefonisch onbereikbaar was. Zij hebben echter niet toegelicht wat de rol van [X ] daarin is geweest zodat het hof hieraan voorbij gaat.

3.8

[appellanten] klagen bovendien over de gang van zaken op 15 januari 2014 als volgt. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] wilden die dag hun vader bezoeken en hadden dit ruim van tevoren aan de vier zussen laten weten. Die vier zussen hebben op die melding niet gereageerd, en op de aangekondigde dag en tijd deed de deurbel het niet en werd de deur niet opengedaan. Om aandacht te trekken moesten zij daarom hun aanwezigheid op andere wijze kenbaar maken. [appellanten] doelen daarbij kennelijk op het bonzen op deuren en ramen en roepen door de brievenbus. Korte tijd later arriveerde de politie die kennelijk door [X ] was gebeld. Het verwijt dat [appellanten] [X ] in dit verband maken is dat zij als professionele zorgverlener het bezoek van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] aan hun vader hadden moeten faciliteren in plaats van mee te werken aan escalatie. Het hof overweegt omtrent een en ander het volgende. De vier zussen waren die dag allen in de woning van vader aanwezig en wilden, zo blijkt uit de gang van zaken, [appellante sub 1] en [appellant sub 2] kennelijk niet in die woning binnenlaten. In een dergelijke situatie kan niet van (medewerkers van) [X ] worden gevergd om tegen de wens van de vier aanwezige zussen in [appellante sub 1] en [appellant sub 2] toch in de woning toe te laten. Een escalatie in de woning is immers in elk geval niet in het belang van vader, welk belang [X ] in de eerste plaats heeft te dienen. De medewerkers van [X ] hebben er dan ook verstandig aan gedaan de politie in te schakelen die, zo blijkt ook uit de stellingen van [appellanten] , vervolgens in de persoon van de wijkagent een bemiddelende rol tussen hen en de vier zussen heeft gespeeld. Het handelen van [X ] op deze dag is gelet op een en ander niet als onrechtmatig aan te merken.

3.9

[appellanten] klagen verder in algemene bewoordingen erover dat [X ] niets heeft gedaan om enig contact of bezoek aan hun vader mogelijk te maken en niet of onvoldoende heeft gereageerd op hun klachten. Zij hebben echter niet concreet gemaakt wat [X ] nog meer in het conflict tussen hen en de vier zussen omtrent hun bezoeken aan vader had kunnen betekenen dan het meewerken aan pogingen in dat conflict te bemiddelen. Dat laatste heeft [X ] immers gedaan. Dat die bemiddelingspogingen niet tot resultaat hebben geleid valt zonder nadere toelichting die niet is gegeven, niet aan [X ] te wijten.

3.10

Een en ander leidt tot de conclusie dat de onderhavige grief faalt. Van onrechtmatig handelen van de zijde van [X ] is niet gebleken. Er is geen grond voor toewijzing van enig onderdeel van de vorderingen van [appellanten]

De uitlatingen van [appellanten]

3.11

De overige grieven van [appellanten] betreffen de overwegingen van de rechtbank omtrent de onrechtmatigheid van hun uitlatingen en de beslissingen op de vorderingen van [X ] . Ook de grieven van [X ] in haar incidentele appel betreffen deze overwegingen en beslissingen. Het hof zal eerst de grieven in het principale appel bespreken en daarna de grieven in het incidentele appel.

3.12

Bij het beoordelen van deze grieven staat voorop dat enerzijds [X ] recht heeft op bescherming van de goede naam van haar onderneming tegen lichtvaardig gepubliceerde beschuldigingen en anderzijds [appellanten] het recht hebben in vrijheid hun mening te uiten over hetgeen zij ondervinden en waarnemen. Welk van deze rechten in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, waaronder de aard van de gepubliceerde beschuldigingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die beschuldigingen betrekking hebben, de ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de beschuldigingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal en de inkleding van de beschuldigingen (Hoge Raad 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221). Bij de afweging komt in beginsel geen voorrang toe aan één van voornoemde rechten. Het voorgaande leidt ertoe dat de toetsing in één keer dient te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het tweede lid van artikel 10 EVRM, dan wel het tweede lid van artikel 8 EVRM (Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627). Door de opkomst van het internet is voor particulieren de mogelijkheid ontstaan zich buiten de tot dan toe bestaande media tot een breed publiek te richten. Bij een meningsuiting die is gericht tot een breed publiek met het oogmerk om dat publiek te informeren worden de maatstaven aangelegd die ten aanzien van perspublicaties worden aangelegd (Hoge Raad 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210).

3.13

[appellanten] betogen met grief 1 in principaal appel dat [appellant sub 3] na 16 oktober 2015 geen berichten heeft vastgezet of herhaald, althans dat in haar berichten [X ] slechts kritisch wordt gevolgd of helemaal niet genoemd. De grief is slechts in algemene bewoordingen geformuleerd en niet gericht op één of meer concrete uitlatingen. Voor zover bij deze grief wordt verwezen naar bij de memorie van grieven gevoegde producties, merkt het hof op dat het merendeel van de daaruit blijkende uitlatingen niet door [X ] aan haar vorderingen ten grondslag is gelegd. Voor zover dat wel zo is, zullen deze uitingen hierna nog worden besproken met inachtneming van het bij deze grief verwoorde standpunt.

3.14

Bij grief 2 in principaal appel voeren [appellanten] aan dat diverse uitlatingen aantoonbaar van derden afkomstig zijn. Ook deze stelling hebben [appellanten] niet op concrete uitlatingen toegespitst. Voor zover [appellanten] bij deze grief verwijzen naar door hen overgelegde producties, zijn deze slechts van belang voor zover [X ] de in die producties te lezen uitingen aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Voor zover dat zo is, hebben [appellanten] onvoldoende concreet onderbouwd dat die uitingen niet van hen afkomstig zijn.

3.15

Bij grief 3 in principaal appel betogen [appellanten] wederom in algemene termen dat zij [X ] slechts kritisch hebben gevolgd en dat er ook berichten van derden over [X ] tussen hun berichten terecht zijn gekomen. Het hof sluit aan bij hetgeen reeds naar aanleiding van de grieven 1 en 2 in principaal appel is overwogen.

3.16

Grief 4 in principaal appel handelt over het oordeel van de rechtbank dat de uitlating van [appellante sub 1] van 1 november 2015 op haar facebookpagina, en de daaraan door [appellant sub 3] op 11 december 2015 toegevoegde tekst onrechtmatig zijn jegens [X ] omdat [appellante sub 1] en [appellant sub 3] daarmee suggereren dat [X ] zich schuldig heeft gemaakt aan dwangverpleging dan wel gijzeling en deze beschuldigingen in het geheel geen steun vinden in de aangevoerde feiten en omstandigheden. [appellanten] voeren bij hun grief aan dat de tekst van [appellant sub 3] geen verband houdt met [X ] , maar een reactie is op een artikel over gijzeling van de menterenden in verband met het onbetaald laten van boetes. Het hof overweegt dat [appellant sub 3] in de door haar op 11 december 2015 toegevoegde tekst, die inderdaad deels over het door [appellanten] genoemde artikel gaat, ook meldt: ‘En in de thuissituatie is dat niet erg? Door familie met hulp van degene van wie je zorg verwacht?’. Met dat laatste heeft zij wel degelijk [X ] op het oog. Op dezelfde facebookpagina wordt verwezen naar het onder 2.10 genoemde vonnis waarbij [X ] partij is zodat het verband met [X ] voor de lezer duidelijk is, zoals de rechtbank in het bestreden vonnis reeds heeft overwogen en door [appellanten] niet is aangevallen. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de uitlatingen, mede wegens hun ver strekkende woordgebruik, onrechtmatig zijn jegens [X ] . De grief faalt.

3.17

De rechtbank heeft voorts de uitlating van [appellant sub 2] van 2 april 2016, geplaatst als reactie op een (online) nieuwsbericht over [X ] , als onrechtmatig beoordeeld. De tekst daarvan luidt, voor zover van belang: ‘Het zonder toestemming verstrekken van privacygevoelige informatie aan derden en het treffen van een streng verpleeg regime tegen de wil van de client, heeft kenmerken van oudermishandeling’. [appellanten] verzetten zich met grief 5 in principaal appel tegen het oordeel van de rechtbank over deze tekst. Zij doelen met die tekst erop, zo blijkt uit hun toelichting op grief 5, dat [X ] medische stukken heeft verstrekt aan de vier zussen, welke stukken die zussen vervolgens als productie hebben overgelegd in het tussen [appellanten] en hen gevoerde kort geding. Tevens doelen zij op de bezoekregeling die [X ] hen zou hebben opgelegd. [X ] heeft niet betwist dat zij medische stukken aan de vier zussen heeft verstrekt. Zij voert echter aan dat vader wilsonbekwaam was en dat daarom één van de zussen, [A] , op grond van artikel 7:465 lid 3 BW de vertegenwoordiger van vader was. Het ligt echter niet zonder meer voor de hand, mede gelet op de conflictsituatie, dat [X ] ook bij het verstrekken van medische gegevens alleen één van de vier zussen, en niet tevens één van de andere partijen in het conflict, als vertegenwoordiger heeft aangemerkt. [X ] heeft evenmin betwist dat zij de door de vier zussen aan haar voorgelegde bezoekregeling heeft beoordeeld en aan [appellanten] heeft voorgelegd, en evenmin dat deze bezoekregeling strenge eisen stelde aan [appellanten] Gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden heeft [X ] een zodanige positie ingenomen in het geschil tussen de vier zussen en [appellanten] dat zij kritische kanttekeningen van de zijde van [appellanten] heeft kunnen verwachten. Als professionele organisatie heeft zij teksten als hiervoor aangehaald, die weliswaar scherp zijn maar niet geheel bezijden de waarheid, te dulden.

3.18

[appellant sub 2] heeft op 24 april 2016, kennelijk bij hetzelfde nieuwsbericht, nog de tekst toegevoegd: ‘Onder het mom van een streng verpleegregime wordt een dementerende vader tegen zijn zin geïsoleerd van een deel van zijn kinderen en familie, notabene onder regie van een thuiszorgorganisatie. Rechter heeft isoleren een vorm van oudermishandeling genoemd.’ Op dezelfde gronden als hiervoor weergegeven acht het hof ook deze tekst niet onrechtmatig jegens [X ] . Grief 5 is dan ook op beide onderdelen terecht aangevoerd.

3.19

Grief 6 in principaal appel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de uitlatingen van [appellante sub 1] van 18 mei en van 1 juni 2016 op haar facebookpagina en de toevoeging daarop van 2 juni 2016 van [appellant sub 2] onrechtmatig zijn jegens [X ] . [appellanten] stellen zich op het standpunt dat zij zich slechts in het algemeen hebben uitgelaten en de naam van [X ] op geen enkel moment hebben genoemd. Het hof overweegt als volgt. De uitlatingen van [appellante sub 1] betreffen een crowdfundingactie van [X ] . Zij uit daarbij haar zorgen over het verschijnsel crowdfunding in de zorg. Dat staat haar vrij, ook als zij deze zorgen in verband brengt met [X ] . [appellant sub 2] uit in de onderhavige uitlating in algemene termen, in sterke bewoordingen, zijn zorgen over commercie in de zorg, zonder daarbij de naam [X ] te noemen. Niet valt in te zien waarom dit onrechtmatig jegens [X ] zou zijn. De grief slaagt.

3.20

De grieven 7 en 9 in principaal appel borduren slechts voort op de voorgaande grieven en behoeven daarom geen bespreking.

3.21

Met grief III in incidenteel appel bestrijdt [X ] het oordeel van de rechtbank dat de uitlating van [appellant sub 3] (hof, bedoeld zal zijn: [appellante sub 1] ), een citaat uit een interview met haar, op haar facebookpagina niet onrechtmatig is omdat deze te algemeen van aard is. [X ] wijst erop dat enkele posts lager alweer een link naar haar is gemaakt. Mede in verband met andere uitlatingen maakt de lezer snel een verband met [X ] , waarbij zij vooral valt over de bewoordingen ‘Eén moord is geen moord, denk ik dan’. Het hof is echter met de rechtbank van oordeel dat de tekst uit het interview zodanig algemeen van aard is dat de lezer geen verband zal leggen tussen deze tekst, inclusief de geciteerde woorden, en [X ] . Het voert te ver om in verband met andere al dan niet onrechtmatig geoordeelde teksten de onderhavige tekst toch onrechtmatig te achten. [X ] legt overigens niet uit op welke andere teksten en/of posts zij in dit verband doelt. De grief faalt.

3.22

Geen van partijen heeft een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de in rechtsoverweging 5.9 van het bestreden vonnis eveneens geciteerde tweede tekst van (zoals juist weergegeven) [appellant sub 3] wel onrechtmatig was jegens [X ] , zodat dit oordeel in stand dient te blijven.

3.23

[X ] wijst bij grief II in incidenteel appel erop dat de rechtbank ten onrechte haar beoordeling heeft beperkt tot de uitlatingen van [appellanten] zoals gedaan na het wijzen van het vonnis in kort geding op 16 oktober 2015. Zij wijst bij haar grief met name op de uitlatingen blijkend uit de producties 37 tot en met 43 bij haar inleidende dagvaarding en haar in hoger beroep overgelegde productie 60. Het hof zal deze uitlatingen thans beoordelen. Aan die beoordeling staat immers niet in de weg dat deze eerder in kort geding zijn beoordeeld.

3.24

In productie 37, een email van [appellant sub 2] verzonden aan vele derden, schrijft hij dat de vier zussen, ‘daders’, vader volledig van de buitenwereld afschermden en dat [X ] ‘medeplichtige’ was. [appellant sub 2] wijst in zijn email verder erop dat [X ] medische informatie beschikbaar heeft gesteld die de vier zussen in het kort geding tegen hen hebben gebruikt. Die opmerking, hiervoor al besproken, is feitelijk juist en maakt niet dat de email onrechtmatig is. Ook de kwalificatie dat [X ] daarmee partij heeft getrokken voor de vier zussen maakt de email niet onrechtmatig. Dat kan [appellant sub 2] immers terecht menen. Dat [X ] daarmee ook medeplichtig is aan het afschermen van vader gaat weliswaar ver, maar is niet om de enkele reden dat daarbij een strafrechtelijke term wordt gebruikt onrechtmatig jegens [X ] . In het bij de email als bijlage gevoegde artikel uit het Noordhollands Dagblad van 29 september 2014, dat met name handelt over de vier zussen, staat over een daarin niet met name genoemde thuiszorgorganisatie dat deze helemaal op de hand van de vier zussen was. Dat is te algemeen en te weinig beschuldigend om tot onrechtmatigheid te leiden. De als productie 38 overgelegde bijlage, opgesteld door [appellant sub 2] en bedoeld voor de burgemeester van [plaats] , heeft dezelfde strekking als de reeds onder 3.17 besproken uitlating van [appellant sub 2] van 2 april 2016 en is evenals deze uitlating dan ook niet onrechtmatig. De uitlating van [appellant sub 3] op twitter dat [X ] op grove schaal patiëntenrechten schendt is weliswaar op de rand van het toelaatbare, maar dermate kort en algemeen van aard dat de impact daarvan gering zal zijn geweest en is daarom, mede gelet op de overige omstandigheden, niet onrechtmatig jegens [X ] . [X ] heeft verder nog gewezen op negatieve waarderingen die [appellanten] op Zorgkaart.nl hebben willen plaatsen maar die als gevolg van beleid van Zorgkaart.nl zijn afgewezen. De uitlatingen zijn aldus kennelijk niet publiek gemaakt. Het had op de weg van [X ] gelegen nader toe te lichten waarom deze pogingen toch onrechtmatig jegens haar zijn. De grief faalt tot zover.

3.25

Het hof acht de uitlating van [appellant sub 3] van 20 oktober 2014 op facebook en twitter, inhoudende dat zij Mona Keijzer graag had geïnformeerd over de gijzeling van vader in samenwerking met [X ] , wel onrechtmatig. Het gebruik van de term gijzeling is dermate diffamerend dat dit, zonder verdere grond in de feiten dan dat [X ] heeft meegewerkt aan de totstandkoming van strenge bezoekregels, onrechtmatig is jegens haar.

3.26

[X ] heeft bij grief II en bij grief V in incidenteel appel nog erop gewezen, met verwijzing naar haar productie 60, dat op de facebookpagina van [appellanten] nog steeds een verwijzing staat naar het hiervoor reeds genoemde artikel uit het Noordhollands Dagblad van 29 september 2014. Het hof heeft echter reeds geoordeeld dat de inhoud van dit krantenartikel niet onrechtmatig is jegens [X ] zodat ook het verspreiden daarvan niet onrechtmatig jegens haar is. De daarbij geposte berichten zouden vervolgens de indruk wekken dat [X ] heeft meegewerkt aan gijzeling, ouderenmishandeling en/of ondermaats zou presteren. [X ] heeft echter nagelaten concreet te verwijzen naar bepaalde berichten, terwijl het hof evenmin uit de overgelegde productie heeft kunnen afleiden welke berichten onrechtmatige aantijgingen jegens [X ] zouden bevatten.

3.27

[X ] heeft onvoldoende toegelicht waarom andere door haar genoemde uitlatingen van [appellanten] onrechtmatig zouden zijn. De verwijzing (in haar inleidende dagvaarding) naar de dagvaarding in kort geding, leidend tot het vonnis genoemd onder 2.10, kan haar niet baten, met name omdat de in laatstgenoemde dagvaarding genoemde producties ontbreken.

3.28

De conclusie is dat het hof evenals de rechtbank de uitlatingen van [appellanten] ten dele als onrechtmatig jegens [X ] beoordeelt, zij het met een andere meetlat dan de rechtbank heeft gehanteerd, en met daardoor een resultaat dat ten dele afwijkt van het oordeel van de rechtbank. De onrechtmatigheid betreft uitlatingen van alle drie de partijen aan de zijde van [appellanten] afzonderlijk, zoals uit het voorgaande blijkt.

De vorderingen van [X ]

3.29

Het voorgaande betekent dat ook het hof grond aanwezig acht voor toewijzing van de in het dictum van het bestreden vonnis onder 6.1 opgenomen verklaring voor recht. In zoverre zal het vonnis worden bekrachtigd. Gelet op de stelselmatigheid van de onrechtmatige uitlatingen is het hof van oordeel dat het gebod tot het staken van het doen van onrechtmatige uitlatingen eveneens terecht is toegewezen. Ook deze beslissing zal worden bekrachtigd.

3.30

[X ] betoogt bij grief IV in incidenteel appel nog dat de rechtbank de opgelegde dwangsom ten onrechte heeft gematigd. Zij licht dit toe door te stellen dat ook de uitlatingen die de rechtbank niet in haar oordeel heeft meegenomen, althans die als rechtmatig zijn beoordeeld, onrechtmatig zijn. Het hof ziet echter geen grond een hogere dwangsom op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan. Die dwangsom is immers, zo blijkt uit de gang van zaken, een voldoende middel gebleken om [appellanten] te weerhouden van het opnieuw doen van onrechtmatige uitlatingen. De grief faalt dan ook.

3.31

Grief V in incidenteel appel richt zich tegen de afwijzing van de vordering de onrechtmatige uitlatingen te verwijderen. [X ] voert daarbij aan dat uit productie 60 blijkt dat op de facebookpagina van [appellanten] nog steeds wordt verwezen naar het eerder genoemde artikel uit het Noordhollands Dagblad en dat daarbij nog steeds onrechtmatige uitlatingen zijn gepost. Het hof heeft echter reeds geoordeeld dat productie 60 geen onrechtmatige uitlatingen bevat en de daarbij geposte berichten evenmin. De grief faalt dan ook.

3.32

[X ] verzoekt bij grief VI tenslotte haar vordering tot vergoeding van schade toe te wijzen. Zij wijst erop dat de handelwijze van [appellanten] haar heeft genoodzaakt juridische kosten te maken en dat zij derhalve schade heeft geleden. Het hof overweegt dat de juridische kosten van het voeren van een procedure worden geacht te zijn gedekt door een proceskostenveroordeling. [X ] heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij naast de kosten van het voeren van dit geding – en de voorlopige voorziening die zijn eigen proceskostenveroordeling kent – andere juridische kosten heeft gemaakt. Er is dan ook geen grond voor toewijzing van haar vordering tot vergoeding van schade en evenmin voor haar vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De grief faalt.

3.33

De slotsom is dat de grieven in het principale en het incidentele appel falen althans niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal dan ook worden bekrachtigd. De kosten van het principale appel zullen worden gecompenseerd nu partijen daarin over en weer in het ongelijk zijn gesteld. [X ] zal als daarin grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten van het principale hoger beroep draagt;

veroordeelt [X ] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellanten] begroot op € 1.611,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, G.C. Boot en M.S.A. Vegter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature