< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling ter zake van art. 9 lid 7, art. 163 lid 6 en art. 107 lid 1 WVW 1994, artikel 30 van de Wet aansprakelijkheids-verzekering motorrijtuigen, diefstal in vereniging en belediging van een ambtenaar in functie.

Uitspraak



afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001083-17

datum uitspraak: 4 juni 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 maart 2017 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-196174-15 (hierna: zaak A), 15-211828-15 (hierna: zaak B), 15-166273-16 (hierna: zaak C), 15-216209-16 (hierna: zaak D) en 15-231103-16 (hierna: zaak E), alsmede 15-800252-14 (TUL) en 96-221604-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 2019.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak C (parketnummer 15-166273-16) is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

Zaak A

1.hij op of omstreeks 8 augustus 2014 te Hoorn als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorfiets te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en van wie het aannemelijk was dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk was, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;

2.hij op of omstreeks 8 augustus 2014 te Hoorn als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) heeft gereden op de weg, Blokmergouw, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

3.hij op of omstreeks 8 augustus 2014 te Hoorn als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), gekentekend [kenteken], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Blokmergouw, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden;

Zaak B

hij op of omstreeks 8 juni 2015, te Hoorn, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, het Dampten, een motorrijtuig, (bedrijfsauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;

Zaak D

hij op of omstreeks 10 november 2015 te Hoorn, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een computerspel (Call of Duty Black ops 3 voor Playstation 3), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] ([adres 2]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

Zaak E

hij op of omstreeks 15 augustus 2016 te Hoorn opzettelijk een of meer ambten(a)ar(en), te weten [verbalisant 1] (operationeel coordinator van politie Eenheid Noord Holland) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Noord-Holland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hen de woorden toe te voegen: 'kankerlijers', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of daarbij zijn middelvinger op te steken naar die [verbalisant 1] en die Weg.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft verzocht de verdachte integraal van het in de zaak A onder ten laste gelegde vrij te spreken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de motorfiets heeft bestuurd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich niet meer veel van het incident kan herinneren, maar dat hij wel weet dat hij achterop zijn eigen motorfiets zat terwijl een vriend van hem het voertuig bestuurde en die vriend er vandoor is gegaan nadat zij voor het politiebureau ten val zijn gekomen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 8 augustus 2014 volgt dat zij als eerste ter plaatse kwam en dat zij toen bij het motorvoertuig één persoon op de grond zag liggen, die zij ambtshalve herkende als de verdachte. Het hof heeft geen enkele reden om aan de juistheid van de inhoud van dit op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal te twijfelen.

Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario is niet onderbouwd en ook overigens volstrekt onaannemelijk gebleven, nu het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor de betrokkenheid van een tweede persoon.

Het verweer wordt verworpen.

Hetgeen overigens door de raadsman is aangevoerd vindt weerlegging in de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A

1.hij op 8 augustus 2014 te Hoorn als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorfiets te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en van wie het aannemelijk was dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk was, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;

2.hij op 8 augustus 2014 te Hoorn als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) heeft gereden op de weg, Blokmergouw, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

3.hij op 8 augustus 2014 te Hoorn als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), gekentekend [kenteken], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Blokmergouw, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden;

Zaak B

hij op 8 juni 2015 te Hoorn, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs was gevorderd en van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, het Dampten, een motorrijtuig van de categorie waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd;

Zaak D

hij op 10 november 2015 te Hoorn, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een computerspel, toebehorende aan [bedrijf];

Zaak E

hij op 15 augustus 2016 te Hoorn opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Noord-Holland), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: 'kankerlijers' en daarbij zijn middelvinger op te steken naar die Weg.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaken A, B, D en E bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer zaak A onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 .

Het in de zaak met parketnummer zaak A onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 .

Het in de zaak met parketnummer zaak A onder 3 bewezen verklaarde levert op:

als bestuurder van een motorrijtuig daarmee op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden.

Het in de zaak B bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 .

Het in de zaak met parketnummer zaak D bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer zaak E bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, en

een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en

een geldboete ter hoogte van € 300,00, subsidiair 6 dagen hechtenis, en

een geldboete ter hoogte van € 300,00, subsidiair 6 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot:

een taakstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, en

een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van twee jaren, en

een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van twee jaren, en

een geldboete ter hoogte van € 300,00, en

een geldboete ter hoogte van € 300,00.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om een taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen, omdat – kort gezegd – de verdachte zijn leven ten goede heeft gekeerd, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat hij een relatie en een baan heeft. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en/of een onvoorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid zou de positieve wending van het leven van de verdachte doorkruisen. Voorts is aangevoerd dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van twee jaren schuldig gemaakt aan een zestal feiten.

Ten eerste heeft de verdachte geweigerd een bevel tot medewerking aan een bloedonderzoek op te volgen. De verplichting gevolg te geven aan een dergelijk bevel dient ter bevordering van de verkeersveiligheid, die in gevaar wordt gebracht als onder invloed van alcohol aan het verkeer wordt deelgenomen. Het bloedonderzoek strekt ertoe te kunnen vaststellen of en, zo ja, in welke mate door een bestuurder onder invloed van alcohol is gereden en de uitslag daarvan is mede van belang voor de bepaling van de (eventueel) op te leggen straf. Door niet mee te werken aan dit onderzoek kan de verdenking niet nader worden geconcretiseerd, waarmee hij de handhaving van verkeersregels heeft gefrustreerd.

Ten tweede heeft de verdachte op de openbare weg een motorfiets bestuurd, terwijl hij niet in het bezit was van een daarvoor vereist rijbewijs. Hiermee heeft de verdachte er blijk van gegeven zich niets gelegen te laten liggen aan de geldende regels voor deelname aan het verkeer als bestuurder van een motorrijtuig, die onder andere zijn opgesteld met het oog op de verkeersveiligheid. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen voor zichzelf maar ook voor andere weggebruikers een onverantwoord risico genomen.

Ten derde heeft de verdachte in strijd met artikel 30, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheids-verzekering motorrijtuigen als bestuurder van een motorfiets, daarmee op de openbare weg gereden zonder dat voor dit voertuig een verzekering was afgesloten en in stand gehouden. Het doel van voornoemd artikel is te voorkomen dat in Nederland onverzekerde motorrijtuigen aanwezig zijn, om zodoende slachtoffers te beschermen tegen schade die door dergelijke motorrijtuigen wordt veroorzaakt. Door geen verzekering af te sluiten en in stand te houden, heeft de verdachte het risico genomen slachtoffers te benadelen doordat zij hun schade niet op een verzekeraar kunnen verhalen.Ten vierde heeft de verdachte op de openbare weg een bedrijfsauto bestuurd, terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Door een motorrijtuig te besturen, terwijl hij wist dat dat hem vanwege door Nederlandse autoriteiten genomen beslissingen niet was toegestaan, heeft de verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor maatregelen die van overheidswege worden getroffen door daartoe bevoegde instanties, bedoeld om de verkeersveiligheid te waarborgen.Ten vijfde heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een computerspel. Winkeldiefstal is een ergerlijk feit, dat naast materiële schade ook hinder veroorzaakt voor het gedupeerde winkelbedrijf. Bovendien heeft de verdachte door aldus te handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander. Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het beledigen van een politieambtenaar tijdens de uitoefening van zijn functie. Dit getuigt van onbeheerst gedrag en gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Het hof rekent dit alles de verdachte aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 mei 2019 is hij eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in het nadeel van de verdachte weegt.

In strafmatigende zin heeft weegt het hof bij mee dat sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten. Voorts is acht geslagen op de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de onderhavige zaak in hoger beroep is overschreden. Immers, het hoger beroep is ingesteld op 28 maart 2017, terwijl de stukken van het geding eerst op 30 augustus 2018 – zijnde meer dan acht maanden na het instellen van hoger beroep – ter griffie van het hof zijn binnengekomen. Nu de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, gerekend vanaf de datum van de betekening van de dagvaarding aan de verdachte op 5 december 2016, in totaal de termijn van vier jaren echter niet te boven is gegaan, ziet het hof geen aanleiding hieraan gevolgen te verbinden en wordt volstaan met het constateren van de overschrijding.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf, een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid en geldboetes van na te melden duur danwel hoogte, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 57, 62, 63, 266, 267 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 30 van de Wet aansprakelijkheids-verzekering motorrijtuigen en de artikelen 9, 107, 163, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 .

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging 15-800252-14

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 14 juli 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof acht – conform de vordering van de advocaat-generaal en het verzoek van de raadsman – termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Vordering tenuitvoerlegging 96-221604-14

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 december 2014 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof acht – conform de vordering van de advocaat-generaal en het verzoek van de raadsman – termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-166273-16 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-196174-15 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 15-216209-16 en in de zaak met parketnummer 15-231103-16 en in de zaak met parketnummer 15-211828-15 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-196174-15 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 15-216209-16 en in de zaak met parketnummer 15-231103-16 en in de zaak met parketnummer 15-211828-15 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder in de zaak met parketnummer 15-196174-15 onder 1, in de zaak met parketnummer 15-216209-16, in de zaak met parketnummer 15-231103-16 en in de zaak met parketnummer 15-211828-15 bewezen verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-196174-15 onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-196174-15 onder 2 bewezen verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-196174-15 onder 3 bewezen verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 22 november 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 14 juli 2015, parketnummer 15-800252-14, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 22 november 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 december 2014, parketnummer 96-221604-14, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.R. Cox, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 juni 2019.

mrs. P.F.E. Geerlings, M.R. Cox en A.S.E. Evelo zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature