< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verplichting tot het behalen van voldoende opleidingspunten. Notarieel medewerker. KNB in hoger beroep mbt klacht van het BFT. Het hof verklaart de klacht van het BFT, anders dan de kamer, gegrond. Geen maatregel. Hof verwezen naar ECLI:NL:GHAMS:2013:4589.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.250.115/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/340422/KL RK 18-100

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 28 mei 2019

inzake

Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie,

gevestigd te Den Haag,

appellante,

vertegenwoordigd door: mr. [naam],

tegen

mr. [ mr. X],

werkzaam op een notariskantoor te [plaats],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. Y. Benjamins, advocaat te Amsterdam.

Als belanghebbende is in deze zaak aangemerkt:

Bureau Financieel Toezicht,

gevestigd te Utrecht,

vertegenwoordigd door: mr. [naam] en mr. [naam].

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante (hierna: de KNB) heeft op 23 november 2018 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 13 november 2018 (ECLI:NL:TNORARL:2018:46). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van het Bureau Financieel Toezicht (hierna: het BFT) tegen geïntimeerde (hierna: [ mr. X]) ongegrond verklaard.

1.2.

[ mr. X] heeft op 27 december 2018 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 14 maart 2019. [ mr. X], bijgestaan door zijn gemachtigde, en de vertegenwoordiger van de KNB, vergezeld van zijn collega [naam], zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van [ mr. X] en de vertegenwoordiger van de KNB aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. De vertegenwoordigers van het BFT zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

[ mr. X] heeft in 2005 zijn universitaire studie Notarieel Recht afgerond. In oktober 2006 is [ mr. X] als notarieel medewerker in dienst getreden bij [naam kantoor] te [plaats], thans genaamd [naam kantoor].

3.2.2.

In 2010 heeft de KNB de werkgever van [ mr. X] aangeschreven in verband met het feit dat [ mr. X] nog geen lid was van de KNB. Bij brief van 11 mei 2012 heeft [ mr. X] aan de KNB bericht:

“(..) Hierbij wil ik u nogmaals mijn standpunt inzake het (verplichte) lidmaatschap van de KNB duidelijk maken.

Op 31 mei 2010 ontving ik een kopie van een brief van de KNB d.d. 23 april 2010 gestuurd aan mijn werkgever. In deze brief wordt aangegeven dat ik op grond van artikel 1 lid 1 sub b van de Wet op het Notarisambt word aangemerkt als kandidaat-notaris.

In mijn brief d.d. 2 juni 2010 heb ik aangegeven dat ik geen kandidaat-notaris ben. Op dat standpunt sta ik nog steeds. Ik ben werkzaam als notarieel medewerker, dit staat ook in mijn arbeidsovereenkomst en zo sta ik op onze internetsite. Ik ben niet gestart met de beroepsopleiding en neem niet deel aan de permanente educatie, omdat ik geen ambitie heb om kandidaat-notaris te zijn/worden.

Enkel en alleen omdat ik de notariële studie heb afgerond en werkzaamheden verricht op een notariskantoor word ik door de KNB gezien als kandidaat-notaris, met het daar bijkomende verplichte lidmaatschap van de KNB. Uitzonderingen zijn blijkbaar niet mogelijk.

Bijgaand zend ik u een kopie van correspondentie inzake het lidmaatschap van mevrouw [naam]. Zij heeft haar lidmaatschap bij de KNB opgezegd toen zij als notarieel secretaresse is gaan werken. De KNB heeft dat gehonoreerd en haar lidmaatschap beëindigd. Blijkbaar zijn uitzonderingen dus wel mogelijk.

Ik hoop u hiermee genoeg duidelijkheid te hebben gegeven om uw standpunt in deze te kunnen bepalen.”

3.2.3.

[ mr. X] heeft zich uiteindelijk moeten aanmelden als lid van de KNB, hetgeen hij ook heeft gedaan.

3.2.4.

Bij brief van 4 februari 2015 heeft het BFT aan [ mr. X], voor zover hier van belang, bericht:

“De afdeling Juridische zaken/handhaving van het Bureau Financieel Toezicht (BFT) heeft kennis genomen van uw tekort in het aantal PE-punten in het kader van de verplichte permanente educatie en uw reactie hierop van 18 november 2014.

Uit de informatie van de KNB en uw reactie hierop blijkt dat u in het tijdvak 2012-2013 te weinig PE-punten heeft behaald. Uw puntentekort bedraagt 25.

(...)

Waarschuwing met hersteltermijn

Het BFT waarschuwt u dat u thans in strijd handelt met artikel 1 jo. artikel 2 lid 1 Verordening bevordering vakbekwaamheid jo. artikel 5 lid 1 Reglement bevordering vakbekwaamheid. U dient binnen een tijdvak van twee kalenderjaren 40 opleidingspunten te behalen. Voor sommigen is dit puntenaantal overigens anders, vanwege bijvoorbeeld een eerdere inhaalverplichting of vanwege het feit dat u tijdelijk niet in het notariaat werkzaam bent geweest.

Het BFT gaat hierbij tevens over tot het opleggen van een hersteltermijn. De hersteltermijn strekt ertoe dat u uiterlijk per 31 december 2015 uw puntentekort uit het tijdvak 2012-2013 heeft ingehaald. Het BFT zal de KNB informeren over uw inhaalverplichting. De KNB zal uw inhaalverplichting in de administratie verwerken.”

3.2.5.

Het BFT heeft [ mr. X] per brief van 12 augustus 2016 onder meer het volgende bericht:

“Uw beroepsorganisatie KNB heeft het BFT laten weten dat u niet volledig heeft voldaan aan uw opleidingsverplichtingen in het kader van de permanente educatie.

De KNB heeft u reeds bij brief van 29 februari 2016 geïnformeerd dat u in het tijdvak 2014-2015 minder dan het verplichte aantal opleidingspunten heeft behaald. U heeft hierop gelegenheid gehad te reageren. De KNB heeft het puntentekort en uw eventuele reactie doorgegeven aan het BFT, ter handhaving.

Uit de informatie van de KNB blijkt dat u in het tijdvak 2014-2015 0 van de 65 opleidingspunten heeft behaald, derhalve had u een puntentekort van 65 . U handelde daarmee in strijd met de Verordening bevordering vakbekwaamheid en het bijbehorende reglement.

(...)

Gezien de feiten zal het BFT u voor de tweede maal waarschuwen dat u niet volledig heeft voldaan aan uw opleidingsverplichtingen. Het BFT weegt mee dat u eerder schriftelijk door het BFT bent gewaarschuwd dat u niet volledig aan uw opleidingsverplichtingen voldeed in het tijdvak 2012-2013.

Waarschuwing met hersteltermijn

(...) Het BFT geeft u gelegenheid tot herstel binnen een bepaalde termijn. De hersteltermijn strekt ertoe dat u uiterlijk per 31 december 2017 (einde tijdvak 2016-2017) uw puntentekort uit het tijdvak 2014-2015 heeft ingehaald. (...)

Nu u voor de tweede maal niet volledig heeft voldaan aan uw opleidingsverplichtingen, wijs ik u erop dat bij een volgend puntentekort het indienen van een tuchtklacht in de rede ligt. (...)”

3.2.6.

[ mr. X] heeft in het tijdvak 2016-2017 opnieuw geen opleidingspunten behaald.

3.2.7.

Vanwege het niet behalen van de - volgens het BFT - voor [ mr. X] verplichte opleidingspunten, heeft het BFT op 17 juli 2018 een klacht (zie onder 4) bij de kamer ingediend. [ mr. X] heeft verweer gevoerd.

3.2.8.

Op 25 september 2018 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de kamer gesproken met de vertegenwoordigers van het BFT en de KNB en met [ mr. X]. Uit het gespreksverslag volgt:

“De klacht is besproken. Het volgende voorstel is gemaakt:

- Mr. [ mr. X] zal voor het lopende en de komende tijdvakken de volledige 40 PE-punten halen

-Voor de ontbrekende punten in het verleden is ter compensatie het voorstel een leertraject te volgen uiterlijk in 2020 (20 PE-punten).

Mr. [ mr. X] gaat bovenstaande met de notaris bespreken.

Indien de notaris akkoord gaat zal klager de klacht intrekken.

Indien de notaris niet akkoord gaat zal de klacht worden behandeld bij de zitting van de kamer van 3 oktober 2018 in raadkamer. (...)”

3.2.9.

[ mr. X] heeft per e-mailbericht van 28 september 2018 (gericht aan de kamer) zijn standpunt, zoals verwoord in zijn brief van 11 mei 2012 (zie 3.2.2), grotendeels herhaald. Verder heeft hij in datzelfde e-mailbericht, voor zover van belang, medegedeeld:

“(...) Ik voel mij gevangen in een hokje en dat voelt niet fijn. Het is toch niet redelijk en billijk dat uitzonderingen niet mogelijk zijn. Ik zou mijn verplichte lidmaatschap bij de KNB graag beëindigen. (...) Ik stuur deze week nogmaals het verzoek naar de KNB om ook mijn lidmaatschap te beëindigen en doe daarbij een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Momenteel werk ik parttime (3 dagen per week) daarnaast sta ik sinds mijn vrouw in 2015 is overleden alleen voor de opvoeding van onze drie kinderen. Ik doe mijn best alle ballen in de lucht te houden maar dat valt niet mee. De functie notarieel medewerker geeft mij duidelijkheid, rust en stabiliteit, geen stress en werkdruk.”

4 Klacht van het BFT

Het BFT verwijt [ mr. X] dat hij voor de derde keer niet heeft voldaan aan de verplichting om voldoende opleidingspunten te halen, ondanks de door het BFT geboden herstelmogelijkheden. Hiermee heeft [ mr. X] in strijd gehandeld met artikel 1 jo. artikel 2 lid 1 Verordening bevordering vakbekwaamheid (Vbv) jo. artikel 5 Reglement bevordering vakbekwaamheid. (Rbv).

5 Standpunt van de KNB

5.1.

De KNB stelt in hoger beroep dat [ mr. X] op grond van artikel 1 lid 1 sub c van de Wet op het notarisambt (Wna) moet worden aangemerkt als kandidaat-notaris en derhalve zou moeten voldoen aan alle verplichtingen die de (notariële) regelgeving een kandidaat-notaris oplegt, derhalve ook aan de PE-verplichting. Hoewel de kamer dit ook heeft geoordeeld, is de klacht over de niet behaalde PE-punten tóch ongegrond verklaard. De KNB acht dit onbegrijpelijk, mede gelet op de uitspraak van dit hof van 10 december 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:4589). In die zaak was immers ook sprake van een persoon die notarieel recht had gestudeerd en (na eerst op hetzelfde kantoor gewerkt te hebben als kandidaat-notaris) als notarieel medewerkster notariële werkzaamheden verrichtte onder verantwoordelijkheid van een notaris en die haar PE-punten niet had behaald. Het hof heeft de klacht jegens die medewerker wel gegrond verklaard.

5.2.

Overigens komt het de KNB niet onlogisch voor dat de kamer rekening heeft gehouden met het feit dat [ mr. X] vanwege privé omstandigheden verminderd in staat is om aan zijn PE-verplichting te voldoen en de kamer hierin wellicht ook zijn werkomstandigheden heeft meegenomen. Het opleggen van een maatregel in hoger beroep is niet per se geboden, aldus de KNB.

5.3.

De KNB wenst nog altijd een (nieuw) gesprek aan te gaan met [ mr. X] om te bezien hoe een en ander zo goed als mogelijk kan worden opgelost, waarbij enerzijds rekening wordt gehouden met de (persoonlijke) omstandigheden van [ mr. X] en anderzijds met het doel van de PE-verplichting, het in stand houden van de kwaliteit van het notariële werk. Een ontheffing voor de rest van de carrière van [ mr. X], zoals [ mr. X] wenst, behoort niet tot de (wettelijke) mogelijkheden van de KNB en kan ook niet van haar worden verwacht.

5.4.

Tot slot heeft de KNB aangevoerd dat de wetgever, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis, bewust heeft gekozen voor deze wettelijke regeling voor kandidaat-notarissen, teneinde te voorkomen dat een kandidaat-notaris of zijn notariële werkgever zich kan onttrekken aan de verplichtingen die de wet aan de kandidaat-notaris oplegt, alsmede aan het voor de kandidaat-notaris geldende toezicht en tuchtrecht.

6 Standpunt van [ mr. X]

6.1.

voert in hoger beroep allereerst aan dat hij niet is aan te merken als kandidaat-notaris in de zin van artikel 1 lid 1 sub c van de Wna . Zo wordt hij naar buiten toe nimmer gepresenteerd. Daarnaast wordt ook niet uitgedragen dat hij notariële werkzaamheden onder de verantwoordelijkheid van een notaris of waarnemer zou verrichten.

6.2.

Ten tweede gaat de redenatie van de KNB, inhoudende dat [ mr. X] geen PE-punten heeft gehaald en de klacht derhalve gegrond is, niet zomaar op. De vraag of is voldaan aan de verplichte (bij)scholing is immers afhankelijk van de functie van de betrokkene en wat voor die functie noodzakelijk is, aldus [ mr. X]. Verder stelt [ mr. X] dat artikel 4 Rbv de ruimte biedt voor een afwijking van bijscholing door middel van PE-punten.

6.3.

Overigens is [ mr. X] niet van mening dat (bij)scholing in zijn geheel niet nodig is. Hij is enkel van mening dat deze (bij)scholing aangepast dient te worden aan zijn persoonlijke omstandigheden. Daarbij dient volgens [ mr. X] niet onvermeld te blijven dat [ mr. X], in tegenstelling tot de medewerkster in de zaak van dit hof van 10 december 2013, nooit kandidaat-notaris heeft willen zijn, in de zin dat hij is begonnen aan de beroepsopleiding. [ mr. X] beschikt in feite slechts ten overvloede over een universitaire diploma, waardoor hij in een nadeligere positie komt te staan ten opzichte van notariële medewerkers, die exact dezelfde werkzaamheden verrichten als [ mr. X], maar niet beschikken over dit diploma. [ mr. X] laat weten na de uitspraak van dit hof alsnog in gesprek te willen gaan met de KNB over zijn (bij)scholing.

7 Beoordeling

Ontvankelijkheid KNB

7.1.

Ingevolge artikel 107 lid 1 Wna wordt wat betreft de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep in alle gevallen de KNB als klager aangemerkt. Daaruit volgt dat ook in deze zaak, waarin de KNB bij de kamer niet als belanghebbende is opgetreden, de KNB toch ontvangen kan worden in het hoger beroep.

Kandidaat-notaris

7.2.

Tussen de KNB en [ mr. X] is allereerst in geschil of [ mr. X] dient te worden aangemerkt als kandidaat-notaris in de zin van de Wna. Conform artikel 1 aanhef en sub b (oud) Wna (met ingang van 1 januari 2013 vernummerd tot sub c) is de kandidaat-notaris degene die voldoet aan de opleidingsvereisten van artikel 6, tweede lid onder a, en onder verantwoordelijkheid van een notaris of waarnemer notariële werkzaamheden verricht. Vast staat dat [ mr. X] aan de opleidingsvereisten voldoet.

Ook staat vast dat [ mr. X] zijn werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van een notaris verricht. Ter beoordeling staat of zijn werkzaamheden dienen te worden aangemerkt als notariële werkzaamheden. Hierover heeft [ mr. X] ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij (onder meer) royementen, hypotheek- en leveringszaken behandelt, dat hij ten aanzien van die royementen en in die hypotheek- en leveringszaken onder meer conceptakten opmaakt en klanten daarover te woord staat. Naar het oordeel van het hof dienen deze werkzaamheden te worden aangemerkt als notariële werkzaamheden. Dit betekent dat [ mr. X] onder de wettelijke omschrijving van 'kandidaat-notaris' valt. Artikel 60 Wna bepaalt dat alle in Nederland werkzame kandidaat-notarissen leden zijn van de KNB. [ mr. X] is daarom lid van de KNB. Ingevolge artikel 93 lid 1 Wna is [ mr. X] als kandidaat-notaris in de zin van de wet ook aan het tuchtrecht onderworpen.

PE-punten

7.3.

Artikel 1 Vbv verplicht ieder lid van de KNB om zich zodanig te scholen en bij te scholen op vakinhoudelijk gebied, op het gebied van notarieel management en op het gebied van de notariële dienstverlening dat hij beschikt over de kennis die gezien zijn functie noodzakelijk is voor een goede beroepsuitoefening. Artikel 2 Vbv bepaalt dat aan de in artikel 1 neergelegde verplichting in beginsel is voldaan als een lid van de KNB binnen telkens twee kalenderjaren een door het bestuur van de KNB vast te stellen aantal opleidingspunten heeft behaald. Artikel 5 lid 1 Rbv bepaalt dat het aantal opleidingspunten dat een lid moet behalen in een tijdvak van twee jaren veertig bedraagt.

7.4.

Het hof heeft in zijn beslissing van 10 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4589, die door beide partijen is aangehaald, als volgt overwogen:

"5.3. (...) De functie waarvan in artikel 1 van de verordening wordt gesproken betreft de functie van (al dan niet ervaren) kandidaat-notaris. Welke (notariële) werkzaamheden betrokkene op enig moment daadwerkelijk verricht en hoe zij zich presenteert is naar het oordeel van het hof niet van belang bij de beoordeling of zij in strijd met de verordening heeft gehandeld, nog daargelaten dat dit, zeker wat de werkzaamheden betreft, voor de KNB niet is vast te stellen. Ook overigens ziet het hof geen reden om betrokkene als kandidaat-notaris niet aan de educatieverplichting te houden, zodat, nu vaststaat dat zij in het betreffende tijdvak niet aan die verplichting heeft voldaan, de conclusie moet zijn dat betrokkene in strijd met de verordening heeft gehandeld."

Het hof ziet geen reden om in deze zaak anders te oordelen.

7.5.

Weliswaar heeft [ mr. X], in tegenstelling tot bovengenoemde medewerkster, niet eerst gewerkt in een functie waarin hij zich presenteerde als ‘kandidaat-notaris’ en de beroepsopleiding voor kandidaat-notarissen evenmin gevolgd en afgerond (zelfs niet aangevangen), maar dat maakt het voorgaande niet anders. Na de stageperiode van zes jaren (artikel 31 Wna en vrijstelling in artikel 4 Stageverordening van de verplichtingen uit de Vbv gedurende die stage ) geldt voor een kandidaat-notaris in de zin van de wet de permanente educatieverplichting van artikel 1 Vbv, ongeacht het antwoord op de vraag of hij de beroepsopleiding voor kandidaat-notarissen heeft gevolgd. De KNB heeft dit ter zitting in hoger beroep bevestigd.

7.6.

Het bestuur van de KNB kan blijkens artikel 4 lid 4 Rbv desverzocht aan een (kandidaat-)notaris in geval van buitengewone omstandigheden geheel of gedeeltelijk vrijstelling van de in artikel 2 Vbv omschreven verplichting verlenen. Blijkens het woord 'desverzocht' is het aan de betrokken (kandidaat-)notaris om hierom te verzoeken. [ mr. X] heeft dat niet gedaan.

De door [ mr. X] genoemde omstandigheden (onder meer dat hij zich niet presenteert als kandidaat-notaris en dat hij niet ambieert in de toekomst werkzaamheden te gaan verrichten die passen bij een kandidaat-notaris die de beroepsopleiding voor kandidaat-notarissen heeft afgerond), behoren een rol te spelen bij de beoordeling door het bestuur van de KNB van een verzoek om vrijstelling, maar zij geven [ mr. X] niet de bevoegdheid zonder vrijstelling de in artikel 1 Vbv omschreven verplichting naast zich neer te leggen.

7.7.

De conclusie is dat [ mr. X] in strijd met de Vbv heeft gehandeld en de klacht derhalve – anders dan de kamer heeft geoordeeld – gegrond is.

Maatregel

7.8.

Het hof is van oordeel dat in deze zaak kan worden volstaan met gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel. Het hof betrekt daarbij dat het de KNB in hoger beroep niet te doen is om het opleggen van een maatregel, maar om opnieuw te toetsen of hetgeen de kamer in de bestreden beslissing ten aanzien van de PE-verplichting van [ mr. X] heeft geoordeeld, mede gelet op de eerdere uitspraak van dit hof van 10 december 2013, juist is.

Gesprek over de (bij)scholing

7.9.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat zowel de KNB als [ mr. X] bereid zijn met elkaar in gesprek te gaan over de (bij)scholing van [ mr. X]. Het hof acht dit positief. Het hof merkt hierbij op dat het initiatief tot het voeren van dit gesprek bij [ mr. X] ligt, mede gelet op de inhoud van voormeld artikel 4 lid 4 Rbv. Wellicht kan worden bezien of [ mr. X] in aanmerking komt voor de pilot waar de KNB momenteel aan werkt (blijkens haar beroepschrift) en waarbij de nadruk ligt op het persoonlijke ontwikkelingsplan; de leerdoelen en hoe die doelen te verwezenlijken, niet enkel door het behalen van PE-punten.

7.10.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

7.11.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

8 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing en opnieuw beslissende:

- verklaart de klacht van het BFT gegrond, zonder oplegging van een maatregel.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, G.C.C. Lewin en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2019 door de rolraadsheer.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature